RozemarijnOnline




Ruusbroec
Die geestelike brulocht

onderzoeksnota
1995



























Deze nota is geschreven in 1995 in het kader van het onderzoekscollege ‘Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec’ onder begeleiding van prof.dr. P. Mommaers (Wijsbegeerte en Theologie, Ufsia, Universiteit Antwerpen).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De Génestet
- Het tabernakel
- Doctoraalscriptie
  Hadewijch en
  Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde







Licht en warmte

Het gebruik en de betekenis van de begrippen ‘licht’ en ‘warmte’
in Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec.

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1995)



 



Derde passage: De zesde gave

(volledige tekst: bijlage 3)



3.1 Inhoud en plaatsing in de tekst


Halverwege het laatste onderdeel van het Innige leven, ‘Om Hem te ontmoeten’, bespreekt Ruusbroec de zeven gaven van de Heilige Geest. Ruusbroec grijpt met deze punten terug op dingen die hij eerder heeft genoemd in zowel het Werkende als het Innige leven.

Bij de eerste gave leeft de mens in vreze Gods en in zedelijke deugden. Hij gelijkt God door trouw en overeenstemming in wil en hij rust in God boven die gelijkenis door liefde. Bij de tweede gave ontvangt de ziel goedertierendheid en mildheid, zo wordt hij gelijkvormiger en wordt zijn rust groter. De derde gave is kennis en onderscheid. Door gehoorzaam te zijn aan de Vader, wijs als de Zoon en mild als de Heilige Geest, bezit de ziel gelijkenis met de Heilige Drievuldigheid en rust hij in God. ‘Ende hier-in besteet al dat werkende leven’. [p290]

De vierde gave is de geest van sterkte waardoor de geest zich los kan maken van alle beslommeringen en zich innig tot God kan richten. De vijfde gave is de raad, hierdoor ontvonkt het hart in minne.

De zesde gave, de geest van verstand, bestaat uit drie dingen, net als de bron met de drie rivieren:

‘si stadecht onsen gheest in eenicheit, ende si oppenbaert die waerheit ende si maect eene wide minne in ghemeynheden’. [p298]

Ruusbroec bespreekt deze gave dan ook in drie punten, die precies ineen vallen met de drie rivieren oftewijl de drie komsten van Christus, die in het vorige hoofdstuk van deze nota besproken zijn.

De zevende gave tenslotte wordt de geest van de smakende wijsheid genoemd. De ingekeerde mens ervaart God als een duisternis en een on-wijze. De inkeer is tweevoudig: werkelijk door deugden en genietend boven alle deugden. Het belang van deze zeven gaven expliceert Ruusbroec aan het begin van de beschrijving ervan:

‘(...) hoe dat wij gode ontmoeten selen in ghelijcheiden, soe moghen wij met hem rasten in eenicheiden’. [p288]

Naarmate de ziel gelijkvormiger is aan God, is eenheid met Hem, in genietende rust, vollediger mogelijk.



3.2 Analyse


Bij de aankondiging van de zesde gave valt op dat Ruusbroec deze meteen vergelijkt met zonneschijn. De zon vervult de lucht met eenvuldige klaarheid, verlicht en toont onderscheid en haar hitte is algemeen, nuttig en zorgt voor vruchtbaarheid. ‘Ende hier-met ghevet si te bekinne hare eyghene macht’. [p300]

De kracht die eigen is aan de zon kan worden gekend aan licht en warmte, deze verlicht de lucht en verhit de wereld en resulteert in eenvuldige klaarheid en vruchtbaarheid. De gave waar Ruusbroec deze vergelijking op betrekt, noemt hij de ‘gheest der verstendicheit’. Deze heeft een drievoudige werking.

De eerste werking grijpt terug op de eerste rivier van de bron met de drie rivieren in de eenheid van de geest. De eerste straal van de zesde gave bewerkstelligt eenvuldigheid in de geest en deze wordt doorschenen met klaarheid, net als de lucht wordt doorschenen door de zon. Dit is opmerkelijk; tot nu toe werd een specifiek vermogen van de geest verlicht, nu de geest als geheel. Zou dit te maken kunnen hebben met het eenvuldig zijn van de geest?

Ook bij de behandeling van de eerste rivier kwam dit zo voor: deze vloeide als een eenvuldigheid die lichtte in de geest zonder onderscheid. De vermogens werden boven menigvuldigheid verheven. Blijkbaar kan er zo’n toestand van eenheid ontstaan in de geest, dat licht niet meer op een te specificeren plaats voorkomt, maar in de eenheid mee wordt opgenomen en zo alles verlicht.

Eerder werd al de nauwe samenhang van de vermogens en de niveaus van de ziel benadrukt. Er is onderscheid te maken, maar uiteindelijk is de mens één leven, één eenheid. Toch specificeert Ruusbroec in de volgende zin alweer:

‘Want de gracie gods die een fondament es alre gaven, die houdet hare weselijc alse een eenvuldich licht in onsen moghelijcken verstane’. [p300]

Genade bevindt zich wezenlijk in het verstand als eenvuldig licht. De mens is in de eenvuldige en verlichte eenheid van de geest gelijkvormig aan God door genade en goddelijke minne.

