RozemarijnOnline




P.A. De Génestet

onderzoeksnota
1993






























Deze nota is geschreven in 1993 in het kader van het onderzoekscollege ‘De Nederlandse versvertelling in de negentiende eeuw’ onder begeleiding van dr. J.R. van der Wiel (Nederlandse taal- en letterkunde, Universiteit Utrecht).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De brulocht
- Het tabernakel
- Doctoraalscriptie
  Hadewijch en
  Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde







‘Vroolijk Rijm is balsem voor mijn smarte!’

De versvertellingen van P.A. de Génestet
en de humorcultus in de 19e eeuw

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1993)



 



Hoofdstuk 3

De humor-cultus in de 19de eeuw




3.1 De humor-cultus in de 19de eeuw

Is ’t ook geen tijd waarin wij leven! ach wij hooren
Geen geestig liedje schier uit Hollands dichterkoren!

[44]

E. Jongejan geeft in haar standaardwerk De Humor-“Cultus” der Romantiek in Nederland als definitie van ‘humor-cultus’:

de overdadige en vaak geforceerde toepassing van humoristische en daarmee verwante comische elementen in levenshouding en litteratuur gedurende de Eerste en Tweede Romantiek. [45]

Belangrijke kenmerken van de Romantiek zijn: streven naar oorspronkelijk gevoel, vrijheidszucht (zich afzetten tegen traditie en conventies), individualiteit, verlangen naar een onbereikbaar ideaal, ‘Weltschmerz’ (tijdens de Tweede Romantiek) en herleving van religieuze belangstelling (waarbij de Eerste Romantiek halverwege de 18de en de Tweede aan het begin van de 19de eeuw valt).

Jongejan beschrijft hoe tijdens de Romantiek naast de traditionele komische verschijningsvormen van het humoristische, bijzondere, typisch romantische vormen ontstonden. Het begin van de humor-cultus kan vroeg in de 18de eeuw in Engeland worden gesitueerd, maar na de Franse Revolutie (1789-1795) komt het pas tot volle ontwikkeling.

Het op de voorgrond plaatsen van het ‘gevoel’ en de ontaarding daarvan in ‘sentimentaliteit’ in de Romantiek, was een voedingsbodem voor de humor en tegelijk was de humor een uitlaatklep voor een overmaat aan gevoel. Typisch romantische verschijnselen, zoals vrijheidsdrang (in de literauur zowel wat betreft de inhoud als de vorm) en verlangen naar het Ideaal, zetten zich vaak in humor om.

De gebruikte technieken van het komische zijn door Jongejan in catagorieën ingedeeld. Eerst is er een tweedeling aangebracht met aan de ene kant het ‘objectief comische’ en aan de andere kant het ‘subjectief comische’, dat weer is onderverdeeld in wel of niet specifiek tot de cultus behorend. De indeling wordt dan als volgt:


Objectief komisch

  • de situatietekening (spot met de menselijke zwakheden en onvolmaaktheden, soms onconventioneel)

  • de karakter- en persoonsuitbeelding (waaronder onder andere vallen: naamgeving, kleding, uiterlijk, gebaren, taalgebruik en woordkeus, versprekingen, verbastering / verwisseling van woorden, contrast tussen uiterlijk en innerlijk)


Subjectief komisch: algemeen

  • A - de congruent-making van het incongruente (voorbeelden: ‘hij stond in het donker en in onzekerheid’ en ‘terwijl zij met een minzaam lachje en een bonte theedoek zat af te drogen’)

  • B - wonderlijke of dwaas-realistische beeldspraak (hyperbolen, vergelijkingen, enz.)

  • C - woord- en klankspelingen (opeenhoping van synoniemen, spel met letterlijke en figuurlijke of etymologische betekenis, of met homoniemen, enz.)

  • D - woord- en zinsvervormingen, woordverdraaiingen en -verbasteringen (bijv. woordkoppelingen, samenstellingen en dubbelzinnige zinsconstructies)

  • E - herhaling (van klanken, woorden, zinnen, i.h.b. het bijwoord ‘zeer’)


Subjectief komisch: technieken die specifiek bij de Romantiek horen

  • F - onderbreking door niet ter zake doende inlassing (van kernspreuken, algemene sententies, losse ideeën)

  • G - digressies (uitweidingen die het verhaal vaak op een spannend moment onderbreken, vaak contrastwerking als functie, vaak verontschuldigingen over het divageren toegevoegd (subjectiviteit))

  • H - verstoring der werkelijkheidsillusie (bijv. inlichtingen aan, toespraak tot of overleg plegen met de lezer)

  • I - spel met de romantische fictie betreffende de bron van het verhaal

  • J - graphische- en typographische toevoegingen (tekeningen, vetgedrukte letters, blanco pagina’s, enz.)

