RozemarijnOnline




Gastenboek van RozemarijnOnline






















Gastenboek literaire website RozemarijnOnline

Vraag en antwoord

home           gastenboek




Onderwerp: Gedicht Ted van Lieshout
(15 mei 2018)


Geachte mevrouw Van Leeuwen,

Ik ben student aan de lerarenopleiding (Nederlands) in Leuven. We kregen de opdracht om een gedicht te analyseren en daar vervolgens een les mee op te bouwen. Het desbetreffende gedicht is 'De gewone oorlog' van Ted van Lieshout.

In de bijlagen vindt u het document terug waarin ik zelf momenteel aan het analyseren ben. Bij het interpreteren van dit gedicht ondervond ik weinig moeilijkheden, maar ik begrijp niet waar Van Lieshout op doelt met de titel.

Ook werd ons uiteraard gevraagd om de stijlkenmerken te bespreken. Ik kan in dit gedicht echter heel weinig terugvinden van stijl, hoewel ik hier nochtans over heb geleerd tijdens de lessen literatuur. Het zou me gewoon al enorm verder helpen indien u zou kunnen zeggen of er in dit gedicht daadwerkelijk weinig te zeggen valt over stijl of dat ik het er zelf onvoldoende uit heb gehaald.

Alvast bedankt!

Met vriendelijke groeten,

Stef.

---

De gewone oorlog


dat ik mij schaam omdat de oorlog voor mij      1
heen is teruggevochten. Ik was misschien
een held geweest, het had gekund.

Jij was een meisje toen en durft te erkennen      2
dat je het meest hield van je oma, hoewel
ze getrouwd was met een NSB-er en gehaat werd

door haar eigen schoonzoon die opbloeide      3
onder het Duitse juk, omdat zuinigheid zijn deugd was
en schaarste dus een geschenk. Maar dat was geheim.

En Rotterdam op weg naar school verloor zo      4
haar gebouwen en na die eerste bommen
was je dat wel gewend; je werd alleen maar boos

omdat je 's nachts ruw wakker gemaakt werd      5
om in de kast onder de trap te schuilen. En de buren
werden weggevoerd. Men zei dat het de schuld van opa was.

Vader verbood je elk bezoek aan oma, want daar      6
hadden ze alles verraden. Maar ja, je was een held
en ging stiekem omdat je van haar hield.

En zij hield van jou en opa ook; die had tenminste      7
nog zijn radio bewaard, de radio die vader
op eerste bevel kapot had teruggegeven aan de Duitsers,

terug aan nergens om. Het was oorlog tussen iedereen      8
en allemaal. En toen de vrede kwam hield het niet op.
Juichend gooiden ze oma in kamp Westerbork.

Je huilde om haar. Vader niet. Overal was feest,      9
al bleef er honger. Je kreeg een boterham met suiker!
Die at je expres op. Dat was jouw verzet.


Ted van Lieshout





Antwoord    (18 mei 2018)


Dag Stef,

Ik zie dat je je al uitgebreid in het gedicht hebt verdiept.

Om het gedicht te kunnen begrijpen, zijn er drie belangrijke vragen om te beantwoorden. Wie zijn de 'ik' en de 'jij'? Hoe verhouden alle familieleden, die in het gedicht worden genoemd, zich tot elkaar? En wat betekent de titel 'De gewone oorlog'?


De 'ik', de 'jij' en de familieverhoudingen

In het hele gedicht is er sprake van een 'ik' die een 'jij' aanspreekt. De 'jij' was tijdens de oorlog een 'meisje' (str 2) in de schoolleeftijd (str 4). Nergens in het gedicht wordt verteld hoe de 'ik' en de 'jij' zich tot elkaar verhouden. Het gaat in het hele gedicht echter duidelijk om familieverhoudingen: er is ook een 'vader', een 'schoonzoon', een 'opa' en een 'oma'.

Mogelijk bedoelt Ted van Lieshout zichzelf met 'ik' (hij schreef veel autobiografische gedichten) en hij werd geboren in 1955 - 10 jaar na de Tweede Wereldoorlog. Dan ligt het voor de hand dat de 'jij' (die als schoolgaand meisje zo'n 10, 15 jaar oud moet zijn geweest tijdens de oorlog) een generatie boven hem zit - dus mogelijk zijn moeder was (stel dat zij 10 was bij het uitbreken en 15 bij het eindigen van de oorlog, dan was zij in 1955 25 jaar, en kan dus heel goed een zoon krijgen). Een geliefde die 25 jaar ouder is, is onwaarschijnlijk. Bovendien draait het hele gedicht om familieverhoudingen, dus ligt het voor de hand, dat ook de 'ik' een familieverhouding heeft met de 'jij'.

