RozemarijnOnline




Katharyne Lescailje

onderzoeksnota
1993





























Deze nota is geschreven in 1993 in het kader van het onderzoekscollege ‘De vrouwelijke blik: schrijfsters in de zeventiende tot de negentiende eeuw’ onder begeleiding van prof.dr. M.A. Schenkeveld-Van der Dussen (Nederlandse taal- en letterkunde, Universiteit Utrecht).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Tristan en Isolde
- De Génestet
- De brulocht
- Het tabernakel
- Doctoraalscriptie
   Hadewijch en
   Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde






Katharyne Lescailje

‘Vermaarde en volgeestige dichteresse tot Amsteldam’
1649-1711

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1993)



 



HOOFDSTUK 2

Het oeuvre van Katharyne Lescailje




2.1 Het oeuvre van Katharyne Lescailje


Katharyne Lescailje is als dichteres uitermate productief geweest. Haar oeuvre is echter niet alleen heel omvangrijk, maar ook heel veelzijdig. Naast de gedichten die ze schreef (lofdichten, verjaardags- en bruiloftsdichten, stichtelijke gedichten, herderspoëzie, enzovoort), vertaalde ze treurspelen, die op één na allemaal tijdens haar leven zijn gepubliceerd. Ook gedichten verschenen nog tijdens haar leven in druk; als pamflet, als drempeldicht of in een afzondelijke uitgave.

De twee hier volgende lijsten van werken in druk tijdens haar leven (tot 1711) en werken in druk na haar overlijden (na 1711),[1]  hebben twee enorme beperkingen. Ten eerste gaat het om uitgaven die tot op heden (dus ruim 250 jaar) bewaard zijn gebleven en die zich, op de tweede plaats, nu in de universiteitsbibliotheek van Utrecht dan wel Amsterdam bevinden.[2]  Een vollédig beeld kan dit hierdoor niet geven.

Van het oeuvre zelf geeft het verzamelde werk Mengelpoëzy een -vrijwel compleet- overzicht. Dit zal in een afzonderlijke paragraaf aan de orde komen, evenals de pamfletten (par. 2.3) en de drempeldichten (par. 2.4).


Gedrukte werken van Katharyne Lescailje (t/m 1711)

  • Katryne Lescailje, ‘De zeegepraalende vreede’. By Jacob Lescailje. Amsterdam, 1678. [UBA, 1148 B 1; in een verzamelband, zp., zj.]

  • Wenseslaus, koning van Poolen. Gerymd door Katryne Lescailje. By de erfgen. van Jakob Lescailje. Amsterdam, 1686. [UBA, 691 c 145; in UBA ook een exemplaar uit 1715 (toneelstuk, vertaald uit het Frans)]

  • Herkules en Dianira. Gerymd door Kataryne Lescailje. By de erfgenaamen van J. Lescailje. Amsterdam, 1688. [UBA, 639 F 108 (toneelstuk, vertaald uit het Frans)]

  • Kataryne Lescailje, ‘Daphnis harderszang op de vrede’. By de erfgen. van J. Lescailje. Amsterdam, 1697. [AB, Rariora qu 161; in verzamelband Vrede van Ryswyk, zp., zj.]

  • Kataryne Lescailje, Lykklagt overt den heere Pieter Bernagie, Arts en Hoogleeraar der Geneeskunde. Z.p., 1699. [UBA, 661 c 4]

  • Kataryne Lescailje, ‘Gezang op Doornburg, lusthoove van de Heere Willem van Zon, Domheer van Oud Munster’. Z.p., z.j. [AB, 441 D 4-6 Rariora (ca. 1700); in een verzamelband met hofdichten, z.p., z.j.]


Gedrukte werken van Katharyne Lescailje (na 1711)

  • Katharyne Lescailje, Tooneel- en mengelpoëzij. Amsterdam, Beurshuis, 1729. [LB, Ned. Inst. 71 FL 14510, 199; exemplaar is zoek of niet-bestaand]

  • De mengelpoëzy van Katharyne Lescailje. By de erfgenaamen van J. Lescailje en D. Rank. Amsterdam, 1731. 3 delen. [AB, Moltzer 4 A 8-10; LB, LXVII-Les-b1 (Rar) (dl 1); en UBA, 694 A 12-14]

  • Geta, of de broedermoord van Antoninus, treurspel. Naar het Fransch van Nicolas de Péchantré, door Cataryne Lescailje en J. Haverkamp. Amsterdam, 1735. [AB en UBA; in UBA ook een exemplaar uit 1713 (toneelstuk, vertaald uit het Frans)]

  • De mengelpoëzy van Katharyne Lescailje. By de erfgen. van J. Lescailje en D. Rank. (By Jacobus Verheyde, op de hoek van de Molsteeg. Arent van Huyssteen, op ’t Rokin. Steven van Esveld, over ’t Meisjes Weeshuis. Nicolaas Verheyde, in de Rosemarynsteeg) Amsterdam, 1737. [UBA, inst. 113, E 3 1-3]

  • Herkules en Dianira, treurspel. Naar het Fransch van J.J. Juvenon dit de la Thuillerie. Amsteldam, 1744. [AB en UBA; in UBA ook exemplaar uit 1730 (toneelstuk, vertaald uit het Frans)]

