RozemarijnOnline




Ruusbroec
Die geestelike brulocht

onderzoeksnota
1995



























Deze nota is geschreven in 1995 in het kader van het onderzoekscollege ‘Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec’ onder begeleiding van prof.dr. P. Mommaers (Wijsbegeerte en Theologie, Ufsia, Universiteit Antwerpen).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De Génestet
- Het tabernakel
- Doctoraalscriptie
  Hadewijch en
  Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde







Licht en warmte

Het gebruik en de betekenis van de begrippen ‘licht’ en ‘warmte’
in Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec.

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1995)



 



Eerste passage: De zon in de vallei

(volledige tekst: bijlage 1)



1.1 Inhoud en plaatsing in de tekst


Bij het onderdeel ‘De Bruidegom komt’ in het Werkende leven, beschrijft Ruusbroec drie verschillende komsten van Christus:

‘Inde eerste toecomst es hi mensce worden om des menschen wille, van minnen. Die andere toecomst die es daghelijcs dicke ende menichwerven in elcke minnende herte, met nuwer gracien, met nuwen gaven, na dats de mensche ontfanclijc es. Inden derden merct men die toecomst ten oordeele ofte in die ure der doot’. [p72]

De dagelijkse komst van Christus in de ziel kenmerkt zich door vermeerdering van genade, gaven en deugden. Ruusbroec gebruikt het beeld van de zon in een dal om deze komst te verduidelijken. Een vallei tussen twee bergen wordt meer verlicht, meer verhit en vruchtbaarder ten opzichte van een effen vlakte.

De vallei stelt het dal van de ootmoedigheid voor van een mens die zijn kleinheid en Gods grootheid beseft. Christus is de zon der gerechtigheid en barmhartigheid, de twee bergen die er groeien zijn twee begeertes die God rechtstreeks raken: om God te dienen en te loven en om deugden te verwerven.

De ootmoedige ziel is dan geschikt en ontvankelijk voor meer gaven en deugden en hij ontvangt dan drie dingen: ‘het wert meer verclaert ende verlicht met gracien, ende meer verhit in karitaten, ende vrochtbaerre in volcomenen doechden ende in goede werken’. [p86]



1.2 Analyse


Aan het einde van de passage worden de drie begrippen ‘licht’, ‘warmte’ en ‘vruchtbaarheid’ in één zin genoemd en afzonderlijk gekoppeld aan verschillende gaven die de ziel ontvangt. Verlichting hangt samen met genade, verhitting met (naasten)liefde of liefde tot God en vruchtbaarheid met deugden en goede werken.

Waar dit zich precies in de ziel afspeelt wordt niet gespecificeerd. In dit pré-mystieke stadium, wat het werkende leven is, zijn de verschillende niveaus in de ziel nog niet relevant (Ruusbroec zal dit ook pas veel later uitleggen, bij het Innige leven, waar de ziel bij het mystieke stadium aankomt).

Wel is een juiste geesteshouding van belang, ootmoedigheid wordt als voorwaarde gesteld.

De vraag is of het predikaat dat de verschillende gaven krijgen willekeurig is. Is het niet meer dan een vrijblijvende beeldspraak of is er een dwingende reden waarom genade verlicht en karitate verhit en niet andersom?

Uit deze ene passage is dat niet vast te stellen. Een diepgravend en alomvattend onderzoek zou ver buiten het kader van deze nota gaan, maar toch kan het interessant zijn om in ieder geval enkele andere vindplaatsen van ‘licht’ en ‘warmte’ in het Werkende leven te bekijken.

In het eerste onderdeel van het Werkende leven, ‘Ziet’, wordt de term ‘licht’ verschillende keren gebruikt in verband met ‘genade’.

‘Wie dat overnatuerlijc sien sal, daer toe behoren drie poente, dat es: licht der gracien gods (...)’. [p62]

Blijkbaar is het licht van Gods genade nodig om geestelijk te kunnen zien. Enkele regels later wordt gesteld:

‘(...) god (es) een ghemeyne schijn ende een ghemeyne licht dat verlichtet hemelrycke ende eertrijcke ende yeghewelken na sine noot ende na sine weerde’.

In deze passage handelt het om de voorkomende genade, die God aan ieder mens aanbiedt. Opmerkelijk is dat Ruusbroec niet schrijft dat God algemeen en aan allen licht gééft, maar dat Hij licht ìs en hemel en aarde en ieder mens verlicht.

Iets vergelijkbaars komt enkele bladzijden verder voor, waar het nog steeds gaat over de genade van God.