Hoe zit de familie dan in elkaar? De 'jij' (het schoolgaande meisje) heeft een oma, dus de 'jij' is een kleindochter (hiertussen moet dus nog 1 generatie zitten). Oma is getrouwd (str 2) met opa. Er is ook een 'schoonzoon' (die moet dus getrouwd zijn met een dochter van oma en opa), die opa en oma 'haat'. Deze niet genoemde dochter en haar man, de 'schoonzoon', hebben dus een dochter, de kleindochter van oma en opa (de 'jij' in het gedicht). Haar vader is dus de schoonzoon van opa en oma (de tussenliggende generatie). Dan de 'ik' (oftewel de dichter), dat is de zoon van de 'jij' (die tijdens de oorlog een schoolgaand meisje was). Dus de 'jij' is de moeder van de 'ik'. De 'ik' spreekt dus het hele gedicht door zijn moeder aan (de 'jij', die tijdens de oorlog een schoolgaand meisje was).

De vier genoemde generaties zijn dan:

opa (een NSB-er) + oma
dochter (niet genoemd) + schoonzoon (str 3)
kleindochter (de 'jij' oftewel de moeder van de 'ik')
achterkleinzoon (de 'ik', de dichter)

De 'ik' (de dichter) heeft het dus over zijn moeder ('jij'), en over haar vader, die de schoonzoon is van haar opa (NSB'er) en oma. Vier generaties dus, niet drie! (De man die oma 'schoonzoon' noemt, wordt door kleindochter 'vader' genoemd - maar dat is dus één en dezelfde man.)


De oorlog

In het hele gedicht wordt er verwezen naar een oorlog. Dit gaat duidelijk om de Tweede Wereldoorlog in Nederland: Rotterdam wordt gebombardeerd, en de NSB, het 'Duitse juk' en kamp Westerbork worden genoemd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Nederland bezet door Nazi-Duitsland van mei 1940 tot mei 1945. Tijdens de inval van Duitsland in mei 1940, werd de gehele historische binnenstad van Rotterdam plat gebombardeerd door brandbommen (het gaat dus om een eenmalig bombardement). Na dit bombardement, na slechts drie dagen vechten, moest Nederland zich overgeven. Er waren in de jaren daarna op Nederlands grondgebied (tot aan de maanden rond de bevrijding) eigenlijk weinig gevechten of bombardementen - wel veel overvliegende bommenwerpers uit Groot-Brittannie naar Duitsland en omgekeerd (die wel geregeld per ongeluk een bom afwierpen) - hiernaar wordt verwezen in str 5: als de sirenes afgingen (luchtalarm bij overvliegende bommenwerpers), moest iedereen schuilen in schuilkelders of onder de trap.

Ook de genoemde radio's (str 7) verwijzen naar de Tweede Wereldoorlog. Alle Nederlanders moesten verplicht hun radio inleveren bij de Duitse bezetter, zodat ze niet konden luisteren naar Engelse zenders en naar Radio Oranje (dat werd uitgezonden vanuit Londen).

De NSB (Nationaal-Socialistische Beweging) was een politieke partij die aan de kant stond van Nazi-Duitsland en collaboreerde met de Duitse bezetter. Een deel van de leden hield zich ook bezig met het opsporen van ondergedoken Joden. De NSB-leden werden door rest van de bevolking ervaren als verraders (zij waren 'fout'). Na de oorlog werden vele leden gearresteerd, gevangengezet, hun huizen werden geplunderd, vrouwen werden kaalgeschoren, ze moesten dwangarbeid verrichten en velen stierven door honger en ziektes. Nog tientallen jaren werden families van NSB-leden vermeden en uitgesloten. Door de maatschappelijke afkeuring/uitsluiting en door schaamte, werd er na de oorlog zelden gepraat over 'foute' familieleden, en vaak raakte het contact binnen families, tussen 'foute' en 'goede' familieleden, voorgoed verbroken.

Kamp Westerbork was tijdens de oorlog inderdaad een doorgangskamp voor Joden, Roma en verzetstrijders. Echter: na de Tweede Wereldoorlog (1945-1949) werd het een interneringskamp voor NSB'ers. In afwachting van hun proces, zaten zij hier opgesloten.