  • Herodes en Mariamne, treurspel. Naar het Fransch van F. Tristan l’Hermite. Amsteldam, 1757. [AB en UBA (toneelstuk, vertaald uit het Frans)]

  • Katharyne Lescailje, ‘Lof van ’t Landleven. Het lusthof Doornburg, van den Heere Willem van Zon, Domheer van Oud-Munster’. In: De leermeester der zeden, vertoond in Horatius zinnebeelden, lierzangen, enz., Lof van ’t landleven en Bespiegelingen op ’t leven der menschen, verbeeld in de vier getyden des jaars. Met veele uitmuntende verzen vermeerderd. De sesde druk. Met koperen plaaten vercierd. By Tjeert Bliek. Amsterdam, 1781. [LB, Rar LMY Leerm 2; eerste druk is ongedateerd]

          (zie tevens overzicht pamfletten hieronder en Bijlage 2)


Wat onmiddellijk opvalt bij het bekijken van deze twee lijsten, is dat de werken over het algemeen zijn uitgegeven door Jacob Lescailje of zijn erfgenamen. Aangezien Katharyne Lescailje dit laatste hoogstwaarschijnlijk zelf was (zoals uit het vorige hoofdstuk naar voren is gekomen), wijst dit er op de zij zèlf eigen werk heeft uitgegeven.

Dit is nog niet het geval bij de eerste titel van de eerste lijst, het gedicht ‘De zeegepraalende vreede’ uit 1678. Katharyne Lescailje was toen ongeveer 29 jaar en haar vader leefde nog.[3]  Het gedicht is bewaard gebleven in een ongedateerde verzamelband, ingebonden met zeven andere werken. Hieronder bevinden zich onder andere een ander gedicht op de vrede van 1697, door Samuël Bosch, een tragedie door Jacob van der Does en enkele gedichten door L. Rotgans. Twee werken in deze band zijn gedrukt ‘By de Erfgen. van J. Lescailje’, beide keren is Pieter Nuyts de auteur. Het ene is een vredezang uit 1697, het andere een hofzang op paleis Valkenberg in Breda uit 1700.

Ook het gedicht ‘Daphnis harderszang op de vrede’ (1697) is in een verzamelband bewaard gebleven. Het boek begint met een reeks gravures van Rijswijck en alle twaalf werken die volgen behandelen de vrede die in 1697 tussen Engeland, Spanje en de Staten Generaal aan de ene en Frankrijk aan de andere kant, in Rijswijk is gesloten. Hieronder is één Latijns werk door Mensingae, verder komen onder andere J. Brandt, J. Vollenhove en L. Rotgans er in voor.

Hoewel het gedicht ‘Gezang op Doornburg’ niet gedateerd is, is het mogelijk dat het van voor 1711 is, aangezien de andere in de band opgenomen werken globaal tussen 1675 en 1713 zijn gedrukt. Alle elf werken zijn hofdichten, onder andere door Arnold Hoogvliet, Balthasar Huide-cooper, A. Jansen en J. Six. Het gedicht op Muiderberg van deze laatste, is verschenen ‘by Jacob Lescailje, Boekverkoper op den Middeldam, in’t jaar 1675’.

Dit hofdicht op Doornburg komt ook voor in de tweede lijst, van na 1711. Het is afgedrukt in het boekje De leermeester der zeden (zesde druk, blz. 137-42), waarvan de eerste druk helaas ongedateerd is. In ieder geval is hier uit af te leiden dat Katharyne Lescailje rond 1780 nog bekend moet zijn geweest, want hoewel er van veel verschillende auteurs stukjes zijn opgenomen, worden maar drie hiervan in het ‘Aan de lezers’ genoemd: Six, Van Hoogstraten en Lescale:

  Hier zal Katryne uw ziel en geest
Met onnavolgelyke toonen
Naar ’t Doorneburgsche Tempe troonen
Als gy den lof haars schoonheids leest
Bemint ze : en wilt voor al deez’ klanken,
De vlyt der Dichteren bedanken.

Naast deze ‘Lof van ’t Landleven’ staan er zinnebeelden uit Horatius (door A. Jansen), een Christelijk ABC, bespiegelingen op het leven van de mens (door J. De Dekker, P. Langendijk, C. Bruin e.a.) en zedevormingslessen (door A. Boogaart, G. Brand e.a.) in.

Niet in een band opgenomen is het gedicht op het overlijden van Pieter Bernagie in 1699. Het heeft daardoor uiterlijk wat weg van een pamflet. Inhoudelijk komt het enigzins emotioneel over:

  Och! och! deze ed’le Geest verdween!
En kan ik noch myn adem halen,
Daar ik hem zie ten graave daalen?

Er worden tranen geplengd om deze ‘toevlucht’, die ‘het sterfelyk geslagt De dood ontrukte (...)’ en nu zelf door de dood verslagen is, maar eeuwig als ster zal blijven schijnen.

Zowel in het ‘Voorbericht’ in Mengelpoëzy, als in Brunel en het NNBW wordt vermeld dat alle zeven toneelstukken afzonderlijk tijdens het leven van Katharyne Lescailje zijn verschenen. In het NNBW worden ze zelfs met datum opgesomd: Kassandra (1684), Genserik (1685), Herodes en Marianne (1685), Wenceslaus (1686), Hercules en Dianira (1688), Nicomedes (1692), Ariadne (1693) en Geta (1713; dit heeft zij niet meer heeft kunnen voltooien en wordt om die reden niet meegeteld).

