RozemarijnOnline




Gastenboek van RozemarijnOnline






















Gastenboek literaire website RozemarijnOnline

Vraag en antwoord

home           gastenboek




Onderwerp: Gedicht Hendrik van Veldeke
(14 november 2016)


Beste Rozemarijn,

Voor school moet ik het gedicht 'In den tiden dat die rosen' van Hendrik van Veldeke analyseren. Ik ben hier al mee begonnen maar ik vind het toch erg lastig. Zou jij mij hierbij kunnen helpen?

Met vriendelijke groet,

Anne.

---

In den tiden dat die rosen
tounen manech scone blat,
so vloeket men den blidelosen
die wroegere siin ane maneger stat,
want sie der minnen sun gehat
ende den minneren gerne nosen.
van den bosen moete Got ons losen!

Men darf den bosen niewet vloeken.
hen wirt dicke onsachte wé,
want sie warden ende loeken
alse dé sprenket in den sné.
des siin sie vele die mere gevé.
doch ne darf es nieman roeken,
want sie soeken peren op den boeken.


Hendrik van Veldeke (12e eeuw).


hertaling:

In het jaargetijde dat de rozen
heel veel fijne bloemblaadjes laten ontluiken
verwenst men de lieden die geen blijdschap kennen
degenen die veelvuldig verraad plegen tegenover geliefden
immers zij zijn vervuld van haat tegen de minne
het liefst berokkenen zij de minnenden kwaad
God moge ons verlossen van de boosaards

vervloeken moet men de boosaardigen niet
(minderwaardige) verraders ondervinden vaak pijnlijke gevoelens
zij beloeren en bespieden (vanuit hun schuilhoeken)
als iemand die strikken spant onder een sneeuwtapijt (om vogels te vangen)
Ze doen dit op een verkeerd gekozen tijdstip, daar de kramsvogel (d.i. de z.g. dubbele lijster) dan niet te vangen is
Maar wat deert ons dat? De gevolgen zijn nihil, net als bij diegenen die menen peren van beukebomen te kunnen plukken! (Deze volkswijsheid beduidt: zo'n tijdverdrijf is zinloos)
gevé, of gevee d.w.z. vijandig gezind, gevede = haat, vijandschap





Antwoord     (23 november 2016)


Dag Anne,

Ik heb maar weinig ruimte momenteel om naar het gedicht te kijken, maar hier mijn gedachten bij dit gedicht 'In den tiden dat die rosen' van Hendrik van Veldeke.

Ik begrijp dat je dit een lastig gedicht vindt om te begrijpen, het is niet alleen geschreven in een middeleeuws dialect, maar verwijst ook naar een cultuur en omgangsvormen van zo'n achthonderd jaar geleden.

Het gedicht begint met een zogenaamde 'natureingang' (een 'natuurinleiding', een natuurbeeld als begin). De gevoelens of de situatie in de rest van het gedicht, kunnen een weerspiegeling zijn van dit beeld of een tegenstelling. In dit geval is het natuurbeeld het jaargetijde dat de rozen bloeien, het is dus lente of zomer. De roos is natuurlijk een beeld van de liefde die bloeit.

Dan volgt er in de beschrijving een tegenstelling. Want er zijn mensen die 'vreugdeloos' zijn en die de liefde haten. Zij berokkenen de geliefden kwaad.

Ook in de tweede strofe gaat deze beschrijving door. Deze boosaardige mensen 'beloeren en bespieden', alsof ze proberen strikken te zetten voor geliefden, om hen in de val te laten lopen. Dit is echter zinloos, alsof ze peren proberen te plukken van beukebomen.


In onze ogen lijkt dit een vreemde beschrijving. Wie zijn die mensen die de liefde haten en die geliefden in een val proberen te lokken?

Om dat te begrijpen, moet je terug naar de denkbeelden uit de 12e eeuw. Het verwijst naar omgangsvormen uit de tijd van de hoofse liefde.

In de hogere kringen en zeker bij de adel, was het normaal dat huwelijken gearrangeerd werden, kinderen werden uitgehuwelijkt. Geld kon het beste binnen de familie blijven, dus trouwde je dochter het beste met een neef - of huwelijken haalden de banden aan met andere machtige edelen of heersers, waarbij onderlinge huwelijksbanden oorlogen konden voorkomen. Huwelijken werden dus niet uit liefde gesloten met een zelfgekozen partner.

In de hoofse literatuur vanaf de 12e eeuw werd beschreven dat mannen soms buiten hun huwelijk een vrouw aanbaden of liefhadden. Vaak was ook zij getrouwd en was een relatie onmogelijk. Maar soms ontstond er wel een liefdesrelatie, wat aanvaardbaar werd gevonden, zolang deze maar strikt geheim bleef. Geliefden spraken dus af in het donker, in een boomgaard ofzo.


Veldeke beschrijft hier dus dat er mensen zijn die deze buitenechtelijke, hoofse liefdesrelaties proberen te ontmaskeren. Blijkbaar 'haten' zij de liefde, omdat juist in deze relaties liefde werd gevonden (niet binnen een huwelijk).

Veldeke kiest hier duidelijk de kant van de geliefden, de liefde. Hij vervloekt deze vreugdelozen en hoopt dat 'God ons mag verlossen van die boosaardigen'. Hij denkt ook dat ze niet veel zullen bereiken, want ze zoeken op een verkeerd moment en hun bezigheid is zinloos.


Zo zie je dat literatuur functioneert binnen de tijd waarin het is geschreven, en verwijst naar de maatschappij, de omgangsvormen, de ideeën van die tijd. Honderden jaren later is het moeilijk mee te voelen met zo'n 12e-eeuwse situatie, en wordt het pas begrijpelijk als je je eerst inleest in het verschijnsel van de hoofse liefde.

Ik hoop dat je hiermee weer verder komt. Ik moet het hierbij laten. Met vriendelijke groet,

Rozemarijn.


Gedichten met een bespreking








Versanalyse en interpretatie


Home           Gastenboek