De titel 'De gewone oorlog'

Wat betekent in het licht van het bovenstaande de titel? Een goede titel is de kortste samenvatting van de inhoud van het gedicht, of een sleutel tot interpretatie van het gedicht. Dit gedicht beschrijft dus volgens de titel de 'gewone oorlog'. Inhoudelijk gaat het gedicht inderdaad niet over wat wij normaal onder 'oorlog' verstaan: de frontlinie, soldaten, kogels, gevechten, tanks, generaals - het komt in het gedicht allemaal NIET voor.

Het gedicht toont de invloed van oorlog op de gewone mens, op een gewone familie, de gevolgen van oorlog in het gewone leven. Het gaat om een familie die verscheurd raakt, omdat een deel aan de ene kant van de geschiedenis komt te staan (de NSB) en een deel aan de andere kant van de geschiedenis (die de NSB haten). Hiermee komt de oorlog in te staan tussen een meisje (de 'jij') en haar oma, die eigenlijk veel van elkaar houden. Het laat zien hoe ontwikkelingen op het wereldtoneel een vreselijk invloed kunnen hebben op het gewone leven, een gewone familie.

Ook het begrip 'held' heeft in dit gedicht een andere lading dan normaal in oorlogsbeschrijvingen. Een held is normaal gesproken iemand die iets dappers doet aan het front, zijn gewonde kameraad uit de vuurlinie wegsleept, iemand die onderduikers in huis neemt, of zulk soort heldendaden.

In strofe 6 wordt de 'jij' een held genoemd (de kleindochter, dus de moeder van de 'ik'). De dichter vindt haar een held, omdat ze stiekem naar haar grootmoeder ging, hoewel haar vader (dit is dus de 'schoonzoon' uit str 3) haar dat verbood. Haar vader haat zijn schoonouders (opa en oma), omdat opa lid is van de NSB. De heldendaad van de 'jij' is dus, dat ze in verzet komt tegen het verbod van haar vader. De liefde voor haar oma is sterker dan de breuk die door alle oorlogsperikelen wordt veroorzaakt. Zij is dus een held, omdat zij haar familieband, haar liefde, boven de problemen van buitenaf stelt.

Ook dit begrip verwijst dus niet naar een oorlogsheld, maar naar een 'gewone' held, een held in het 'gewone leven': een dochter die in opstand komt tegen de haat van haar vader, een dochter die ongehoorzaam is. Sterker nog: haar heldendaad is dat zij contact legt met mensen die bij de NSB zijn betrokken - dus maatschappelijk gezien zou dat geen heldendaad zijn, eerder verraad. Maar binnen dit gedicht, binnen de familieverhoudingen, noemt Ted van Lieshout haar nadrukkelijk een held.

De 'jij' is de held van de 'gewone oorlog' uit de titel, de oorlog binnen de familie, binnen het gewone leven, omdat zij de breuk die in de familie is ontstaan, overbrugt.


De inhoud van het gedicht

In het licht van al het bovenstaande, zou ik dus het gedicht op deze manier lezen.

Het gedicht gaat over een 'ik' die terugkijkt op zijn familie en de onderlinge familieverhoudingen tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog.

(1). De 'ik' is geboren na de oorlog en stelt zich voor dat hij anders misschien een held zou zijn geweest. Maar de oorlog is voor zijn tijd al bevochten. (2) De 'jij', de moeder van de 'ik', was tijdens de oorlog een (schoolgaand) meisje. Zij hield van haar oma, al was die getrouwd met een NSB'er. (3) De vader van het meisje (de schoonzoon van opa en oma) haat zijn schoonouders, de grootouders van het meisje. Wat 'geheim' wordt gehouden is niet heel duidelijk, mogelijk de haat, mogelijk de hij opbloeit door het Duitse juk.

(4-5). De invloed van de oorlog op het dagelijkse leven wordt beschreven. Rotterdam is gebombardeerd, 's nachts word je wakker (luchtalarm bij overvliegende bommenwerpers), je moet schuilen in een schuilkelder of onder de trap, buren (joden of verzetsmensen) worden weggevoerd. Dat laatste vindt men de schuld 'van opa', oftewel van NSB'ers.

(6-7). Het gedicht richt zich weer op familieverhoudingen. Vader verbiedt het meisje om oma te bezoeken (ivm lidmaatschap NSB), maar het meisje houdt van haar oma en bezoekt haar stiekem toch. Opa en oma houden ook van haar. Opmerkelijk is dat het meisje opa tegenover haar vader (opa's schoonzoon) zet: opa heeft zijn radio nog, maar vader heeft hem braaf ingeleverd bij de Duitse bezetters (waarbij de goedkeuring van het meisje meer ligt bij opa).