In de hierop volgende alinea gaat Ruusbroec verder in op de gelijkvormigheid van de mens met God. Duidelijk wordt dat er twee dingen nodig zijn: genade en karitate. Genade is een middel dat de gelijkvormig geworden mens naar God toe leidt waarna eenwording mogelijk is; karitate maakt de mens één met God.

Deze karitate moet eeuwig werkzaam blijven, maar in het eenzijn werkt èn rust de minne. Dit eenzijn met God in rust en gelijkvormig zijn aan God in werkzaamheid is gelijk aan Gods natuur naar gelijkenis waarmee de mens is geschapen:

‘(...) ghebrukelijc in eewigher rasten na der weselijcker eenheit, ende werkelijc in eewighen werkene nader driheit (...)’. [p302]

De uiteenzetting van de tweede werking van de geest van verstand, de zesde gave, begint ook met een vergelijking met de zon. De eenvuldigheid en de verlichting van het verstand door de zesde gave leidt tot dieper inzicht in God, de achterliggende eigenschappen achter Zijn werken.

Opvallend is dat Ruusbroec als eerste oorzaak geeft dat deze gave aanzet tot zelfinzicht. Door deze gave beseft de mens de eenheid die hij heeft en bezit in God en zijn gelijkvormigheid met God die hij heeft in zichzelf. Door het licht van deze gave verkrijgt de mens inzicht.

Naarmate dit inzicht in zichzelf en in de goddelijke waarheid groeit, wordt ook de wil, de minnende kracht of het vermogen tot liefhebben, verhit. Hoe meer de ziel God gelijkvormig is in eenvuldigheid, klaarheid in zijn verstand en uitvloeiende liefde, hoe inniger hij met Hem is verenigd. Blijkbaar geldt hoe meer een mens aan God gelijk is geworden, hoe vollediger de eenwording kan zijn. En hoe verlichter zijn verstand is en hoe verhitter zijn wil of liefde, hoe meer de mens aan God gelijk is geworden:

‘Want hi is eenvuldicheit in sinen wesene, claerheit in sine verstane, ende eene uutvloeyende ghemeyne minne in sinen werkene’. [p308]

Hieruit kan de volgende gevolgtrekking worden gemaakt: voor de menselijke ziel bij wie het verstand is opgelicht en de wil of het gevoel is verhit tot het niveau van het licht en de warmte van God zelf, is de meest optimale eenwording met God mogelijk. Dat de mens is geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God, houdt ook in dat God een ‘voor-beeld’ is voor de manier waarop de menselijke ziel is geschapen en in elkaar zit. Dat komt hier wel heel direct naar voren.

In het derde deel, het Godschouwende leven, waarin Ruusbroec de hoogst mogelijke eenwording beschrijft, worden er nog verschillende uitspraken gedaan over het gelijk zijn van de mens aan God (God als ‘voor’-beeld) en over licht en warmte met betrekking tot God als drie-eenheid.

De hemelse Vader wil dat de mens geestelijk ziende wordt, ‘want hi es een vader des lichts’. [p354] Hiertoe spreekt hij onophoudelijk één Woord, wat de geboorte en het uitgaan van de Zoon, het eeuwige licht, is. Al in de hierop volgende zin wordt dit licht genoemd: goddelijk licht. Dit onbegrijpelijke licht wordt geboren vanuit de duisternis.

De vraag die aan het einde van het eerste hoofdstuk van deze nota is gesteld, komt hier weer aan de orde. Bestaat er naast geschapen stoffelijk licht en geschapen geestelijk licht ook ongeschapen licht? Het goddelijke licht dat hier aan de orde is, krijgt nergens het adjectief ‘geschapen’ mee, het is het Woord dat geboren wordt uit de duisternis en waarin God Zichzelf en alle dingen uitspreekt. Dit licht is zo groot en allesomvattend, dat wie het schouwt ‘vint (...) hem ende ghevoelt dat selve licht daer hi met siet’. [p358] Dit komt overeen met wat Ruusbroec enkele bladzijden later beweert:

‘Ende alle die menschen die boven hare ghescapenheit verhaven sijn in eenen scouwende levene die sijn één met deser godlijcker claerheit, ende si sijn die claerheit selve’. [p366]

Dat dit ook bijna niet anders kan, volgt uit een eerdere uitspraak. Met de geboorte van de tweede Persoon in de Godheid, de Zoon, zijn alle schepselen uitgegaan. Elk als een ander dan God zelf, maar

‘niet een ander in alre wijs: want al dat in god es, dat es god’. [p364]

Door het wezenlijke eenzijn van de ziel met God en het uitvloeien tot een anderheid met de Zoon, is de mens zozeer aan God gelijk dat

‘hi hem sonder onderlaet bekint ende herbeeldt in deser ghelijcheit na wesene ende na personen’. [p364]

Door één te worden met het goddelijke licht, bereikt de schouwende mens zijn eeuwige Beeld, waartoe elk mens geschapen is. [p358] Deze mens is dan verlicht met goddelijke waarheid en gaat uit in goddelijk schouwen.

