RozemarijnOnline




P.A. De Génestet

onderzoeksnota
1993






























Deze nota is geschreven in 1993 in het kader van het onderzoekscollege ‘De Nederlandse versvertelling in de negentiende eeuw’ onder begeleiding van dr. J.R. van der Wiel (Nederlandse taal- en letterkunde, Universiteit Utrecht).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De brulocht
- Het tabernakel
- Doctoraalscriptie
  Hadewijch en
  Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde







‘Vroolijk Rijm is balsem voor mijn smarte!’

De versvertellingen van P.A. de Génestet
en de humorcultus in de 19e eeuw

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1993)



 



Hoofdstuk 2

De versvertelling




2.1 De versvertelling

In de loop van de negentiende eeuw werd een genre populair dat nu met ‘versvertelling’ wordt aangeduid. Deze term bestond toen echter nog niet en een vastomlijnde definitie was en is er nog steeds niet.

Er zijn enkel globaal kenmerken aan te geven, waarvan soms de status onzeker is. Het gaat in ieder geval om een narratieve tekst in gebonden vorm. Er is dus sprake van personages die bepaalde handelingen uitvoeren, tijd, ruimte, een vertelinstantie en dit in de vorm van versregels (eventueel met strofenindeling), met een bepaald metrum en rijm.

Onduidelijk is nog of het een voortzetting is van een genre dat al bestond (hangt het samen met het epos of met de romance of lierzang?) of dat het juist een radicale breuk veroorzaakt, zich afzet tegen bestaande conventies.

Er is een grote diversiteit aan aanduidingen te vinden in de negentiende eeuw: verhalend gedicht of verhaaldicht, (dichterlijke) vertelling, dichtstuk, het grote of het uitvoerige dichtwerk, berijmd verhaal, enz. Voor het gemak zal hier de term ‘versvertelling’ worden aangehouden.

In Nederland hebben schrijvers als Beets, Van Lennep, Da Costa en De Génestet nagevolgd wat er in het buitenland al in dit genre was geschreven, waarbij in het bijzonder de Engelse schrijvers/dichters Scott (1771-1832) en Byron (1788-1824) moeten worden genoemd.



2.2 De versvertellingen van De Génestet


Drie dichtwerken van P.A. De Génestet kunnen tot het genre van de versvertelling worden gerekend:

      •  ‘Fantasio’ (1847-48)
      •  ‘De Sint-Nicolaasavond’ (1849)
      •  ‘De Mailbrief’ (1858)

‘Fantasio’ is gedateerd op 1847-48 en is vanaf eind 1848 verschillende keren door de dichter zelf voorgedragen, onder andere in de Maatschappij der Fraaie Kunsten en Wetenschappen te Amsterdam en Rotterdam en in Oefening kweekt Kennis in Den Haag.

Ook ‘De Sint-Nicolaasavond’, gedateerd op 1849, is oorspronkelijk voor voordracht bedoeld. De beide versvertellingen zijn dan ook niet in de bundel Eerste gedichten van 1852 opgenomen. De Génestet legt hierover verantwoording af in de voorrede:

Ik heb nog een plicht der beleefdheid te vervullen jegens u, lieve menschen, die van ver en van nabij met zooveel vuur hebt aangedrongen op de uitgave der verhaaltjens in vaerzen, die gij en de uwen met zooveel belangstelling vereerd hebt bij de voorlezing in verschillende zalen en zaaltjes van het vaderland. (...)

En waarom houdt gij dan het minst vervelende thuis? - vraagt een schalk. Omdat, antwoord ik, niet alles wat goed is om te worden gehoord ook geschikt is om te worden gedrukt (...) omdat ik niet wil dat men hatelijkheden zou meenen gedrukt te zien, waar eenmaal, zelfs de gestrenge toehoorder (niet waar?) niets erger dan “een vrolijke dwaasheid” vernam (...) [8]

‘De Sint-Nikolaasavond’ is uiteindelijk wel opgenomen in de tweede druk van Eerste gedichten van 1860. In de bundel Laatste der eerste staat ‘De Mailbrief’ (gedateerd op 1858), deze versvertelling is onvoltooid gebleven.

De drie versvertellingen hebben met elkaar gemeen dat de inhoud fictief is en binnen het genre worden ze wel tot de humoristische versvertelling gerekend. Door J.H. van den Bosch [9] worden ze ‘improvisatories-subjektieve Verhaaldichten’ genoemd en hij wijst als oorsprong van dit ‘eigen-aardige’ soort vertellingen op de Italiaanse Renaissance, waarbij het

zijn oudste voorbeeld (heeft) in Luigi Pulci’s Il Morgante maggiore, 1481 (de avonturen van Rinaldo en de reus Morgante bevattend), zijn meest klassieke model in Ariosto’s Orlando Furioso, ± 1510, en dat ook gekend kan worden uit Francesco Berni’s Orlando innamorato, ± 1540, van Bojardo’s gelijknamig Epos (± 1480) de boertige travestie. Het was door Byron (± 1824) voornamelik dat dit Verhaaldicht een genre werd in de subjektiev-persoonlike en los-essayistiese Litteratuur van de eerste helft der XIXe eeuw, de Romantiek.

