RozemarijnOnline




Katharyne Lescailje

onderzoeksnota
1993





























Deze nota is geschreven in 1993 in het kader van het onderzoekscollege ‘De vrouwelijke blik: schrijfsters in de zeventiende tot de negentiende eeuw’ onder begeleiding van prof.dr. M.A. Schenkeveld-Van der Dussen (Nederlandse taal- en letterkunde, Universiteit Utrecht).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Tristan en Isolde
- De Génestet
- De brulocht
- Het tabernakel
- Doctoraalscriptie
   Hadewijch en
   Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde






Katharyne Lescailje

‘Vermaarde en volgeestige dichteresse tot Amsteldam’
1649-1711

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1993)



 



HOOFDSTUK 1

De biografie van Katharyne Lescailje




1.1 Het leven van Katharyne Lescailje en haar familie


Hoewel er nog redelijk veel bekend is van de eind zeventiende- begin achttiende-eeuwse Amsterdamse dichteres Katharyne Lescailje, blijven er enkele onduidelijkheden. Eén daarvan is de officiële spelling van haar naam. Alle mogelijke vormen komen voor; van Katharina tot Katerijne, van Katryne tot zelfs Catharine. Hier zal steeds de vorm Katharyne worden aangehouden, zoals die wordt gebruikt in haar verzamelde werk Mengelpoëzy.[1] 

Ook van haar achternaam bestaan varianten; naast Lescailje komt Lescaille voor. Deze laatste vorm wordt echter voornamelijk gebruikt bij de naam van haar vader, Jacob Lescaille. Die tweedeling zal hier steeds worden aangehouden. Tegelijk roept de klank van haar achternaam de vraag op waar deze vandaan komt; het lijkt om een Franse familienaam te gaan.

In de verschillende biografische woordenboeken (en één ‘vaderlands’ woordenboek)[2]  wordt steeds vermeld dat Katharynes vader Jacob Lescaille uit Genève afkomstig is en waarschijnlijk om het geloof naar het buitenland is uitgeweken. Van der Aa weet zelfs te vertellen dat hij uit een ‘aanzienlijk geslacht’ kwam.

In de archieven van Genève schijnt echter niets te vinden te zijn over de familie Lescaille.[3]  De latere woordenboeken (vanaf Witsen Geysbeek) geven 22 augustus 1611 als zijn geboortedatum.[4] 

Op 2 oktober 1634 trouwt Jacob Lescaille (‘van Dordrecht, geen ouders hebbende, lettersetter’) met Geertruijt Rogaerts en ze krijgen twee zoons: in 1640 Jacob (jr.) en in 1643 Antoni.[5]  Na ongeveer tien jaar huwelijk (in ieder geval vóór maart 1645) overlijdt Geertruijt. Jacob Lescaille (‘boeckedrucker, woonende opde Oude Heregracht’) hertrouwt op 2 maart 1645 met ‘Aeltie’ (Alida) Verwou (‘woonende opde Middeldam’).

Zij is weduwe van de boekdrukker Balthasar Crijnen van Drosten en heeft één zoon, Jan (geboren ±1638).[6]  Waarschijnlijk trekt Jacob bij Alida Verwou in, want vanaf dan wordt steeds de Middeldam opgegeven als adres (in uitgaven vaak: ‘Op de Middeldam, op de hoek van de Vischmarkt’). Ze krijgen drie dochters, Barbara, Katharyne en Aletta.[7] 

Jacob Lescaille schreef, naast zijn werk als boekdrukker, zelf ook gedichten.[8]  De meeste hiervan zijn echter verloren gegaan, waarschijnlijk bij de brand in de drukkerij van Blaeu in 1673. Hier was hij (in ieder geval eind 1672, volgens een notariële acte)[9]  werkzaam als ‘opsiender’. In verschillende bloemlezingen zijn nog enkele gedichten bewaard gebleven, waaronder een gedicht op de afbeelding ‘mijner huisvrou, Aleda Verwou’:

