RozemarijnOnline




P.A. De Génestet

onderzoeksnota
1993






























Deze nota is geschreven in 1993 in het kader van het onderzoekscollege ‘De Nederlandse versvertelling in de negentiende eeuw’ onder begeleiding van dr. J.R. van der Wiel (Nederlandse taal- en letterkunde, Universiteit Utrecht).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De brulocht
- Het tabernakel
- Doctoraalscriptie
  Hadewijch en
  Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde







‘Vroolijk Rijm is balsem voor mijn smarte!’

De versvertellingen van P.A. de Génestet
en de humorcultus in de 19e eeuw

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1993)



 



Hoofdstuk 4

Invloed en navolging




4.1 Invloed en navolging


In het werk van De Génestet zijn invloeden te herkennen van verschillende Nederlandse en buitenlandse schrijvers en dichters. Door Kalff [50] wordt de invloed van Beets ‘van groot belang’ genoemd en hij noemt de ‘Da Costiaanschen’ strijd met de wereld. Aan invloed uit het buitenland wordt gewezen op: de luchtige verteltrant van Byron en De Musset (op hun beurt zelf weer leerlingen van Ariosto) en later de ‘gezonden levenslust, vrome dankbaarheid en smaak in kernachtige levenswijsheid’ van Rückert.

Meer namen worden genoemd door Te Winkel [51] . Aan Nederlandse schrijvers die een voorbeeld voor De Génestet waren noemt hij: Van Lennep, Beets, Da Costa en uit een ouder tijdvak Cats.

Invloed uit het buitenland komt niet alleen van Byron (hoewel die bovenaan de lijst stond) en De Musset, maar ook van de Fransman Victor Hugo en de Duitsers Goethe, Heine en Rückert (van de laatste twee vertaalde hij enkele gedichten ). Specifiek van invloed op de drie versvertellingen zijn ‘Don Juan’ en ‘Beppo’ van Byron (de dichtvorm, de verhaaltrant en de losse stijl) en de nabootsingen daarvan door De Musset en Beets.

De drie belangrijkste schrijvers die De Génestet hebben beïnvloed bij het schrijven van zijn versvertellingen, zijn ongetwijfeld Beets, Byron en De Musset. Op deze drie zal nu afzonderlijk worden ingegaan.

Om de navolging van Byron in een iets ruimer kader te plaatsen, gaat er bij hem een korte bespreking over zijn invloed op de Nederlandse literatuur in het algemeen aan vooraf. Beets zal als eerste aan de orde komen, vervolgens Byron en als laatste De Musset.



4.2 Beets


Nicolaas Beets, geboren in 1814, studeerde theologie in Leiden van 1833 tot 1839. Hier kwam hij in contact met Hasebroek en Kneppelhout. In die jaren schreef en publiceerde hij zijn eerste prozastukken (in de Studenten-almanak en in de eerste jaargang van De Gids onder het pseudoniem ‘Hildebrand’).

Daarnaast schreef hij onder invloed van Byron (van wie hij ook werk vertaalde) drie somber-romantische verhalende gedichten, terwijl hij zich van een heel andere kant liet zien in de versvertelling De Masquerade van 1835. Dit werk heeft niets van het zwaarmoedige, hoewel ook hierin invloed van Byron aan te wijzen is (maar dan wat betreft vorm, rijm en het divageren).

