RozemarijnOnline




Ruusbroec
Die geestelike brulocht

onderzoeksnota
1995



























Deze nota is geschreven in 1995 in het kader van het onderzoekscollege ‘Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec’ onder begeleiding van prof.dr. P. Mommaers (Wijsbegeerte en Theologie, Ufsia, Universiteit Antwerpen).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De Génestet
- Het tabernakel
- Doctoraalscriptie
  Hadewijch en
  Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde







Licht en warmte

Het gebruik en de betekenis van de begrippen ‘licht’ en ‘warmte’
in Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec.

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1995)



 



Bijlagen



De volgende drie bijlagen bevatten de drie passages (in het oorspronkelijke Middelnederlands en gevolgd door een hertaling) die gebruikt zijn in deze onderzoeksnota over licht en warmte in de Brulocht.

De passages zijn overgenomen uit de volgende uitgave:

Jan van Ruusbroec, De verhevenheid van de geestelijke bruiloft, of de innige ontmoeting met Christus. Oorspronkelijke tekst met juxta-hertaling in modern Nederlands door dr. Lod. Moereels S.J. Tielt, 1989.



VOORAF: Het mensbeeld van Ruusbroec


Wezen, geest en ziel volgens Ruusbroec (naar de psychologie van Augustinus)
Innige leven, ‘Ziet’
Moereels, blz. 146


Drierhande eenicheit vintmen in allen menschen natuerlijcke, ende daertoe overnatuerlijcke in goeden menschen.

Die eerste ende die hoochste eenicheit es in gode; want alle creaturen hanghen in deser eenicheit met wesene met levene ende met onthoude, ende scieden si in deser wijs van gode, si vielen in niet ende worden te niete. Dese eenicheit es weselijc in ons van natueren, weder wij sijn goet ochte quaet, ende si en maect ons sonder ons toedoen noch heylich noch salich. Dese eenicheit besitten wi in ons selven ende doch boven ons selven, als een beghin ende een onthout ons wesens ende ons levens.

Eene andere eninghe ochte eenicheit es oec in ons van natuere, dat es eenicheit der overster crachten, daer si hare natuerlijcke oerspronghe nemen werkelijcker-wijs: in eenicheit dies gheest ochte der ghedachten. Dit es die selve eenicheit die in gode hanghet, maer men neemse hier werkelijcke ende daer weselijcke; nochtans es die gheest in elcke eenicheit gheheel, na alheit sire substancien. Dese eenicheit besitten wij in ons selven boven senlijcheit; ende hier ute comt memorie ende verstannisse ende wille, ende alle die macht gheestelijcker werke. In deser eenicheit heetmen de ziele gheest.

Die derde eenicheit die in ons is van natueren, dat is eyghendoem der lijflijcker crachte in eenigheit des herten, beghin ende oerspronc des lijflijcs levens. Dese eenicheit besit die ziele inden live ende inde levendicheit dies herten; ende hier ute vloeyen alle lijflijcke werke ende die .v. zinnen. Ende hier af heetet die ziele ziele, want si des lijfs forme es, ende den lichame animeert, dat es dat sine levende maect ende levende onthoudet.

Dese drie eninghen staen inden mensche natuerlijcke alse een leven ende een rijcke. In-den nedersten es men ghevoelijc ende beestelijc; inden middelsten es men redelijc ende gheestelijc; inden oversten wertmen onthouden wesenlijc. Ende dit es natuerlijcke in allen menscen.



Hertaling van deze passage:


Een drievoudige eenheid bevindt zich in elke mens natuurlijkerwijze en wordt door de goede mensen ook bovennatuurlijkerwijze bezeten.

De eerste en hoogste eenheid is in God: want alle schepselen hangen in deze eenheid met hun wezen, doordat zij bestaan, leven en in stand gehouden worden. En mochten zij van God scheiden, dan vielen zij in het niet en hielden op te bestaan. Deze eenheid is krachtens de natuur zelf wezenlijk in ons, of wij goed zijn of kwaad; en zij maakt ons zonder ons toedoen noch heidlig noch zalig. Deze eenheid bezitten wij in onszelf en toch ook boven onszelf als een oorsprong en instandhouding van ons bestaan en van ons leven.

