RozemarijnOnline




Ruusbroec
Die geestelike brulocht

onderzoeksnota
1995



























Deze nota is geschreven in 1995 in het kader van het onderzoekscollege ‘Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec’ onder begeleiding van prof.dr. P. Mommaers (Wijsbegeerte en Theologie, Ufsia, Universiteit Antwerpen).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De Génestet
- Het tabernakel
- Doctoraalscriptie
  Hadewijch en
  Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde







Licht en warmte

Het gebruik en de betekenis van de begrippen ‘licht’ en ‘warmte’
in Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec.

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1995)



 



Tweede passage: De bron met drie rivieren

(volledige tekst: bijlage 2)



2.1 Inhoud en plaatsing in de tekst

In het tweede deel van de Brulocht, het Innige leven, zijn de twee onderdelen van het leidmotief ‘de Bruidegom komt / gaat uit’ niet gesplitst, maar behandelt Ruusbroec ze samen. Blijkbaar hangen de komst van Christus en de reactie daarop van de mens zo nauw samen dat deze niet te scheiden zijn.

Globaal is dit onderdeel in drieën verdeeld: drie verschillende komsten van Christus worden achtereenvolgens beschreven. De eerste komst in de eenheid van het hart, de tweede in de hogere vermogens en de derde in de eenheid van de geest.

De tweede komst beschrijft Ruusbroec als een bron met drie rivieren. De bron is de ‘volheit der gracien gods in eenicheit ons gheests’. [p220] De bron vloeit uit in rivieren, waarmee God invloed uitoefent of inwerkt op de geestelijke vermogens.

De eerste rivier doorstroomt alle hogere en lagere vermogens van de ziel en zorgt voor eenvuldigheid, eenheid in de geest. De tweede rivier waar de genade van God in uitstroomt is geestelijke klaarheid, deze stroomt in het verstand en verlicht het. De derde rivier werkt in op de wil. Het ontvonkt dit geestelijke vermogen en wekt minne op.



2.2 Analyse


Gezien de structuur van de ziel, wordt de komst van Christus in het Innige leven dus ervaren op het laagste (hart) en middelste (geest en vermogens) niveau van de ziel. Aangezien de rivieren uitvloeiingen van Gods genade zijn, kan, gezien de bevindingen in het vorige hoofdstuk, worden verwacht dat het licht ook in deze passage een rol zal spelen. Dit blijkt ook zo te zijn.

Al in de eerste zin waarmee de bespreking van de eerste rivier begint, valt het woord ‘licht’: deze rivier die als een eenvuldigheid vloeit, verlicht de hele geest zonder onderscheid. [p222] De mens wordt zich bewust van zijn eenvuldigheid in de eenheid van de geest en ‘moet’ reageren naar de wijze van dit licht en deze komst.

De tweede rivier ontspringt enerzijds door de liefde en het minnelijk toeneigen (dat gerealiseerd is bij de eerste rivier) en anderzijds door de trouw van God. Hij ontspringt uit de volheid der genade in de eenheid van de geest en doet zich voor als een

‘gheestelijcke claerheit die vloeyt ende licht inden verstaene’. [p224]

Hoewel de menselijke ziel dit licht altijd bezit, is God degene die er over beslist, het behoort Hem. Ook bij deze rivier wordt er van de mens verlangt dat hij zal ‘ute-gaen’. Hij moet zichzelf onderzoeken en beoordelen of hij

‘een volcomen ghelijc draghet cristi, na sire menscheyt ende oec na der godheyt’. [p224]

Met zijn verlichte ogen moet de mens hiertoe Gods verheven natuur en grondeloze eigenschappen beschouwen. In de vertaling van de tekst staat letterlijk:

‘Daartoe moet hij de verklaarde ogen van zijn verlichte rede opheffen (...)’. [p225]

Hier hangen het waarnemen en de rede van de ziel, beide verlicht, wel heel nauw samen.

In de bladzijden die hierop volgen zet Ruusbroec uiteen wàt de ziel moet overwegen met betrekking tot zijn beeld en gelijkenis van God en Gods grondeloze eigenschappen: de grondeloosheid van God, de almacht van de Vader, de wijsheid en de waarheid van het woord, de eenheid en de liefde van de Heilige Geest, de drie Personen met één enkelvoudige natuur.

‘Dit toent die riviere der gracien der verlichter redenen in claerheiden’. [p226]

Inzicht dus voor de ziel, zowel in zichzelf als in de drie-eenheid van God.

De derde rivier van goddelijke genade

‘ontfunct den wille ghelijc den viere, ende verslindet ende verteret alle dinc in eenicheit ende overvloeyt ende dorevloeyt alle de crachte der zielen met rijcken gaven (...)’. [p232]

Ontvonken als een vuur suggereert warmte en dat wordt later in de passage ook bevestigd: de ‘brandende’ rivier wordt letterlijk een ‘inghegheeste hitte’ genoemd. Dat deze rivier alles één maakt, doet denken aan de eerste rivier die eenheid bracht in alle vermogens waardoor de mens werd verheven in zijn memorie, zonder afleiding en verstrooiing.