  • K - strepomanie (overdreven gebruik van gedachtestrepen en -stippen)

  • L - spel met capita (eigenaardige vorm, kortheid, het geheel ontbreken en ook wel het later invoegen van hoofdstukken).

Naast deze procédés wordt er door de ‘humoristen’ veel gebruikt gemaakt van persiflage en hekeling (bijv.: van de verfransing van de taal, genootschappen en maatschappijen, prijsvragen-manie, voorredenen, pedante geleerden, medici en medicijnen, enz.; denk ook aan het uitdelen van ridderorden in ‘De Sint-Nikolaasavond’!).

Het hoogtepunt van de humor-cultus in Nederland ligt volgens Jongejan tussen 1840 en 1850. Belangrijke vertegenwoordigers zijn: Staring, Potgieter, Hasebroek, De Schoolmeester, Haverschmidt (Piet Paaltjens), Beets (Hildebrand), Van Lennep en De Génestet.

Veel oorspronkelijkheid is in Nederland niet te vinden, vooral Engelse en Franse, maar ook wel Duitse humoristische schrijvers werden nagevolgd. Onder meer worden Sterne, Byron, Fielding, De Musset, Heine, Jean Paul (Joh. P.F. Richter) en later Dickens genoemd.



3.2 Humor bij De Génestet

Voor u mijn frissche lach, mijn opgeruimde zangen:
Den ronden lach terug wil ik tot loon ontvangen

[46]

In zijn drie versvertellingen maakt De Génestet ook gebruik van humoristische procédés zoals die bij Jongejan zijn geklassificeerd. Haar lijst zal hier punt voor punt worden langsgegaan, waarna niet onder haar indeling vallende humoristiche procédés zullen worden bekeken.


De situatietekening

Niet alleen de ‘balkonscène’ in ‘Fantasio’, maar ook de aanloop daar naar toe kan hieronder vallen. De hoorder weet vanaf het begin dat het mis zal lopen en dit geeft het wachten op de nachtelijke ontmoeting voor de lezer een heel andere spanning dan die het oproept bij Fantasio of de Gouvernante (leedvermaak).

Bij ‘De Sint-Nikolaasavond’ zelf is de situatie op zich niet humoristisch te noemen, maar de situatietekenig in ‘Uit het land van Kokanje’ wèl. Deze is niet realistisch, maar wordt dan ook aangekondigd als een sprookje.


De karakter- en persoonsuitbeelding

Het karakter van Fantasio lijkt hier enigzins onder te vallen, echter niet op de manier waarop Jongejan het bedoelt (als typetje met lachwekkende kenmerken), maar in verband met het in de Romantiek bekende Byroniaanse type (zie hierover verder 4.3.1).

De Ridder uit ‘De Sint-Nikolaasavond’ is een duidelijk voorbeeld. Zowel wat betreft de naamgeving (naast ‘de oude heer’ wordt hij vrij consequent met ‘Ridder’ aangeduid), als in de beschrijving van zijn uiterlijke kenmerken en datgene waar hij waarde aan hecht. Bij ‘Uit het land van Kokanje’ zijn zowel de koning als de Rijkskanselier/Hofnar (alleen al die combinatie!) te noemen.


Beeldspraak/vergelijkingen (B)

Voorbeelden uit ‘Fantasio’: 1, XVIII (‘Hij pakte harten in, / Zoo vlug als iemand die zijn linnen, vesten, frakken, / Op reis met voeten in zijn koffers pleegt te pakken !’), 1, XXXV (‘Zoo vlug als Don Juan ooit hartjes heeft veroverd !’), 2, XXIX en XXXII.

Voorbeelden uit ‘De Sint-Nikolaasvond’: XIII (‘Geen jonge bruigom, die zoozeer naar de’ avond smacht,/ Als menig schalke knaap dees grooten avond wacht’), XV, XLII en LXX + LXXII (in deze laatste twee wordt de hebzucht, ijver en jaloezie op Sinterklaasavond vergeleken met de maatschappij: ‘Ziedaar de maatschappij in mooi miniatuur’ en ‘Als in de maatschappij om aanzien, geld of eer...’). In ‘Kokanje’: 1 (‘Hield veel van zijn volk en nog meer van - champanje’) en 14 (‘Die zak (...) Hij is leeg - als mijn hand ! / Als de schatkist van ’t land !’).


