RozemarijnOnline




Katharyne Lescailje

onderzoeksnota
1993





























Deze nota is geschreven in 1993 in het kader van het onderzoekscollege ‘De vrouwelijke blik: schrijfsters in de zeventiende tot de negentiende eeuw’ onder begeleiding van prof.dr. M.A. Schenkeveld-Van der Dussen (Nederlandse taal- en letterkunde, Universiteit Utrecht).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Tristan en Isolde
- De Génestet
- De brulocht
- Het tabernakel
- Doctoraalscriptie
   Hadewijch en
   Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde






Katharyne Lescailje

‘Vermaarde en volgeestige dichteresse tot Amsteldam’
1649-1711

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1993)



 



HOOFDSTUK 3

Receptie




3.1 Lof-, gelegenheids- en lijkdichten


  Lescialjes Weezen wert hier wel gemaalt na ’t Leeven,
En aan de Waereld tot verwondering getoont,
Maar ’t Rymtapyt, door haar Vernuft en Pen geweeven,
Toont best wat vlugger Geest haar schrander Brein bewoont.
Niet vreemd is ’t, dat zy wierd begaaft met zulken zeegen;
Zy was een Voedsterling der Muzen alle Neegen.

Dit puntdicht op een afbeelding van Katharyne Lescailje, ‘Vermaarde en Volgeestige Dichteresse tot Amsteldam’, staat in Pieter Nuyts Bredaasche Klio (blz. 119), dat in 1697 bij de erfgenamen van Lescaille was verschenen.

Eveneens uitermate lovend zijn gedichten in de bundels van Van Hoogstraten en Pluimer, waar ook drempeldichten van Katharyne Lescailje in zijn opgenomen.[1] 

Pluimer giet zijn lof in de vorm van een droom: ‘Zomervreugd, verbeeld door een aangenaame droom’ (Gedichten, blz. 70-72). Op een zonnige dag valt de ‘ik’ van het gedicht aan de kant van een kabbelend beekje, waar de nachtegaal zingt, in slaap ‘en droomde een lieve droom’. Hierin wordt ‘Katryn’ door de Muzen geloofd om haar treurspelen.

Van Hoogstraten is niet alleen lovend, hij verwijst in zijn gedicht (Gedichten, blz. 241) expliciet naar een ontmoeting met Katharyne Lescailje in zijn gedicht ‘Aen Juffrou Katarina Lescaille, Op myn aenkomst t’ Amsterdam’:

  ‘k Wêerhou den loop van myn verlangen nu niet meer,
Maer kom u vol van vreugde in Amsterdam begroeten,
En stroi al juichende myn dichten voor uw voeten.
(...)
Ik kom om eens aen uw begaefden mond te hangen,
En uwe poëzy te kussen vol verlangen.

Na een verwijzing naar Francius en Broekhuizen, vervolgt Van Hoogstraten:

  (...) als een amazoon vol moed.
En toont een manlyk hart in alles wat gy doet.
’K vergeet gewillig al ’t genot der Dortenaren,
Om yvrig en vol lust meer wysheit te vergaren.

In de bundel Poësije van Ludolf Smits staat een lofdicht op Herodes en Mariamne, dat volgens hem de eerdere treurspelen van ‘Katharijn’ overtreft. In deze bundel komt geen drempeldicht van Katharyne Lescailje voor, maar deze heeft wel degelijk gedichten aan Ludolf Smits geschreven: in Mengelpoëzy zijn twee lofdichten, een verjaardagsdicht, een huwelijksdicht (‘Op Ludolph Smids en Anna de Groot’) en een lykdicht (‘op het overlyden van zyne Gemaalin’) te vinden.[2] 

Dit is ook het geval bij Pluimers en Van Hoogstraten; naast de drempeldichten zijn er één of meerdere lof-, verjaardags- of bruiloftsdichten aan hen in Mengelpoëzy te vinden.[3] 

Een korte dichtwisseling met Wilhelmus Sluiter (‘harder en leeraar van Gods kerk te Eibergen’) uit 1672, is zelfs mèt het antwoorddicht van W. Sluiter opgenomen.[4]  Op een dankdicht van Katharyne Lescailje op gedichten van Sluiter waarmee zij ‘vereerd’ is, volgt een antwoorddicht van hem ‘na den trant en rymwoorden in haar soet gedicht aan my gesonden’. Een week hierna schrijft Katharyne Lescailje hem nog twee korte gedichten.