(8). 'Het was oorlog tussen iedereen en allemaal': zowel in de buitenwereld, als binnen de familie is het oorlog (het woord oorlog wordt niet alleen wordt gebruikt voor een gewapend conflict, maar ook in zijn algemeen in de betekenis van conflict, onenigheid, strijd). Zelfs als de vrede wordt getekend, in mei 1945, houdt de oorlog niet op: oma (opa waarschijnlijk ook) wordt vastgezet in kamp Westerbork - dit doen ze 'juichend', terwijl het meisje 'huilde'. Dit laat weer zien hoe de oorlog in de buitenwereld het gezin binnendringt en verscheurt: oma zit vast en wordt onbereikbaar voor het meisje (breuk oma-meisje) en zij huilt hierom, maar haar vader niet (die hoort wellicht zelfs bij de 'juichende' mensen) (breuk vader-meisje).

(9). Zoals eerder het meisje in verband wordt gebracht met 'held' (str 6: ze gaat oma stiekem bezoeken), wordt ze hier in verband gebracht met 'verzet'. Als 'verzet' eet ze een boterham met suiker. Ook hier gaat het weer niet om een oorlogsdaad (het verzet dat joden liet onderduiken en spoorbanen opblies), nee: het verzet is het eten van een boterham met suiker. Dit valt weer onder de 'gewone oorlog', de oorlog die binnendringt in de familiesfeer. Haar vader vindt 'zuinigheid' een 'deugd' (str 3), schaarste is goed, want dat maakt je deugdzaam. Het meisje gaat dus opnieuw tegen haar vader in.

Zowel het begrip 'held' als het begrip 'verzet' verwijzen dus naar de 'gewone oorlog' in de familiesfeer. En misschien wordt er nóg wel een veel 'gewonere' oorlog bedoeld: los van de Tweede Wereldoorlog, los van de doorwerking van de oorlog binnen de familie, verzet het meisje zich ook tegen haar vader zoals elk opgroeiend kind doet. Het gedicht is evengoed een verhaal van volwassenwording ('coming of age'): elk kind begint vanaf de puberteit zijn eigen keuzes te maken en de keuzes van zijn ouders te bevragen.

Zij mag haar oma niet bezoeken, maar gaat toch, omdat zij van oma houdt, en dat zwaarder vindt wegen dan de haat van haar vader tegen de NSB (eigen keuze, tegen mening vader in). En zij eet een boterham met suiker en verzet zich daarmee tegen de opvoedende praatjes van haar vader over zuinigheid en deugdzaamheid. De 'gewone oorlog' betekent dan het gewone verzet van een opgroeiend puberkind tegenover haar vader.

Dan terug naar de eerste strofe. Daar denkt de 'ik' dat hij misschien een held was geweest in de oorlog - maar dat die voor zijn tijd al was uitgevochten, 'teruggevochten'. Dit woord 'held' verwijst duidelijk naar de 'jij', naar zijn moeder, die in dit gedicht onomwonden een 'held' wordt genoemd (str 6). Dus degene die de oorlog heeft 'teruggevochten', vóór de 'ik' werd geboren, is zijn moeder (de 'jij'). Zij heeft zich verzet tegen haar vader (die oma 'haatte' en 'verbood' om haar te bezoeken), zij pleegde een heldendaad door haar oma te bezoeken - met andere woorden: zij heeft de verscheurde familieband in stand gehouden.

De 'ik' (str 1) denkt dat hij anders misschien een held was geweest (het contact met zijn overgrootouders, met de NSB-kant van de familie, had hersteld), maar dat zal hij nooit weten, want zijn moeder heeft dat al gedaan en de oorlog (binnen de familie) was al voorbij.


Formele kenmerken, stijlfiguren en literaire stroming

Dan tot slot naar de formele kenmerken en stijlfiguren in het gedicht.

Het is altijd belangrijk om naar de datering van het gedicht te kijken, dat kan je op het spoor zetten van het gebruik van formele kenmerken. Ted van Lieshout is een na-oorlogse dichter. En vanaf de jaren 1950 raakt het vrije vers in zwang - er wordt veel minder gebruik gemaakt van formele kenmerken als een vaste strofe-opbouw, een vast rijmschema, een vast metrum, enz.