Van den Bosch vermeldt daarnaast dat Byron de 'Eerste zang' van de Morgante heeft vertaald terwijl hij bezig was aan zijn ‘Poëtische gewrocht’ ‘Don Juan’.

Hoe De Génestet zelf tegen het genre aankeek, is nergens expliciet te vinden, maar er valt misschien iets op te maken uit de kwalificatie die hij ìn de drie versvertellingen zelf hieraan toekent. Naast gewone benamingen als ‘gedicht’, ‘vertelling’, ‘lied’, keert in alledrie een gelijksoortig predikaat terug:

mijn kunsteloos verhaaltje
mijn kunstloos drama
een vorm, (...) gansch kunstloos [10]

Het is natuurlijk de vraag in hoeverre De Génestet dit werkelijk meende. Om inzicht te krijgen in de drie afzonderlijke versvertellingen, de overeenkomsten ervan, de verschillen ertussen en een eventuele ontwikkeling hierin, volgt nu een uitwerking per versvertelling.



2.2.1 Fantasio

’k Schreef ter verstrooiing ook dit vers, in bange dagen
Van zielsneerslachtigheid en donkre weemoedsvlagen

[11]

‘Een gedicht der jeugd (Voorgedragen in der tijd, in de Maatschappij van Fraaie Kunsten en Wetenschappen te Rotterdam en te Amsterdam, en elders.)’ zo luidt de ondertitel van ‘Fantasio’. Het ‘gedicht’ begint met een vraag aan de ‘Hoorder’, die de hele versvertelling door herhaaldelijk wordt aangesproken door de auctoriale verteller.

Deze verteller biecht op dat hij zo van raketten (badminton, zouden wij nu zeggen) houdt, beschrijft het spel en ‘zoomt’ als het ware langzaam in op een concrete situatie: een jongen en een meisje die op het grasveld van een prachtig Buiten aan het raketten zijn. Het meisje blijkt Marie te heten en de jongen

  daar ’k zijn waren naam u liever wil verbloemen,
Zoo lust het mij den knaap Fantasio te noemen. [12]

Fantasio gaat paardrijden en werpt dan als hij langs het huis rijdt, een volant (een shuttle) met daaraan een (liefdes)briefje bevestigd door het openstaande raam van de kamer van Marie. Althans, dat was de bedoeling! Per ongeluk komt de volant met het verzoek om een rendez-vous om twee uur ’s nachts, in de kamer van de Franse gouvernante terecht.

Zij vind het briefje en wacht vol spanning op de komst van haar aanbidder. Ook Fantasio wacht vol spanning tot het twee uur is en gaat dan onder het balkon staan, waar de gouvernante verschijnt...! Hij schreeuwt het uit van schrik en wekt zo Marie, haar moeder, de tuinman en twee knechten. Fantasio vlucht weg van deze pijnlijke scène. Later vraagt hij vergiffenis en

  Enfin, hij kreeg een jaar van boete, deed een reisje,
Studeerde een poos nog, promoveerde en kreeg toen ’t meisje. [13]

Fantasio heeft er van geleerd, hij is verstandiger en kalmer geworden. Ook voor het publiek valt er een les uit te leren, op het gebied van ‘vrijage’. Zowel voor vrouwen van boven de veertig, als voor jonge meisjes, als voor verliefde jongens volgt aan het einde van de versvertelling een ‘Catsiaanse’ moraal.

De versvertelling ‘Fantasio’ is ingedeeld in drie zangen. De ‘Eerste Zang’ loopt van strofe I t/m XL en eindigt inhoudelijk gezien op het moment dat de volant in de kamer van de gouvernante terecht komt. De ‘Tweede Zang’ loopt van strofe I t/m XLVII, waar Fantasio wegvlucht van de balkon-scène. De ‘Laatste Zang’ loopt van strofe I t/m XXVIII, is dus duidelijk korter dan de voorafgaande zangen en omvat de afloop en de moraal.

De strofen bestaan uit zes alexandrijnen met gepaard rijm (aa bb cc). Hierbij is zowel a als c vrouwelijk rijm, (jambisch vers van dertien lettergrepen); b is mannelijk rijm (vers van twaalf letter-grepen). Ook glijdend rijm komt voor (bij a en c), dan telt het vers veertien lettergrepen. Voorbeelden hiervan: lammetje - vlammetje (2, XXIV), aderen - vaderen (2, XXX), stamelen - verzamelen (3, XXI), romannetjes - Don Juannetjes (3, XXVII), wandelen - behandelen (3, XXVIII).