Een tweede eenheid bevindt zich eveneens van nature in ons: het is de eenheid der hogere vermogens, waarin deze hun natuurlijke oorsprong nemen op werkelijke wijze, dus in werkzaamheid. Dit is de eenheid van de geest of van de gedachte. Het is dezelfde eenheid die in God hangt, maar men beschouwt ze hier actief of werken, als werkzaamheid, en daar wezenlijk of als wezen; nochtans is de geest in elke eenheid geheel en onverdeeld naar de geheelheid van zijn substantie. Deze eenheid bezitten wij in onszelf boven de zintuigelijkheid; en hieruit spruiten de memorie [het bewustzijn], het verstand en de wil en heel de kracht waardoor wij vermogen geestelijk te werken. In deze eenheid noemt men de ziel: geest.

De derde eenheid die wij van nature in ons bezitten, is eigendom of grond van de lichamelijke krachten en heet: eenheid van het hart, dat beginsel en oorsprong van alle lichamelijke leven is. Deze eenheidskern bezit de ziel in het lichaam en in de levende grond of levenscel van het hart, en hieruit vloeien alle lichamelijke werkzaamheden en de vijf zintuigen. En in dit opzicht noemt men de ziel: ziel, omdat zij de vorm of het bestaansbeginsel van het lichaam is en het lichaam bezielt.

Deze drie eenheden bevinden zich in de mens van nature en vormen één leven. In de laagste is men gevoelig en dierlijk; in de middelste redelijk en geestelijk; in de hoogste wordt men door God wezenlijk in stand gehouden. En dit is van nature in alle mensen.



In: Jan van Ruusbroec, De verhevenheid van de geestelijke bruiloft, of de innige ontmoeting met Christus. Oorspronkelijke tekst met juxta-hertaling in modern Nederlands door dr. Lod. Moereels S.J. Tielt, 1989.




BIJLAGE 1: De zon in het dal


Werkende leven, ‘De Bruidegom komt’
Moereels, blz. 84-86


Dier waerommen sijn viere. Gods ontfermicheit, ende onse nootdorfticheit; Gods meltheit, ende onse begherlijcheit. Dese viere doen wassen de doechden ende die edelheit. Nu verstaet: alse die zonne ghevet haer rayen ende haren schijn in ene diepe valeye tusschen twee hoghe berghe, ende die zonne dan steet in dat hoochste des firmaments, also datse bescinen mach den bodem ende den gront vander valeyen, soe ghescien daer drie dinghe. Die valeye werdet meer verlicht, ende wederblickende vanden berghen, ende meer verhit; ende si werdet vruchtbaerre dan een pleyn effen lant.

Also ghelijckerwijs, alse een goet mensche steet op sine cleynheit in dat nederste sijn selfs, ende hi bekint dat hi niet en hevet, noch niet en is, noch niet en vermach van hemselven: noch staende bliven noch voert gaen in duechden; ende dat hi oec dicwile den doogheden ontblivet ende goeden werken, soe bekint hi sijn armoede ende sine noot; soe maect hi een dat der oetmoedicheyt. Ende want hi dan oetmoedich es ende in node, en de want hi sine noot bekint, soe toent hi ende claghet sine noodt der gueden ende der ontfermherticheyt gods. Soe merct hi gods hocheyt ende sine nederheyt: soe es hi een neder dal. Ende cristus es een zonne der gherechticheit ende oec der ontfarmherticheyt, die steet dat hoochste des firmaments, dat es ter rechter handt sijns vaders, ende schijnt in den bodem der oetmoedigher herten; want cristus wert altoes beweget van noode alse mense claghet ende toent met oetmoede.

Dan wassen daer twee berghe, dat es tweerande begheerte: die eene gode te dienene ende te lovene met werdicheden; die andere, doghede te vercrighene in edelheden. Dese .ij. berghe sijn hoghere dan die hemele, want dese begherten rueren gode zonder middel ende begheren sire liberaelder miltheit. Dan en mach hare die miltheit niet onthouden sine moet vloeyen, want dan es die ziele hebbelijc ende ontfanclijc meer gaven. Dit sijn die waeromme der nuwer toecomst met nuwe duechden.