Ook in dit gedicht is er geen vast rijmschema (er is geheel geen eindrijm gebruikt) en geen vast metrum door het hele gedicht heen. Wel gebruikt Van Lieshout enige andere formele kenmerken en stijlfiguren.

De strofe-opbouw lijkt op het eerste gezicht regelmatig: allemaal strofen van 3 regels (9 terzinen, inderdaad). Maar de regels hebben geen vaste regellengte (dus niet: allemaal hetzelfde aantal beklemtoonde lettergrepen), maar verschillen enorm in lengte. Ook wordt die vaste opbouw meteen doorbroken, omdat meerdere keren enjambementen over de witregel heen lopen (2-3; 4-5; en 7-8). Dit is vrij ongebruikelijk: tussen de strofen zit een duidelijke, zichtbare onderbreking - maar inhoudelijk/grammaticaal loopt de zin gewoon door.

Als de zin doorloopt, terwijl er tegelijk een onderbreking is (witregel), ontregelt dat het doorlezen (het leesautomatisme). Het versterkt mogelijke ambiguïteit in de zin. Bijv (2-3) er staat, als je aan het lezen bent, zowel dat oma 'gehaat werd', als dat ze 'gehaat werd door haar schoonzoon'. Dit is een van de bekende manieren om, in de beperkte ruimte van een gedicht, zoveel mogelijk aan betekenis op te roepen.

Naast alle enjambementen (ook over de strofe-indeling heen) maakt hij ook veel gebruik van versbreking (bijv: str 1 'Ik was misschien'; str 3 'Maar dat was geheim'; str 5 'Men zei'; str 6 'Maar ja'; str 8 'En toen'; str 9 'Vader niet' / 'Overal was feest' / 'Je kreeg' / 'Dat was jouw'). Dus hoewel de strofe-opbouw op het eerste gezicht regelmatig lijkt (terzinen), doet Van Lieshout er vervolgens alles aan om de regelmaat te doorbreken: zeer verschillende regellengte, enjambementen over de witregel heen, enorm veel versbreking (zinnen vallen niet samen met regels, ondersteunen dus de vorm van het gedicht niet).


Van Lieshout doorbreekt ook op andere plekken doelbewust het leesautomatisme. Dat dwingt de lezer om langzamer te lezen, te herlezen, zich af te vragen wat er nou eigenlijk staat.

Bijv. r.1 begint meteen zonder hoofdletter, middenin een bijzin (! geen hoofdzin!). Je kunt er in gedachten de hoofdzin 'Ik denk dat ...' voor zetten: '(Ik denk) dat ik mij schaam omdat de oorlog voor mij heen is teruggevochten' (ellips: weglating, dus onvolledige zinsbouw).

Bovendien kent deze zin geen normale Nederlandse zinsbouw: 'de oorlog is voor mij heen teruggevochten'. Deze vreemde formulering krijgt pas betekenis, als je de rol van de 'jij' (de moeder van de 'ik') tijdens de oorlog begrijpt - maar dat weet je al lezer nog niet als je begint te lezen. Door de lezer plompverloren middenin een bijzin, met ook nog een vreemde formulering, en middenin een gedachtegang te laten beginnen, zorgt ervoor dat de lezer gedwongen wordt om langzamer te lezen en te herlezen (ontregeling leesautomatisme).

Ook de eerste regel van str 4 heeft geen normale zinsbouw ('En Rotterdam op weg naar school verloor'), net als de eerste regel van str 8 (terug aan nergens om). In het laatste geval gaat het om het oordeel van het meisje over haar vader. Hij heeft, volgens het bevel van de nazi-bezetter, zijn radio ingeleverd (zodat hij niet naar Radio Oranje kan luisteren). Er staat 'terug aan' maar de zin wordt niet afgemaakt ('terug aan de Duitsers'), maar in plaats daarvan volgt een verzuchting: 'nergens om'. Het is overigens onduidelijk waarom hier het woord 'teruggeven' wordt gebruikt, terwijl iedereen zijn radio moest inleveren ('teruggeven' suggereert dat hij het van de Duitsers had geleend of gekregen, dat lijkt mij onwaarschijnlijk).


Ik zou het gedicht typeren als een vrij vers, dus een gedicht met geen of nauwelijks formele kenmerken. Er is geen rijm of rijmschema en geen andere klankovereenkomst die meer eenheid brengt in het gedicht. Er is ook geen vast metrum gebruikt. De strofe-indeling lijkt op het eerste gezicht regelmatig (elk 3 regels), maar dit wordt doorbroken door enjambementen over de strofen heen, door versbreking en het ontbreken van een vaste zinslengte. Hoewel er dus een minimale regelmaat in de vorm is, schept dit geen regelmaat of houvast in het gedicht, het stokt het leesritme eerder.

