RozemarijnOnline




Katharyne Lescailje

onderzoeksnota
1993





























Deze nota is geschreven in 1993 in het kader van het onderzoekscollege ‘De vrouwelijke blik: schrijfsters in de zeventiende tot de negentiende eeuw’ onder begeleiding van prof.dr. M.A. Schenkeveld-Van der Dussen (Nederlandse taal- en letterkunde, Universiteit Utrecht).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Tristan en Isolde
- De Génestet
- De brulocht
- Het tabernakel
- Doctoraalscriptie
   Hadewijch en
   Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde






Katharyne Lescailje

‘Vermaarde en volgeestige dichteresse tot Amsteldam’
1649-1711

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1993)



 




Tot besluit



Globaal komt het volgende beeld van de dichteres Katharyne Lescailje uit de verschillende bronnen naar voren. Katharyne Lescailje leefde van 1649 tot 1711 in Amsterdam en naast de poëzie die ze schreef, vertaalde ze zeven Franse treurspelen.

Het lijkt er op dat haar vader Jacob Lescaille, die dichter was en een boekhandel dreef, zijn dochter heeft gestimuleerd om te publiceren; in ieder geval bood de boekhandel gelegenheid daartoe. In de jaren ’70 en ’80 van de zeventiende eeuw verschenen er verschillende pamfletten van haar hand, in de jaren ’80 en ’90 verschenen de treurspelen en daarnaast werden enkele gedichten tijdens haar leven afzonderlijk gepubliceerd.

Over het algemeen werden deze publikaties bij J. Lescaille en later bij de ergenamen van J. Lescaille gedrukt. Aangezien Katharyne Lescailje nauw bij de boekhandel betrokken was, kan van de publikaties na het overlijden van haar vader in 1679, worden verondersteld dat zij deze zelf heeft verzorgd.

Vanaf de jaren ’90 verschijnen er drempeldichten van haar hand in bundels van andere (Amsterdamse) dichters. Contact met dichters en dichteressen uit haar tijd blijkt ook uit lof- en gelegenheidsgedichten door haar en aan haar geschreven. Hoewel verschillende namen steeds weer terugkeren (zoals Pluimer, Smids, Van Hoogstraten en anderen), lijkt het niet te gaan om een vaste kring.

Haar tijdgenoten waren zeer lovend over haar, maar in latere eeuwen werd het oordeel ongunstiger en raakte zij langzaam maar zeker in de vergetelheid. Dat het grootste deel van haar (ongepubliceerde) poëzie niet verloren is gegaan, is te danken aan haar erfgenamen, die haar gedichten en treurspelen als vezameld werk hebben uitgebracht.

Zijn de gedichten van Katharyne Lescailje nu onmiskenbaar door een vrouw geschreven? Is er sprake van een ‘vrouwelijke stem’ die doorklinkt in haar poëzie?

Op basis van de staatsgevallen en drempeldichten, die hier nader bekeken zijn, is dat niet goed uit te maken. Zijn vredezangen (in die tijd) typisch vrouwelijk? Gedetailleerde beschrijvingen van zeeslagen lijken dat in ieder geval niet te zijn, integendeel zelfs. Witsen Geijsbeek heeft het naar aanleiding hiervan over een ‘manlijke dichttrant’ en ook bij tijdgenoten keert dit predikaat meerdere malen terug, bijvoorbeeld: ‘manlyk hart’ (Van Hoogstraten), ‘haar Mann’lyk oordeel’ (E. Krook).

Wordt hier de mogelijke navolging van of invloed door Vondel, Hooft en Van Broekhuizen bij betrokken, dan lijkt er eerder sprake te zijn van het imiteren van een ‘mannelijke blik’, het voldoen aan een (toen heersende) ‘mannelijke norm’. Er is nadere bestudering van haar veelzijdige oeuvre geboden om hier meer inzicht in te krijgen.



Aanbevelingen voor verder onderzoek


Verschillende onderwerpen die in deze nota aan de orde zijn geweest, vragen om nadere uitwerking. De lijst met bundels waar een drempeldicht van Katharyne Lescailje in is opgenomen (bijlage 5) is zeker niet volledig en dat geldt in meer of mindere mate ook voor de lijsten in bijlage 2, met gepubliceerd werk en publikaties van haar werk (bijvoorbeeld in bloemlezingen) vanaf de negentiende eeuw.

Twee keer (bij Ter Laan en Te Winkel) is een mogelijke relatie met Nil aangestipt, wat heel goed mogelijk zou zijn, gezien de Franse treurspelen die Katharyne Lescailje vertaalde en die opgevoerd werden in de Amsterdamse schouwburg. (Ook zijn er werken van leden van Nil verschenen bij de boekhandel van de Lescailles, bv.: Gebruik en misbruik des tooneels door A. Pels (1706)).