Dan ontfaet dit dal, dat oetmoedighe herte, .iij. dinghe: het wert meer verclaert ende verlicht met gracien, ende meer verhit in karitaten, ende vrochtbaerre in volcomenen doechden ende in goeden werken.



Hertaling van deze passage:


Het waarom hiervan is viervoudig: Gods barmhartigheid en onze behoeftigheid; Gods mildheid en ons verlangen. Deze vier bevorderen de groei en de adel vande deugd. Dat zal een vergelijking beter doen begrijpen. Wanneer de zon haar stralen in een diepe vallei tussen twee hoge bergen doet schijnen, en zij dan in het zenith van het firmament staat, zodat zij de bodem en de grond van de vallei kan bestralen, dan geschieden er drie dingen. De vallei wordt meer verlicht, door de weerkaatsing van het licht der bergen; zij wordt meer verhit; en zij wordt vruchtbaarder dan een geheel effen vlakte.

Op eenzelfde manier vergaat het een goed mens: als hij in zijn kleinheid berust, in het nederste van zichzelf, en hij bekent dat hij uit zichzelf niets heeft en niets is, en niet staande kan blijven noch vooruit gaan in deugden, en dat hij zelfs vaak tekort schiet in deugdzaamheid en goede werken, en hij aldus zijn armoede en zijn nood bekent: dan graaft hij in zich een dal van ootmoedigheid. En omdat hij dan ootmoedig is en omdat hij zijn nood beket, toont en klaagt hij die aan de goedheid en de barmhartigheid Gods. Dan beseft hij Gods hoogheid en zijn kleinheid, en wordt hij een diep dal. En Christus is een zon van gerechtigheid en ook van barmhartigheid, die in het hoogste van het uitspansel prijkt, dat is: aan de rechter hand van zijn vader, en die op de bodem der ootmoedige harten schijnt; want Christus laat zich altijd bewegen door de nood als iemand die klagend met ootmoed openlegt.

Dan groeien daar twee bergen, dat is een tweevoudig verlangen: het ene om God te dienen en te loven met ontzag, het andere om deugden te verwerven in edele volmaaktheid. Deze twee bergen zijn hoger dan de hemelen, want deze verlangens raken God rechtstreeks zonder middel en smeken met begeerte zijn milde vrijgevigheid af. Dan kan zijn mildheid zich niet weerhouden om zich uit te storten, want dan is de ziel geschikt en ontvankelijk voor meer gaven. Dat zijn de beweegredenen tot nieuwe komst met nieuwe deugden.

Dan ontvangt dit dal, het ootmoedige hart, drie dingen: het wordt meer verlicht en verklaard met genaden, en meer verhit door caritas en ook vruchtbaarder in volmaakte deugden en in goede werken.



In: Jan van Ruusbroec, De verhevenheid van de geestelijke bruiloft, of de innige ontmoeting met Christus. Oorspronkelijke tekst met juxta-hertaling in modern Nederlands door dr. Lod. Moereels S.J. Tielt, 1989.



BIJLAGE TWEE: De bron met drie rivieren


Innige leven, ‘De Bruidegom komt, gaat uit’
Moereels, blz. 224-226 + 232


Overmids inwindighe liefde ende minlijc neyghen ende godlijcke trouwe ontspringhet die ander riviere van volheiden der gracien in eenicheit dies gheests, ende dat es eene gheestelijcke claerheit die vloeyt ende licht inden verstaene, met ondersceede in menigher wisen. Want dat licht toent ende ghevet inder waerheit ondersceet in allen duechden. Maer dat en leghet niet al in onser macht. Want al hebben wij dit licht altoes in onser sielen, god doet swighen ende spreken, ende hi maghet vertonen ende berghen, gheven ende nemen in tide ende in stade; want dat licht es sine. Ende daer omme werket hi in desen lichte alse hi wilt, ende daer hi wilt, ende dien hi wilt, ende dat hi wilt. Dese menschen en behoeven gheere revelacien van node, noch datse ghetrocken werden boven de senne, want haer leven ende haer woninghe ende haer wandelinghe ende haer wesen es inden gheeste, boven senne ende boven senlijcheit; ende daer toent god desen menscen wat hi wilt dies hem noot es ocht anderen menschen. Nochtan mochte god, woude hi, dese menschen beroven hare uutwindighe senne, ende toenen hem van binnen vremde ghelijcke ende toecomende dinghe in menigher wise.