Van Kassandra meldt het ‘Voorbericht’ in Mengelpoëzy dat het, in 1731, nog nooit eerder ‘het licht heeft gezien’. De twee jaartallen van de in de eerste lijst genoemde treurspelen Wenseslaus en Herkules en Dianira, komen met de jaartallen uit dit rijtje overeen. Beide zijn, als behorende bij een reeks, op dezelfde manier uitgegeven; in dezelfde grootte en met een gelijke harde kaft. Er zijn wel enkele verschillen. Wenseslaus heeft een titelprentje dat een bijenkorf voorstelt, met op de achtergrond een berg met mensen en een gevleugeld paard. De zinspreuk in de versieringen er omheen luidt: ‘Yver in liefde bloeiiende’.

Herkules en Dianira heeft voor het titelblad een afdruk van een gravure met (waarschijnlijk) een scène uit het stuk, en een opdracht aan ‘de heer Mr. Harmannus Amia, rechtsgeleerde’. Het klinkdicht is ondertekend met ‘Kataryne Lescailje’.

In de lijst met vertalingen van Franse toneelstukken in het standaardwerk van Worp over toneel, worden de zeven treurspelen vermeld.[4]  Het vroegste jaartal dat Worp bij ieder treurspel geeft, stemt steeds overeen met de in het NNBW vermelde jaartallen. Een ander belangrijk standaardwerk over het Nederlandse toneel, de catalogus van Van Aken, geeft bij de ‘Verzamel-uitgaven en bloemlezingen’ het verzamelde werk van Katharyne Lescailje, waar in het derde deel alle vertaalde treurspelen zijn opgenomen.[5]  Zowel de uitgave van 1731 als die van 1737 worden vermeld. Deze verzamelwerken zullen in de volgende paragraaf nader aan de orde komen.



2.2 Mengelpoëzy


In de lijst met na 1711 in druk verschenen werk in de vorige paragraaf, komt drie keer een verzameld werk van Katharyne Lescailje voor, achtereenvolgens uit 1729, 1731 en 1737.

Het bestaan van de uitgave van 1729 is hoogst onzeker; de hier vermelde signatuur van de LB is verouderd en het exemplaar onvindbaar.[6]  In biografische woordenboeken wordt nooit melding gemaakt van dit werk uit 1729, alleen van dat uit 1731. Van Aken (zie vorige paragraaf) geeft, naast 1731 en 1737, níet een uitgave uit 1729 in het overzicht van verzameluitgaven. Ook in het voorbericht van Mengelpoëzy 1731, wordt niet gezinspeeld op een eerdere uitgave. Integendeel, de indruk wordt gewekt dat met enorm veel moeite al haar werken bijeen zijn gezocht; wat overbodig zou zijn geweest als dat in 1729 al was gedaan.

Misschien gaat het hier om een vergissing en is de uitgave van 1731 nogmaals in het bibliotheekbestand terecht gekomen met een onjuiste datering. Wat hier tegen spreekt, is dat niet alleen de titel verschilt, maar ook de gegevens waar en bij wie het is gedrukt. De erfgenamen worden niet in de titelbeschrijving van 1729 vermeld, wat bij die van 1731 wel het geval is, en het ‘Beurshuis’ van 1729 komt niet geheel overeen met ‘op de Beurssluis’ in 1731.

Wat wel degelijk bestaat is de Mengelpoëzy van Katharyne Lescailje in drie delen uit 1731.[7]  Voorin bevindt zich een titelprent met een 22-regelig gedicht als verklaring. De afbeelding stelt Klio en de koningin van het treurtoneel voor, die een borstbeeld van Katharyne Lescailje in marmer uithouwen.

Na de titelpagina volgt een ‘Copye van de privilegie’ (gedateerd op 14 november 1727), waarin door de staten van Holland en West-Friesland aan de ‘Erfgenamen van Jacob Lescailje en Dirk Rank’, de ‘universeele Erfgenamen van wyle Katharina Lescailje’, een ‘Octrooy voor den tyd van 15 jaaren’ wordt verleend. Op overtreding hiervan staat een boete van drieduizend gulden.

In het hierop volgende ‘Voorbericht der uitgeeveren aan den dichtlievenden leezer’ wordt de (tweeledige) reden van deze uitgave toegelicht:

Zie hier eindelyk de Lettervruchten onzer waarde Moeije Katharyne Lescailje, zo veele jaaren na haar overlyden, voor alle Minnaaren der Poëzye opgedischt. Menigmaalen was aan de Dichtersse zelve, en na haar afsterven, aan ons, door haar Medekunstgenooten (van welken het grootste deel ons ook door den dood is ontrukt) ernstig verzocht, om de vruchten van haaren dichtlievenden Geest, op veeler loffelyk voorbeeld, der waereld mede te deelen.

Doch alle vriendelyke aanzoekingen waren deswegen altoos te vergeefs; en zouden mogelyk tot heden van geene kracht zyn geweest, indien men eindelyk ons daar toe niet hadde genoodzaakt, wanneer we eenige haarer gedichten tegen onzen zin, en buiten onze kennisse, onder eenige Mengeldichten van verscheidene Dichters byeengevoegd, zagen in het licht brengen.

