RozemarijnOnline




P.A. De Génestet

onderzoeksnota
1993






























Deze nota is geschreven in 1993 in het kader van het onderzoekscollege ‘De Nederlandse versvertelling in de negentiende eeuw’ onder begeleiding van dr. J.R. van der Wiel (Nederlandse taal- en letterkunde, Universiteit Utrecht).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De brulocht
- Het tabernakel
- Doctoraalscriptie
  Hadewijch en
  Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde







‘Vroolijk Rijm is balsem voor mijn smarte!’

De versvertellingen van P.A. de Génestet
en de humorcultus in de 19e eeuw

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1993)



 



Hoofdstuk 1

P.A. de Génestet




1.1  P.A. de Génestet

‘Ik schater vaak omdat ik niet wil schreien’
[1]

Petrus Augustus de Génestet (‘Peter’ voor vrienden) werd op 21 november 1829 in Amsterdam geboren. Zijn beide ouders overleden toen hij nog jong was en hij werd opgevoed door zijn grootmoeder. Na een jaar kostschool werd De Génestet in 1843 leerling van de latijnse school te Amsterdam. Na zijn staatsexamen in Zwolle in 1847, studeerde hij twee jaar klassieke letteren en vervolgens theologie bij het remonstrantsch seminarium.

In deze jaren werkte hij mee aan de Muzenalmanak en de Studentenalmanak. In juni 1852 werd De Génestet proponent, in september van datzelfde jaar trouwde hij met Henriëtte Bienfait en vanaf december was hij predikant te Delft. Het jaar erna werd hij lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Hij bleef predikant tot 1859. In dat jaar overleed zijn vrouw, vlak na de geboorte van hun vierde kind (dat niet lang daarna ook stierf).

De Génestet vertrok naar Amsterdam met een zeer slechte gezondheid. Het plan om in het huwelijk te treden met de zus van zijn eerste vrouw, kon niet meer worden uitgevoerd. Peter de Génestet overleed op 2 juli 1861 te Rozendaal, waar hij voor zijn gezondheid verbleef.

Vóórdat De Génestet werk had gepubliceerd, was hij al bekend door het voordragen van het dichtwerk (of: de versvertelling) ‘Fantasio’. Ook waren er al afzonderlijke gedichten verschenen in de Muzen- en in de Studentenalmanak en had De Gids in 1848 het gedicht ‘De Weduwe van Orleans’ opgenomen (later in zijn eerste gedichtenbundel gepubliceerd als ‘De Hertogin van Orleans’).

Over dit gedicht schrijft De Génestet in een brief van april 1848 (waarin hij het overigens aanduidt met ‘een souvenir’), dat hij het oorspronkelijk in De Tijd had willen plaatsen, maar te laat was geweest met inleveren. Hij twijfelt waar hij het nu in zou kunnen laten opnemen:

Voor “De Gids” dunkt het mij te lang; en ’t Letterlievend is mij te saai (...). [2]

De eerste dichtbundel van De Génestet verscheen in 1852, met de titel: Eerste gedichten. In 1860 werd de bundel Leekedichtjens uitgegeven en in 1861 Laatste der eerste. De eerste en laatste bundel, die nauw op elkaar aansluiten, bevatten korte gedichten, die De Génestet zelf aanduidt met ‘onderonsjes’ (in het voorbericht van de eerste druk van de eerste bundel).

De ‘lekendichtjes’ gaan voornamelijk over theologische onderwerpen, gezien vanuit het standpunt van een leek. Was er niet veel belangstelling bij het publiek voor de eerste bundel (de oplage van 500 exemplaren van de eerste druk was pas na acht jaar uitverkocht), de tweede bundel werd populair, in het bijzonder bij de vrijzinnige protestanten.