Nu wilt cristus dat dese mensce ute gaa ende wandele inden lichte na wise des lichts. Nu sal dan dese verclaerde mensche ute-gaen, ende merken sine staet ende sijn leven van binnen ende van buten, ochte hi een volcomen ghelijc draghet cristi, na sire menscheyt ende oec na der godheyt. Want wij sijn ghescapen toe den beelde ende toe den ghelijcke gods. Ende hi sal sine verclaerde oghen opheffen in verstandigher waerheit met verlichter redenen, ende merken ende aensien, creatuerlijcker wijs, die hoghe natuere gods ende die grondelose eyghenscape die in gode sijn. Want eere grondeloser natueren behoren grondelose duechde ende werke.

(...)

Overmids dese vroude ende volheit der gracien, ende een godlijcke trouwe, ontspringhet ende vloeyt de derde riviere in deser selver eenicheit des gheests. Dese riviere ontfunct den wille ghelijc den viere, ende verslindet ende verteret alle dinc in eenicheit, ende overvloeyt ende dorevloeyt alle de crachte der zielen met rijcken gaven ende met zonderlingher edelheit, ende si maket in den wille eene subtile gheestelijcke minne zonder aerbeit.
Nu spreect cristus inwindich inden gheeste overmids dese berrende riviere: Gaet ute met oefeninghen, na de wise deser gaven ende deser toecomst.

Overmids die eerste riviere, dat es eene eenvoldich licht, soe es die memorie verheven boven senlijcke invalle, ende ghesedt ende ghestedicht in eenicheit des gheests. Overmids die andere riviere, dat es inghestorte claerheit, soe es verstannisse ende reden verlicht te bekinnen alrehande wise der duechden, ende oefeninghe ende heimelijcheyt der screftueren met ondersceede. Overmids de derde riviere, dat es eene inghegheeste hitte, soe es die hoghe wille ontfunct in stilre minnen ende ghegavet met groter rijcheyt. Aldus es dese mensce een gheestelijc verlicht mensce worden. Want de gracie gods houdet hare als een fonteyne in eenicheyt des gheests. Ende die rivieren maken inden crachten een uutvloeyen met allen duechden. Ende die fonteyne der gracien eyschet altoes een weder-vloeyen inden selven gronde daer het vloeyen ute komt.



Hertaling van deze passage:


Door ’s mensen liefde en minnelijk toeneigen en Gods trouw ontspringt de tweede rivier uit de volheid der genade in de eenheid van de geest, en dat is een geestelijke klaarheid, die in het verstand vloeit en het op verlerlei wijzen verlicht. Dit licht toont en geeft, in alle waarheid, doorzicht in de onderscheiden deugden. Maar dit alles ligt niet geheel in onze macht. Want al bezitten wij dit licht altoos in onze ziel, God is het, die het doet zwijgen of spreken; Hij kan het vertonen of verbergen, geven en wegnemen waar en wanneer Hij wil. Want dit licht is het zijne; daarom geeft Hij het wanneer Hij wil, en waar Hij wil, en aan wie Hij wil, en bewerkt Hij ermee wat Hij wil. Deze mensen behoeven geen openbaringen, noch is het voor hen nodig in vervoering getrokken te worden boven hun zinnen; want hun leven en hun verblijf, hun wandel verloopt in de geest, boven zinnen en zinnelijkheid; en daar toont God hun wat Hij wil en wat voor henzelf of voor anderen nodig is. Toch zou God ook, als Hij het wilde, deze mensen kunnen onttrekken aan de werking van hun uitwendige zinnen, en hun in hun binneste op velerlei wijze wondere voorstellingen en toekomstige dingen tonen.

