RozemarijnOnline




Gedicht
van de maand























Alles over poëzie:











Uitgebreide biografie van Martinus Nijhoff:

klik hier


Meer gedichten lezen?
Klik onderaan de pagina op ‘dichtercollectief Ithaka’ en kies voor ‘Gedichten uit Ithaka’

(of klik hier)






tip:

zorg dat de resolutie van je beeldscherm op 1024x768 of hoger staat om de gedichten op deze site goed te kunnen lezen.
Is je scherm kleiner, worden lange regels op rare plaatsen afgebroken.




auteursrechten:

Bij de gekozen gedichten is een zo precies mogelijke literatuurverwijzing en eventueel een verwijzing naar een webpagina gegeven. Heeft u aanvullingen of wilt u dat een gedicht van deze site wordt verwijderd i.v.m. auteursrechten, stuur dan een mailtje. Kies bovenaan de pagina voor ‘Contact en colofon’.




Gedicht van de maand





Dit jaar een speciale keuze gedichten van Martinus Nijhoff (1894-1953).
Klik hieronder om meteen naar de betreffende maand te springen,
of scroll langs alle maanden naar beneden.








Blader naar andere jaren:      1      2      3




januari





Lili Green


De stem die bij de rhododendrons zijn
Lokkende trillers door de tuinen riep,
Woei, toen ze zoekend over 't grasveld liep,
Fluist'rend voorbij, en lachte in de fontein.

Ze boog verbaasd in 't marmeren bassin
Waar 't zonlicht in de warme stilte sliep,
Maar vond den fluiter niet, die reeds in 't diep
Doolhof van rozen school met zijn refrein.

De schaduw van 't prieel buigt om haar droom,
's Nachts als ze slaapt, moe van de melodie
Die telkens ergens uit de struiken tergt -

Maar al de bloesems huiv'ren uit den boom,
Wanneer de blauwe vogel neerstrijkt, die
Onder haar hand zich voor het maanlicht bergt.


Martinus Nijhoff

(In: Verzamelde gedichten, p.143
Oorspronkelijk in: Vormen, 1924)






februari





Adieu


Droom dan tenminste dat wij nimmer scheidden,
Wij droomden het zoo vaak, kind, naast elkaar.
Nu kuste ik, toen je sliep, voor 't laatst den zijden
Geurenden overvloed van je wild haar.

Ik nam mijn vedel, liet me 't raam uitglijden,
Sloop door den boomgaard, telkens omziend naar
Het venster, open in den klimtop, waar
Jij met een glimlach droomt dat wij nooit scheiden.

Droom dan, als in het sprookje, honderd jaar:
Droom dat je met mij zwierf en met me bij de
Herbergen speelde en dansen begeleidde -

Adieu. Wellicht maakt ginds een toovenaar
Een blonden prins van dezen vedelaar
Wiens kus je wekt, en zijn wij nooit gescheiden.


Martinus Nijhoff

(In: Verzamelde gedichten, p.143
Oorspronkelijk in: Vormen, 1924)






maart





Mozart


Het vroege zonlicht trilt in de cypressen
Drijft als een blonde schaduw over 't gras
En stroomt, huiv'rend in 't hooge vensterglas,
In 't blank boudoir der grijzende comtesse.

Dezelfde dag moest steeds opnieuw gebeuren,
- Hoor den gekooiden vogel boven haar -
Weer buigt haar witgepoederd kapsel naar
't Borduurwerk van verguld en bonte kleuren.

Op 't zelfde uur wordt iemand ingelaten
Die zwijgend buigt en voor 't klavier zich zet,
En uit het oude hart van 't zwak spinet
Waait de verwelkte geur van een sonate.

Zij volgt zijn handen langs de gele toetsen,
- De thema's keeren telkens weer terug -
En ziet door 't zijraam de oprijlaan, de brug,
De wandelaars, de miniature koetsen.


Martinus Nijhoff

(In: Verzamelde gedichten, p.145
Oorspronkelijk in: Vormen, 1924)






april





Fuguette


Claudien, jij speelt piano, en ik zit
In de warande, en luister naar het zingen
Uit het innige hart der stille dingen,
En luister naar de stem der nacht die bidt

Nu is mijn hart heel stil geworden: dit
Is het stil einde van het groote dringen.
De regens die tusschen ons beiden hingen,
Claudien, zijn over en de nacht is wit.