Een soortgelijk geval is een dichtwisseling met de Amsterdamse dichteres Cornelia van der Veer in de jaren 1674-76; van haar zijn drie gedichten opgenomen in Mengelpoëzy.[5]  Zij vergelijkt Katharyne Lescailje daarin met de (dan al overleden) dichteres Catharine Questiers. Het derde gedicht is meer verwijtend van aard: ‘Hoe isset Katharien, met onse vriendschap g’legen?’. De vriendschap die er blijkbaar is geweest tussen deze twee Amsterdamse dichteressen, heeft, afgaand op dit gedicht, niet lang stand gehouden.[6] 

Er zijn nog meer dichteressen die gedichten aan Katharyne Lescailje hebben geschreven. De Friese dichteres Titia Brongersma schreef een sonnet ‘Aan de Amstelsche Puyk Bloem Jr. Katharina Lescailie, op het verzoek, my eenige van haar Ed. Versen te senden’:

  Gewyde Roos, Godinne aller Bloemen,
Die op de soom van Amstels Y-Bron bloeydt,
En weelderig op Apolloos sang berg groeydt,
U sullen al de spruyten heylig noemen. (...) [7] 

Of Katharyne Lescailje haar inderdaad gedichten heeft toegestuurd, is niet in Mengelpoëzy terug te vinden.

Met Elisabeth Koolaart-Hoofman heeft Katharyne Lescailje waarschijnlijk wel contact gehad; deze schreef haar een gedicht ‘by het te rug zenden van haaren tyter’.[8]  Zij verontschuldigt zich hierin dat het zolang heeft geduurt voor zij deze ‘tyter’ weer terug bezorgde en ze hoopt dat Katharyne Lescailje hierover niet bezorgd is geweest:

  Ten zij ge, daar ik me eenigszins meê troost,
In Sparens streek en klaverrijke dalen,
Op mijne zorg, hem veilig hebt vertrouwd.
’k Wagt niet alleen, vol hoope, op die gedagten,
Vergeeving, maar ’k word door dat denken stout,
Om meermaals zulk bezoek, en ’t uw, te wagten.

Ten slotte schreef Jetske Reinou van der Malen een lofdicht, waarin zij eerst de verschillende treurspelen afgaat en vervolgens kort de ‘Mengelstof’ vermeldt:

  ’k Denk als ik ’t lees, verbaast, verrukt,
Wat is ’t uitmuntend haar gelukt!
Met recht moogt ge op Lescailje brallen,
Glansryke groote Waereldstad!
Die binnen uw vermaard wallen,
Een dichteres zoo groot bevat:
En mooglyk zulk een licht der Vrouwen,
In eeuwen niet weêr zult aanschouwen.

Hiernaast schreef Jetske Reinou van der Malen een gedicht op het overlijden van Katharyne Lescailje. Het is als eerste geplaatst bij de lijkzangen waarmee het eerste deel van Mengelpoëzy begint. De lijkzangen die volgen zijn onder meer van B. Huydecoper, L. Coster, C.L. Bruin, J. Haverkamp en D. Kroon en er zijn grafschriften van onder andere Joan Pluimer, H. Angelkot, B. Oudega en H. de Roo.[9] 

Over het algemeen spreekt uit de toon en de strekking van de gedichten een grote verslagenheid om zo’n groot verlies voor de dichtkunst, Katharyne wordt geroemd, gelauwerd en ze zal, zo wordt voorspeld, nog eeuwen voortleven in haar volmaakte gezangen. Enkele lijkzangen zijn wat persoonlijker van aard:

  Wat hoor ik, van ter Goes zo even weergekomen?
Is ons dat heuchlyk Licht door ’t sterflot dan benoomen,
Dat zo veel jaaren, tot aan ’t eind’, gescheenen heeft!
Is Katharyne dood die korts noch heeft geleeft!