  Dit’s eenigh beeldt, dat my ontsteekt met hare stralen;
En mijn verliefde ziel geneest van hare smart.
Haar deught en vriendlijkheit kan mij doen adem halen.
Een vrome Wederga strekt balsem voor het hart.
Ons huwlijk is versterkt met levendige banden;
Waar in zy blinkt, en ik haar gaven in beschouw.
’t Is aangenaam door ’t vuur van kuische min te branden.
Het zoetst genoegen schenkt een deugdelijke vrouw.[10] 

Vrijwel alle biografische woordenboeken vermelden (uitgebreid) dat Jacob Lescaille door keizer Leopold tot gelauwerd dichter of ‘poëta laureatus’ werd verklaard en dat deze hem daarbij een wapen schonk. De meeste leiden daar uit af dat hij een getalenteerd dichter moet zijn geweest, alleen Witsen Geysbeek merkt op:

Zyne Majesteit had zeker Vondel of Antonides nooit hooren noemen. Het gebeurt den vorsten wel eens meer dat zij gunst en eer bewijzen aan lieden, wier verdiensten bij het publiek zoo hoog niet aangetekend staan (...)

De oudste dochter, Barbara, trouwt rond 1674 met Mattias de Wreed. Ze krijgen een dochter, Susanna, maar niet lang na de geboorte sterft Barbara (in september 1677). Katharyne en Alida zijn de ‘moejen van het kind’, zij zullen waarschijnlijk de opvoeding grotendeels op zich hebben genomen.[11]  Alida Verwou sterft twee jaar later, in oktober 1679. Over de sterfdatum van Jacob Lescaille zijn de verschillende biografische woordenboeken het oneens: na, in of omtrent 1677 of in 1679. In Kleerkooper staat een onduidelijke vermelding op 20 oktober 1697.[12] 

De tweede en de jongste dochter, Katharyne en Aletta, blijven allebei hun hele leven ongetrouwd. Over Aletta is vrijwel niets bekend. Ze heeft Katharyne in ieder geval overleefd, zo blijkt uit enkele lijkzangen op Katharyne Lescailje, waarin wordt verwezen naar een treurende zuster en nicht. Aangezien Barbara al jaren geleden gestorven is, moet met de zuster wel Aletta zijn bedoeld.[13] 

Veel feiten uit het leven van Katharyne Lescailje vermelden de biografische woordenboeken niet.[14]  Bij Brunel wordt beweerd dat haar geboortedatum door de brand bij Blaeu is ‘verduistert, en der geheugnisse onttogen’. Latere woordenboeken houden het op omstreeks of in 1649 en pas vanaf het NNBW wordt de datum 26 september 1649 aangehouden.

Over haar opvoeding en scholing zijn geen feiten bekend. De vroegste woordenboeken vermelden dat haar dichttalent in haar jeugd al wordt geprezen door de geschiedschrijver Brandt en de dichter Vondel. Door nabestaanden wordt twintig jaar na haar dood de anekdote opgetekend over haar ontmoeting met Vondel in haar jeugd:

Zy [= Katharyne Lescailje] betuigde, in haar tedere jeugd, eene sterke begeerte en zucht te hebben gehad om dien Vader der Poeeten [= ‘den grooten en hoogbejaarden Vondel’] eens te mogen aanschouwen.

Men heeft haar deswegen met veel nadruk hooren verhaalen, dat ze naauwelyks tien of elf jaaren hebbende bereikt, en eenige vaersjes gerymt, door Vader Vondel, die dezelve had geleezen, ten zynen huize wierd genodigt; en dat ze, by haare komste, door dien eerwaardigen Gryzaart tederlyk wierd omhelst, en tot verdere Dichtoefening aangemoedigt.