Dit laatstgenoemde stuk is van belang om nader te bekijken in verband met navolging door De Génestet.Door Kalff wordt enerzijds gezegd dat Beets met De Masquerade De Génestet was voor-geweest wat betreft ‘het verwerken van hedendaagsch leven tot een berijmd verhaal’, maar hij voegt daar onmiddellijk aan toe:

(...) maar toch gaf De Génestet (...) het publiek iets nieuws. Beets had vooral beschrijving gegeven - hier kreeg men een paar verhalen: een minnegeschiedenis in het eene; een echt-nationaal feest als Sinterklaas, verenigd met het meer algemeen-menschelijk motief eener jacht op den Nederlandschen Leeuw, in het andere. [52]

Busken Huet zegt over de invloed van De Masquerade:

(...) dat De Génestet’s oorspronkelijkheid dikwijls geleden heeft onder den diepen indruk, dien de poëzie van Beets op hem maakte (...). Doch ten opzigte der Masquerade heeft van De Génestet’s zijde te minder navolging plaats gehad, omdat de Masquerade zelve, wat den vorm van dat dichtstuk betreft, niet begrepen kan worden, tenzij men tot Byron’s Don Juan opklimt. [53]

Daarnaast ziet Busken Huet in de voorrede van de tweede druk van Eerste gedichten (geciteerd aan het einde van 2.2.2), kritiek op De Masquerade van Beets, in de opmerking dat de dichtsoort nog niet door meesterstukken vertegenwoordigd was.

Hoewel er veel overeenkomsten zijn aan te wijzen (wat betreft stijl, divageren, aanspreken van hoorder/lezer, gewaagde rijmen, voorkomen van een noot), maken de bovenstaande citaten toch duidelijk dat De Masquerade uiteindelijk minder van belang is wat betreft beïnvloeding dan het werk van Byron, onder wiens invloed Beets zelf ook stond. [54]



4.3.1 Byron in Nederland


George Noel Gordon Byron werd in 1788 in Londen geboren en erfde in 1798 de titel ‘lord’. Rond zijn twintigste publiceerde hij zijn eerste (lyrische) gedichten.

Beroemd werd hij met ‘Childe Harold’s pilgrimage’ (1812). Hierin is de hoofdfiguur, later zo typerend voor Byron, een zogenaamde ‘Byronic hero’ (melancholisch, leeft losbandig, maakt reizen, lijdt aan ‘Weltschmerz’). De Byroniaanse held wordt wel een weerspiegeling genoemd van Byron zelf, die een excentriek leven leidde. ‘Don Juan’ (1818-1823) wordt als zijn meesterwerk beschouwd. Het is een verhalende satire van zestien zangen (Canto’s), die echter onvoltooid bleef.

Byron stierf in 1824 in Griekenland, waar hij deelnam aan de vrijheidsoorlog tegen Turkije. [55]

Belangrijk in het oeuvre van Byron zijn de vertellingen in verzen (wereldleed, liefdes-sentiment en ongedwongen verzen met eenvoudig rijm) en de ‘epische gedichten’ (strofisch, vast rijmschema, verrassend rijm, een luchtige stijl, vaak wereldse onderwerpen). In die laatste catagorie vallen onder andere ‘Childe Harold’, ‘Beppo’ en ‘Don Juan’.

Inhoudelijk is kenmerkend voor het werk van Byron: melancholie en wereldleed, soms fatalisme, voorkeur voor woeste natuurtaferelen, oriëntalisme, sarcasme en ironie, vrijheidsdrang die soms uitloopt in bandeloosheid of amoraliteit.

Daarnaast is de zojuist al genoemde Byroniaanse held typerend voor het werk van Byron. Het is een mooie man met een ‘verleden’, een gekweld man, een rebel, die de burgerlijke zeden en moraal veracht, groots zowel in het kwade als in het goede.

In de periode van 1830 tot 1845 werden verschillende werken van Byron in het Nederlands vertaald, door Van Lennep, Beets, Vinkeles, Ten Kate en Van den Bergh. In diezelfde tijd verschenen er gedichten en vertellingen in verzen die duidelijk invloed van Byron hadden ondergaan, onder meer van Van der Hoop, Beets, Withuys, Ter Haar, Meyer, Hofdijk en Van den Bergh.