De schrijver of schrijfster van dit gedicht,[10]  een zekere Amicitia, moet Katharyne Lescailje goed hebben gekend. Er wordt gerefereerd aan de treurspelen, lof- en huwelijksdichten en de hulp en raad die zij verleende aan andere dichters. Deze Amicitia herinnert zich dat hij/zij zelf eens een klinkdicht van Katharyne Lescailje heeft ontvangen, en later twee huwelijksdichten voor familieleden (toen zij al aan het einde van haar leven was en nog dichtte ondanks ‘haar smarte en afgepynden Geest’). Katharyne’s zuster en nicht moeten worden getroost, maar ook deze Amicitia zelf lijkt dit overlijden als een verlies te voelen:

  Voor my, ik voel my op dit sterven gantsch verslagen!
Om dat ik niet alleen, dat my steeds kon behagen,
’t Gezicht van hare kunst, maar d’aanspraak, daar ik de eer
Verscheide maalen van genooten heb, ontbeer;
En haar nu niet meer in haar Boekzaal zal aanschouwen;
Daar zy my meenigmaal, en dikmaals in ’t vertrouwen,
Met haar Gedichten (op het keurlykst’ elk bezield,
met zin en geest en kunst) vermaaklyk onderhield:
Terwyl ze ook myn Verzoek niet meer kan gunstig wezen;
Of ik haar myn Gedicht ter proeve laten lezen;
Of onderzoeken wat de kunst der Dichtkunst raakt,
En hoe een Dichter zich een loflyk Dichter maakt.

Enoch Krook beschrijft de kwalen waar Katharyne Lescailje aan leed (borstbenauwdheid en graveel), noemt het feit dat zij ongetrouwd bleef (‘nooit gezint tot huuw’lyksweelde (...) en maar papiere kind’ren teelde’) en plaats haar in het eeuwige leven tussen ‘Tesselscha, Kwestiers en van der Veer, Hoofd, Vondel, Vos, en meêr diêr Prinsen en Prinsessen’, waarna hij vervolgt:

  Ik ken my onbekwaam, o Dichters! om haar lof,
Haar Mann’lyk oordeel, in haar Maagdekunne te uiten. [11] 

In het slot van het lykdicht van Amicitia spreekt deze de hoop uit dat ‘binnen een gering getal van jaaren’ de volmaakte kunst van Katharyne Lescailje het licht zal zien, dat

  Een spoor zal strekken in myn Dichtliefhebbery:
Zo zal ze ook even als noch wezentlyk, door ’t drukken
Van haar Geschriften, door geen Nyd of Tyd t’ontrukken,
Weer leven, weggeleid in elks geheuchenis:
Daar ’t leven anders maar een droom, een denkbeeld is.

Een globaal beeld dat naar voren komt uit deze teksten, is dat Katharyne Lescailje literaire of persoonlijke contacten heeft gehad met verschillende dichters en dichteressen uit haar tijd, zowel binnen als buiten Amsterdam. In de meeste teksten wordt haar lof toegezwaaid, enkele teksten zijn persoonlijker van aard en soms wordt gezinspeeld op of verwezen naar afgelegde bezoekjes. Opvallend is dat enkele keren het predikaat ‘mannelijk’ voor haar wordt gebruikt.

Ondanks het feit dat haar tijdgenoten zo vol lof over Katharyne Lescailje waren en er van overtuigd waren dat zij ‘door haar Dichtkunst altoos (zou) blyven’, is zij tegenwoordig in de vergetelheid geraakt. Maar in de meeste biografische woordenboeken en literatuurgeschiedenissen komt zij nog wel voor, hoewel deze niet altijd even positief over haar zijn als haar tijdgenoten.