1.2  Onthaal


De eerste bundel van De Génestet werd in De Gids van 1852 door Joh. C. Zimmerman ongunstig besproken. Het verwijt is dat de bundel als geheel geen eenheid is en de afzonderlijke gedichten geen individualiteit, geen karakter bezitten en na lezing geen bepaalde indruk achterlaten. De geest die er uit spreekt is studentikoos en al spreekt Zimmerman zijn goedkeuring uit over de ‘bevallige vorm’

wenschelijker dan die vorm, schijnt ons de inhoud, de gedachte. Zoo bevallig als de eerste bij den Heer de Genestet over het algemeen is, zoo arm en oppervlakkig schijnt ons de laatste. [3]

Er wordt wel gesuggereerd (o.m. door Te Winkel [4]) dat de ongunstige ontvangst in De Gids samenhangt met de nogal onomwonden kritiek die De Génestet op dit blad levert in ‘Fantasio’, dat hij in de jaren ervoor regelmatig had voorgedragen.

  O Gids! - dit en passant - van waar zoo duf en deftig?
Waar bleef uw jonge jeugd, zoo bruisend en zoo heftig [5]

In deze trant gaat het drie strofen lang door. Waardering heeft Zimmerman voor het gedicht waar (anti-orthodoxe) theologische denkbeelden uit spreken; acht jaar later het onderwerp voor de bundel Leekedichtjens. Uit deze bundel zijn de meeste gedichten dan ook opgenomen in De Gids.

Na het overlijden van De Génestet schreef Zimmerman een bijna twintig bladzijden lang artikel, waarin van enige kritiek niets meer te bespeuren valt en hij zijn mening over de eerste bundel herziet. De gedichten uit de eerste bundel bezitten ‘grote verdiensten’

(...) in vroegere jaren door sommigen miskend (...). [6]

Opvallend is dat nergens in De Gids afzonderlijk aandacht wordt besteed aan (één van) de versvertellingen. Er is een contemporaine reactie bekend van Gideon De Clercq, een vriend van De Génestet. Deze schrijft in zijn dagboek op 8 januari 1849:

Oefening kweekt kennis ontving ons in zijne muren; talrijk was de vergadering, vooral het vrouwelijk gedeelte. Peter was perfekt, natuurlijk, keurig. Hij droeg zijn “Fantasio’ voor, waarvan de uitkomst mij dikwijls benauwd had, met zooveel gemak, sjiek en waarheid, dat ik zelf meende het voor de eerste maal te hooren.

Met evenveel smaak als behendigheid laste hij er zijn “Epikurisch Feestgezang’ en zijn puikje de “Alarmisten” in en ondervond daarmee toejuiching, vooral van de zijde van ’t schoone geslacht, zelfs der gouvernantes. Het oogenblik der pauzes wist hij juist op het kritieke oogenblik te doen invallen, dat het pikante nog verhoogde. Gerrit beet hem in ’t oor: “ik feliciteer je, plein succès, Peter’. (...)

De tweede helft liep met evenveel succes van stapel. Gerrit vond het magnifiek. [7]




© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van de verwijzing onderaan deze pagina.



Noten

[1]  Zw. herdr. 25, blz. XIV; citaat uit een brief van De Génestet aan zijn verloofde.
[2]  Jeugdbrieven 10/4/1848, 2.
[3]  De Gids 1852, blz. 419.
[4]  Te Winkel blz. 801.
[5]  'Fantasio' 1, XXII.
[6]  De Gids 1861, blz. 235.
[7]  Geciteerd in Zw. herdr. 21 blz. 7-8 en Zw. herdr. 25 blz. X; Gerrit is de oudere broer van Gideon de Clercq.




[einde van Hoofdstuk 1]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘‘Vroolijk Rijm is balsem voor mijn smarte!’ De versvertellingen van P.A. de Génestet en de humorcultus in de 19e eeuw’ (onderzoeksnota, 1993). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Versvertelling De Génestet
  Woord vooraf
  Inhoudsopgave
  Hoofdstuk 1 - P.A. De Génestet   ↑
  Hoofdstuk 2 - De versvertelling
  Hoofdstuk 3 - De humorcultus in de 19e eeuw
  Hoofdstuk 4 - Invloed en navolging
  Besluit
  Literatuur
  Bijlage: volledige tekst versvertellingen