Nu verlangt Christus, dat deze mens uitgaat en zich gedraagt in dit licht naar de bijzondere wijze van dit licht. Daarom moet deze verlichte mens uitgaan en zijn zielestaat inwendig en uitwendig beschouwen, om te zien, of hij een volkomen gelijkenis draagt met Christus naar zijn mensheid en ook naar zijn Godheid; want wij zijn geschapen tot het beeld en tot de gelijkenis van God. Daartoe moet hij de verklaarde ogen van zijn verlichte rede opheffen naar de verstandelijke waarheid, om op schepsellijke wijze Gods verheven natuur en de grondeloze eigenschappen in God te overwegen en te beschouwen. Want bij de grondeloze natuur behoren grondeloze deugden en werken.

(...)

Door deze vreugde en overvloedige genade en goddelijke trouw ontspringt de derde rivier en vloeit in deze zelfde eenheid van de geest.Deze rivier ontvonkt de wil als een vuur en verslindt en verteert alles tot eenheid, en overstroomt en doorstroomt alle krachten der ziel met rijke gaven en met bijzondere edelheid, en zij wekt zonder inspanning in de ziel een allerfijnste geestelijke minne op.
Nu spreekt Christus in de geest door deze brandende rivier: Gaat uit met oefeningen en naar de wijze, die past bij deze gave en deze komst.

Door de eerste rivier, nl. een eenvuldig licht, is de memorie verheven boven zinnelijke invallen en gevestigd en bestendigd in de eenheid van de geest. Door de tweede rivier, de ingestorte klaarheid, worden verstand en rede verlicht om allerhande oefeningen van deugd alsook de verborgenheid der schriftuur met inzicht duidelijk te begrijpen. Door de derde rivier, die een ingegeeste hitte is, wordt de hogere wil ontvonkt in stille minne en begiftigd met grote rijkheid. Zo is deze mens een geestelijk verlicht mens; want de genade Gods bevindt zich in de eenheid van de geest als een bron, en de rivieren veroozaken in de vermogens een uitvloeien met alle deugden, maar de bron van genade zelf eist altijd, dat alles terugvloeie in dezelfde grond, waar het uitvloeien vandaan komt.



In: Jan van Ruusbroec, De verhevenheid van de geestelijke bruiloft, of de innige ontmoeting met Christus. Oorspronkelijke tekst met juxta-hertaling in modern Nederlands door dr. Lod. Moereels S.J. Tielt, 1989.



BIJLAGE 3: De zesde gave


Innige leven, ‘Om Hem te ontmoeten’
Moereels, blz. 304-308


Alse de locht wert dore-schenen met claerheiden der zonnen, soe wert vertoent schoonheit ende rijcheit van alder werelt ende des menschen oghen werden verclaert, ende hi wert verblidet in menichfuldich ondersceet van varwen. Alsoe ghelijcker-wijs alse wij eenvuldich sijn in ons selven, ende onse moghelijcke verstaen wert verclaert ende dore-scenen metten gheeste der verstendicheit, soe moghen sij bekinnen die hoghe eyghenscape die in gode sijn, die oersake sijn alle sire uutvloeyender werke. Als moghen die werke alle menschen verstaen, ende gode, overmids sine werke; nochtan en mach die eyghenscape der werke gods niemen ghevoelijc noch eyghentlijcke verstaen na wise haers gronts, het en si overmids dese gave.

Want si leert ons speculeeren ende bekinnen ons selfs edelheit. Ende si ghevet ons onderscheet in duechden ende in alre oefeninghen hoe wij leven selen zonder dolen na der eewigher waerheit. Ende dien si verlicht, hi mach wandelen inden gheeste, ende met verlichter redenen merken ende versaen alle dinc te rechte in hemel ende in eerde. Ende hier omme wandelt hi inden hemel, ende anesiet ende merket met allen heilighen die eedelheit sijns minneren: sine ombegripelijcke hoocheyt ende sine afgrondige diepheit, lancheit ende breetheit wijsheit ende waerheit; sine goedde ende sine onsprekelijcke meldicheit, ende alselcke minlijcke eyghenscape die in gode sijn onsen minnere zonder ghetal, ende alle grondeloes in sire hogher natueren, want hi eest selve.