Woordspelingen (C)

De meest in het oog springende is de woordspeling met het woord ‘volant’ in ‘Fantasio’. Het wordt gedurende de versvertelling drie keer genoemd. In 1, XXXII en XXXVI en ten slotte in het laatste vers (3, XXVIII), bij de raad aan verliefde jongemannen:

  En wordt gij ooit verliefd, maak een huishoudelijk plan,
Blijf ernstig en bedaard, gedraag u als een man :
Ik raad u eerst alleen een singeltje om te wandelen,
En nimmer en volant die dingen te behandelen. [47]

Een tweede voorbeeld van een woordspeling is te vinden in 1, II (‘Mij trekt het groene veld meer dan het groene laken’).

Bij ‘De Sint-Nikolaasavond’ kan IX (‘’k Zie, liever dan in druk, mijn naam in chocolade!’) hiertoe worden gerekend.


Woordvervorming (D)

Niet gebruikelijk bij De Géneset, maar Jongejan haalt een voorbeeld aan uit ‘Uit het land van Kokanje’, namelijk het woord ‘zotheid’ (in 7: ‘En moge, als de vrienden niet wonder verrast zijn, / Mijn hoogheid geen prins en jou zotheid geen kwast zijn !’).


Herhaling (E)

In verschillende variaties wordt er in ‘De Sint-Nikolaasavond’ herhaaldelijk op gewezen dat het Sinterklaasavond is (zie: X, XIII, XIV, XXX en LVII). Het komische effect hiervan wordt versterkt, door na twee herhalingen op te merken: ‘En nu, mijn vrienden, nu gij dag en datum weet, / - Zoo duidlijk dat gij ’t wis van avond niet vergeet -’ (XIV), om naderhand het feit wéér opnieuw te vermelden.

Op de herhaling van het rijmkoppel Kokanje - champanje in ‘Uit het land van Kokanje’ is hiervoor al gewezen.


Digressie (G)

Zulke uitweidingen komen in alledrie de versvertellingen veel voor. In ‘Fantasio’: 1, XII-XV (Maria), 1, XX-XXII (De Gids), 1, XXV-XXX (Byron), 2, I-IV (Gouvernantes) 2, XIII-XIV (of XVII) (liefdesbrieven), 2, XXX-XXXV (klimaat en geschiedenis van Nederland), 3, VIII-XI (neerslachtigheid).

In ‘De Sint-Nikolaasavond’ staan de digressies inhoudelijk dichter bij het verhaal, bijvoorbeeld: VI-XIII (het St. Nikolaasfeest), XIX-XXX (beschrijving van de Ridder), LXIV-LXX (de klassieken).
In ‘De Mailbrief’ wordt zoveel en uitvoerig gedivageerd, dat de verteller aan het verhaal zelf bijna niet toekomt: 1, VI-XI (Delft), 1, XII-XIII (afscheid nemen), 1, XV-XXXIII (Delft, Java, de Maildag), 2, I-XIII (huwelijksreis), 2, XVIII-XXVIII (beschrijving van de vader).

Opmerkelijk is dat de verteller daarnaast ook verschillende keren uitdrukkelijk vermeldt dàt hij divageert en zich hiervoor excuseert. Uit de eerste en laatste versvertelling een voorbeeld: ‘(...) maar, ik keer, met frissche krachten, / Tot mijn verhaal ; gij hebt geen trek hier te overnachten / En ik nog minder ; dus, ik droom of divageer, / In de eerste vijf à tien minuten, vast niet weer.’ (‘Fantasio’ 1, XXXI); ‘Doch, om nu eindlijk eens geregeld te beginnen, / Wijkt, spoken, uit mijn lied en droeve tusschenzinnen !’ (‘De Mailbrief’ 1, XXXV).


Verstoring der werkelijkheidsillusie (H)

In alledrie de versvertellingen worden de luisteraars voortdurend aangesproken, met ‘Hoorder(s)’, ‘Hoorderes’, ‘gij’, ‘u’, ‘Heeren’, enz.

Naast deze aansprekingen, wordt de werkelijkheidsillusie op tal van andere plaatsen en manieren doorbroken. Voorbeelden in ‘Fantasio’: in strofe 1, XIV biecht de verteller op dat hij in het voorgaande vers plagiaat heeft gepleegd en iets soortgelijks komt terug in 2, XIV. In strofe 1, XIX beweert hij dat Marie blond haar heeft ‘daar voor het tegendeel niet de allerminste grond is’ en in 2, V kondigt de verteller de komende beschrijving van de Gouvernante als volgt aan: ‘Het nieuw persoontje, dat ik nu op touw ga zetten (...)’. Over het feit dat zij spiritus inneemt, merkt hij op: ‘daar mijn maag niet gaarne mee gevuld is’.