Zy verklaarde daar over toen zodanig verheugd, en door dit haar eerste gezicht van dien Fenix der Dichteren zo krachtig aangedaan te zyn geweest, dat ze van verwondering voor hem verstomde; en sedert daar aan menigmaal gedenkende, met blydschap tot vordering in de kunst wierd opgewekt.[15] 

Naast de poëzie die ze schrijft, vertaalt Katharyne Lescailje zeven toneelstukken uit het Frans.[16]  Deze zijn opgevoerd in de Amsterdamse schouwburg en ook afzonderlijk uitgegeven (behalve ‘Cassandra’, dat pas twintig jaar na haar dood wordt gedrukt ).[17] 

Na het overlijden van haar vader zet ze (misschien samen met haar zusters) zijn boekhandel voort (zie hiervoor de volgende paragraaf). Door Brunel wordt uitgebreid ingegaan op haar nauwkeurigheid en correctiewerk:[18] 

(...) de kunst [van vele brave dichters] en de beschaving en schikking van hunne natuurlyke poëtische gedachten [is] merendeels verschuldigt aan de schrandere aanmerkingen en de grote verlichtingen, welke zy [= Katharyne Lescailje] hen zo gulhertig mededeelde; waar door meestentyds de uitgaven en drukken van poëzy, welke by haar geschieden (alzo zy in de boekhandel en het drukken op haaren vader gevolgt was) niet alleenlyk pronkten met de gewone uitwendige naauwkeurigheit en netheit, die zy van haren vader geërft hadt [...], maar ook met de grote verbeteringen van haren uitmuntenden geest en van haar doordringend oordeel.

Door dichters uit haar tijd wordt zij de Nederduitse of Amstelse Sappho of tiende Zanggodin genoemd, ondermeer in de lykzangen die er op haar zijn geschreven na haar dood.[19] 

Katharyne Lescailje sterft, na jaren lichamelijke klachten te hebben gehad, op 8 juni 1711, 62 jaar oud. Op 13 juni 1711 wordt ze begraven in de Nieuwe kerk te Amsterdam, als ‘vrijster, op den Middeldam’.[20]  Twintig jaar na haar overlijden, in 1731, worden haar (deels ongepubliceerde) gedichten en toneelstukken door erfgenamen bijeengebracht en uitgegeven in drie delen, onder de titel: De Mengelpoëzy van Katharyne Lescailje.



1.2 De boekhandel


Wat als opvallend gegeven uit de vorige paragraaf naar voren komt, is dat de hele familie Lescailje zich met de boekhandel lijkt te hebben bezig gehouden. Bij zijn eerste huwelijk in 1634 geeft Jacob Lescaille al ‘lettersetter’ als zijn beroep op en bij zijn huwelijk met Alida Verwou in 1645 is dat ‘boeckedrucker’ geworden.[21]  Alida Verwou was ook niet onbekend met het vak, want een half jaar voor haar éérste huwelijk, met Balthasar Crijnen van Drosten, was deze in het gilde (van boek-verkopers) gekomen. Bij optekening daarvan (in 1636) wordt aangetekend: ‘de weduwe Aeltje Verwou onderhout het Gilt’.[22] 

Van de eerste zoon uit Jacob Lescailles eerste huwelijk is geen beroep bekend, maar de tweede zoon Antoni ‘heeft het Gilde bekomen’ op 25 januari 1674. Bij zijn tweede huwelijk in 1682 wordt als zijn beroep ‘boekverkoper’ opgegeven en als hij sterft in 1687 ‘boecbender’.[23]  Van de oudste dochter uit Jacob Lescailles tweede huwelijk is niet bekend of zij zich zelf bezig heeft gehouden met het vak, maar de man waarmee ze in 1674 trouwde, Matthias de Wreed, was een uit Hamburg afkomstige drukker.[24]  Hun dochter Susanna trouwde op haar beurt in 1712 met Dirk Rank, die in datzelfde jaar lid werd van het boekverkopersgilde.[25] 

Van Aletta is het weer onduidelijk of zij zich, bijvoorbeeld na haar vaders dood, met de boekhandel heeft beziggehouden, maar van Katharyne wordt dat in alle biografische woordenboeken beweerd. In Van der Aa wordt verwezen naar een zekere Uffenbach die Katharyne Lescailje drie maanden voor haar dood ontmoette en in Ledeboer (1872) wordt deze geciteerd:

V. Uffenbach, die haar 6 Maart 1711 bezocht, zegt van haar (= Katharyne Lescailje) in zijn 3 Th. S. 591 en 592; ‘Sie ist ein Jungster bey Sechzig Jahr alt, und wohnet in einem Winkel oder Laden, wo lauter Comödien verkaufft werden. Sie wird vor eine der besten Poëtinnen dieser Zeit gehalten.’[26] 

Ook in een lykzang die geschreven is door een zekere ‘Amicitia’ wordt verwezen naar wat als een boekwinkel opgevat zou kunnen worden: ‘En haar [=Katharyne] nu niet meer in haar Boekzaal zal aanschouwen’.[27]  De vraag is, of het ook feitelijk hard te maken is dat Katharyne Lescailje na de dood van haar vader de boekhandel voortzette en of ze dat alleen deed of met anderen, bijvoorbeeld één van haar zussen en/of de man van haar oudste zus Barbara.

In ieder geval was het niet haar halfbroer Anthoni die de boekhandel van zijn vader voortzette. Deze zat zelfstandig in het vak (onder zijn eigen naam, niet als erfgenaam van) en had zijn eigen bedrijf, rond 1674 in de Gasthuysmolensteegh en rond 1682 in de Leijtsestraat.[28] 

De boekhandel van Jacob Lescaille en na zijn dood van ‘de erfgen. van J. Lescaille’, bevond zich op de Middeldam, op de hoek van de Vischmarkt (Ter Laan vermeldt dat deze boekhandel een ontmoetingsplaats was voor de leden van Nil).[29]  Daar, in de omgeving van de Dam, lag, volgens Hoftijzer, het zwaartepunt wat betreft boekhandels in Amsterdam:

Het is geen overdrijving vast te stellen dat het in Amsterdam in de tweede helft van de zeventiende eeuw wemelde van de boekverkopers. Door de hele stad heen trof men boekwinkels en kramen waar een grote variëteit aan boeken en allerhande andere uitgaven verkrijgbaar was. (...)

Het centrum van deze levendige boekhandel was van oudsher gelegen in de omgeving van de Dam. Daar, bij het stadhuis en de beurs, op het Rokin en ‘het Water’ -het huidige Damrak- en in de straten en stegen er om heen vond men vele grote en kleine boekhandels.[30] 

Vervolgens wordt er een beschrijving gegeven hoe een boekwinkel er in de tweede helft van de zeventiende eeuw globaal uitzag, hoe het verkopen van boeken eraan toeging en worden enkele ‘kleinere’ boekhandels gekarakteriseerd:

Voor bezoekers van buiten Amsterdam behoorden deze grote boekwinkels tot de bezienswaardigheden van de stad (...). De kleinere boekverkopers werden echter niet minder druk bezocht. Naast boeken verkocht men hier efemeer drukwerk, zoals pamfletten, nieuwsbladen en allerlei andere gelegenheidsgeschriften. (...)

Wanneer men de schaarse afbeeldingen van Amsterdamse boekwinkel in de zeventiende of achttiende eeuw beziet, dan valt op dat de ruimte doorgaans beperkt was. Men moet zich echter realiseren dat een boekverkoper slechts een gedeelte van zijn voorraad in de winkel had. De meeste boeken lagen ongevouwen en ongebonden opgeslagen op zolders en in pakhuizen. De boekverkoper had van een aantal boeken een zichtexemplaar in zijn winkel om aan klanten te tonen. Bij aanschaf kon men het boek dan ongebonden mee naar huis nemen om het zelf te laten binden, of men kon het door de boekverkoper laten binden in een band naar keuze, variërend van de gewone ‘Hollandse’, blank perkamenten band tot banden van de beste leerkwaliteit met goudstempeling. (...)