Hierbij moet meteen worden aangetekend dat het Byronisme in Nederland nooit is ingeburgerd en hier niet in al zijn facetten voorkomt. Daarvoor stonden de Nederlandse schrijvers te afkeurend tegenover het fatalisme, ongeloof en sarcasme, de bandeloosheid en amoraliteit. Hoewel de invloed onmiskenbaar is en de genoemde schrijvers een ‘zwarte periode’ doormaakten, bleef het steeds Byronisme in een gematigde vorm:

En toch heel die navolging is maar weer een navolging van het uiterlijke, men behandelde een stof, die wat op Byrons onderwerpen geleek, men knutselde zoo wat den versvorm na, maar den geest er in brengen, gesteld dat ze hem hadden kunnen vatten, daartoe waren ze altijd veel te “fatsoenlijk” geweest en van een veel te “fatsoenlijke familie”. Wat zouden tante en oome wel gezegd hebben! De goede menschen hadden een beroerte gekregen. [56]



4.3.2 Byron en De Génestet


Het is bekend dat in de studeerkamer van De Génestet een groot gegraveerd portret van Byron hing. In een brief van mei 1848 schrijft hij:

Denk aan het Byroniaansche: I will not weep - and thus I laugh! [57]

Dat Byron een diepe indruk op De Génestet heeft gemaakt, is onmiskenbaar. Maar de invloed is nog minder dan bij andere Nederlandse schrijvers, de ‘zwarte’ kant van het Byronisme. Te Winkel [58] zegt hierover:

(...) die invloed gaat niet verder dan den dichtvorm en den verhaaltrant, den lossen gemeenzamen stijl, vol plotselinge en verrassende zijsprongen en tusschenhaaksche grappige opmerkingen (...)

Ook Jongejan [59] ziet de ‘subjectief-epischen’ verteltrant van ‘Beppo’ en ‘Don Juan’ in de versvertelling-en van De Génestet. De navolging beperkt zich tot de stijl, de geestige humor en komische techniek van het divageren en hoewel ze wel inhoudelijke ontleningen ziet, gaat het daarbij steeds slechts om details.

Volgens Schults [60] volgt De Génestet op een afstand en op een zelfstandige wijze Byron na. Het sarcasme van Byron wordt getemperd, maar Byrons techniek wordt in allerlei opzichten geïmiteerd en geëvenaard. De komisch abrupte afwisseling in de toon, de briljante rijmen en allitteraties, het naar voren laten komen van de mening, kritiek en beschouwingen van de auteur, de woordspelingen en dubbelrijmen; het is allemaal ‘Byroniaanse romantiek’.

Popma [61] merkt op dat de versvertellingen van De Génestet geschreven zijn ná de periode waarin de invloed van Byron in Nederland op zijn hoogtepunt was. Van de bitterheid, verachting en somberheid is hooguit weemoed overgebleven, maar de toon is net als in Byrons ‘Don Juan’ schertsend en ongedwongen.

Duidelijk géén Weltschmerz dus bij De Génestet en géén melancholische, amorele Byroniaanse held. In ‘Fantasio’ zelf worden hieraan al zes strofen gewijd (1, XXV - XXX). Na een beschrijving van Lord Byron, neemt de verteller afstand van het ‘In alles Bitterheid en Ridikuul zoeken’ van zijn ‘Held van mijn zwarten Tijd’. Want ‘zoo ’k immer dweepte, met een ingebeelde smarte’, de aanbidding van Byron was niet meer dan een voorbijgaande fase. Zijn levenshouding is nu een geheel andere:

  (...) met een kalm gelaat, vergevende en tevreden,
De wereld, als de school des Levens, in te treden ;
Den Mensch te eerbiedigen als ’t godlijkst werk van God (...)
Te weten, wat het zegt, waarachtig mensch te wezen.... [62]

Later wijst hij stemmingen als neerslachtigheid en donkere weemoed af en stelt hij hier ‘Gelijkheid van natuur, blijmoedigheid van geest’ tegenover. [63]

Uit deze inventarisatie van wat er te vinden is over de beïnvloeding door Byron in de diverse standaardwerken, waaruit in ieder geval al duidelijk is geworden voor welke aspecten de invloed (ook volgens de schrijver zelf) níet geldt, komen twee punten naar voren die nadere uitwerking verdienen.