Ook grammatikaal doorbreekt Van Lieshout bewust het leesautomatisme van de lezer, door halve zinnen en vreemde zinsbouw. Daarmee staat Van Lieshout, als na-oorlogse dichter, natuurlijk in de traditie van het Modernisme (Classisistisch modernisme: doorbreken van vaste versvorm, loslaten van formele kenmerken, gebruik spreektaal in gedicht).

Ik zou dit gedicht scharen onder Parlandische poëzie (de dichter zelf staat centraal, gevoelens en standpunten worden uitgedrukt, spreektaal) en het Nieuw Realisme (gedichten over de gewone, alledaagse werkelijkheid, anekdotisch, persoon/dichter staat centraal).


Slotsom

Zeer beknopt laat dit gedicht een familiegeschiedenis zien van vier generaties, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het gedicht gaat over de oorlog, het laat de invloed van de oorlog op de familie zien, het roert het moeilijke (schaamtevolle) thema aan van het hebben van een NSB'er in de familie, het maakt een held van het schoolmeisje dat haar liefde voor haar oma stelt boven de breuk / de nsb-haat / de oorlog in de familie, het laat het verzet van het meisje tegen haar vader zien, het gaat over het gewone leven van een puber die zich losmaakt van haar vader en haar eigen menig vormt, het gaat over een 'ik', een dichter, die zijn moeder durft te bewonderen (ook al vond de maatschappij dat je NSB'ers moet laten vallen; hij vind haar een held), als zij het contact niet had hersteld, dan had hij het gedaan (tussen de 'ik' en zijn moeder is dus geen conflict/oorlog, maar overeenstemming, er is geen oorlog meer in de familie).

Van deze vier lagen (de Tweede Wereldoorlog; de invloed van de oorlog op een gewone familie; de heldendaad van het schoolmeisje om de breuk door oorlogsinvloeden in de familie te overbruggen; het verzet van een opgroeiend tienerkind tegen haar vader) lijkt Ted van Lieshout nadrukkelijk duidelijk te maken in de titel dat het hem niet gaat om de Tweede Wereldoorlog. Het gaat om oorlog in de algemene zin van conflict, onenigheid, strijd. Het gaat hem om onenigheid in een familie; strijd tussen familieleden; het conflict, de 'gewone oorlog', tussen vader en dochter.


Ik hoop dat je zo verder komt met je bespreking. Ik wens je veel succes met het geven van je poëzie-les.

Met vriendelijke groet,

Rozemarijn.


- Nederlandse poëziegeschiedenis
- Kenmerken poëzie
- Alle gedichten met een bespreking





Re:    (19 mei 2018)


Beste mevrouw Van Leeuwen,

Bedankt voor deze prachtige analyse. U haalt veel zaken aan waar ik zelf helemaal niet bij had stilgestaan. Dit zal me enorm helpen bij het maken van mijn les poezië.

Nogmaals bedankt voor uw tijd en inspanning!

Met vriendelijke groeten,

Stef.





Re:    (19 mei 2018)


Fijn dat je wat aan mijn bespreking hebt, Stef. Ik hoop dat je een goede beoordeling zult krijgen voor je les, maar vooral dat je met plezier met poëzie bezig zult zijn en wellicht aan toekomstige leerlingen zult uitdragen.

Ze hadden je een lastig gedicht gegeven, met al die verwijzingen naar een zeer specifiek stukje van de Nederlandse geschiedenis, dat niet zo bekend zal zijn in omringende landen; en weinig aanknopingspunten in het gedicht om zicht te krijgen op al die familieverhoudingen.

Ik kan niet beloven dat ik alles uit het gedicht heb gehaald - ik kende Van Lieshout eigenlijk alleen als kinderboekenschrijver en heb weinig zicht op zijn poëtische oeuvre. Maar je zult van hieruit ongetwijfeld zelf nog stappen zetten, want je was al goed op weg.

Tijdens mijn studie heb ik een jaar colleges over historische letterkunde gevolgd in Antwerpen en Leuven - waaraan ik zeer goede herinneringen bewaar. Dit terzijde. Maak er een mooie les van en met vriendelijke groet,

Rozemarijn.


- Nederlandse poëziegeschiedenis
- Kenmerken poëzie
- Alle gedichten met een bespreking









Versanalyse en interpretatie


Home           Gastenboek