De eerste strofen van de Laatste Zang zijn ook duidelijke voorbeelden:

  “En kregen zij elkaêr nog eindlijk en ten leste ?”
Mij dunkt van já, want die ontknooping is de beste

Hierna verzekert hij de Hoorders dat hij liever honderd paren trouwt, dan één verhaal slecht laat aflopen. Weer een heel ander soort doorbreking is te vinden in 3, XIV en XVI. Op deze plaatsen geeft de verteller raad aan zijn hoofdpersoon: ‘Och keer, Fantasio ! en ga vergifnis smeeken !.....’ Ten slotte kan de moraal in de laatste zes strofen tot dit procédé worden gerekend.

Ook in ‘De Sint-Nikolaasavond’ zijn heel veel plaatsen aan te wijzen waar de werkelijkheidsillusie verstoord wordt. Een greep uit de vele voorbeelden: XV (wat de verteller betreft mag de luisteraar de rest er zelf bij verzinnen; overigens alle verzen XIV-XVIII door gebruikt), L (over ‘Kokanje’: het is te lang, maar dat moet de jongeman worden verweten, de verteller heeft part noch deel aan het vers), LIX en LXXVIII (feit, gevolgd door ‘of zoo iets’), CXI (het was een vergissing om de ridderorde aan de Ridder te geven, zijn vrouw bezit meer wijsheid) en ook weer de laatste zes strofen, waarin de moraal van het verhaal wordt weergegeven.

Ook in ‘De Mailbrief’ wordt het procédé regelmatig gebruikt. Twee voorbeelden, die beide afwijken van de hiervoor gegeven voorbeelden: In de laatse strofe van de Eerste Zang (XLI) spreekt de verteller de luisteraars niet alleen aan, maar zet hij ze als het ware ìn de verhaalsituatie. Alle personages zijn de kamer uitgelopen,

  Nu is er niemand in die kamer meer, mijn hoorder
En hoorderes, als Gij (...)
Die brief - en ik alleen (...)

Moet de brief worden opengemaakt? Ach nee, de verteller wil de inhoud liever nog even geheim houden. Het tweede voorbeeld komt uit strofe 2, XV. De man is de trap opgevlogen, verward en met tranen in zijn ogen; hoewel, dat

  Zou wel goed rijmen, doch niet waar zijn, en ik haat
Onwaarheid als de pest, in proza of op maat.

En hij voegt er aan toe:

  En schoon mijn broeders, op dit punt, niet willen deugen,
Ik zal mij nooit om ’t rijm bezoedlen met een leugen.



Spel met de romantische fictie betreffende de bron van het verhaal (I).

Alleen in ‘De Sint-Nikolaasavond’ wordt op een komische manier ingegaan op de bron waaruit de stof is geput:

  Een werk voor iedereen door iedereen geschreven,
Vol studie, vol natuur : ’t is, hoorders, ’t is ? Uw leven. [48]

Op verschillende andere plaatsen wordt nog eens benadrukt dat het gaat om ‘waarheid’, die de verteller heeft ‘gehoord en gezien’ (zie strofe I en XXIX).


Strepomanie (K).

Het al eerder aangehaalde vers (2, XXVI) uit ‘Fantasio’ dat geheel uit puntjes bestaat, is het enige, maar door het grapje met de voetnoot ook een sterk voorbeeld voor de ridiculisering van het overmatige gebruik van gedachtestrepen en -puntjes.


Andere vormen van humoristische technieken.

Tot slot van dit hoofdstuk twee in de versvertellingen gebruikte humoristische procédés die níet in de indeling van Jongejan onder te brengen zijn.

De ene soort kan onder de brede noemer ‘opsommingen’ worden ondergebracht en komt voor in de eerste twee versvertellingen. Meteen in de strofe I van ‘Fantasio’ wordt aan de hoorder de vraag gesteld of hij houdt van bepaalde spelen. Er worden er vijftien opgesomd (van kegelen? biljart? roulette? enz.) waarna wordt besloten met de anti-climax ‘Zoo ja, - dan zoudt gij mij verschriklijk tegenvallen.’

