RozemarijnOnline




Gedicht
van de maand























Alles over poëzie:











Lees ook de uitgebreide

biografie van Nijhoff




Meer gedichten lezen?

gedichten uit Ithaka



tip:

zorg dat de resolutie van je beeldscherm op 1024x768 of hoger staat om de gedichten op deze site goed te kunnen lezen.
Is je scherm kleiner, worden lange regels op rare plaatsen afgebroken.



auteursrechten:

Bij de gekozen gedichten is een zo precies mogelijke literatuurverwijzing gegeven. Heeft u aanvullingen of wilt u dat een gedicht van deze site wordt verwijderd i.v.m. auteursrechten, stuur dan een mailtje. Kies bovenaan de pagina voor ‘Contact en colofon’.






uit alle mooie gedichten die mij omringen


Gedicht van de maand



 



Dit jaar een speciale keuze gedichten van Martinus Nijhoff (1894-1953). Je kunt meer lezen over het leven en werk van Nijhoff op deze website: Leven en poëzie van Martinus Nijhoff.

Klik hieronder om meteen naar de betreffende maand te springen,
of scroll langs alle maanden naar beneden.



 



Blader naar andere jaren:      1      2      3




januari





De wandelaar


Mijn eenzaam leven wandelt in de straten,
Langs een landschap of tussen kamerwanden.
Er stroomt geen bloed meer door mijn dode handen,
Stil heeft mijn hart de daden sterven laten.

Kloosterling uit den tijd der Carolingen,
Zit ik met ernstig Vlaamsch gelaat voor 't raam;
Zie menschen op een zonnig grasveld gaan,
En hoor matrozen langs de kaden zingen.

Kunstenaar uit den tijd der Renaissance,
Teken ik 's nachts de glimlach van een vrouw,
Of buig me over een spiegel en beschouw
Van de eigen ogen het ontzaglijk glanzen.

Een dichter uit den tijd van Baudelaire,
- Daags tusschen boeken, 's nachts in een café -
Vloek ik mijn liefde en dans als Salomé.
De wereld heeft haar weelde en haar misère.

Toeschouwer ben ik uit een hoge toren,
Een ruimte scheidt mij van de wereld af,
Die 'k kleiner zie en als van heel ver-af
En die ik niet aanraken kan en horen.

Toen zich mijn handen tot geen daad meer hieven
Zagen mijn ogen kalm de dingen aan:
Een stoet van beelden zag ik langs mij gaan,
Stil mozaïekspel zonder perspectieven.


Martinus Nijhoff

In: Verzamelde gedichten, blz. 7.
Oorspronkelijk in: De wandelaar, 1916.






februari





Pierrot


'k Ontmoette 's nachts een vrouw bij een lantaren,
Geverfd, als heidenen hun doden verven -
Ik zei tot haar: 'Vrouw ik ben moe van zwerven.'
Zij lachte om mijn wit pak en mijn gebaren.

En ik zei weer: 'Laten wij samen sterven,
Vrouw, mijn naam is Pierrot -' Ik vroeg de hare.
Wij dansten samen of we dronken waren.
En mijn stuk hart rammelde van de scherven.

Dit was een dans op de uiterste rand
Der steilten van verbijstring. Als een brand
Joeg waanzin door mijn lijf heen, dat ging breken -

Als wie een moord deed, heb ik omgekeken
En zag me alleen staan in de vale straat,
En vluchtte weg en sloeg me voor 't gelaat.


Martinus Nijhoff

In: Verzamelde gedichten, blz. 17.
Oorspronkelijk in: De wandelaar, 1916.






maart





Zingende soldaten


De keien zijn zo puntig op de straten:
Blonde soldaten, doen je voeten pijn,
Smoor je verdriet met een naief refrein:
'Marie, Marie, ik moet je gaan verlaten.'

Wij zien vooruit naar 't verre doel der torens
En loopen met z'n vieren naast elkaar.
Melancholie, uw vondsten zijn bizar:
'De duivel heeft twee hoeven en twee horens.'

Waar is de tamboer, waar is de muziek?
God heeft ons op den weg alleen gelaten,
Ons lijf gaat breken en ons hart is ziek -

Zingt van een ring en van liefde en van smart,
Zingt van verachting voor een paar granaten!
Een goed soldaat heeft een groot kinderhart.