De eerste twee delen hebben achtereenvolgens de volgende indeling:

Eerste deel
  • Staatsgevallen (blz. 3-60)
  • Lofdichten (63-114)
  • Afbeeldingen (117-128)
  • Verjaargedichten (131-240)
  • Mengeldichten (243-364)

Tweede deel
  • Huwelykszangen (3-314)
  • Lyk- en grafdichten (317-390)
  • Stichtelyke gedichten (395-414)

Het derde deel, De tooneelpoëzy van Katharyne Lescailje, bevat de zeven door haar uit het Frans vertaalde treurspelen:
  • Kassandra (van P. D’assezan)
  • Genserik (van madame Deshovlieres)
  • Herodes en Marianne (van F. Tristan L’hermite)
  • Wenseslaus, koning van Poolen (van De Rotrou)
  • Herkules en Dianira (van La Tuillerie)
  • Nicomédes (van P. Corneille)
  • Ariadne (van T. Corneille)

Van de huwelijkszangen (geschreven tussen 1673 en 1710) is slechts een keuze opgenomen in het tweede deel, zo meldt het ‘Voorbericht’. Door tijdgebrek kon ‘onze Dichteresse’ niet alle bruiloftsverzen ‘naar den eisch beschaaven’. Nog omvat het gedeelte ‘Huwelykszangen’ ruim 300 bladzijden, waarmee het het uitgebreidste onderdeel is.

De uitgave uit 1737, die ook door de erfgenamen van J. Lescailje en D. Rank is verzorgd, bestaat ook uit drie delen en is hoogstwaarschijnlijk een herdruk van de uitgave van 1731.[8]  Dat zou er op wijzen dat er voldoende belangstelling is geweest voor Katharyne Lescailjes verzamelde werk. Niet alleen is de eerste druk binnen enkele jaren uitverkocht, de boekhandel van Lescailje/Rank durfde het aan om nog een druk op de markt te brengen.

Hoewel het verzamelde werk Mengelpoëzy een goed beeld geeft van het oeuvre van Katharyne Lescailje, zegt het nog niets over de verspreiding van haar werk, met name tijdens haar leven. Net zoals er meerdere uitgaven bestaan van de verschillende vertaalde treurspelen, ook van vóór 1711, hebben ook afzonderlijke gedichten al het licht gezien voor ze in dit verzamelwerk terechtkwamen. Dit wordt ook genoemd in het ‘Voorbericht’:

(...) het bijeenzaamelen en schikken, zo der reeds voorheen gedrukte, als der noch ongedrukte Handschriften onzer Dichteresse (...)

Naast afzonderlijk gedrukte gedichten, waarvan enkele zijn overgeleverd in verzamelbanden, zijn er op ten minste twee andere manieren gedichten van Katharyne Lescailje in druk verschenen tijdens haar leven. In de vorm van pamfletten (deze gedichten zijn in Mengelpoëzy voornamelijk opgenomen bij het onderdeel ‘Staatsgevallen’) en drempeldichten in bundels van andere dichters uit die tijd (in Mengelpoëzy terug te vinden onder ‘Lofdichten’).



2.3 Pamfletten


Aan de zes bewaard gebleven pamfletten met een gedicht van Katharyne Lescailje vallen twee dingen op.[9]  Ze zijn alle zes gedrukt tussen 1672 en 1678, er is geen pamflet bekend van na 1679 (sterfjaar van Jacob Lescaille).

Bij twee van de vier pamfletten met enkel en alleen een gedicht van Katharyne Lescailje, is aangegeven dat het is gedrukt door Jacob Lescaille. Deze vier pamfletten hebben een min of meer politiek onderwerp, in de andere twee pamfletten is achtereenvolgens een lofdicht en een lijkdicht opgenomen.

Chronologisch gaat het om de volgende zes pamfletten (voor een volledige beschrijving: zie Bijlage 3):

  • 1672 - Op het vertrek van den doorluchtighsten Vorst zyn hoogheit Wilhem de derde, Prince van Oranje, Grave van Nassou, etc. (den 15 van Oegst-maand)

  • 1673 - Hollants zege ter zee, onder ’t beleit van den manhaften Helt Michiel de Ruiter, ridder, L. Ammiraal generaal, &c. &c. tegens de twee Koningklijke Vlooten van Vrankrijk en Engelant, den VII. en XIV. van Zomermaant, 1673, kloekmoederlijk bevochten.

  • 1673 - Nederlandts darde zeetriomf, over de Vlooten van Engelant en Vrankrijk, bevochten den XXI van Ooghstmaandt

  • 1674 - Aan Johan van Vollenhoven, Over sijn Gedicht op ’t neder-storten van den Dom-Kerk tot Utrecht, in den Jare 1674. den eersten Augusti. (voorafgaand aan de ‘Verwoestinge van Bozra’ door J. van Vollenhove.)

  • 1676 - Op de dood van den Ed. Manhaften Heere Michiel de Ruiter’. (volgend op een lijkrede op Michiel de Ruiter door A. Severinus.)