Dan sleet die verclaerde mensche sine oghen neder op hem selven ende op alle creatueren ende merct hoese god ute sire vrier meldicheit alle ghescapen ende ghegavet hevet inder natueren in menigher wijs. Ende hoe hise gaven ende rijcke maken wilt boven natuere met hem selven, eest dat sijt soeken willen ende begeren. Al selc redelijc ghemerc in menichfuldich onderscheet der rijcheit gods verblidet onzen gheest, eest dat wij overmids godlijcke minne ons selfs ghestorven sijn in gode, ende leven ende wandelen inden gheeste ende smaken diere dinghe die eewich sijn.

Dese gave der verstendicheit toent ons die eenicheit die wij in gode hebben ende besitten overmids ghebrukelijcke ontsonckene minne, ende die ghelijcheit gods die wij in ons selven hebben overmids karitate ende doechde. Ende si ghevet ons licht ende claerheit daer wij in wandelen moghen inden gheeste met ondersceede, ende speculeeren ende bekinnen gode in gheestelijcken ghelijcken, ende ons selven ende alle dich na wise ende na mate des lichts, ende na den wille gods ende na edelheit ons verstaens. Dit es dat ander punt, hoe die ghemeyne mensche verclaert wort.

Na dier maten dat de locht verclaert wert van claerheit der sonnen, daer na wert die hitte groet ende ghemeyne in vruchtbaerheiden. Eest dat onse redene ende onse verstaen aldus verlicht wert te bekinnen met ondersceede godlijcke waerheit, soe wert die wille, dat es die minnende cracht, verhit in rijcken uutvloeyene, in trouwen ende in minnen inder ghemeynheit; want dese gave sticht in ons ene wide ghemeyne minne overmids kinnisse der waerheit dat wij vercrighen ute hare claerheit.

Want die eenvuldichste dat sijn die ghesaetste ende alrebest in vreden in hen selven, ende si sijn diepst versoncken in gode, ende si sijn alre-claerst in verstane ende alder-menichfuldichst in goeden werken, ende alreghemeynst in uutvloeyender minnen. Ende si werden alreminst ghehindert, want si sijn gode ghelijcst. Want hi is eenvuldicheit in sinen wesene, claerheit in sinen verstane, ende eene uutvloeyende ghemeyne minne in sinen werkene. Ende soe wij gode in desen drien ghelijckere sijn, soe wij met hem meer vereenicht sijn.

Ende hier omme selen wij in onsen gronde eenvuldich bliven, ende met verlichter redenen alle dinc dore-vloeyen; also alse de sonne des hemels blivet in haer selven dat si es, eenvuldich ende onverwandelt, nochtan es haer claerheit ende hare hitte ghemeyne in alle die werelt.



Hertaling van deze passage:


Wanneer de lucht door de klaarheid van de zon wordt doorschenen, dan wordt de schoonheid en de rijkdom van heel de aarde zichtbaar, en 's mensen ogen worden verlicht en hij verblijdt zich om de verscheidenheid en harmonie der kleuren. Evenzo, wanneer wij eenvuldig zijn in onszelf en ons ontvankelijk verstand met de geest van verstand wordt verklaard en doorschenen, dan kunnen wij de verheven eigenschappen in God onderkennen, die de oorzaak zijn van al zijn naar buiten uitvloeiende werken. Want al kunnen al de mensen die werken, en God omwille van zijn werken, kennen, toch kan niemand die eigenschappen van Gods werken aanvoelen en eigenlijk naar de diepte van hun grond begrijpen, tenzij door deze gave.

Zij immers leert ons bespiegelend onze eigen adel na te vorsen en te kennen. En zij schenkt ons bij de beoefening van alle deugden te kunnen onderscheiden, hoe wij zonder te dwalen leven moeten volgens de eeuwige waarheid. En wie door haar verlicht is, kan wandelen in de geest en met verlichte rede alle dingen in de hemel en op aarde op de juiste wijze kennen en verstaan. En pas dan heeft hij zijn levenswandel in de hemel en aanschouwt en ziet hij met alle heiligen de edelheid van zijn minnaar: zijn onbegrijpelijke hoogheid, en zijn grondeloze diepte, zijn lengte en zijn breedte, zijn wijsheid en zijn waarheid, zijn goedheid en zijn onuitsprekelijke mildheid, en alle andere minnelijke eigenschappen, die zich in God, onze minnaar, bevinden, ontelbaar, en alle even grondeloos in zijn verheven natuur: want hij is dit alles zelf.