‘Soe comt een hogher licht der gracien gods, rechte als een blic der zonnen, ende werdet ghestort inde ziele, onverdient ende ombegheert na weerdicheyt. Want in desen lichte ghevet hem god van vrijer goeden ende meldicheiden, dien gheene creatuere verdienen en mach eer sine hevet. Ende dit es een heymelijc inwerken gods inder zielen boven tijt, ende beweecht die ziele met al haren crachten. Hier indet die vorecomende gracie ende hier begint die ander, dat es dit overnatuerlijc licht’. [p68]

In de laatste hier geciteerde zin wordt moeiteloos van gracie op licht overgesprongen. Twee dingen vallen verder op. In dit licht dat in de ziel wordt gestort, geeft God Zichzelf. En het inwerken van God in de ziel beweegt de ziel en al haar vermogens.

Ook in het derde en vierde onderdeel van het Werkende leven komt licht voor, bijvoorbeeld bij de vergelijking van de ziel met een koninkrijk in ‘Gaat uit’. Daar worden ‘const ende besceedenheit’, kennis en inzicht, twee goddelijke deugden genoemd, die zijn verlicht met het licht van Gods genade en die wonen in de ’redelijcke cracht der zielen’. [p128]

Samenhang tussen licht en rede komt terug in een passage in ‘Om hem te ontmoeten’. Door geloof en verloochening van zichzelf wordt de rede van de mens ‘verclaert, ende karitate ghemeerrent, ende hi werdet devoter ende ghereeder tot allen duechden’. [p134] Dit roept herinneringen op aan de laatste zin van de vallei-passage, die hier als uitgangspunt is genomen. Hier is het de rede die wordt verlicht en bij karitate wordt de verhitting niet genoemd en de vruchtbaarheid is bij de deugden impliciet, maar de overeenkomst is opvallend.

Een laatste voorbeeld uit het Werkende leven komt uit de laatste bladzijden ervan. Hier wordt het licht gespecificeerd tot ‘ghescapenen lichte’ van het verstand en ‘licht der natueren’. [p140] Op de eerste bladzij van het Werkende leven kreeg het licht ook een adjectief mee: om lichamelijk te kunnen zien, is ‘uutwendich licht des hemels ochte ander materilijc licht’ nodig. [p60] Hiermee in tegenstelling is om geestelijk te kunnen zien, licht der genade Gods nodig.

Blijkbaar kan er een onderscheid worden gemaakt tussen stoffelijk en geestelijk licht, maar zijn beide wel geschapen licht te noemen. De vraag is dan natuurlijk of er ook ongeschapen licht bestaat.



1.3 Voorlopige gevolgtrekkingen


Tot zover het gebruik van de begrippen ‘licht’ en ‘warmte’ in het eerste deel van de Brulocht, het Werkende leven. Verschillende gevolgtrekkingen zijn te maken na het bekijken van enkele passages.

Wat opvalt is het veelvuldig voorkomen van licht, in tegenstelling tot warmte, dat in dit deel nauwelijks wordt gebruikt. Er lijkt een lijn, een ontwikkeling te zitten in de context in verband waarmee het begrip ‘licht’ wordt gebruikt. In de eerste paar hier besproken passages wordt licht in verband gebracht met ‘gracie’, genade. Het licht van Gods genade wordt als voorwaarde gesteld om geestelijk te kunnen zien. Ruusbroec gaat zelfs nog verder als hij stelt dat God zelf dat licht ìs. De verlichting van ieder mens geeft dan al een indicatie van de transcendentie van God.

In de loop van de verschillende passages vindt er een verschuiving plaats. Eerst ontvangt de ziel licht der genade Gods als een gave. Het licht wordt in latere passages gelijk gesteld aan de genade en in dit licht geeft God Zichzelf. In het derde en vierde onderdeel van het Werkende leven wordt de plaats waar de ziel wordt verlicht gespecificeerd. Het redelijke vermogen van de mens, zijn kennis en zijn inzicht, worden hierbij genoemd.

De volgende hypothese kan worden geformuleerd naar aanleiding van de bevindingen met betrekking tot het gebruik van ‘licht’ in het Werkende leven. Geschapen geestelijk licht komt als genade in de ziel van de mens die de juiste geestesgesteldheid heeft. In dit licht geeft God Zichzelf. Het belang voor de menselijke ziel is tweevoudig. Enerzijds is het een voorwaarde om geestelijk ziende te worden, anderzijds werkt het door in de rede. Licht wordt dus zowel betrokken op het waarnemingsvermogen van de ziel als op het redelijke vermogen.



[einde van de eerste passage]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘Licht en warmte. Het gebruik en de betekenis van de begrippen ‘licht’ en ‘warmte’ in Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec’ (onderzoeksnota, 1995). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Brulocht Ruusbroec
  Inhoudsopgave
  Inleiding
  Eerste passage - de zon in de vallei   ↑
  Tweede passage - de drie rivieren
  Derde passage - de zesde gave
  Besluit
  Bijlagen