Martinus Nijhoff

In: Verzamelde gedichten, blz. 26.
Oorspronkelijk in: De wandelaar, 1916.






april





De troubadour


Die 's nachts romancen floot onder de linden
En 's middags scherzo's op de markt der dorpen,
Hij heeft zijn fluit in een fontein geworpen,
En wilde een moeielijker wijsheid vinden.

Hij heeft des nachts op een rivier gevaren,
Hij zag het zonlicht dat de straten kleurde -
En wist dat hij niet leefde, maar gebeurde,
Dat daden machtloos als seizoenen waren.

Hij was een reiziger, den dag lang droomend,
Zijn doel was naar een horizon gericht,
Hij voelde 't leven uit zijn hart weg-stroomend -

En zijn gelaat was bleek, en blonk van licht,
Als van den man die, uit de bergen komend,
God zag van aangezicht tot aangezicht.


Martinus Nijhoff

In: Verzamelde gedichten, blz. 33.
Oorspronkelijk in: De wandelaar, 1916.






mei





Con Sordino


Zij zei tot mij: 'Je bent een prins in bed'.
IJsbloemen waren op het raam gesproeid.
Ons lichaam, tot ontbinding toe vermoeid,
Was tusschen koele lakens in-gebed.

De wereld is herboren na dit sneeuwen
En ik ben weer een kind na deze nacht.
Wees goed voor mijn eenvoudigheid, die zacht
Spreekt als een schilderij der middeleeuwen.

Zie achter dennen het kasteel uitsteken,
En aan den einder als een schuine balk
Het zonlicht op het vrome landschap breken!

Door 't weiland draaft een ridder met zijn lief:
Hij fluit de honden, en zij ziet den valk
Stijgen, die van haar handschoen zich verhief.


Martinus Nijhoff

In: Verzamelde gedichten, blz. 47.
Oorspronkelijk in: De wandelaar, 1916.






juni





Het meisje


Wanneer je ontwaakt, zie je den morgen bleeken,
De klokken luiden dat de dag begint.
De tuin geurt zoel van gras en vochtig grint,
Ruischend omhoog de hooge boomen steken.

Meisje dat de innigheid der dingen mint,
Je hebt geen daad te doen, geen woord te spreken:
Je stil-bewegend leven heeft de bleeke
Wonderlijkheid der droomen van een kind.

Wij gingen samen 's morgens door de stad,
Het licht viel schuin naar binnen in de straten,
Menschen liepen voorbij die samen praatten,

De toren speelde - en 't was of alles had
De teere kleur en klank van 't vreemd bewogen
Zwijgende leven van je glanzende oogen.


Martinus Nijhoff

In: Verzamelde gedichten, blz. 51.
Oorspronkelijk in: De wandelaar, 1916.






juli





Aan mijn kind III


Wanneer men kindren voor een venster brengt,
Vlak voor een venster, dat het stroomend licht
Hangt in het haar en diep in 't zacht gezicht,
Lachen hun oogen alsof God hen wenkt.

Ik denk, God is als een vereenzaamd man,
Die naar de wereld kijkt en keurt haar goed -
Maar ziet hij kindren voor een venster, dan
Lacht hij en wenkt zooals een vader doet.

En wie goed luistert naar dit stil gesprek,
Die zal de woorden in zijn hart bewaren:
Hij hoort de stem van Gods eenvoudig leven -

Hij aarzelt lang in 't zonnige vertrek,
En strijkt zijn kind maar langs de blonde haren,
En ziet het zonlicht door zijn tranen beven.


Martinus Nijhoff

In: Verzamelde gedichten, blz. 55.
Oorspronkelijk in: De wandelaar, 1916.






augustus





Ineengebroken IV


Alleen God weet waarom ik bij je kwam,
Ik wist slechts dat ik niet kwam om te rusten,
Dat je mijn hart ziek en rumoerig kuste,
Dat onze nacht brandde als een zwarte vlam.

Wij, die boven de stad te dansen dorsten
Het licht langs, dat van niets naar niets steeds stijgt,
Vielen terug in 't donker onzer borsten,
Waar voortaan één hart, schaduw-zalig, zwijgt.