Vele kleine boekverkopers hadden zich min of meer noodgedwongen gespecialiseerd in bepaalde genres en trokken daardoor een eigen klandizie. (...) Jacob Lescaille en zijn dochter Catharina op de Dam hadden zich toegelegd op de verkoop van toneelwerken en dichtkunst (...).[31]  [32] 

Om er zicht op te krijgen in hoeverre Katharyne Lescailje inderdaad bij de boekhandel van haar vader betrokken was, zoals steeds naar voren komt, en in hoeverre zij degene is geweest die de boekhandel later voortzette, worden hier vier standaardwerken over de Amsterdamse of Noord-Nederlandse boekhandel langsgegaan. In de lijst met ‘leden van het boekverkopersgilde te Amsterdam 1688-1742’, die te vinden is bij Van Eegen,[33]  wordt vermeld:

Lescaille (d’erffgenaamen van Jac.) 1700-1729 (lid 16-4-1685 als De erven Lescailje; obiit)

Deze ‘erven’ worden niet gespecificeerd, maar op een onverwachte plaats wordt in Van Eeghen meer informatie gegeven. De beschrijving van de drukkerij en uitgeverij Blaeu begint met de volgende alinea:

Ofschoon Mr. Joan Blaeu officieel aan het hoofd van de drukkerij stond en in 1681 het contract van drukkers ondertekende, was er uiteraard een ander die in feite het opzicht had. In 1672 was dat Jacob Lescaille geweest. Hij was een zelfstandig boekdrukker en boekverkoper, geb. 1610/11 te Dordrecht, 8-7-1630 met attestatie van Londen lid van de Waalse Gem. en 28-5-1644 gildelid. Hij huurde van de stad een huis op de Dam op de hoek van de Vismarkt.

Na zijn dood in 1679 zette niet de zoon Anthony Lescaille, die in het begin van dat jaar bij de Desolate Boedelskamer terecht was gekomen (inv. van boekhandel van 18 en 19-1-1679), maar de dochter uit het tweede huwelijk, de dichteres Catharina Lescaille, de boekhandel voort.

Na haar overlijden in 1711 was het Dirk Rank, die in 1712 trouwde met Susanna Lescailje de Wreedt, een zustersdochter van Catharina, die de zaken overnam en tot zijn dood voortzette (...)[34] 

In de biografische en geschiedkundige aantekeningen van Kleerkooper wordt eveneens de datum 16-4-1685 genoemd:

16 April 1685. De Erven van Lescailje, is int gilt gekoomen, en haer burgersceel verthoont.[35] 

Ook hier wordt geen nadere informatie gegeven over wie onder deze erven moeten worden verstaan. Dat dat in principe de dochter Katharyne Lescailje moet kunnen zijn geweest, kan worden gebaseerd op een boek van Van Eeghen over de gilden, waarin de volgende passage voorkomt:

In 1663 werd bepaald, dat na het overlijden van een gildelid zijn weduwe de nering mocht continueren en ook een van zijn zoons van tenminste zestien jaar, zonder de leerjaren te hebben volbracht. In 1666 werd dat tot alle zoons uitgestrekt. Al was dat niet uitdrukkelijk bepaald, ook dochters van gildeleden konden de zaken voortzetten. Tegen andere vrouwen maakten de overlieden echter bezwaar.[36] 

De lijst met ‘boekdrukkers, boekverkoopers en uitgevers in Noord-Nederland’ van Ledeboer is, hoewel heel beknopt, preciezer dan Kleerkooper. Onder de ingang ‘Lescaille’ wordt gegeven:

Lescaille o Lescailje, Jacob 1644 - 1680
Lescaille, Catharina o Katryne, 16..? - 1711
Aant: In Hoeufft’s Carmina vindt men p. 215 eenige dichtregelen op haar.
Lescaille, De erven Jacob. 1680 - 1729
Lescaille, Dirk Rank, De erven Jacob. 1714 - 1731.[37] 

Uitgebreider is het werk van Ledeboer uit 1872, waar deze vier ingangen precies zo voorkomen.[38]  Bij ‘Catharina o Katryne’ gaat hij echter voornamelijk in op verschillende beoordelingen van haar literaire werk.[39]  Bij de erven worden twee zinspreuken gegeven: Perseveranter, die ook gebruikt werd door Jacob, en Proficit et recreat.