Ook de voorkomende dubbelrijmen vallen onder het vrouwelijk rijm: grond is - blond is (1, XIX), student was - vent was (1, XXI), doorgaan - voorstaan (2, V), kind was - bemind was (2, VII), flegmatiek zijn - ziek zijn (2, XX), gewend was - temperament was (2, XLII), enz. [14] Eén keer een ‘drievoudig rijm’ gesignaleerd: oud en plat was - koud en nat was (3, XIII).

Opvallend is het voorkomen van een noot, dit gebeurt twee keer vlak na elkaar in de ‘Tweede Zang’. Een in strofe XIV gedane bewering wordt in een noot tegengesproken (‘Niet waar, lieve vrinden’). De noot bestaat uit twee op elkaar rijmende regels. Anders is het in strofe XXVI, daar bestaat de laatste regel van de strofe uit puntjes en dit wordt in de noot (rijmend op het een na laatste vers) vermeld (‘Het laatse vers van dit koeplet bestaat uit tittelen’).

Het verhaaltje in deze versvertelling is fictief, de dochter van De Génestet, mevrouw Van Rees, heeft daar later het volgende over meegedeeld:

‘Fantasio’ is ontstaan in den tijd, dat mijn Vader, die als vriend van haar broers veel in ’t ouderlijk huis van mijne Moeder verkeerde, met haar raquet speelde, terwijl er in die dagen, eene niet jonge, zéér coquette gouvernante in mijn Grootmoeders huis was bij de dochters. De heele geschiedenis is niet gebeurd, maar absoluut fantasie van mijn Vader. [15]

De Génestet schrijft zelf op 10 april 1848 in een brief aan S.J. van de Bergh: [16]

Mijn Novelle? - Ja, wat zal ik er U van zeggen? Ik vertrouw mij zelven niet. ’t Ding is half af; de titel “Fantasio”. De stijl - door ’t wonderlijke heen; het argument “een vreemde liefde” en “een wreede menschenhaat” [17]

Pas ruim een half jaar later, in de brief van 9 november 1848 aan J. Kneppelhout [18], maakt De Génestet weer een vermelding van zijn vorderingen met betrekking tot de versvertelling:

(...) wijl ik niet uitmeten kon, of mijn speech ook wat lang zou worden, zoodat ik die in tweeën moest lezen, om mijzelf niet al te veel te vermoeijen. Het ding is nu op een oor na gevild; ergo kan ik U wel in ’t oor fluisteren, dat het eilaci! een vette 700 Alexandrijnen lang is. Hoe moet dat nu? (...) Ik kan niet helpen, dat het zoo lang is geworden; alles, alles, geeft mij stof - niets is mij vreemd of te vreemd. Uw laatste brief bijv.

Couplet 85.
De dorpsklok slaat - hoe laat? Te Deum, kwart voor tweeën!
Het uur der liefde naakt en t’ eind der Liefde weeën;
Hij spoort zijn ros, hij vliegt, o toef mij zoete Bruid!
Zijn hart slaat in galop en bonst en klopt, zoo luid
Als - Ja als wat? - Als ’t hart des Sprekers, op den Vierden
Van Slachtmaand jongstgeleên, toen Hollands wimplen zwierden (...)

Ik had er voor de rariteit bij kunnen voegen dat het van u gestolen was, en dat ik dol van u hield. [19]

De strofe die De Génestet hier citeert, is terug te vinden in de Tweede Zang, XXIX, in ietwat gewijzigde vorm. De 700 alexandrijnen die hij noemt, kloppen inderdaad (XL+XLVII+XXVIII = 115 strofen van 6 verzen, is 690 verzen). Later in diezelfde brief verzoekt hij Kneppelhout:

Schrijf mij s.v.p. eens van wien dat vers is in Jonckbloets Physiologie : “de Glimworm Victor Huig, het puik der Caprioles?”

Dit is terug te vinden in strofe XIV (waar een noot aan is toegevoegd) van de Tweede Zang:

  Dit laatse Fransche vers is zeer direkt gestolen
Van “glimworm Victor Huig, het puik der kapriolen,” 1)
’t Geen weer gestolen is uit Jonckbloet’s geestig boek,
Belaên met Fuhri’ s dank en ’s Gravenhage’ s vloek,
Die weer gestolen heeft, waarschijnlijk van een ander,
Waaruit gij leeren kunt: mijn broeders, helpt elkander!
       1) Niet waar: het is van Lamartine, lieve Vrinden -
       maar toch bij Hugo en bij andren ook te vinden.

In de volgende brief aan Kneppelhout, bijna twee weken later, meldt De Génestet:

Mijn “Caprice” is af, 800 Alexandrijnen! o dii majores! Die twee coupletten zijn er uit (...) Ik woû nu maar graag gaauw lezen en heb van den B. geschreven of ik het niet op half Dec. verschikken kon. Maar ik heb nog geen antwoord.