  • 1678 - De zeegepraalende vreede, door Katryne Lescailje

In Mengelpoëzy zijn deze zes gedichten opgenomen. Het gedicht aan J. van Vollenhoven onder mengeldichten (in deel I), het gedicht op Michiel de Ruiter bij de lykdichten (deel II). De andere vier, de ‘politieke gedichten’, vallen onder de staatsgevallen (deel I).

Het is heel aannemelijk dat nog meer, wellicht zelfs alle, gedichten uit deze catagorie als pamflet zijn uitgegeven, of voor dat doel waren bestemd. Ook bij de lykdichten is van meerdere gedichten te veronderstellen dat ze als pamflet zouden kunnen zijn verschenen. Er zijn verschillende lijkdichten op burgemeesters en andere hooggeplaatste personen, bijvoorbeeld: ‘Amsteldam in rouw, over de Dood van den Grootachtb. Heere Dr. Joan Blau, Oud-schepen en Raad, enz.’. De ‘Lykklagt over den Hr. Pieter Bernagie, Arts en Hoogl. enz.’ is in ieder geval afzonderlijk verschenen (in een vorm die veel van een pamflet weg heeft, zie paragraaf 2.1) en dit is ook het geval bij ‘Rouwklagt over de Dood van de Koninginne van Groot Brittanje (of het hier om een pamflet gaat is onduidelijk).[10] 

Wellicht is het geen toeval dat het eerste pamflet stamt uit 1672, het jaar dat als ’rampjaar’ de geschiedenis zou ingaan.[11]  Katharyne Lescailje was in dat jaar ongeveer 23 jaar oud. Ook bij de Staatsgevallen is 1672 het vroegst voorkomende jaartal, maar liefst vijf van de twintig staats-gevallen stammen uit dat jaar (de laatste datering is daar 1704; twee gedichten zijn ongedateerd).[12] 

De oorzaken voor de verschillende rampen in 1672 liggen veel vroeger in de geschiedenis. In 1647 werd stadhouder Frederik Hendrik (van wie Constantijn Huygens secretaris was) opgevolgd door zijn zoon Willem II, die getrouwd was met Mary Stuart (de dochter van Karel I, koning van Engeland). De gewesten Friesland, Groningen en Drenthe hadden al een stadhouder, namelijk zijn neef Willem Frederik.

In 1648, een jaar voor de geboorte van Katharyne Lescailje, werd er vrede gesloten met Spanje. De regenten van Holland stonden hier, met het oog op handeldrijven, positief tegenover, terwijl Willem II samen met Frankrijk de Spanjaarden uit de Zuidelijke Nederlanden wilde verdrijven. Twee partijen kwamen zo tegenover elkaar te staan, de zogenaamde regenten-partij en Oranjepartij. Met het overlijden van Willem II begon het eerste stadhouderloze tijdperk (behalve in de Noordelijke gewesten, waar Willem Frederik aanbleef).

De eerste oorlog met Engeland brak uit in 1652, naar aanleiding van de ‘Acte van Navigatie’, die de handelsvaart van de Republiek belemmerde. De leider van de regentenpartij, Johan de Witt, werd in 1653 raads-pensionaris van Holland, waardoor hij veel invloed kreeg op de binnenlandse en buitenlandse politiek. Ondertussen hadden de Engelsen de overhand gekregen op zee, waardoor de handel stil kwam te liggen, wat leidde tot grote ontevredenheid bij het volk over het beleid van de regenten.

Maar in 1654 sloot Johan de Witt vrede met Engeland, onder de voorwaarde dat Holland geen stadhouder meer mocht kiezen. De vloot van de Republiek werd uitgebreid en kwam,onder leiding te staan van de admiraals Cornelis Tromp, Witte de With en Michiel de Ruiter (deze laatste werd in 1663 luitenant-admiraal en daarmee bevelhebber van de oorlogsvloot). In 1665 leidde opnieuw een handelsstrijd tot oorlog tussen Engeland en de Republiek. De vierdaagse veldslag die in 1666 plaatsvond, werd door de Republiek (‘door De Ruiter’) gewonnen.

Ondertussen had de Franse koning Lodewijk de Veertiende (‘de Zonnekoning’) zijn zinnen gezet op de Zuidelijke Nederlanden. Door in 1667 enkele Engelse schepen op de rivier de Theems tot zinken te brengen (weer onder leiding van De Ruiter), lukte het de Republiek om een einde te maken aan de oorlog met Engeland.

Na deze vrede van Breda werd in 1672 door Engeland, Zweden en de Republiek het Drievoudig Verbond gesloten, om Frankrijk te dwingen zich uit de Zuidelijke Nederlanden terug te trekken. Engeland werd echter door de Franse koning Lodewijk XIV omgekocht, zodat deze het verbond verliet en de Republiek de oorlog verklaarde (Zweden hield zich afzijdig). Het rampjaar was begonnen.