Tot slot een opmerkelijk feit dat door Van Eeghen wordt vermeld en als indicatie kan dienen dat Katharyne Lescailje zich na de dood van haar vader inderdaad actief met de boekhandel heeft beziggehouden. Op 18 september 1691

werden Pieter Rotterdam, Catarina Lescaille, Aart Wolsgrein en Jan Potgieter gedaagd door de schout wegens het verkopen van paskwillen. Rotterdam werd veroordeeld tot een boete van ƒ. 20,-, Wolsgrein van ƒ. 40,-. [40] 

Jan Potgieter kwam onder zijn boete van ƒ. 1000,- uit door een eed af te leggen dat hij het paskwil niet had verkocht. Over een eventueel aan Katharyne Lescailje opgelegde boete wordt niets vermeld.

Het lijkt er op dat Katharyne Lescailje zich al heeft beziggehouden met de boekhandel toen haar vader nog leefde en het is heel aannemelijk dat zij deze na zijn overlijden heeft voortgezet. In hoeverre zij dat alleen deed is niet duidelijk; in ieder geval is er nergens een vermelding te vinden van (één van) haar zussen.

Na haar overlijden heeft Dirk Rank de boekhandel voortgezet, maar wellicht is hij er al eerder bij betrokken geweest. Het belang om te weten of Katharyne Lescailje (samen of alleen) de boekhandel heeft gedreven na ongeveer 1697 (de dood van haar vader), komt naar voren bij het bekijken van haar literaire produktie, en dan in het bijzonder de werken die zijn uitgegeven tíjdens haar leven.



© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van de verwijzing onderaan deze pagina.