Het vers zal u soms bevallen - en somtijds niet - ik kan het niet helpen: ’t Romannetjen is heel lief er in, ik vind het ten minste: Daar is mij Fl 125.- voor geboden - maar ik heb nog niet toeslagen. (...)

t’ is niet serieus; t’ is gek; maar het fonds is toch ernstig en de moraal is Catsiaansch. [20]

Tot slot over de uiteindelijke voordracht en eventuele uitgave (brief aan Kneppelhout van 27 november):

Daarom lees ik nu Maandag 18 December 1848. Ik ben stellig besloten het ding niet uit te geven; ik vind het heel goed om de menschen een avond, brutaal te amuseeren, maar verder heb ik op dit oogenblik niets meer op met het heele dingettjen; alleen met de verzen en de taal, die patent zijn. Basta! [21]




2.2.2 De Sint-Nikolaasavond

Ik zong mijn huidig lied alleen uit levenslust, (...)
’k Ben zorgloos en tevreên, mijn lied moet vroolijk zijn:
Brengt peper aan en zout, o Muzen! geen venijn.

[22]

‘Een Amsterdamsche vertelling’, zo luidt het onderschrift, in tegenstelling tot ‘Fantasio’, dat een gedicht wordt genoemd in de ondertitel. Tegelijkertijd is deze versvertelling opgenomen in een díchtbundel (Eerste gedichten, vanaf de tweede druk). In de versvertelling zelf, wordt het meermalen aangeduid met ‘lied’, bijvoorbeeld meteen al in de eerste strofe:

  Wie heeft daar ooren voor een dwaas, ondeugend lied?
Wien belgt een losse scherts en ronde waarheid niet?
Wie laat mij vrijheid om te zeggen en te zingen
Al wat ik hoorde en zag (...)

Net als in ‘Fantasio’ worden door de auctoriale verteller ‘Hoorders’ aangesproken.

Pas in strofe XIV, na een aankondiging dat het over de Sinterklaasavond van 1847 zal gaan en een algemene beschouwing over het feest en de heilige, begint het eigenlijke verhaal (een ‘vrolijk drama’).

De zaal waar alles zich zal gaan afspelen wordt uitgebreid bescheven, evenals de heer des huizes, een rentenier, die zeer veel belang hecht aan het feit dat hij Ridder van den Nederlandschen Leeuw is:

  Hij vroeg nooit: Is die mensch knap, eerlijk, braaf, geleerd?
Maar : heeft hij iets? of wel : Is hij gedekoreerd? [23]

Rond een uur of zeven wordt er een cadeautje gebracht voor de oudste dochter, een gouden bracelet. Als de ‘oude heer’ echter vermoedt dat het van ‘die adder, die mijn eer heeft geschonden’ [24] afkomstig is, beveelt hij dat het moet worden teruggezonden.

Waarom de vader (de Ridder) zo’n hekel heeft aan de gever van het geschenk, de aanbidder van de oudste dochter, wordt duidelijk gemaakt na een beschrijving van zowel de dochter (charmant), als de tweeëntwintig-jarige jongen. Deze voldoet niet aan de eis van de Ridder dat zijn toekomstige schoonzoon in het bezit moet zijn van een ridderorde en precies een jaar ervoor op Sinterklaasavond had hij het al helemaal verbruid door een gedicht te deklameren (‘Uit het land van Kokanje’), waarin de spot werd gedreven met in overvloed uitgereikte en willekeurig toebedeelde ridderorden, lintjes en franje.

Op dit St. Nikolaasfeest laat de vrouw van de Ridder de in ongenade gevallen jongen voor Sinterklaas spelen, waarbij ze een verrassing in petto heeft: het presentje dat de Sint de Ridder aanbiedt, blijkt het commandeurs-kruis van de Eikekroon te bevatten, dat juist die dag aan de Ridder ten deel is gevallen.

De jongen komt er voor uit dat hij voor Sinterklaas speelt, vraagt vergiffenis en de Ridder, nu in een zeer goed humeur, schudt hem de hand. De bracelet wordt weer tevoorschijn gehaald en om de pols van de dochter bevestigd, die haar moeder heel dankbaar is.