3.2 Biografische woordenboeken


De verschillende biografische woordenboeken, die in paragraaf 1.1 al aan de orde zijn geweest om een beeld te schetsen van het feitelijke leven van Katharyne Lescailje, zullen hier chronologisch worden langsgegaan op hun oordeel over haar werk.[12] 

Het Groot, algemeen, historisch, geographisch, genealogisch en oordeelkundig woordenboek van Brunel e.a., verschenen in 1729, valt eigenlijk nog binnen de contemporaine receptie. Katharyne Lescailje was op dat moment al bijna twintig jaar dood, maar haar verzamelde werk was nog niet uitgegeven (‘men heeft thans eene verzameling van hare dichtkundige werken in quarto onderhanden by Dirk Rank, welke tot zyne huisvrouwe heeft de dochter van eene zuster van deze fenixdichteresse’).

Aan Katharyne Lescailje (blz. 127) is ongeveer evenveel ruimte toebedeeld als aan haar vader (blz. 126) en de inhoud is meer dan lovend.

KATRYNE LESCAILLE (...) verdient met recht wel de allervoornaamste plaats onder alle geleerde en vermaarde vrouwen, welke hier te lande de Nederduitsche dichtkunst gehanteert, en zich daar door een onsterffelyken naam verkregen hebben.

Over de voorspelling in haar jeugd door Vondel en Brandt dat zij haar vader in dichtkunst zou overtreffen, wordt opgemerkt:

Deze voorspelling heeft volkomen hare vervulling gehad, dewyl deze uitmuntende puikdichteresse van tydt tot tydt tot zulk een hogen top van roem geklommen is, dat men geene voorbeelden groot genoeg in de oudheit gevonden heeft, om dese dichteresse daar by te vergelyken, maar zich moeten vergenoegen met haar de Nederduitsche Sappho, enz. te noemen.

Wat karakter betreft had Katharyne Lescailje een ‘edelmoedigen geest en aard’ en haar ‘verheven geest’ bleef tot aan het einde van haar leven ‘krachtig’, ondanks dat zij ‘in hare laatste jaren (...) gedurelyk gepynigt (is) geweest door onuitsprekelyke smerten van het graveel’. Hierna wordt vervolgd:

Een groot getal van onvergelykelyke dichtstukken en verheve vaarzen, welke van haar maaksel gevonden worden, zyn onwedersprekelyke en ontwyffelbare bewyzen, dat zy uitgemunt heeft boven alle dichteressen waar van de oudheit zo breed heeft opgegeven. (...) Onder deze uitmuntende werken zal men vinden de treurspelen (...), welke alle op den Amsteldamschen schouwburg met grote toejuiching ten toneel gevoert, en afzonderlyk gedrukt zyn.

Ruim honderd jaar na het overlijden van Katharyne Lescailje verschijnt het Biographisch, anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters dat bijeenverzameld en uitgegeven is door Witsen Geysbeek (waar niet zonder reden het woord ‘kritisch’ in de titel staat (zie ook het citaat over Jacob Lescaille in paragraaf 1.1)). Aan Katharyne Lescailje is ruim drie maal zoveel ruimte besteed als aan haar vader, die zij in

dichtkunst (...) weldra overtrof, daartoe niet weinig aangemoedigd door de lofspraak van Vondel en hare verdere gelijktijdige kunstgenooten, die hare bekwaamheden hemelhoog verhieven en in brommende lofdichten bewierookten, haar de Nederduitsche Sappho, tiende Zanggodin, en wat dies meer zij, noemende. De volgende eeuw, inzonderdheid toen eene Van Merken en De Lannoy op den Pindus verschenen, ging zeker met haar zoo hoog niet meer.