Noten

[1] behalve in citaten en titelbeschrijvingen, waar de oorspronkelijk gebruikte spelling zal worden aangehouden.
[2] voor deze paragraaf zijn, op chronologische volgorde, gebruikt (steeds zowel de ingang 'Jacob Lescaille' als 'Katharyne Lescailje'): Brunel (1729), Kok (Vaderlandsch woordenboek, 1790), Witsen Geysbeek (1821-27), Van der Aa (1852-78), NNBW (1911-37), Ter Laan (1952) en WP lexicon (1986). Deze zullen allemaal afzonderlijk aan de orde komen in hoofdstuk 2. Daarnaast is het artikel 'De familie Lescaille' uit Amstelodamum gebruikt en voor feiten en jaartallen uit het leven van andere familieleden Kleerkooper.
[3] Amstelodamum, blz. 60
[4] de dag komt overeen met de datering van een gedicht van Katharyne Lescailje op haar vaders geboortedag (Mengelpoëzy I, blz. 218), het jaartal klopt met de gegevens uit Kleerkooper, blz. 354-55.
[5] zie voor een overzicht van de familie Lescailje: bijlage 1.
[6] deze jaartallen en de twee citaten komen uit Kleerkooper, blz. 192-93 en 354-55.
[7] over de laatste staan in Kleerkooper geen gegevens, maar ze komt wel voor in gedichten van Katharyne Lescailje (bijv. Mengelpoëzy I, 222).
[8] wat opmerkelijk zou zijn, zals hij op oudere leeftijd uit Genève naar Dordrecht gekomen zou zijn. In de verschillende woordenboeken komen enkele versies voor: soms komen zijn ouders uit Genève, soms is Jacob in Genève geboren, of het wordt in het midden gelaten wanneer de Lescailles precies zijn uitgeweken. In Amstelodamum worden geen nieuwe feiten uit de archieven van Genève en Dordrecht vermeld.
[9] Kleerkooper, blz. 355.
[10] geciteerd in Amstelodamum, blz. 61.
[11] Kleerkooper, blz. 355. Met Alida Lescailje is hoogstwaarschijnlijk de zuster Aletta bedoeld, en niet de moeder Alida Verwou.
[12] ook in Amstelodamum, blz. 62, wordt 20 oktober 1679 aangehouden. 'In 1677' lijkt mij een vergissing, ofwel door slordig overnemen van 'na 1677', ofwel door verwisseling met de sterfdatum van Barbara.
[13] zie Mengelpoëzy I, Lykzangen, blz. 10 en 22, en op blz. 30 wordt Aletta bij naam genoemd.
[14] hun oordeel over de poëzie van Katharyne Lescailje komt aan de orde in paragraaf 3.2.
[15] in het 'Voorbericht' in Mengelpoëzy, voorin deel I. Haar vader had een tiental werken van Vondel uitgegeven (zie: A.C. Schuytvlot, Catalogus van werken van en over Vondel. Nieuwkoop 1987), waarschijnlijk is zo het contact met Vondel te verklaren.
[16] dit wijst op een goede kennis van de Franse taal, dus waarschijnlijk een goede scholing, bijvoorbeeld de Franse school.
[17] zie ook het 'Voorbericht' in Mengelpoëzy.
[18] zie ook het 'Voorbericht' in Mengelpoëzy: 'Men zou buiten twyfel meeder Treurspeelen van haare penne hebben gezien, 't en ware ze, aan het merkelyk verbeteren der Toneelstukken van anderen, haaren tyd en vlyt edelmoedig hadde te kost gelegt'.
[19] zie de Lykzangen voorin Mengelpoëzy I; blz. 6 (M. Bode), 8 (L. Coster), 16 (C. Bruin), 25 (J. Haverkamp), 32 (J. Pluimer), 33 (Sylvius), 35 (Gloriam Tribuit Doctrina) en 35 (B. v. Oudega).
[20] Kleerkooper, blz. 355.
[21] Kleerkooper, blz. 354-55. Zie ook paragraaf 1.1.
[22] Kleerkooper, blz. 192.
[23] Kleerkooper, blz. 354.
[24] Brunel, blz. 126; NNBW, blz. 760; Amstelodamum, blz. 61; trwoudatum vlg. Mengelpoëzy II, blz. 8.
[25] Van Eeghen, deel V, blz. 348; Brunel, blz. 127; Van der Aa, blz. 359.
[26] Ledeboer 1872, blz. 58. Zowel Ledeboer als Van der Aa geven geen (duidelijke) titelbeschrijving van het bedoelde werk van Uffenbach. Waarschijnlijk wordt gedoeld op: Zacharias Conrad von Uffenbach, Merkwürdige Reisen durch Niedersachsen, Holland und Engelland. 1753 (3 dln). UBA, inst. 103, balie 271, G11 (1-3). Ik heb helaas geen kans gezien dit werk in te zien.
[27] Mengelpoëzy I, Lykzangen, blz. 22.
[28] achtereenvolgens: Van Eeghen, IV, blz. 263 en Kleerkooper, blz. 354.
[29] Ledeboer, 1872, blz. 58; Kleerkooper, blz. 355; Van Eeghen, blz. 24 (en in door de Lescailles gedrukte werken).
[30] Hoftijzer, blz. 35.
[31] Hoftijzer, blz. 35-36.
[32] in een noot op blz. 180 geeft Hoftijzer voor dit laatste als bronnen: Von Uffenbach, Merkwürdige Reisen, III Teil, pp 591-92 en M.J.E. Sanders "De familie Lescaille", Maandblad Amstelodamum, 47 (1960), pp 60-67.
[33] Van Eeghen, V, blz. 346.
[34] Van Eeghen, III, blz. 24.
[35] Kleerkooper, blz. 355.
[36] Van Eeghen 1947, blz. 111.
[37] Ledeboer 1876, blz. 108.
[38] Ledeboer 1872, blz. 58-59.
[39] ook verwijst hij naar haar portret(!): Bodel Nijenhuis Liste No II.
[40] Van Eeghen, IV, blz. 49-50.




[einde van Hoofdstuk 1]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘Katharyne Lescailje: “Vermaarde en volgeestige dichteresse tot Amsteldam” (1649-1711)’ (onderzoeksnota, 1993). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Katharyne Lescailje
  Inhoudsopgave
  Woord vooraf
  Hoofdstuk 1 - Biografie   ↑
  Hoofdstuk 2 - Oeuvre
  Hoofdstuk 3 - Receptie
  Tot besluit
  Literatuurlijst
  Bijlagen