  O vrouwelijk vernuft, zoo onuitputlijk rijk,
Zoo geestig en gevat, geen wijsheid u gelijk!
Ook ik geloof, men had zoo’n zotheid niet bedreven,
had men des Ridders kruis aan ’s Ridders vrouw gegeven! [25]

In de laatste strofen wordt de strekking van de versvertelling nog eens geëxpliciteerd:

  Maar ’k ben Goddank, zóo dom, zoo ijdel niet, zoo blind,
Dat ’k ooit een eenig mensch zal om zijn knoopsgat eeren [26]

Het personage van de Ridder is duidelijk een karikatuur. Lelijk van uiterlijk, deftig, een vijftiger, gebuikt en gepruikt, goed bij kas, rentenier, konservatief, en vooral gedekoreerd. In het bijzonder zijn trots over zijn dekoratie(s) wordt nogal geridiculiseerd:

  (...) want mijn gelukkig vrindje
sprak van zijn geeltjes graag, maar liever van zijn lintje. [27]

Hij keek zijn menschen nooit naar hart of hoofd, maar ’t was
Zijn lust te kijken naar het knoopsgat van hun jas [28]

Hij-zelf, hij droeg een star, zelfs als hij ziek en thuis was [29]

“Hoor, ik ben kommandeur ! kijk van den Eikekroon !”
En hij drukt alles aan zijn rok, zijn vrouw, zijn zoontje,
Zijn dochter, broer, neef, nicht en ’t meest zijn .... Eikekroontje. [30]

De tekening van (het karakter van) de verliefde jongen doet denken aan de persoon van Fantasio: overmoedig en onbedachtzaam, beiden verliefd en beiden krijgen -na enige moeilijkheden en een jaartje wachten- uiteindelijk hun geliefde. (Te Winkel vermoedde dat De Génestet in de hoofdrolspelers van deze versvertellingen zijn ideaal weergaf, waarop hijzelf wenste te lijken. [31])

Ook de oudste dochter uit ‘De Sint-Nikolaasavond’ en Marie, de geliefde van Fantasio, hebben veel gemeen. Beiden worden beschreven als jong (Marie is zestien), blond, rank, zeer schoon, bekoorlijk en begeerlijk. Beiden bezitten een flat character.

Van Marie is het enige wat je verder te weten komt, dat ze tijdens de balkonscène ‘boos’ is. De oudste dochter blijft haar minnaar trouw nadat hij in ongenade is gevallen bij haar vader, heeft tijdens het uitpakken van de gouden bracelet ‘hemelvreugd’ in haar ogen en bloost en verbleekt als Sinterklaas haar minnaar blijkt te zijn.

Een groot verschil tussen de twee meisjes is dat Marie een naam heeft (die ook nog uitgebreid verheerlijkt wordt), terwijl de oudste dochter naamloos blijft (overigens net als de andere personages in ‘De Sint-Nikolaasavond’).

De versvertelling is ingedeeld in strofen, genummerd van I t/m CXIX. De strofen bestaan uit acht verzen, evenals bij ‘Fantasio’ alexandrijnen (jambisch, twaalf of dertien lettergrepen). Het rijmschema is ook hier weer gepaard rijm (aa bb cc dd; a en c mannelijk, b en d vrouwelijk rijm). Dubbelrijm komt een enkele keer voor, enkele voorbeelden: permitteeren - meubileeren (XVII), kommisaris - naar is (XXIV) thuis was - huisjas (XXVIII), klassiek is - chiek is (LXV).

Na strofe XLIX wordt de vertelling onderbroken met de deklamatie van ‘Uit het land van Kokanje’. In dit ‘sprookje’ verliezen de koning van Kokanje en zijn Rijkskanselier annex Hofnar Floor, de inhoud van een grote zak vol met ‘lintjes, kroontjes, kruisjes en franje’. Goed en royaal als de koning is, laat deze alle eerlijke vinders behouden wat zij op straat aan lintjes hebben gevonden, wat ‘de wijzen’ doet verzuchten:

  “Zijn de menschen toch dwaas !
Kan de eer, door het toeval ook zotten geschonken,
Het hart van den eerlijken wijsgeer ontvonken !” [32]

De strofen van dit gedicht zijn genummerd van 1 t/m 25 en bestaan uit zes paarsgewijs rijmende verzen (aa bb cc) van verschillende lengte (a, b en c hebben achtereenvolgens 11, 6 en 12 lettergrepen). De rijmwoorden a en b zijn mannelijk, c is steeds vrouwelijk. De verzen a en c hebben als metrum de amfibrachys (waarbij bij a de zogenaamde ‘naslag’ er af valt), terwijl voor de twee tussenliggende verzen (b) de anapest als metrum is gebruikt.

Een vast rijmkoppel is Kokanje - champanje, dit komt vijf keer voor (strofe 1, 4, 9, 16 en 23; en later ook weer in de strofen LXXVI, CVII en CXIII !). Twee keer is als variant het rijmwoord ‘franje’ bij Kokanje gebruikt (strofe 21 en 25).

Voorbeelden van dubbelrijm zijn: lief was - dief was (2), verrast zijn - kwast zijn (7). Wat veel vaker voorkomt is binnenrijm: moedige - goedige (1 en 25) duchtig - kluchtig (5), vrindjes - lintjes (5), bleek - spreek - steek (13) zuur - duur - figuur (15), vrind - blind - lint (19), lachten - dachten - wachten (19). Alliteratie en assonantie komen het hele gedicht door veelvuldig voor en ook middenrijm is een enkele keer gebruikt (voorbeeld: strofe 3).