Toch heeft zij wel ‘enige verdienste’ en de bewering van de heer van Kampen[13]  dat haar gedichten ‘niet boven het middelmatige zijn’,[14]  gaat dan ook te ver. Vervolgens wordt De Vries geciteerd die haar gedichten vergelijkt met een ‘effen en gladden stroom, waarop wij voor een oogenblik niet ongaarne spelevaren, maar waarop wij ras ons vervelen’.[15] 

Met de vertalingen van de Franse treurspelen ‘verwierf (zij) den meesten roem’ en in de gedichten ‘welken onder de rubriek Staats-gevallen gerangschikt zijn, heerscht eenige verheffing boven den verzwakten geest van haren tijd’. Het slot van het gedicht ‘Zegezang over de triomferende Bondgenooten bij Hochstet’ wordt aangehaald, waarna wordt besloten met:

Zulk een manlijke dichttrant bij eene vrouw was in 1704 inderdaad iets zeldzaams. Zoodanige stalen zouden wij meer kunnen aanvoeren, als wij ons de moeite getroosten wilden om ons door de menigte van hare bruilofts-, verjaar- en andere gelegenheidsgedichten heen te arbeiden, waarin zeker nu en dan wel eene vonk van geest en vernuft, maar voor het publiek niets belangrijks gevonden wordt en die men om deze reden niet in het licht had moeten geven.

Van der Aa is beduidend korter over Katharyne Lescailje dan Witsen Geysbeek, maar ook hier wordt aan haar de dubbele hoeveelheid ruimte besteed als aan Jacob Lescaille. Bij haar tijdgenoten stond ze in hoge achting, maar ‘in lateren tijd was het oordeel over hare poëzij minder gunstig’. Evenals bij Witsen Geysbeek worden de uitspraken van Van Kampen en van De Vries aangehaald.

Verder oordeelde Siegenbeek dat men haar ‘den lof van vloeibaarheid en beschaafdheid geenszins (kan) betwisten, doch hare kunstgewrochten hebben over ’t geheel te weinig van dat vuur, die geestverheffing, dier rijkdom van beelden en stoutheid van gedachten, in welke het eigenlijke wezen der dichtkunst gelegen is.’[16]  Tot slot wordt verwezen naar Witsen Geysbeek.[17]  Deze ‘prees vooral hare vertalingen van eenige Fransche treurspelen (...)’.

Zoals Van der Aa korter is over Katharyne Lescailje dan Witsen Geysbeek, is het NNBW korter dan Van der Aa. Opmerkelijk is, dat het stukje over haar vader hier zeker dubbel zoveel ruimte beslaat dan aan haar is toebedeeld. Een oordeel over haar werk wordt niet gegeven, wel wordt daar in twee zinnen een beeld van geschetst:

(...) met ijver op de beoefening der fraaie letteren toeleggen, vooral der dichtkunst. Zij slaagde hierin zóó wel, dat zij van haar tijdgenooten den naam van de “Nederlandsche Sappho” ontving, en toen zij op 62-jarigen ouderdom overleed, werd zij door tal van vrienden met lijkzangen en grafschriften vereerd. Latere tijden hebben een iets minder gunstig oordeel over haar uitgesproken.

Ter Laan is beknopt over zowel Jacob als Katharyne Lescailje, beide worden in acht regels behandeld. Er worden enkele feiten vermeld, twee door Katharyne Lescailje vertaalde treurspelen worden bij naam genoemd, maar de uitgave van het verzamelde werk Mengelpoëzy blijft onvermeld.

In het WP Lexicon heeft Jacob Lescailje geen eigen ingang meer, al wordt hij als vader van Katharyne nog wel genoemd. Twee treurspelen worden vermeld (één dezelfde en een andere dan bij Ter Laan) en haar ‘eretitel ‘de Nederlandse Sappho’’, die de vele gelegenheidspoëzie haar opleverde (haar ‘Mengelpoëzy (en Toneelpoëzy) (3 dln., 1731)’ wordt vermeld in een noot).