Aan de ene kant zijn dit de ‘inhoudelijke details’, waarin letterlijke navolging te zien is. Aan de andere kant de stijl en gebruikte (humoristische) procédés. Hiervoor is het noodzakelijk om Byrons ‘Don Juan’ nader te bekijken.

In één strofe uit ‘Fantasio’ wordt expliciet aangegeven, dat er inhoudelijk ontleend is aan anderen:

  Mijn trouwe Hoorders, ik beging hier plagiaten,
Eén van Barbier, één van Lord Byron - wie kan ’t laten ?
De ideën waren mooi, ze dwaalden in mijn hoofd,
En dwaas hij, die nog aan oorspronklijkheid geloofd ! [64]

Dit is naar aanleiding van twee strofen over de naam Marie. De lofzang op de naam ‘Mary’ is in ‘Don Juan’ terug te vinden:

  I have a passion for the name of ‘Mary’,
For once it was a magic sound to me [65]

Ave Maria! o’er the earth and sea,
That heavenliest hour of Heaven is worthiest thee [66]

Vergelijk deze citaten met de volgende twee uit ‘Fantasio’:

  Maar ’k heb een passie voor dien eernaam van Marie ! [67]

Ave Maria ! ruischt door de aardsche doodsvalleien,
Ave Maria ! klinkt door ’s hemels psalmenreien [68]

De balkonscène in ‘Fantasio’ doet denken aan het moment dat Don Alfonso (Canto 1, CXXXV e.v.) onverwachts de kamer van zijn vrouw, die hij van ontrouw verdenkt, binnenkomt. Jongejan tekent hier echter bij aan dat de situatietekening in ‘Fantasio’ alleen uiterlijke trekjes gemeen heeft met de echt romantisch-komische situaties.

De passage uit ‘De Sint-Nikolaasavond’ waar de verteller opbiecht dat hij wel taallessen zou willen krijgen van de Gouvernante en haar graag zou willen kussen (LXXX), is vergelijkbaar met Canto the second, CLXIV:

  ’Tis pleasing to be school’d in a strange tongue
By female lips and eyes - that is, I mean,
When both the teacher and the taught are young

Het inlassen van een gedicht, met een afwijkende strofebouw en een aparte nummering (in Arabische cijfers), zoals ‘Uit het land van Kokanje’, komt ook voor in ‘Don Juan’, Canto the third, na LXXXVI. In dit geval gaat het om ‘some sort of hymn’ over Griekenland.

Het slot van ‘De Sint-Nikolaasavond’ kan worden vergeleken met het slot van Canto the first:

                      (...) I
Must, with permission, shake you by the hand,
And so your humble servant, and goodbye!
We meet again, if we should understand
Each other (...) [69]

Dan scheiden wij in vrede, en , hoorders, wat verander’,
Ziedaar mijn rechte hand, want wij verstaan elkander. [70]

Een voorbeeld uit ‘De Mailbrief’, die evenals Don Juan nooit voltooid is, is de opmerking uit strofe 1, XXXIII:

  ’k Gruw van verveling ! dus, ik wil niet graag vervelen,
Schoon andren op dit punt in mijn idees niet delen !

Dit is vergelijkbaar met:

  (...) and if not, I shall not try
Your patience further than by this short sample-
’Twere well if others follow’d my example. [71]

Tot zover de belangrijkste voorbeelden van inhoudelijke ontleningen in de drie versvertel-lingen aan ‘Don Juan’. [72] Voor een vergelijking tussen de overeenkomsten in stijl en humoristische procédés, volgt nu een kort overzicht wat typerend wordt gevonden voor de stijl in ‘Don Juan’.