De naam ‘het land van Kokanje’ komt (waarschijnlijk) van het Franse ‘Pays de Cocagne’ dat ‘Luilekkerland’ betekent. Acht strofen daarvoor is Luilekkerland gebruikt als vergelijking: de oude heer (de Ridder) is de rijstebrijberg waar je je doorheen moet bijten om bij Luilekkerland / de dochter te komen.

In de eerste strofe lijkt ‘de koning’ naar Willem II [33] te verwijzen, die inderdaad in zijn jeugd verschillende heldendaden had verricht. Deze stond er om bekend dat hij veel onderscheidingen uitdeelde (wat overigens goed samen kon vallen met Sinterklaas, omdat de verjaardag van Willem II op 6 december viel).

De naam van de Rijkskanselier/Hofnar ‘Floor’ komt ook voor in Van Lenneps gedicht ‘Eduard van Gelre’, waar de hofnar zo heet. Deze wordt door Eduard aangesproken met ‘Floorneef’ (vgl. met strofe 10). De naam zou ook kunnen zijn ontleend aan de toenmalige minister van Financiën Floris van Hall. C.P. Tiele [34] heeft daarover het volgende gezegd:

(...) de groote mildheid waarmee de goedhartige Willem II waardigen en onwaardigen met ridderorden versierde, had de Génestet tot zijn satire aanleiding gegeven. Of Floor de hofnar oorspronkelijk op Floris van Hall doelde, durf ik niet met zekerheid zeggen; maar ik herinner mij zeer goed dat dit indertijd algemeen werd gedacht en door den ondeugenden poëet nooit ernstig is weersproken - ofschoon ook niet toegestemd. [35]

Verder zijn de namen van de Graaf en van de prins, achtereenvolgens Cantenac en Pauillac, plaatsen in Frankrijk (in de buurt van Bordeaux) waar wijn vandaan komt. De Eikenkroon die de Ridder ontvangt, tot slot, is een werkelijk bestaande onderscheiding, officieel de Luxemburgse Orde van de Eikenkroon.

Zelf heeft De Génestet niet veel, maar toch wel iets losgelaten over ‘De Sint-Nikolaas-avond’. In de voorrede van de ‘Tweede vermeerderde druk’ van de bundel Eerste gedichten, schrijft hij onder meer het volgende:

(...) voor mijn “Sint-Nikolaasavond” een kleen, kleen plaatsjen te vragen op het gebied der Nederlandsche Letterkunde, als welgemeende proeve in een dichtsoort, die, zoover ik weet, ten onzent althans, nog niet door afschrikkende meesterstukken is vertegenwoordigd.

Voorts, ik geef het vaers, bijna geheel zooals ik ’t schreef - en zeker nu niet meer zou kunnen of willen schrijven - met al zijn “actualiteiten - van weleer,” zijn frischheid en zijn gebreken, zijn vrolijke rijmen en zijn “studentikooze” woorden en wendingen, zijn losheid en zijn dwaasheid (...)[36]

C. Busken Huet zegt naar aanleiding hiervan:

Met geen zijner eigen werken is De Génestet eerst zoo ingenomen, daarna zoo verlegen, en doorgaans zoo vervuld geweest als met zijn Sint-Nikolaasavond. (...)

In die (= de voorrede) van den tweeden druk handelt hij over niets anders als over haar in het licht verschijnen. (...) dat, toen hij elf jaren later zijn dichtstuk in het licht zond, hij die daad als eene soort van dagteekening in zijn letterkundig leven beschouwde (...) [37]




2.2.3 De Mailbrief

Mijn oude luim keert weer en ’t jonge hart komt boven ! (...)
’k Heb dikwijls pijn in ’t brein en weemoed in het harte -
Doch, weet ge, ’t vroolijk Rijm is balsem voor mijn smarte !

[38]

Naast een onderschrift (‘Fragment van een Delftsche Vertelling; - medegedeeld als een kleine bijdrage tot de kennis van het Hollandsch familieleven in de XIXde eeuw, 2de helft.’), heeft deze versvertelling ook een motto meegekregen, dat luidt:

‘....Daarom zal een mensch zijn vader en zijn moeder verlaten ....’

Dit is een citaat uit de bijbel en komt onder meer voor bij Mattheüs 19, 5 en Marcus 10, 7 (beide keren gaat het om het vraagstuk van de echtscheiding).

‘De Mailbrief’ is onvoltooid gebleven en in dit fragment is nog slechts een opzet te vinden voor de uiteindelijke vertelling die het moest gaan bevatten. De Eerste en halverwege afgebroken Tweede Zang zijn voornamelijk descriptief. Delft wordt uitgebreid beschreven, in het bijzonder haar relatie tot Indië. Iedere Delftenaar heeft wel een familielid of een vriend in Java wonen. Belangrijk is dan ook de Maildag; de dag dat de post wordt bezorgd.