Er is een duidelijke lijn te ontdekken in het oordeel van biografische woordenboeken door de eeuwen heen. Tot ongeveer honderd jaar na haar dood wordt er een uitgesproken reactie gegeven op Katharyne Lescailjes werk. Deze is vlak na haar overlijden uitermate positief (Brunel, 1729) en honderd jaar later uitermate negatief (Witsen Geysbeek, 1821-27; die ook inhoudelijk negatieve citaten geeft, dus van vóór 1820).

Later in de negentiende eeuw wordt door Van der Aa (1852-78) geen duidelijke eigen mening gegeven, maar de ongunstige citaten die hij aanhaalt spreken boekdelen. Het NNBW (1911-37) is weer wat milder. Er wordt geen mening gegeven of eerder uitgesproken oordeel geciteerd, het blijft bij de opmerking dat er in ‘latere tijden (...)iets minder gunstig’ over haar werd geoordeeld.

Later in de twintigste eeuw blijft het bij enkel een vermelding van haar bestaan. Tekenend is dat over het geheel genomen de aan haar toebedeelde ruimte in de loop van de eeuwen steeds minder wordt.



3.3 Literatuurgeschiedenissen


Evenals de biografische woordenboeken, zullen de verschillende Nederlandse literatuurgeschiedenissen chronologisch worden langsgegaan.[18]  Door zowel Witsen Geysbeek als Van der Aa wordt de uitspraak van De Vries aangehaald over ‘dien gelijken gang, dien effen en gladden stroom’ die de poëzie van Katharyne Lescailje kenmerkt.

Hoewel De Vries niet bijster enthousiast is, wijdt hij toch anderhalve bladzij aan haar, en dat terwijl hij zich moet ‘beperken omtrent de Dichteressen’. Van andere dichteressen op wie de zeventiende eeuw ‘roem (kon) dragen’ wordt slechts de naam vermeld: ‘Sebilla van Griethuijzen, Catharina Questiers, Alida Bruno (...) en andere verdienstelijke Vrouwen’.[19] 

Jockbloet wijdt geen apart stuk aan Katharyne Lescailje, maar noemt twee maal (één van) haar toneelstukken. De eerste keer bij de behandeling van het klassieke drama, in een opsomming van toneelstukken die ‘onzen letterroem niet verhoogd’ hebben. Hierbij worden genoemd: ‘de Nicomedes en de Ariadne door Kataryne Lescailje (1692 en 1693)’.[20] 

De tweede keer is dat bij de bespreking van de toneelspeler Jan Punt, die bij zijn afscheid van het toneel in 1745 de rol van Herodes speelde ‘in K. Lescailjes treurspel van dien naam’.[21] 

Ook Kalff noemt haar in een andere context, namelijk bij de bespreking van het hekeldicht ‘De Wolf en het Schaepsvel’ van Jacob Zeeus:

Toen Uffenbach in Amsterdam kwam, toonde de zestigjarige Katharina Lescailje hem Zeeus’ satire “als ein Meisterstük von jetziger Holländischer Poesie”. Het was heel zeldzaam, vertelde “Jungfer Lescailje” onzen reiziger, want het was verboden wegens zijn scherpte “wider die Geistlichen”.

Hoewel er hier verder niet op Katharyne Lescailje wordt ingegaan, is het feit dat zij dat verboden werk in haar bezit had, al veelzeggend.

Bij Te Winkel komt Katharyne Lescailje veelvuldig voor, waarbij een beeld ontstaat van haar plaatsing in de tijd, zowel wat betreft politieke gebeurtenissen als haar verhouding tot enkele contemporaine dichters. In een hoofdstuk over de Amsterdamse schouwburg komt ze vrij uitgebreid aan de orde, na onder andere Joan Pluimer, Pieter de la Croix, Joan van Broekhuizen en Bernagie.[22] 

Hetzelfde (nl: nieuwe stof geven aan de Schouwburg) deed ook Pluimers vriendin Katharina Lescailje, de dochter van den bekenden uitgever Jacob Lescailje, wiens boekhandel toen vermoedelijk (daar hij in 1677 gestorven was) door haar onder de firma “De Ergenamen van Jacob Lescailje” werd bestuurd.