De Republiek raakte met vier landen tegelijk in oorlog. Naast Frankrijk en Engeland ook nog met Munster en Keulen door meningsverschillen over de grenzen. Gelderland en een deel van Utrecht werden bezet door Frankrijk, de Noordelijke gewesten door Munster en Keulen en de Engelsen probeerden vanuit zee op de kust te landen, maar werden tegengehouden door De Ruiter. Prins Willem III, die ondertussen tot bevelhebber van het leger was benoemd, stuitte de legers van de Fransen door middel van de Waterlinie. Het is niet verwonderlijk dat Katharyne Lescailje in dit jaar haar angst uit:

  Terwijl de sterke Fransche magt,
In ’t hart van Holland zoekt te breeken,
Begint myn Voedstervrouw haar klagt
Voor ieders ooren uit te spreeken,
En zegt: ik ben door angst benard,
Ik sta op waggelende stylen,
Van hoop ontbloot, door vrees verward,
Gaat lof en luister van my ylen. (...) [13] 

Hoewel er geen pamflet van dit gedicht bekend is, wekt de verwijzing naar ‘ieders ooren’ de indruk dat het bestemd was voor publiek. Van al deze ellende gaf het volk Johan de Witt, als regent, de schuld en deze moest uiteindelijk aftreden als raadspensionaris. Niet lang daarna werd hij samen met zijn broer Cornelis de Witt (die verdacht werd van het beramen van een aanslag op de prins) vermoord in Den Haag. Aan beide wijdt Katharyne Lescailje een gedicht, waarin zij een duidelijk standpunt inneemt over deze gebeurtenis:

  Als ’t opgeruide volk sloeg, met den moord, de handen
Aan Hollands Steunpilaar, het heil der vryë Landen,
Aan d’onbevlekte Wit, dien Cato van den Raad,
Toen viel, helaas! met hem zo groot een licht van Staat
(...)
Terwyl de Nyd zelfs schreit by ’t afgeknaagd gebeente,
En ’t naberouw doorwroegt ’s Lands kwynende gemeente. [14] 

Willem III werd uitgeroepen tot stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel. Het pamflet van 15 augustus op zijn vertrek (waarschijnlijk voor een reis naar het buitenland), begint als volgt:

  Amsterdam spreekt:
Vaarwel, ô Vorst, die mijne wallen
O helder licht, Oranje Zon
Door ’t opslag van uw oog deed brallen
Op uwe komst, ô rijkke Bron
Van wijsheit die niet is te gronden!

In de twee jaren die volgden begon de rust weer enigszins weer te keren. Duitsland en Spanje sloten in 1673 een verbond met de Republiek tegen Frankrijk. De Fransen trokken zich hierop terug naar het Zuiden. Uit dit jaar stammen twee pamfletten van Katharyne Lescailje, beide over gewonnen zeeslagen tegen Engeland en Frankrijk. ‘Hollands zege ter zee’ begint als volgt:

  Ik zing nu hoe twee Koningsvlooten
Tot tweemaal vlooden voor één vloot.
Schoon Holland van zyn Bondgenooten,
en hulp van vrienden schynt ontbloot;
’t Ontbreekt ons echter aan geen helden,
Die, met een dapp’ren moed op zee,
De schade met de schand’ herstelden
Die ’t Vaderland te lande leê. (...) [15] 

Van de zeeslag zelf wordt een soort ooggetuigeverslag gegeven. Naast lof voor De Ruiter en Tromp, wordt gewezen op de gevolgen die de hogere politiek kan hebben voor het gewone volk.

  De Ruiter sloeg met zyne scheepen
Dwars door de Koningklyke heen
Hy scheen ’t verderf met zich te sleepen,
Tot ’s vyands ondergang alleen.
Daar vloogen hoofden, armen, beenen,
En hier verpletterd brein en bloed
Langs boord, langs mast en touwwerk heenen,
Hier ziet men dat de onnoos’le boet
Het vreêverbreeken van de Vorsten,
Die door vervloekt verraad en geld,
Den luister van ons Land bemorsten (...)

Het andere pamflet uit dit jaar, ‘Nederlands darde zeetriomf’, is ook weer vol lof over De Ruiter en Tromp. Het zal niet lang meer duren voor ‘De troonen zelf van Karel en Lowys / Bezwyken met hun oorlogszieke Vorsten’ en de vrede aan zal breken:

  My dunkt, ik zie de vredezon alrêe
Doorbreken met haar goddelyke straalen,
En schynen door de nieuwe winst op zee,
Om zegenryk op Nederland te daalen.
Gods goedheid boei het woedende oorlogsdier,
En smoor den klank van ’t gruwzaam krygsgetier. [16] 

In het jaar erna, 1674, werd de vrede met Engeland, Munster en Keulen getekend. Hierop schrijft Katharyne Lescailje het ‘Vreêverbond tusschen den Koning van Grootbrittanje, en de Staaten der vereenigde Nederlanden, 1674’. Pas vier jaar later tekende Frankrijk de vrede, onderwerp van het laatst bekende pamflet van Katharyne Lescailje: ‘De Zeegepraalende Vrede’.

In de jaren tachtig en negentig, waarin de oorlog tegen Frankrijk opnieuw oplaait en Mary Stuart en Willem III de Engelse troon bestijgen, neemt het aantal staatsgevallen dat Katharyne Lescailje schrijft sterk af. In 1697 schrijft zij een politieke herderszang: ‘Dafnis Harderszang op de Vrede’. Uit de eerste jaren van de 18de eeuw stammen nog twee zegezangen op oorlogs-overwinningen.