Furst [73] laat ‘Don Juan’ in de catagorie ‘illicit’ (ongeoorloofd) vallen. Zij noemt ‘irony of differing sorts (...) the major instrument to undo illusions’. Het werk is onconventioneel ten opzichte van de op dat moment heersende literaire conventies.

Naar de lezer toe is het persoonlijk, naast het contact met de lezer is er sprake van een ‘narrator’s self-dialogue with himself as a creative artist’. Het proces van creativiteit wordt benadrukt.

Er wordt veel gebruik gemaakt van de ‘irony as reversal’: bijvoorbeeld de omkeringen van traditionele situaties en het impliceren van het tegenovergestelde van wat er wordt gezegd; hierdoor wordt de afstand tussen schijn en realiteit aangegeven.

Veel gebruik wordt er gemaakt van stijlfiguren: ‘puns, epigrams, double meanings, renovated clichés, astonishing metaphors and breathtakingly clever rhymes (...) hyperbole and anti-climax’.

De verhaalillusie wordt regelmatig doorbroken door reflectie op het schrijfproces, vaak in de vorm van excuses of klachten. Dit wekt bij de lezer de indruk dat het verhaal op datzelfde moment ontstaat.

Een andere manier waarop de illusie van het verhaal wordt doorbroken, is het divageren, met hierop ook weer reactie van de verteller zelf in uitingen als: ‘But I’m digressing’. Door de vele digressies ontstaat er een afstand van de lezer tot het eigenlijke verhaal en richt de lezer zich meer tot het vertellen zèlf, waardoor ‘Don Juan’ wel een ‘poem written about itself’ wordt genoemd.

Worden hier de inventarisatie aan het begin van deze paragraaf en het overzicht van gebruikte humoristische procédés in 3.2 bij betrokken, dan kan op basis van dit vergelijkingsmateriaal het volgende worden geconstateerd. De ironische omkering die in ‘Don Juan’ zo’n belangrijke plaats inneemt, is in de versvertellingen van De Génestet niet als zodanig terug te vinden.

Het doorbreken van de werkelijkheidsillusie, zelfreflexiviteit, reflexie op het schrijfproces, aanspreken van reader/hoorder, digressie en gewaagd rijm; dit komt allemaal voor bij De Génstet.

Opvallend is dat de voor ‘Don Juan’ zo kenmerkende ottava rima (strofe bestaand uit acht verzen met elf lettergrepen; eerste zes gekruisd rijm, laatste twee gelijk rijm) door De Génestet niet is overgenomen. Voor invloed op de vorm is De Musset van belang, die, net als Beets, zelf Byron weer in verschillende opzichten navolgde. Hierover merkt Jongejan [74] op, dat de invloed van Byron op De Génestet gedeeltelijk plaatsvond door bemiddeling van De Musset.



4.4 De Musset


Alfred, of voluit Louis Charles Alfred de Musset, werd in 1810 in Parijs geboren. Hij debuteerde in 1830 met een dichtbundel, die echter, evenals zijn eerste toneelstuk in datzelfde jaar, niet succesvol was. Dit weerhield hem er niet van in de jaren die volgden een grote hoeveelheid toneelstukken (met duidelijke invloeden van Shakespeare en Byron) en lyrische gedichten (voornamelijk over de liefde) te schrijven.

Zijn toneelstukken worden ‘luchtig en speels’ genoemd en hebben de liefde als belangrijkste thema. Na 1838 richtte De Musset zich voornamelijk op het schrijven van proza en publiceerde hij verschillende artikelen over literatuur en kunst. Hij stierf in 1857 te Parijs. [75]

In 1851 heeft De Génestet De Musset in Parijs ontmoet. In De Gids van 1861 wordt deze ontmoeting beschreven [76] :

Eene korte reize naar Parijs in September 1851 bleef op de Génestet’s vorming niet zonder invloed: zij verruimde zijn blik en zijn litterair studieveld ; zij leerde hem Alfred de Musset en Victor Hugo meer kennen en waardeeren.