  Neen, wie geen Maildag zag, die kent geen Delftsche zeden ! [39]

Want elk vol vreugd, vol vrees, wacht van zijn verre lieven
De levensteekenen, de lange, dierbre Brieven ! [40]

In strofe XXXIV wordt dan een concrete situatie voorgesteld: Het is een Maildag in November (de post die dan aankomt is ondertussen twee maanden oud) en er wordt een brief bezorgd bij ‘een zeekre Delftsche Vriend’, die er echter niet van gediend is post uit de Oost te ontvangen. Hij rent de trap op en ook de dochter, die de brief na een korte aarzeling ongelezen weer neerlegt, verlaat het vertrek.

De Tweede Zang begint met een uitgebreide bespiegeling over de huwelijksreis. Voor Delftse bruiden wil dit nog wel eens Java als bestemming hebben, de achterblijvers (in het bijzonder de ouders) daarbij achterlatend in onzekerheid of ze hun kind in de komende twintig jaar of zelfs ooit nog terug zullen zien. De Delftsche vriend, die weduwnaar blijkt te zijn, is bang dat hem dat in de toekomst zal overkomen; hij heeft twee dochters, waar hij ontzettend veel om geeft.

Halverwege een lofzang op ‘Vaderliefde’, aan het einde van strofe XXVIII, breekt de versvertelling af. In het onderschrift (‘Wordt nooit vervolgd’) wordt globaal aangegeven hoe het verhaal verder zou gaan verlopen, maar voor er uitleg kan worden gegeven over de toedracht van de brief, wordt ook dit naschrift onderbroken:

Wat dien bewusten brief betreft - doch mijn P.S., dat u niet interesseert, is reeds veel te lang.

De Eerste Zang loopt tot strofe XLI, de Tweede Zang loopt van strofe I t/m XXVIII. De opbouw van de strofen is precies zoals bij ‘Fantasio’: zes verzen, bestaand uit alexandrijnen, met het rijmschema aa bb cc (a en c vrouwelijk, b mannelijk rijm). Glijdend rijm komt niet veel voor (voorbeelden: fluisteren - luisteren (1, IX), verhinderen - kinderen (2, XXVII)) en ook dubbelrijm is niet veel te vinden (voorbeelden: handschoen - land doen (1, XXV), Oost gaan - kroost slaan (2, XII)).

In de versvertelling zelf wordt deze met verschillende termen aangeduid: ‘lied’ of ‘gezang’ (1, I, XII, XVII, XX, XXXV; 2, XXVIII), ‘verhaaltje’ (1, IV), ‘gedicht’ (1, IX, XIV) en ‘vertelling’ in de ondertitel.

Evenals bij de andere twee versvertellingen wordt ook hier door de auctoriale verteller een ‘hoorder’ en/of ‘hoorderes’ aangesproken (1, XVII en XLI):

  (...) lach maar, hoorderes !
’t Kan wezen dat gij straks een schoone liefdeles
Put uit mijn Delftsch verhaal en dat mijn losse zangen
Een traan van sympathie doen glijden langs uw wangen. [41]

In ditzelfde citaat is een verwijzing te vinden naar een les die uiteindelijk uit de versvertelling zou moeten kunnen worden getrokken (vergelijk met de twee andere versvertellingen, waar aan het eind expliciet een les of moraal wordt gegeven). De dichter is hier niet meer aan toe gekomen, evenmin als aan het uitwerken van karakters.

In de laatste strofen van de Tweede Zang wordt wel begonnen met een beschrijving van het karakter en gemoed van de Delftsche vriend. Deze wordt ‘een Humorist’ genoemd

  En wel van de echte soort, daar hij er niets van wist :
Zij die het weten, ach, zijn meestal, ons tot schade (...)
Hij was het van natuur. (...)[42]

Zijn liefde voor zijn twee dochters wordt breed uitgemeten. Een vader kan in zijn dochters alle goede eigenschappen van zijn vrouw terugvinden (2, XXV). In deze hoofdpersoon heeft men wel De Génestet zèlf willen zien: ook deze was weduwnaar en hij had drie dochters uit zijn huwelijk.

In meer opzichten staat deze versvertelling inhoudelijk dicht bij het leven van de schrijver. Zeven jaar lang had hij zelf in Delft gewoond, waar in die tijd de opleiding voor de O.-I. ambtenaren was gevestigd: de Inrichting voor de studie der land- en volkenkunde van de Indischen Archipel. De Génestet wist uit ervaring wat het was om te corresponderen met mensen die in Indië woonachtig waren: een oude studievriend van hem, Eduard ’s Jacob, was naar Batavia vertrokken.