Naast gedichten op hooggeplaatste personen zoals Willem III en Cornelis de Wit, had Katharyne Lescailje wat onderwerpskeuze voor de staatsgevallen betreft, duidelijk voorkeur voor zegezangen op oorlogsoverwinningen en gedichten op de vrede. Veel staatsgevallen, meer dan de vier die als pamflet zijn overgeleverd, lijken bestemd te zijn geweest om als pamflet te verschijnen, of lijken in ieder geval bedoeld te zijn geweest voor publiek. Verschillende keren worden Amsterdam of Holland aangesproken, of wordt er gezinspeeld op een luisterend publiek.

Vaak neemt Katharyne Lescailje een duidelijk standpunt in, bijvoorbeeld over de moord op de gebroeders De Witt. Inhoudelijk gezien wekken de staatsgevallen niet bepaald de indruk dat ze geschreven zijn om op het nachtkastje te blijven liggen. Katharyne Lescailje is niet alleen zeer goed op de hoogte van de politieke ontwikkelingen in haar tijd, ze vormt zich er ook een duidelijke menig over, die ze uitspreekt voor haar tijdgenoten (in het bijzonder de Amsterdammers).



2.4 Drempeldichten


Bij één van de twee pamfletten waar een niet politiek gedicht van Katharyne Lescailje op is afgedrukt (namelijk dat van 1674), lijkt het te gaan om een drempeldicht: een lofdicht dat vooraf gaat aan een werk of dichtbundel van een andere auteur. In het geval van het pamflet van 1674 gaan 13 drempeldichten vooraf aan het lied van Johan van Vollenhoven op het instorten van de Utrechtse Dom in 1674. Na dat van Katharyne Lescailje (met twee varianten) volgen drempeldichten van onder meer J. Pluimer, Bidloo, W. d. Bogaart en P. de la Croix.

In verschillende bundels van contemporaine dichters is een drempeldicht van Katharyne Lescailje te vinden.[17]  Er zullen hier zes bundels van verschillende auteurs aan de orde komen (alle uitgegeven in Amsterdam tussen 1692 en 1711; zie Bijlage 4 voor een volledige beschrijving en een opsomming van andere drempeldichten in de desbetreffende werken). Op basis van het feit dat Katharyne Lescailje een lofdicht op hun werk schreef, dat als drempeldicht werd opgenomen, zijn verschillende veronderstellingen te maken.

Aan de ene kant dat zij blijkbaar het werk van contemporaine auteurs kende, hierop reageerde en mogelijk zelfs persoonlijk contact onderhield met deze dichters. Aan de andere kant waren dichters uit haar tijd genegen haar gedichten in hun bundel op te nemen als drempeldicht; blijkbaar bezat zij genoeg bekendheid en autoriteit om een bundel daadwerkelijk aan te kunnen prijzen.

In de bundel Gedichten van J. Pluimer (1692), zijn het eerste en het vierde drempeldicht van Katharyne Lescailje. Dat laatste is geen oorspronkelijk gedicht, maar een vertaling ‘uit het Latyn van den Heer J.v. Broekhuizen’. Is dit een aanwijzing dat Katharyne Lescailje kennis had van het Latijn? In Mengelpoëzy I, blz. 60 is het opschrift op een gedenkpenning dat ‘ ’t Latijn gevolgd’ is (uit 1696), een soortgelijk geval.

In het drempeldicht voorin de Gedichten van D. van Hoogstraten (1696) vergelijkt Katharyne Lescailje deze dichter met ‘de groote Vondel en Antonides’. Ook van J. Pluimer en J. Broukhusius (waarschijnlijk dezelfde als J.v. Broekhuizen) zijn hier drempeldichten opgenomen. Er zijn meer overeenkomstige namen te vinden van auteurs van drempeldichten in deze bundel en de vorige (P. Francius, A. (v.d.) Bogaart).

De Bredaasche Klio van P. Nuyts telt slechts drie drempeldichten, naast Katharyne Lescailje van Pieter Bernaige en J. Pluimer. Hier is het drempeldicht van Katharyne Lescailje geen toeval: de bundel is uitgegeven ‘Te Amsteldam, By de Erfgen. van J. Lescailje, op de Middeldam, op de hoek van de Vischmarkt, 1697’. Na de drie drempeldichten volgt een dankdicht van P. Nuyts ‘Aan de Volgeestige Juffr. Kataryne Lescailje, Den Hooggeleerden Heere Pieter Bernaige, Hoogleeraar in de Geneeskunde, En den schranderen Heer Johan Pluimer, Vermaarde Dicht-oeffenaars tot Amsteldam’. Op blz. 119 staat nog een dankdicht aan deze drie ‘dichtoeffenaars’, naar aanleiding van gedichten die zij hebben gemaakt op een treurspel genaamd Admetus.[18] 

In Alle de gedichten van H. Sweerts, na zijn dood verzameld door zijn zoon Kornelis Sweerts (in 1697), prijst Katharyne Lescailje in haar dremeldicht vooral het initiatief van de zoon:

  Dus brengt de schrandre Zoon by een zyn Vaders Dicht
Alom waar dat men Kunst en Maatklank kend gepreezen,
Daar hy ’t de Dood ontrukt en houd in eeuwig weezen;
Terwyl hem yder dankt en roemd zyn Kinder-pligt.
De Fenix sterve en mag zyn Jongen ’t leeven geeven,
De jonge Fenix Sweerts doed de Oude weêr herleeven.