Alfred de Musset! Hoe gevoelde de jonge, onschuldige hollandse dichter zich getrokken tot dien vroeg-verkwijnenden, dien hartstogtelijken franschen zanger ; hoe gaarne vertelde hij zijne ontmoeting met den ziekelijken, armen en beklagenswaardigen auteur, wiens fijnheid van opmerking, wiens gekuischten en aristocratischen stijl, wiens vernuft en .... délicatesse in zoo hooge mate zijne bewondering opwekten!

De strofenbouw van de versvertellingen (hoewel van ‘De Sint-Nikolaasavond’ in mindere mate) zijn in grotendeels aan De Musset ontleend.

Drie werken van hem kunnen hier worden genoemd en dan in het bijzonder: ‘Namouna’ (1832). Dit lange, strofische gedicht heeft als ondertitel ‘Conte Oriental’ (denk aan Byron!) en het bestaat uit drie zangen (Chant Premier, - Deuxième, - Troisième). Deze hebben alledrie een kort motto en zijn onderverdeeld in zesregelige strofen (achtereenvolgens LXXVIII, LV en XIV strofen). De verzen hebben twaalf tot dertien lettergrepen (alexandrijnen) en het rijmschema is variabel (met twee rijmwoorden per strofe).

Het tweede werk van De Musset dat hier van belang is, is ‘Mardoche’ (1829). Dit is korter dan ‘Namouna’, het kent geen indeling in zangen, maar het heeft wel een motto. De strofen (I - LIX) bestaan uit tien verzen met gepaard rijm.

Op de derde plaats kan ‘Une bonne fortune’ worden genoemd, dat echter weer een stuk korter is (XLIV strofen). Het rijmschema van de zesregelige strofen is net als bij ‘Namouna’ variabel, met twee rijmwoorden per strofe.

Net als bij Byron zijn er ook uit het werk van De Musset passages aan te wijzen waaraan De Génestet direct heeft ontleend. Een eerste opvallende overeenkomst is, dat in ‘Namouna’ en ‘Mardoche’ een ‘lecteur’ en ‘lectrice’ aan worden gesproken. Het motto van ‘De Mailbrief’ doet aan de drie Franse werken denken.

Digressie en het verontschuldigen daarover, komt ook voor in ‘Namouna’, waarmee De Musset Byron navolgt. In datzelfde werk wordt (in strofe 2, VIII-IX) ingegaan op het plegen van plagiaat; vergelijk met ‘Fantasio’ strofe 2, XIV. Vergelijkbaar met ‘De Mailbrief’ is strofe 1, XXIX van ‘Namouna’:

  Dire qu’il vous plaira, ce n’est pas vraisemblable
Ne rien dire du tout, cela vous est égal.
Je me contente donc du seul terme passable
Qui puisse l’excuser: - c’est un original.

Och, menschen zijn er zat, men vraagt om origineelen !
Mijn vriend nu was er een (...)[77]

Ook in ‘Mardoche’ zijn verschillende plaatsen met overeenkomsten aan te wijzen, bijvoorbeeld:

  Mais jamais l’insensé, jamais le moribond,
Celui qui perd l’esprit, ni celui qui rend l’âme,
N’ont oublié la voix de la première femme
Qui leur a dit tout bas ces quatre mots si doux
Et si mystérieux : - My dear child, I love you. - [78]

Hoe kunstloos of gesierd, hoe ernstig wild of dwaas,
Eén woordje machtiger dan alle, speelt de baas.
Na iedre voorrede, iedren omweg volgt - quand même -
Ce mot, le mot des Dieux et des hommes : Je t’aime ! [79]

In strofe II wordt over een dichter gezegd: ‘Et quoiqu’il fît rimer idée avec fâchée,/ On le lisait.’. Aan het einde van ‘Fantasio’ zegt de verteller over zichzelf: ‘Ik rijmde dier op zwier en page op bosschage !’ (3, XXV).