Zachtheid, zachtheid is het woord van muziek:
Het is of je op een groene heuvel toeft,
Een fabel leest, of ziet een mozaiek -

en 't hart, ontvangend wat het hart behoeft,
Niet meer van pijn verbijsterd, niet meer ziek,
Vergeet - een glimlach lang - wat het bedroeft.


Martinus Nijhoff

(In: Verzamelde gedichten, p.147
Oorspronkelijk in: Vormen, 1924)






mei





Het tuinfeest


De Juni-avond opent een hoog licht
Boven de vijver, maar rond om de helle
Lamp-lichte tafel in het grasveld zwellen
De boomen langzaam hun groen donker dicht.

Wij, aan 't dessert, eenzelvige rebellen,
Ontveinzen 't in ons mijmerend gedicht,
Om niet, nu 't uur eind'lijk naar weemoed zwicht,
Elkanders kort geluk teleur te stellen.

Ginds, aan de overkant, gaan reeds gitaren,
En lampions, en zacht-plassende riemen,
Langzaam over verdronken sterren varen -

Zij zingen, nijgen naar elkaar en kussen,
Geenszins om liefde, maar om de sublieme
Momenten en het sentiment daartusschen.


Martinus Nijhoff

(In: Verzamelde gedichten, p.148
Oorspronkelijk in: Vormen, 1924)






juni





De jongen


Hij zat in nachtgoed voor het raam en liet
Willoos het hoofd hangen op het kozijn -
Hij zag den landweg langs de heuvels zijn
Kronkel wegtrekken naar het blauw verschiet.

Hij dacht weer aan den ouden vreemdeling
Die 's middags in het herbergtuintje sliep -
Zij stoeiden om hem heen, en iemand riep
Hem wakker, en hij zat dwaas in hun kring.

Zijn verre blik zwierf langs hun oogen weg,
Hij zei: - (zijn baard was om den glimlach grijs)
'Jongens, het leven is een vreemde reis,
Maar wellicht leert een mensch wat onderweg.'

Toen was het of een deur hem open woei
En hij de verten van een landschap zag,
Hij zag zichzelf daar wand'len in een dag
Zwellend van zomer en van groenen groei.

De weg buigt om en men keert nooit terug -
Hij kon zijn hart als voor 't eerst hooren slaan,
Hij heeft zijn schoenen zacht weer aangedaan
En sloop door 't tuinhek naar de kleine brug.


Martinus Nijhoff

(In: Verzamelde gedichten, p.153
Oorspronkelijk in: Vormen, 1924)






juli





De twee nablijvers


- O oude boom in de achtertuin
hoe kaal en lelijk is je kruin,
ik vraag mij af of jij nog leeft,
zo weinig vruchten als je geeft.

- O eenzaam schrijvertje in het raam,
je vrouw en kind zijn heengegaan,
ik vraag mij af of dat jij schrijft
het enige is wat je overblijft.

- Stil! Hoor! De nachtegaal hervat
zijn lied in 't hartje van de stad.
- Men heeft er woningen gebouwd
van nieuwe steen en blinkend hout.


Martinus Nijhoff

(In: Verzamelde gedichten, p.199
Oorspronkelijk in: Nieuwe gedichten, 1934)






augustus





Het veer


Toen de avond viel, maakte Sebastiaan
het koord dat zijn twee polsen om de boom
geboeid hield langzaam los, rukte één voor één
de pijlen uit zijn dij, zijn borst, en wierp
hen achter zich in 't gras; ontbindend voorts
de witte lendedoek, wies hij zijn wonden
bij een naburig vijvertje en bevrijdde
zijn lichaam van bezoedeling en bloed.

Rondziend in 't wijde land, de duinen links
Met stijgend licht daarachter uit de zee,
rechts de stad in de verte met haar torens,
rood vuur en viaducten langs de kim,
koos hij het klimmend pad dat langs een dijk
de vaart bereikte, en bij dit blanke water,
breed bed van vrede, uit dieperliggend land
opgekneld als een zware scheur, vol gloed,
vol spiegeling, met riet bezoomd, verwijlde
een uur of wat, geleund tegen de muur
van een klein boerenhuis, Sebastiaan.