De vraag rijst waar, naast dit licht, de warmte gebleven is. Dit komt in het Godschouwende leven niet zo expliciet naar voren. Toch is er meer, naast de Zoon, het licht, de waarheid en het schouwen: uit de ontmoeting tussen de Vader, de oorsprong, en de Zoon ontspringt de Heilige Geest, hun beider minne. Deze minne omvangt en doordringt ‘werkelijc ende ghebrukelijc’ de Vader en de Zoon en al wat in hen beiden leeft. [p370]

Samenvattend beschrijft Ruusbroec het zo:

‘Die verborghene godlijcke natuere, die es eewich werkelijc scouwende ende minnende na wise der persone, ende altoes ghebrukende in eenen omvanghe der persone in eenicheit des wesens’. [p352]

De drie Personen zijn werkend in schouwen en minnen en genietend in eenzijn. De liefde mag dan ook niet worden vergeten naast het schouwen, Ruusbroec benadrukt dat de schouwende mens moet uitgaan in liefde, wat de ontmoeting met God in minne mogelijk maakt. [p370]



3.3 Voorlopige gevolgtrekkingen


Verschillende constateringen en samenhangen uit 1.3 en 2.3 komen in dit hoofdstuk weer terug. Als uitgangspunt van dit hoofdstuk is een passage uit ‘Om hem te ontmoeten’ van het Innige leven genomen. Naast licht en warmte is de nadruk komen te liggen op de mens als beeld en gelijkenis van God.

De zesde gave van de Heilige Geest is een kracht die zich kenmerkt door drie uitwerkselen: eenheid, waarheid en liefde. Is de menselijke geest in een toestand van eenheid, dan zijn de vermogens boven menigvuldigheid verheven. De geest is dan aan God gelijkvormig door genade en minne. In het eenzijn werkt en rust de minne; rusten in eenheid met God en werkzaam zijn in gelijkvormigheid met God is volgens de natuur van God, de drie-eenheid.

De werking van de zesde gave in het verstand (verlichting van het verstand) leidt tot zelfinzicht en Godsinzicht. De wil of het vermogen tot liefhebben raakt meer verhit. Hoe meer de mens verlichting van zijn verstand, verhitting van zijn wil en liefde, en eenvuldigheid van zijn geest realiseert, hoe meer hij God gelijkt. En hoe meer de mens God gelijkt, hoe optimaler eenwording met God mogelijk is.

Dit wordt in het Godschouwende leven verder uitgewerkt. De drie Personen van de drie-eenheid krijgen elk een specifieke omschrijving. De Vader is de Oorsprong, Hij is de Vader van het Licht. Het Woord dat Hij spreekt (en waarin Hij Zichzelf en alle dingen uitspreekt), is de Zoon, goddelijk licht dat verlicht met goddelijke waarheid en goddelijk schouwen. Uit de Vader en de Zoon ontstaat de Heilige Geest, een allesdoordringende liefde.

Eerder is al de samenhang tussen liefde en warmte geconstateerd. Hoewel dit niet expliciet wordt genoemd, ligt voor de hand dat ook liefde van de Heilige Geest zich kenmerkt door warmte. Ieder schepsel is uitgegaan met de geboorte van de Zoon en is een ander dan God Zelf, maar is tegelijkertijd in God en alles wat in God is, dat is God.

De aangevulde hypothese uit paragraaf 2.3 kan verder worden uitgebreid. De oorsprong van de drie-eenheid is de Vader als scheppende kracht. De Zoon kenmerkt Zich door licht en vertegenwoordigt de rede en het schouwen. Van de Heilige Geest kan worden verondersteld dat deze Zich door warmte kenmerkt en de liefde of de minnende kracht, de wil, vertegenwoordigt. Naast werkzaamheid in de drie Personen is God wezenlijk één in genietende rust.

Hoe meer de mens gelijk wordt aan God, in eenheid van geest, in verlichting van zijn verstand en schouwen, en in verhitting van zijn wil en vermogen tot liefhebben, hoe optimaler eenwording met God mogelijk is.



[einde van de derde passage]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘Licht en warmte. Het gebruik en de betekenis van de begrippen ‘licht’ en ‘warmte’ in Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec’ (onderzoeksnota, 1995). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Brulocht Ruusbroec
  Inhoudsopgave
  Inleiding
  Eerste passage - de zon in de vallei
  Tweede passage - de drie rivieren
  Derde passage - de zesde gave   ↑
  Besluit
  Bijlagen