In Eerste gedichten is een gedicht over afscheid nemen aan hem opgedragen en in een brief uit 1850 schrijft De Génestet:

Den brief van Eduard deed mij “veel genoegen”. Het is nog geheel Eduard. Ik kon mij niet begrijpen dat dit nu een brief uit de Oost was. Hij schrijft precies alsof hij uit een welbekend plaatsje, eenige uren van ons af is. Daarom schreef ik ook “deed mij veel genoegen”. Het zien van den brief en de welbekende hand - trof mij meér dan hetgeen er in stond. [43]

Tot slot een opmerking bij strofe 1, XXXIV (klacht over het lange tijdsverloop tussen het verzenden en ontvangen van brieven) en strofe 1, XXXVII (de dienstmaagd vermeldt dat de bezorging van de brief “Eén gulden-twintig” kostte). Rond 1850 deed de post er ongeveer twee maanden over van en naar Indië, pas in de eerste decennia van de twintigste eeuw werd dit teruggebracht tot één maand. De port van de brieven kon in die tijd nog worden betaald door de geadresseerde, waarbij het bedrag afhankelijk was van zowel de afstand als het gewicht. Van Den Haag naar Nederlands-Indië bedroeg dit in die tijd tussen de fl 1,70 en fl 1,80.



2.3 Onderzoek


Na deze algemene uitwerking van de drie versvertellingen afzonderlijk, zal worden ingegaan op twee belangrijke aspecten, die nader onderzoek verdienen. In hoofdstuk 3 komt het humoristische aspect van de versvertellingen aan de orde, in hoofdstuk 4 invloed van (buitelandse) voorgangers die in het werk te onderkennen is.

Hierbij worden niet in verschillende paragrafen de afzonderlijke versvertellingen langsgegaan, maar is hoofdstuk 3 ingedeeld aan de hand van humoristische procédés en hoofdstuk 4 aan de hand van de verschillende schrijvers die invloed hebben uitgeoefend op De Génestet.



© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van de verwijzing onderaan deze pagina.



Noten

[8]  Geciteerd in: Zw. herdr. 21, blz 10.
[9]  Zw. herdr. 21, blz 17 e.v.
[10]  Achtereenvolgens: 'Fantasio' 2, XXXV, 'De Sint-Nikolaasavond' VI en 'De Mailbrief' 1, IV.
[11]  'Fantasio', 3, IX.
[12]  'Fantasio' , 1, XXIII.
[13]  'Fantasio', 3, XXI.
[14]  zie voor volledige opsomming: Zw. herdr. 25, blz XXIV.
[15]  geciteerd in Zw. herdr. 25, blz. VII-VIII.
[16]  Van den Berg: 1814-1868, dichter en uitgever, tevens oprichter van de letterkundige vereniging 'Oefening kweekt kennis' in Den Haag.
[17]  Jeugdbrieven 10/4/1848, 2.
[18]  Joh. Kneppelhout:1814-1885, schrijver onder het pseudoniem Klikspaan.
[19]  Jeugdbrieven 9/11/1848, 2.
[20]  Jeugdbrieven 22/11/1848, 3-4. 'van de B.' is Van den Bergh, zie noot 16.
[21]  Jeugdbrieven 27/11/1848, 2.
[22]  'De Sint-Nikolaasavond' III.
[23]  strofe XXVIII.
[24]  strofe XXXIX.
[25]  strofe CXI.
[26]  strofe CXIX.
[27]  strofe XXVI; overigens zijn 'geeltjes': tienguldenstukken.
[28]  strofe XXVII.
[29]  strofe XXVIII.
[30]  strofe XCV.
[31]  Te Winkel blz. 800.
[32]  'Uit het land van Kokanje' 24.
[33]  Willem II:1792-1849; vanaf 1840 koning van Nederland en Groothertog van Luxemburg.
[34]  C.P. Tiele:1830-1902; studiegenoot, vriend en later uitgever van de gedichten van De Génestet.
[35]  geciteerd in Zw. herdr. 21, blz 2.
[36]  gehele voorrede geciteerd in Zw. herdr. 21, blz 13-15.
[37]  Litt. Fant. blz. 66-67.
[38]  'De Mailbrief' 1, I.
[39]  strofe 1, XXIII.
[40]  strofe 1, XXI.
[41]  strofe 1, XVII.
[42]  strofe 2, XVIII en XIX.
[43]  Jeugdbrieven 1850, aan Gideon de Clercq.




[einde van Hoofdstuk 2]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘‘Vroolijk Rijm is balsem voor mijn smarte!’ De versvertellingen van P.A. de Génestet en de humorcultus in de 19e eeuw’ (onderzoeksnota, 1993). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Versvertelling De Génestet
  Woord vooraf
  Inhoudsopgave
  Hoofdstuk 1 - P.A. De Génestet
  Hoofdstuk 2 - De versvertelling   ↑
  Hoofdstuk 3 - De humorcultus in de 19e eeuw
  Hoofdstuk 4 - Invloed en navolging
  Besluit
  Literatuur
  Bijlage: volledige tekst versvertellingen