In de letterkundige wereld van dien tijd neemt deze dichteres sedert 1672 eene eervolle plaats in, al kunnen hare oorspronkelijke gedichten, grootendeels bruilofts-zangen, zich ook op niets anders beroemen dan op zuivere taal en vloeiende versmaat, waaraan hare zeven vertaalde treurspelen dan ook een lang leven op het toneelrepertoire dankten.

Drie van haar treurspelen (Kassandra, Genserik en Herodes en Mariamne) worden genoemd en haar verzamelde werk uit 1731. De lijkzangen en grafschriften, na haar dood op haar geschreven, getuigen ervan hoe ‘geëerd en geliefd zij geweest was’.

Ruim tien bladzijden verder wordt haar naam verschillende keren genoemd in verband met Nil Volentibus Arduum (de vertaling Herkules en Dianira , een klinkdicht aan Ysbrand Vincent over de Schouwburg en een puntdicht op de “Amsterdamsche Schouwburg hersteld in Wintermaand 1688” en de vertalingen Nicomède en Ariadne).[23] 

Een apart hoofdstuk is gewijd aan de hekeling en verheerlijking van Willem III, die ‘bijna onbeperkt leider van onze binnen- en buitenlandse politiek’ was in de laatste decennia van de zeventiende eeuw.[24] 

Wel had hij niet kunnen verhinderen, dat de Staten-Generaal in 1678 tegen zijn zin met Lodewijk XIV te Nijmegen vrede hadden gesloten en dat die vrede ook door onze dichters was bejubeld, o.a. ook door Katharina Lescailje, die daarbij merkwaardig getrouw taal, toon en dichtvorm van Vondels zang op den vrede van Munster wist te volgen (...).[25] 

Later in datzelfde hoofdstuk wordt, tussen namen als Pluimer, Bake, Smids, Van Hoogstraten, Brandt, Nuyts, Vollenhove en andere, drie keer naar een gedicht van Katharina Lescailje verwezen; achtereenvolgens naar het verheerlijken van de prins ‘triomferende in Engeland’, naar een vers op de terugkeer van Willem III uit Engeland in 1691 en naar ‘ “Daphnis”, een “harderszang op de Vrede” ’ naar aanleiding van de vrede van Rijswijk in 1697.[26] 

In het hoofdstuk ‘De heldenzangen van den Spaanschen succesieoorlog’, wordt genoemd dat Katharina Lescailje, naast ‘Rotgans, Pieter Nuyts, Enoch Krook, Willem van der Hoeven en anderen’, een gedicht schreef op de oorlogszege van 1702 en in 1704 één op de overwinning in Hochstädt.[27] 

In het kader van de herderszangen wordt ze weer verschillende keren genoemd.

(...) ongetwijfeld heeft Joan van Broekhuizen met zijne Latijnsche en Nederlandsche herderszangen geen geringe invloed gehad(...). Op zijn voorbeeld was het zeker, dat Joan Pluimer en Katharina Lescailje enkele herdersdichten schreven (...) [28] 

Over de onderwerpen van de herderszangen wordt het volgende naar voren gebracht:[29] 

Opmerkelijk gering is het aantal herderszangen, waarin de liefde wezenlijk aan het woord is. Van dien aard is b.v. de “Hardersklacht Tytir” van Jakob Zeeus (...) en de “hardersklacht Rozemond”, door Katharina Lescailje gemaakt voor een vriend, die in verzen zijne liefde aan Rozemond wilde verklaren. Dezelfde dichteres koos den vorm van een herderskout om bij “Redegundl haar hart uit te storten over de verflauwde genegenheid harer vriendin Rozemond, en klaagde in een anderen herderszang, dat Tytir, “de Vreugde van ’t gezelschap en ’t Verlangen van al de Nimfen en de knaapen, zyn schaapen elders ging weidenl, of m.a.w. Amsterdam metterwoon verliet. Zoo begon de herderszang meer en meer de modevorm te worden, waaronder allerlei onderwerpen, hoe weinig ook met het landleven of de idylle in verband staande, bezongen konden worden. [30] 

Twee bladzijden later worden nog enkele voorbeelden gegeven van de verschillende onderwerpen die in de vorm van een herderszang gegoten konden worden:

Zoo schreef in 1697 Katharina Lescailje haar “Daphnis, harderszang op de Vrede”, waarbij zij niet buiten het kader der pastorale behoefde te treden (...).