Er voer een veerpont heen en weer. De geest,
in 't klimop schuilend, kon, over de haag
van 't morsig erfje waar hij stond, het volk
bij de aanlegplaats zien wachten, wijl het vaartuig
bepakt met passagiers, vee, wagens, fietsen,
en auto’s soms, dof ronkend, met geknars
van klos en ketting, aangeschoven kwam
uit de gekleurde rust der watervlakte.
Dan dreunden paardenhoeven op 't plankier,
op 't grindpad kraakten wielen, de auto, ver reeds,
zoemde op de diepe polderweg, er werd
een bel geluid, de brug ging op, en weer,
met de ingescheepten, schoof 't verdubbeld beeld
over de telkens in den waterweerschijn
donkerder avondhemel naar een doel,
een overzijde, reeds door dauw uit zicht.
Halfweg het water hing de damp, en weldra
zag, talmende, Sebastiaan niet meer
dan keer op keer een kleine lamp verdwijnen
en weer opdoemen uit de duisternis.

Zo werd het nacht, en de gestorvene
was om de stilte zeer bevreemd. Een hond
die hem niet aangeblaft had, was hem steeds
met argwaan blijven gadeslaan; de kippen,
bijeengehurkt, hadden hun loos alarm
gestaakt, maar gingen niet op stok. Toen, eensklaps,
viel lamplicht door een raam en in 't vertrek
waarin Sebastiaan naar binnen keek,
zat een man bij de tafel, in blauw hemd,
de mouwen opgestroopt, en in zijn vuist
een krant, gekreukt, ongeopend; en een vrouw,
wier blik naar 't venster was gekeerd, lag slap
diep in het witgekalkt vertrek te bed
te zien naar dingen die zij hoorde of zag
maar niet bevatten kon, een trek van pijn
om den vermoeiden mond en van bevreemding.

Die stilte was de stilte niet des doods,
het hemelsch licht niet, dat Sebastiaan
toen pijlen hem doorboorden had aanschouwd,
het was geen rust, geen immer helderder
gezang, waarvan de brede eentonigheid
weer stilte wordt, gelijk een zee, gelijk
een korf vol bijen of een bos vol wind;
die stilte daar was aards en warm, was zwanger,
hoop, aanvang, was een ademhaling die
zich inhoudt bij de diepste teug, geluk
dat zich een hand voor ogen legt en zwijgt
en peinzend zich bezint, een oponthoud
waarin, als in een slaap, het vrije bloed
de dag verzoent en onbelemmerd droomt
van nieuwe dagen dezen dag gelijk.
Stilte als een eerste dag, en daarin stond
Sebastiaan, de schaduw, zeer bevreemd
dat hij, toen hij in leven was was, zijn hoop
gesteld had op een hoger heil dan dit
thuiskomen in een slapend vruchtbegin;
dat hij begeerd haar naar de geest terwijl
het wonderbaarlijk lichaam in de tijd
hem gans bewoonde, en dat wie sterft eerst ziet
hoe dieper 't bloed is dan de hemel hoog;
dat hij geen zoon had, kwelde hem, dat hij
verzuimd had, vóór hij heenging, van zijn jeugd
iets hier te laten, wakend; dat hij thans
uit een onvruchtbaar graf den barre tocht
naar de overzijde aanvaarden moest, als een blinde,
zon voelend op zijn hand, op goed geluk.

Men troost ons, zeggend: Gods barmhartigheid
reikt verder dan zijn wet. Dan kan niet zijn,
dat, toen Sebastiaans lichaam werd vermist,
een vogel werd gezien, rechtstandig, wit,
heendrijvend met gestrekte hals naar zee.
Dan hecht ik eer geloof aan het verhaal
Dat er die nacht in 't huis nabij het veer
Een kind geboren is, zo stralend schoon,
dat men, de warmte ziende van zijn blik,
Aan blauwe lucht moest denken, melk en vruchten,
Aan stromend water waar men baadt en waar
Men na het bad naakt inslaapt in het gras.


Martinus Nijhoff

(In: Verzamelde gedichten, p.200
Oorspronkelijk in: Nieuwe gedichten, 1934)






september





Het lied der dwaze bijen


Een geur van hoger honing
verbitterde de bloemen,
een geur van hoger honing
verdreef ons uit de woning.