Anders wordt er gebruik gemaakt van de opsomming in 1, XL: een strofe lang worden alle mogelijkheden gegeven die níet zijn gebeurd, waarna in de laatste regel de omslag komt: ‘Maar -’ dat gebeurde (climax). Een ander soort opsomming is te vinden in 2, XXXII; hoewel Holland een nat klimaat heeft, houdt de verteller toch van het land, waar hij ‘om-, aan-, in-, en doorgegroeid is’.

Vier voorbeelden uit ‘De Sint-Nikolaasavond’: VII (wonderlijke samenvoeging van vier zelfstandige naamwoorden), XXII (drie ongebruikelijke voltooide deelwoorden), LXXXVI (namen en titels) en XCV (twee maal in één strofe een vergelijkbare opsomming met een onverwacht laatste deel).

Bij het tweede procédé vindt een onverwachte wending plaats, wordt het verwachtingspatroon doorbroken. Dit gebeurt met een vaste typografische constructie, namelijk een gedachtestreepje of drie/vier puntjes waarna de onverwachte, soms banale of ontnuchterende wending volgt. Vooral in ‘Fantasio’ is hier veel gebruik van gemaakt (1, XVII, XXXVIII, XL; 2, II, III, VI, XLIII; 3, IV, XIII), in de andere twee in mindere mate (achtereenvolgens: XIX, LX (2x), LXIII; en 2, VII, VIII, XVI, XXVII). Ter verduidelijking enkele voluit:

  En al de vrijers die haar huldigden, voor dezen,
De gunst slechts .... van hen uit te lachen, had bewezen

Ha ! daar ’s nog een uitkomst in den vijver, die hem noodt,
Met lisplend golfgeruisch, te rusten in haar schoot.
Maar hij bedacht zich, wijl het denkbeeld oud en plat was,
En mooglijk ook wel - wijl het water koud en nat was.

’t Land van belofte en zoete koek en .... slechte tanden. [49]

Het zou mogelijk kunnen zijn dat deze typografische constructie samenhangt met de voordracht waar de versvertellingen oorspronkelijk voor waren bedoeld (bij wijze van indicatie voor de manier waarop het gebracht moest worden). Maar de tekst zou evengoed juist voor de uitgave ervan kunnen zijn aangepast (om voor de lezer duidelijk te maken wat anders door de verteller duidelijk zou zijn gemaakt).

Meer dan een globale inventarisatie van de gebruikte humoristische procédés kan het bovenstaande niet zijn: aan de ene kant is moeilijk om volledig te zijn (bij bijna iedere lezing stuit je wel weer op een eerder over het hoofd gezien detail), aan de andere kant zijn sommige duidelijk humoristische gevallen moeilijk grijpbaar of onder een éénduidige noemer te brengen.

Hoe classificeer je het grapje met de maan in ‘Fantasio’ (2, XXXVI en XXXIX) of benoem je het bijna onnavolgbare vertellen (of eigenlijk niet en uiteindelijk toch, maar half in het Frans, vertellen) van de inhoud van het briefje (‘Fantasio’ 2, XII-XX)?

Jongejan noemt de versvertellingen een mijlpaal en een hoogtepunt in de cultus in Nederland, maar voegt daar meteen aan toe dat de oorspronkelijkheid ervan niet erg groot is. Over de verschillende invloeden die De Génestet heeft ondergaan, meer in het volgende hoofdstuk.



© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van de verwijzing onderaan deze pagina.



Noten

[44]  'De Mailbrief', 1, II.
[45]  Jongejan blz 1.
[46]  'De Sint-Nikolaasavond' II.
[47]  de uitdrukking 'en volant' is niet te vinden in Van Dale, ook niet in Aanhangsel II (lijst met gangbare termen en uitdrukkingen uit klassieke en moderne talen). In het Fr-N wrdb. is alleen voler = vliegen en s'envoler = wegvliegen te vinden.
[48]  'De Sint-Nikolaasavond' V.
[49]  Achtereenvolgens 'Fantasio' 1, XVII en 3, XIII en 'De Sint-Nikolaasavond' LX.




[einde van Hoofdstuk 3]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘‘Vroolijk Rijm is balsem voor mijn smarte!’ De versvertellingen van P.A. de Génestet en de humorcultus in de 19e eeuw’ (onderzoeksnota, 1993). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Versvertelling De Génestet
  Woord vooraf
  Inhoudsopgave
  Hoofdstuk 1 - P.A. De Génestet
  Hoofdstuk 2 - De versvertelling
  Hoofdstuk 3 - De humorcultus in de 19e eeuw   ↑
  Hoofdstuk 4 - Invloed en navolging
  Besluit
  Literatuur
  Bijlage: volledige tekst versvertellingen