Ontvonking en vuur houden automatisch ook licht in en zo wordt er, naast een eenheid in de verschillende vermogens van de ziel, een nauwe samenhang tussen de drie rivieren geschetst. Dat kan ook niet anders, want één bladzij hiervoor heeft Ruusbroec letterlijk nog beweerd:

‘Want de overste crachte ende de nederste, gheest ende ziele hebben onderscheet na redene, nochtans eest een inder natueren’. [p230]


Dat genade niet alleen licht, maar blijkbaar ook warmte brengt in de ziel, lijkt hier een beetje uit het niets te komen vallen. Maar aan het begin van het Innige leven, bij het onderdeel ‘Ziet’, was dit al aan de orde geweest.

Als Ruusbroec het van binnenuitwaarts (en niet van buitenaf inwaarts) vloeien van Gods genade beschrijft, noemt hij drie punten die de mens ziende maken in het Innige leven. Het eerste punt is het inlichten van de genade Gods. Deze is in de ziel als een kaars in een lantaarn: zij ‘verhit ende verclaert ende doer-scijnt dat vat, dat es den goeden mensche’. [p154] Vanuit onze eigen ervaringswereld is het ook volstrekt logisch dat als iets, een energiebron, verlicht dat het dan ook warmte brengt (de zon, een kaarsvlam, een gloeilamp, enz.).

Genade lijkt zich dus voor te doen als een kracht, die zich kenmerkt door geestelijk licht en (logischerwijs hoogstwaarschijnlijk geestelijke) warmte. Veel later, aan het einde van het Innige leven, noemt Ruusbroec de genade een kracht van God; de schepselen hebben hun eigen werkzaamheden dank zij ‘de cracht gods, inder natueren ende inder gracien ende oec inder glorien’. [p346]

De uitwerking van de invloeiing van deze genade, de derde rivier, in de ziel is opwekking van geestelijke minne of zoals enkele regels later wordt gepreciseerd: de wil ontvonkt in minne. In het vorige hoofdstuk kon er nog niet veel worden gezegd over warmte, alleen dat het in de vallei-passage werd gekoppeld aan karitate. Hier komt een gelijk verband terug: ingegeeste hitte ontvonkt de wil in minne.

Het verband tussen warmte en liefde wordt uitgebreid met de wil als geestelijk vermogen van de mens. Nu zou je verwachten dat de wil zich ontwikkelt (door invloeiing van de derde rivier) naar een stadium van grotere wilskrachtigheid, vastberadenheid of desnoods geduldigheid (als beheersing van de wil). Maar opmerkelijk genoeg ontwikkelt het geestelijke vermogen van de mens zich tot de mogelijkheid om lief te hebben. De wil als vermogen wordt als het ware ‘uitgebreid’ met de mogelijkheid om een gevoelshouding aan te nemen.



2.3 Voorlopige gevolgtrekkingen


Tot nu toe is uit het Innige leven slechts één passage van nabij bekeken, wat natuurlijk te weinig is om harde conclusies op te baseren. Toch zijn er enkele opmerkelijke feiten te constateren.

Precies als in het vorige hoofdstuk naar voren is gekomen, brengt ook hier de genade van God licht in de ziel. Meer in het bijzonder is het het verstand als vermogen van de geest dat wordt verlicht door God. Maar misschien is het misleidend om te stellen dat het ‘wordt verlicht’, de menselijke ziel bezìt dit licht immers altijd al. Daarnaast maakt het licht het de mens mogelijk geestelijk waar te nemen, te zien, God te beschouwen en inzicht te krijgen in God en zijn eigen gelijkenis met God.

Naast licht kenmerkt de genade zich door warmte. De vraag ligt voor de hand of ook warmte zich niet reeds in de geest bevindt, net als het licht. Bij de warmte is het geestelijke vermogen de wil betrokken. Hoewel het de wil is die wordt verhit (dit wordt overigens ingegeeste hitte genoemd, wellicht een reden om er inderdaad vanuit te gaan dat het gaat om ‘geestelijke’ warmte -in tegenstelling tot ‘stoffelijke’ warmte-), resulteert dit in een bepaalde gevoelsgesteldheid, namelijk liefde.

Wat niet uit het oog mag worden verloren is de innige samenhang van de verschillende geestelijke vermogens van de mens, zowel de lagere als de hogere, en ook van de verschillende niveaus van de menselijke ziel.

De bevindingen in dit hoofdstuk waarin een passage uit het Innige leven is bekeken, blijken nergens in tegenspraak te zijn met de gevolgtrekkingen en hypothese in paragraaf 1.3. Wel kunnen de daar gestelde voorlopige gevolgtrekkingen worden uitgebreid naar aanleiding van wat er bij deze analyse is geconstateerd.

De hypothese van paragraaf 1.3 kan als volgt worden aangevuld: de genade van God is een kracht die zich, naast geestelijk licht, kenmerkt door geestelijke warmte. Zoals het licht samenhangt met geestelijk waarnemen en verstand, wordt ook de warmte op tweeërlei wijze betrokken op de ziel, namelijk op de wil als geestelijk vermogen en op de gevoelsgesteldheid, de liefde, van de ziel. Hoewel licht en warmte als genade door God wordt gegeven en Hij hierin Zichzelf geeft, bezit de menselijke ziel deze altijd.



[einde van de tweede passage]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘Licht en warmte. Het gebruik en de betekenis van de begrippen ‘licht’ en ‘warmte’ in Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec’ (onderzoeksnota, 1995). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Brulocht Ruusbroec
  Inhoudsopgave
  Inleiding
  Eerste passage - de zon in de vallei
  Tweede passage - de drie rivieren   ↑
  Derde passage - de zesde gave
  Besluit
  Bijlagen