Een derde voorbeeld uit ‘Mardoche’ komt uit de laatste strofe (LIX): ‘(...) Et que fit Mardoche? - Pour changer/ D’amour, il lui fallut six mois à voyager.’, wat doet denken aan ‘Fantasio’ 3, XXI: ‘Enfin, hij kreeg een jaar van boete, deed een reisje’.

Tot slot een voorbeeld van overeenkomst tussen ‘Mardoche’ en ‘De Mailbrief’:

  Rien n’est plus amusant qu’un premier jour de noce [80]

Wat is daar zoet en rein en lieflijk hier op aarde,
Als - ’t eerste huwelijksreisje in ’s Levens rozengaarde? [81]

Pikant détail ten slotte, is dat De Musset in 1834 een toneelstuk schreef met de titel: Fantasio. De personages hierin zijn een koning en zijn dochter Elsbeth, een prins, een sekretaris, vier jonge mannen (waarvan één Fantasio genaamd) en een gouvernante. Het is een komedie over de liefde, waar allerlei persoonsverwisselingen leiden tot vreemde situaties en verrassende ontwikkelingen. Niet duidelijk is of De Génestet het stuk heeft gekend, maar dat lijkt heel waarschijnlijk.



© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van de verwijzing onderaan deze pagina.



Noten

[50]  Kalff blz. 559-66.
[51]  Te Winkel blz. 795-810.
[52]  Kalff blz. 561.
[53]  Litt. Fant. blz. 69-70.
[54]  vgl. met nota Beets.
[55]  WP deel 4, 772 en 775.
[56]  J. Prinsen, Noord en Zuid XXIV, geciteerd in Zw. herdr. 25, blz. XII.
[57]  Jeugdbrieven 21/5/1848, 9 (aan Adriaan Gildemeester); vgl. met citaat aan het begin van 1.1 !
[58]  Te Winkel blz. 798.
[59]  Jongejan blz. 511 e.v..
[60]  Schults blz. 128-30.
[61]  Popma blz. 297-300.
[62]  'Fantasio' 1, XXX.
[63]  'Fantasio' 3, X.
[64]  'Fantasio' 1, XIV. Overigens komt bij Barbier in Il Pianto Le Campo Santo een strofe voor die begint met 'l'Ave Maria' (geciteerd in Zw. herdr. 25, blz XVII).
[65]  Canto the fifth, IV.
[66]  Canto the third, CI. Drie strofen lang gaat het in deze trant door..
[67]  'Fantasio' 1, XV.
[68]  'Fantasio' 1, XIII.
[69]  Canto the first, CCXXI.
[70]  'De Sint-Nikolaasavond' CXIX.
[71]  Canto the first, CCXXI.
[72]  In Jongejan zijn op blz. 512-15 nog enkele minder duidelijke voorbeelden te vinden, sommige zonder bewijsplaatsen.
[73]  Furst blz. 93-120.
[74]  Jongejan blz. 504.
[75]  WP deel 13, blz. 574.
[76]  De Gids 1861, blz. 236.
[77]  'De Mailbrief' 2, XVIII.
[78]  'Mardoche' IX.
[79]  'Fantasio' 2, XIII.
[80]  'Mardoche' XVI.
[81]  'De Mailbrief' 2, I.




[einde van Hoofdstuk 4]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘‘Vroolijk Rijm is balsem voor mijn smarte!’ De versvertellingen van P.A. de Génestet en de humorcultus in de 19e eeuw’ (onderzoeksnota, 1993). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Versvertelling De Génestet
  Woord vooraf
  Inhoudsopgave
  Hoofdstuk 1 - P.A. De Génestet
  Hoofdstuk 2 - De versvertelling
  Hoofdstuk 3 - De humorcultus in de 19e eeuw
  Hoofdstuk 4 - Invloed en navolging   ↑
  Besluit
  Literatuur
  Bijlage: volledige tekst versvertellingen