Als er van Kornelis Sweerts enkele jaren later een eigen bundel verschijnt, het Tafereel der deugden en ondeugden (1703) ontbreekt Katheryne Lescailje ook daarin niet met een drempeldicht.

Twee van de drie drempeldichten in de Vermeerderde Zeede en Harp Gezangen van A. Alewyn uit 1711 zijn van de hand van Katharyne Lescailje. Het derde is van ook van een vrouw, Cornelia Pruimer, aan wie verschillende gedichten in de bundel zijn gericht. Overigens is een eerdere uitgave van dit werk, de Zede en Harpgezangen uit 1694, verschenen bij de erfgenamen van J. Lescailje.[19] 

Zeer opvallend bij het langsgaan van de drempeldichten van deze bundels, is dat het door Katharyne Lescailje geschreven gedicht in alle gevallen de rij opent (dit is ook het geval bij het pamflet uit 1674). Het kan een aanwijzing zijn dat zij bekend was bij het publiek en aansprak of een zekere autoriteit bezat (waardoor men vertrouwde op haar lof of goedkeuring). Of misschien was het bijzonder om een door een vrouw geschreven drempeldicht in je werk op te kunnen nemen en is dat de reden van vooropplaatsing.

Afgaand op het feit dat al deze drempeldichten zijn opgenomen in Mengelpoëzy onder Lofdichten en dat hier nog veel meer lofdichten op bundels van andere dichters voorkomen (onder meer van S. Schynvoet, A. Bogaart, J. Antonides van der Goes en S. Feitema),[20]  is het aannemelijk dat ook deze als drempeldichten in de desbetreffende bundels staan.[21] 

In verschillende bundels die openen met een drempeldicht van Katharyne Lescailje, zijn ook gedichten op haar te vinden. Ook door andere dichters en dichteressen uit haar tijd zijn lofdichten op of gelegenheidsgedichten aan haar geschreven. In het nu volgende hoofdstuk zullen teksten aan de orde komen aan of over Katharyne Lescailje en haar werk. Na contemporaine teksten van dichters en dichteressen (wie schreven aan of over haar, wat schreven ze, is er sprake van persoonlijk contact?), zullen achtereenvolgens de receptie in biografische woordenboeken, de opname in Nederlandse literatuurgeschiedenissen en enkele artikelen worden bekeken.



© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van de verwijzing onderaan deze pagina.



Noten

[1] zie ook: bijlage 2.
[2] de tweede beperking is helaas opgelegd door de beperkte tijd.
[3] blijkbaar is 1677 als sterfjaar inderdaad een vergissing.
[4] Worp, blz. 120-26 en de bijlage op blz. 303 en 318; zie bijlage 2.
[5] Van Aken, deel I. Dit is een vrij ontoegankelijk werk, door het ontbreken van een register.
[6] een zeer behulpzame bibliothecaresse heeft nog in het magazijn gezocht, maar helaas tevergeefs. De UBA en ook de KB in Den Haag zijn niet in het bezit van een exemplaar uit 1729.
[7] wanneer er naar Mengelpoëzy wordt verwezen, wordt deze uitgave van 1731 bedoeld.
[8] helaas ben ik niet in de gelegenheid geweest het exemplaar uit 1737, dat zich in de UBA bevindt, in te zien.
[9] wellicht zijn er meer bewaard gebleven, maar naast deze zes heb ik er geen kunnen vinden. Het is in ieder geval goed voorstelbaar dat er meer pamfletten zijn geweest dan deze zes. Vijf hiervan zijn opgenomen in Knuttel (zie bijlage 3).
[10] deze uitgave bevindt zich in de KB en stamt uit 1695, gedrukt bij de ervan van Lescailje.
[11] de geschiedkundige feiten komen uit het AGN.
[12] zie voor een overzicht van de geschiedkundige jaartallen en de staatsgevallen: bijlage 4.
[13] Mengelpoëzy I, blz. 31.
[14] Mengelpoëzy I, blz. 30; Op Joan de Wit.
[15] Mengelpoëzy I, blz. 50 (met kleine spellingsverschillen in het pamflet zelf).
[16] Mengelpoëzy I, blz. 57.
[17] er moeten er veel meer zijn dan hier worden behandeld (zie overzicht in bijlage 5), maar drempeldichten zijn lastig op te sporen.
[18] een gedicht van Katharyne Lescailje op dit treurspel is terug te vinden in Mengelpoëzy I, blz. 93.
[19] of zich hier ook al drempeldichten van Katharyne Lescailje in bevinden, heb ik niet kunnen nagaan. Een exemplaar hiervan bevindt zich in de UBA, maar ik ben niet in de gelegenheid geweest dit in te zien.
[20] zie voor een opsomming van namen van dichters/dichteressen die in Mengelpoëzy voorkomen: bijlage 6.
[21] deze bundels heb ik niet kunnen vinden in de AB/LB.




[einde van Hoofdstuk 2]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘Katharyne Lescailje: “Vermaarde en volgeestige dichteresse tot Amsteldam” (1649-1711)’ (onderzoeksnota, 1993). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Katharyne Lescailje
  Inhoudsopgave
  Woord vooraf
  Hoofdstuk 1 - Biografie
  Hoofdstuk 2 - Oeuvre   ↑
  Hoofdstuk 3 - Receptie
  Tot besluit
  Literatuurlijst
  Bijlagen