Die geur en een zacht zoemen
in het azuur bevrozen,
die geur en een zacht zoemen,
een steeds herhaald niet-noemen,

ried ons, ach roekelozen,
de tuinen op te geven,
riep ons, ach roekelozen,
naar raadselige rozen.

Ver van ons volk en leven
zijn wij naar avonturen
ver van ons volk en leven
jubelend voortgedreven.

Niemand kan van nature
zijn hartstocht onderbreken,
niemand kan van nature
in lijve de dood verduren.

Steeds heviger bezweken,
steeds helderder doorschenen,
steeds heviger bezweken
naar het ontwijkend teken,

stegen wij en verdwenen,
ontvoerd, ontlijfd, ontzworven
stegen wij en verdwenen
als glinsteringen henen. -

Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
huiswaarts omlaag gedwereld,
Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
het sneeuwt tussen de korven.


Martinus Nijhoff

(In: Verzamelde gedichten, p.209
Oorspronkelijk in: Nieuwe gedichten, 1934)






oktober





Haar laatste brief


Verwijt mij niet dat ik lichtzinnig was
omdat ik liefgehad heb zonder trouw
en zonder tranen heenging. Want een vrouw
komt nooit, als zij bij voorbaat niet genas,
de wond te boven ener tederheid
die op toekomstig leven is gericht.
Ik moest mij wel hernemen voor een plicht
waartoe ik onbemerkt ben voorbereid.

Zeg zacht mijn naam, en ik ben in 't vertrek:
de bloemen staan weer in de vensterbank,
de borden in het witte keukenrek.

Want meer van mij bevindt zich in die klank
dan in de jeugd waarom je van mij houdt,
mijn bijna-jongensborst, mijn haar van goud.


Martinus Nijhoff

(In: Verzamelde gedichten, p.215
Oorspronkelijk in: Nieuwe gedichten, 1934)






november





Awater   [gedeeltelijk]


Wees hier aanwezig, allereerste geest,
die over wateren van aanvang zweeft.
Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,
het is gelijk de wereld woest en leeg.
Het wil niet, als geheel een vorige eeuw,
puinhopen zien en zingen van mooi weer,
want zingen is slechts hartstocht van een zweer
en nimmer is, wat ook, ooit puin geweest.
Een eerste steen ligt nauwelijks terneer.
Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.
Al wat geschiedt geschiedt nog voor het eerst.
Geprezen! Noach bouwt, maar geen ark meer,
En Jonas preekt, maar niet te Ninive.

Ik heb een man gezien. Hij heeft geen naam.
Geef hem ons aller voornaam bij elkaar.
Hij is de zoon van een vrouw en een vader.
Zodra de rode zon is opgegaan
gaat hij de stad in. Hij komt langs mijn raam.
De avond blauwt, hij komt er weer vandaan.
Hij werkt op een kantoor, heet daar Awater.
Zie hem. Hij is bekleed met kemelhaar
geregen door een naald. Zijn lijf is mager
gespijsd met wilde honing en sprinkhanen.
Niemand heeft ooit hetgeen hij roept verstaan.
Het is woestijn waar hij gebaren maakt.
Hij heeft iets van een monnik, een soldaat,
maar er wordt niet gebeden, niet geblazen,
wanneer men op kantoor het boek opslaat.
Men zit als in een tempel aan een tafel.
Men schrijft Arabisch schrift met Italiaans.
In cijfers, dwarrelend als as omlaag,
rijzen kolommen van orakeltaal.

Het wordt stil, het wordt warmer in de zaal.
Steeds zilter waait dun ratelend metaal.
De schrijfmachine mijmert gekkepraat.
Lees maar, er staat niet wat er staat. Er staat:
'O moeder, nooit zult gij de bontjas dragen
waarvoor elk dubbeltje werd omgedraaid,
en niet meer ga ik op mijn vrije dagen
met een paar bloemen naar het hospitaal,
maar breng de rozen naar de Kerkhoflaan...'
Dit staat er, en Awater's strak gelaat
geeft roerloos zijn ontroering te verstaan.
Hoe laat is het? Awater's hoofd voelt zwaar.
De telefoon slaapt op de lessenaar.
De theekopjes worden teruggehaald.
De klok tikt, tikt, slaat, tikt tot half-zes slaat.
De groene lampen worden uitgedraaid.