Zoo lagen we in den laatsten dageraad,
Hand in hand, glimlachend tegen de zon
Die door 't raam inkeek als een groot gelaat -

En 'k voelde tranen in mijn ogen springen
En hoorde mij, toen 't carillon begon,
Met vreemde stem een kinder-liedje zingen.


Martinus Nijhoff

In: Verzamelde gedichten, blz. 104.
Oorspronkelijk in: De wandelaar, vanaf 2e druk, 1926.






september





Satyr en Christofoor


'Ach, Christofoor, vertrouwder
In 't water dan op 't land,
Til het kindje van je schouder,
Geef zijn handje me in de hand;
Ik wijs het in de bosschen
De bronnen en de mossen,
De vogels en de vossen,
De slang, den haas en 't hert -'

Maar Christofoor, op den oever,
Leunt zwijgende op zijn kruk,
De stroom was stroef, maar stroever
Zijn de tranen van geluk:
Nooit was een bedding weeker,
Nooit waadde hij zoo onzeker,
Want nooit nog, nooit nog streek er
Een handje hem door het haar -

De satyr nadert ijlings
Door het ritselende riet,
Hij ziet het kind dat schrijlings
Op den reus naar hem omziet -
Hij die langs alle wegen
Zijn lusten had verkregen,
Biedt nu, schuw en verlegen,
Een handvol bessen aan -

't Kind heeft zijn hand genomen,
En 't houdt wat het eenmaal houdt,
De satyr kan niet ontkomen,
Hij danst nooit weer in het woud -
Zoo sterk werd zijn hand gegrepen
Dat het sap der stukgeknepen
Vruchten in roode streepen
Neerdrupt van pols naar poot -

O Christofoor, o satyr,
Uw woede en vlucht zijn getemd,
Men vindt op land of op water
Een klein geluk dat klemt:
Voor Christofoor ondoorwaadbaar,
Voor den satyr ongenaakbaar,
Voor mij, ach, onaanraakbaar
Wegzingend door mijn lied -


Martinus Nijhoff

In: Verzamelde gedichten, blz. 111.
Oorspronkelijk in: Vormen, 1924.






oktober





De soldaat die Jezus kruisigde


Wij sloegen hem aan 't kruis. Zijn vingers grepen
Wild om den spijker toen 'k den hamer hief -
Maar hij zei zacht mijn naam en: 'Heb mij lief -'
En 't groot geheim had ik voorgoed begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief - en sloeg en sloeg en sloeg
Den spijker door zijn hand in 't hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
Trek ik een visch - zijn naam, zijn monogram -
In ied'ren muur, in ied'ren balk of stam,
Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
'Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.'


Martinus Nijhoff

In: Verzamelde gedichten, blz. 114.
Oorspronkelijk in: Vormen, 1924.






november





De verbrandende lampion


Vannacht zag ik, door 't raam op het balkon,
Waar 't maanlicht langs de natte planken glansde,
Voorbij de balustrade, een lampion
Van vreemd bleek licht, die in 't donker danste,
Kantelen op de wind -

                                      En plotseling
Herkende ik: zijn gelaat, dat met vermoeide
Wijd-open oogen daar voor 't venster hing
Terwijl de huid als dun doek openschroeide -


Martinus Nijhoff

In: Verzamelde gedichten, blz. 135.
Oorspronkelijk in: Vormen, 1924.






december





Het souper


't Werd stil aan tafel. 't Was of wijn en brood
Werd neergeslagen uit den greep der handen.
De kaarsvlam hing lang-wapperend te branden
En 't raam sprong open door een donkren stoot.

Als water woelden in den nacht de landen
Onder het huis; wij voelden hoe een groot
Waaien ons aangreep, hoe de wieken van de
Vaart van den tijd ons droegen naar den dood.

Wij konden ons niet bij elkaar verschuilen:
Een mensch, eenzaam, ziet zijn zwarte eenzaamheid
Dieper weerkaatst in de oogen van een ander --

Maar als de winden langs de daken huilen,
Vergeet, vergeet waar ons zwak hart om schreit,
Lach en stoot glazen stuk tegen elkander.


Martinus Nijhoff

In: Verzamelde gedichten, blz. 136.
Oorspronkelijk in: Vormen, 1924.








Lees de uigebreide biografie van Martinus Nijhoff:

Leven en poëzie van Martinus Nijhoff



Of lees
gedichten uit Ithaka




Blader naar andere jaren:      1      2      3