Vervolgens slaat de verlichte mens de ogen neder op zichzelf en op alle schepselen, en beschouwt hoe God ze in zijn vrije mildheid alle geschapen heeft en naar hun natuur begaafd in menigerlei wijze, en hoe hij ze begiftigen wil en rijk maken boven hun natuur met zichzelf, als zij het willen zoeken en verlangen. Al zulke bedenkingen van onze rede, met menigvuldig inzicht in de rijkdom van God, verblijden onze geest, als wij door de kracht van de goddelijke liefde, aan onszelf gestorven zijn in God, leven en wandelen in de geest en smaak vinden in de dingen, die eeuwig zijn.

Deze gave van verstand openbaart ons de eenheid die wij, dank zij de genietende, ontzonken minne, in God hebben en bezitten, en de gelijkvormigheid met God, die wij dank zij karitate en deugden, in onszelf hebben. En zij geeft ons licht en klaarheid, waarin wij met inzicht in de geest kunnen wandelen, om in geestelijke beelden en bespiegelingen God en onszelf en alle dingen te beschouwen en te vatten naar de wijze en de maat van dit licht, en naar de wil van God en overeenkomstig de edelheid van ons verstand. Dit is ht tweede punt: hoe de met algemene liefde levende mens verlicht wordt.

Naarmate de lucht meer doorklaard wordt door de klaarheid van de zon, in die mate wordt ook de hitte feller en maakt ze alles vruchtbaarder. Evenzo, naargelang dat ons redenerende verstand verlicht wordt om met onderscheid de goddelijke waarheid te kennen, wordt ook onze wil, dat is de minnende kracht, verhit om rijk uit te vloeien in volle mededeelzaamheid; want deze gave vestigt in ons een wijde op de gemeenschap gerichte liefde, dank zij de kennis der waarheid die wij uit haar klaarheid verkregen hebben.

De eenvuldigste mensen zijn immers de bezadigste, het stevigst gevestigd in vrede men hen zelf en het diepst verzonken in God; zij zijn ook allerklaarst verlicht in hun verstand; en bovendien zijn zij het rijkst in goede werken en het meest algemeen uitvloeiend in liefde: daarom worden zij het minst gehinderd, want zij zijn God het meest gelijkvormig. Hij is immers eenvuldigheid in zijn wezen, klaarheid in zijn verstand, en uitvloeiend algemene liefde in zijn werken. En hoe meer wij God in deze drie punten gelijkvormig zijn, des te inniger zijn wij met hem verenigd.

Daarom moeten wij in onze grond eenvuldig blijven, en ook alle dingen met een verlichte rede bezien en bovendien met een mededeelzame liefde in allen overvloeien, zoals ook de zon aan de hemel in zichzelf blijft wat zij is, eenvuldig en onveranderd, maar haar klaarheid en hitte zijn gemeen voor heel de wereld.



In: Jan van Ruusbroec, De verhevenheid van de geestelijke bruiloft, of de innige ontmoeting met Christus. Oorspronkelijke tekst met juxta-hertaling in modern Nederlands door dr. Lod. Moereels S.J. Tielt, 1989.




Citaten overgenomen uit:

Jan van Ruusbroec, De verhevenheid van de geestelijke bruiloft, of de innige ontmoeting met Christus. Oorspronkelijke tekst met juxta-hertaling in modern Nederlands door dr. Lod. Moereels S.J. Tielt, 1989.




[einde van de Bijlage]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘Licht en warmte. Het gebruik en de betekenis van de begrippen ‘licht’ en ‘warmte’ in Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec’ (onderzoeksnota, 1995). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Brulocht Ruusbroec
  Inhoudsopgave
  Inleiding
  Eerste passage - de zon in de vallei
  Tweede passage - de drie rivieren
  Derde passage - de zesde gave
  Besluit
  Bijlagen   ↑