Vandaag, toen ik voor 't raam de bloemen goot,
is het voornemen in mij opgekomen
Awater te gaan halen van kantoor.
Ik heb sinds mijn broer stierf geen reisgenoot.
Als men een vriend zoekt, is het doodgewoon
dat men eerst ziet of men bij hem kan horen.
Vanavond volg ik dus Awater's spoor,
ik kijk de kat, zo men zegt, uit de boom,
en morgen, gaat het goed, stel ik mij voor.
Zo sta ik bij de hoge stoep. Ik schroom.
Het slaat half-zes. De tijd wordt eindeloos.

(...)

Ik zorg - want het is stil en de straat nauw -
gelijke tred met Awater te houden.
Zo hoort hij niet dat iemand hem bijhoudt.
Mijn bezorgdheden worden menigvoud:
er ligt post thuis, ik heb aan de werkvrouw
nog niet gezegd dat ik op reis gaan zou,
mijn raam staat aan, er brandt vuur in de schouw,
ik heb niets bij me, wat doe ik überhaupt
op reis te gaan. - De vlieger aan zijn touw
tuimelt en stijgt: telkens slaat mijn benauwdheid
in vaster blijdschap om: wat zou 't, wat zou 't!
Zo voer ik, het hoofd diep gebogen houdend,
met mijzelf het beslissend onderhoud.
De straat wordt breder. Uit bomen druipt dauw.
Recht voor ons uit ligt het stationsgebouw.
Zou men hier middernacht een meeting houden?
't Is stampvol op het plein. Tussen flambouwen
staat op een ruw getimmerte van hout
in haar heils-uniform, een jonge vrouw.
Toeristen met rugzakken op de schouders,
kinderen, vrouwen, arbeiders, hun blauw
werkpak nog aan, staan onder de toeschouwers.
'Wij leven' zegt zij 'heel ons leven fout.'
Awater, die de pas heeft ingehouden,
kijkt naar mij om als kent hij mij van ouds.
Maar waar? in een tram? in een schouwburgpauze?
zo vraagt de blik waarmee hij mij beschouwt,
terwijl hij - want het waait - zijn hoed vasthoudt.
Wind, spelend met haar haar, legt langs de mouw
der heilssoldaat een losse knoop van goud.
'Liefde' zegt zij, 'wordt nooit vergeefs vertrouwd.'
Awater blijft, ik loop door, en zo gauw
of ik de trein zag die ik halen wou.

De stoker werpt steenkolen op het vuur.
De machinist staat leunend uit te turen.
Buiten de kap, boven de rails-figuren,
beginnen de signalen hun prelude.

(...)

Zij zingt, zij tilt een knie, door stoom omstuwd.
Zij vertrekt op het voorgeschreven uur.


Utrecht 1934


Martinus Nijhoff

(In: Verzamelde gedichten, p.222
Oorspronkelijk in: Nieuwe gedichten, 1934)






december





Voor dag en dauw V


Hij was een avond vroeg naar bed gegaan.
Hij kon niet slapen. Het was volle maan.
Uit een café niet ver van 't huis vandaan
klonk dansmuziek. Hij is weer opgestaan.

Hij had niet veel tijd nodig zich te kleden.
Hij liep snel de drie trappen naar beneden.
Nauwlijks op straat, voerde, na een paar schreden,
de mensenmenigte hem met zich mede.

Hij kreeg een tafeltje bij de muziek.
Maar toen hij, door 't rumoer der kleine luiden
geërgerd, acht ging slaan op het publiek,

begonnen de gezichten straatgeluiden,
dromen en kinderliedjes te beduiden
en in de dichte mist alarm te luiden.


Martinus Nijhoff

(In: Verzamelde gedichten, p.261
Oorspronkelijk in het tijdschrift: De Gids, 1936)







Lees de uigebreide biografie van Martinus Nijhoff:





Blader naar andere jaren:      1      2      3



Meer gedichten lezen?
Klik onderaan de pagina op ‘dichterscollectief Ithaka’
en kies voor ‘gedichten uit Ithaka’

(of klik hier)