De gebruikte biografische woordenboeken verwijzen in voetnoten vaak naar literatuur en deze titels heb ik niet allemaal kunnen vinden (bijvoorbeeld een Frans werk van een zekere Paquot, een werk van Hoogstraten en andere). In verschillende literatuurgeschiedenissen (Te Winkel, Vieu-Kuik/Smeyers) wordt navolging van Vondel, Hooft en Van Broekhuizen gesuggereerd. Ik heb bij Vondel nog geen gedichten kunnen vinden waar me een overeenkomst met een gedicht van Katharyne Lescailje opviel.

Daarnaast mist bij enkele paragrafen een breder kader. Wat was de positie van een ongetrouwde, werkende vrouw rond 1700 in het algemeen? Hoe uitzonderlijk was het om als vrouw pamfletten te publiceren? Drempeldichten van andere vrouwen ben ik nauwelijks tegen gekomen, was zij één van de weinigen? Om een beter inzicht te krijgen in de specifieke situatie van Katharyne Lescailje, zou haar positie moeten worden afgezet tegen zo‘n kader van de positie van vrouwen en vrouwelijke auteurs rond 1700.

Ten slotte is er nog veel tekstintrinsiek onderzoek te doen in het verzamelde werk Mengelpoëzy. In latere literatuurgeschiedenissen is daar al een aanzet toe gegeven, evenals in het artikel van Everard.

Het is opmerkelijk dat Lescailje behoorlijk gepassioneeerde liefdesgedichten schreef (bijvoorbeeld blz. 277-79), maar nooit getrouwd is geweest. Een terugkerend element in deze (ongedateerde) gedichten, is de afwezigheid van de geliefde; ook wordt de angst uitgesproken dat de geliefde niet meer leeft. Deze geliefde wordt niet benoemd, hooguit wordt er naar verwezen in termen als ‘myn zielzon’. Wel zijn er herdersachtige gedichten aan bijvoorbeeld Rozemond of Galathé (‘Ha wreede Galathé! zal ik dan nooit verwerven Uw trouwe wedermin? en wil uw killig hart Myn boezem pynigen met nieuwe minnesmart?’, blz. 276). Is hier sprake van gedichten die vanuit een mannelijk perspectief zijn geschreven?

Opmerkelijk is dat in een gedicht op de vriendschap (blz. 352) ook angst om ‘haaren dood’ wordt uitgesproken; met Sara wordt de ware vriendschap weer gevonden. Hoogstwaarschijnlijk is hier Sara de Canjoncle bedoeld, die in verschillende andere gedichten voorkomt (onder andere een lofdicht op blz. 65, een verjaardagsdicht op blz. 145, een uitnodiging op blz. 353 en in een beschrijving van een bezoek aan Dordrecht is zij ‘myn getrouwe reisgenoot’, blz. 250). Opmerkelijk is een bruiloftsdicht op het huwelijk van deze Sara de Canjoncle (deel II, blz. 16): ‘Zult gy ’t maagdelyke leeven Voor den naam van Vrouw nu geeven, Om een Man uw gunst te biên? Is het mooglyk, kan ’t geschien?’.

Deze huwelijkszangen zijn in het algemeen interessant om de visie van Katharyne Lescailje op het huwelijk uit te destileren. Ook in bijvoorbeeld het huwelijksgedicht aan Elisabeth Hoofman is zij niet onverdeeld positief. In hoeverre zit er een kern van waarheid in de wat er door Everard en Spies wordt gesuggereerd over een mogelijke liefdesrelatie met Cornelia van der Veer of een andere vrouw? (Waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat deze gedichten pas later, ná haar dood door nabestaanden zijn gepubliceerd. Enerzijds heeft Katharyne Lescailje waarschijnlijk nooit de intentie gehad om deze te publiceren, maar anderzijds hebben de nabestaanden er geen problemen mee gehad om deze voor een groot publiek bekend te maken).

In hoeverre Katharyne Lescailje bewust ongetrouwd is gebleven door een aversie tegen het huwelijk op zich of de positie van een vrouw binnen het huwelijk, zou nader onderzocht kunnen worden in haar huwelijks-zangen en gedichten over liefde en vriendschap. Wellicht zal hier geen ‘typisch vrouwelijke blik’ uit spreken; maar een heel persoonlijke blik zal dit ongetwijfeld zijn.



[einde van het Tot besluit]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘Katharyne Lescailje: “Vermaarde en volgeestige dichteresse tot Amsteldam” (1649-1711)’ (onderzoeksnota, 1993). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Katharyne Lescailje
  Inhoudsopgave
  Woord vooraf
  Hoofdstuk 1 - Biografie
  Hoofdstuk 2 - Oeuvre
  Hoofdstuk 3 - Receptie
  Tot besluit   ↑
  Literatuurlijst
  Bijlagen