In twee literatuurgeschiedenissen uit de tweede helft van de 20e eeuw wordt aandacht aan Katharyne Lescailje besteed. Bij Vieu-Kuik/Smeyers wordt aan het begin van het hoofdstuk ‘Lyriek’ in ongeveer een halve bladzijde ingegaan op de tegenstelling tussen haar huwelijks-gedichten en gedichten over liefde:

Een enkele keer echter is een plotselinge opwelling van hartstocht de openbaring van een tendens naar persoonlijke ontboezeming. Het hierna volgende sonnet van Katharijne Lescailje (...) vormt een frappante tegenstelling met de bruiloftsdichten, die ze aan haar vriendinnen had opgedragen en die dikwijls een zekere argwaan voor het huwelijk verraden, als zou de huwelijksliefde een belemmering vormen voor de ontplooiing van de gaven der vrouw, ook de artistieke. Dit lied, waarin men de klank van Vondel en Hooft herkent, is immers allerminst kenmerkend voor een vrouw, die haar geëmancipeerde ideeën afficheert. [31] 

Hierna volgt het sonnet ‘Onrust der liefde’ (zie Mengelpoëzy I, blz. 227).

Ook in de nieuwste Nederlandse literatuurgeschiedenis, wordt door Marijke Spies minder op feitelijke gegevens uit Katharyne Lescailjes leven en meer op de inhoud van haar gedichten ingegaan. Dit in een poging om haar vriendschap met Cornelia van der Veer, waarvan hun dichtwisseling de neerslag vormt, te analyseren. Aan de hand van een jaloers gedicht van Cornelia van der Veer, een liefdesgedicht van Katharyne Lescailje aan ‘Galathé’ en een gedicht waarin deze laatste de ‘dart’len minnebrand (...), de onkuische Sodomite vrucht’ afwijst,[32]  merkt Spies op:

Toch is, wederom, de suggestie sterk dat er meer speelde dan louter platonische vriendschap.

Vanaf de jaren tachtig van de achttiende eeuw ‘verwierf ze (= Katharina Lescailje) zich een duidelijke plaats in het Amsterdamse literaire leven’.

Verdwijnt Katharyne Lescailje meer en meer uit de biografische woordenboeken, bij de literatuurgeschiedenissen is dit niet het geval. Wel verandert de benadering sterk. In oudere literatuurgeschiedenissen wordt zij kort genoemd, hooguit enkele treurspelen worden vermeld en vaak is er sprake van opmerkingen van beoordelende aard.

Bij Te Winkel komt ze wat vaker ter sprake; ook hier ontbreekt de beoordeling niet, maar er ontstaat enigszins een beeld van een politieke en literaire context. Door de twee literatuurgeschiedenissen uit deze eeuw wordt meer ingegaan op interpretaties van haar poëzie, waarbij een waardeoordeel achterwege wordt gelaten.



3.4 Enkele artikelen


Buiten de biografische woordenboeken en literatuurgeschiedenissen om, is er in latere eeuwen niet meer zoveel geschreven over Katharyne Lescailje. Een voorbeeld is het artikel van M. Sanders in Amstelodamum (1960), waar al enkele keren naar is verwezen. Zij behandelt hierin de hele familie Lescaille, maar gaat in het bijzonder in op Jacob en Katharyne.

Veel korter en meer oordelend over haar werk, is het uit het Duits vertaalde artikel in de Algemeene Konst- en Letter-bode door C.F. Haug (1805). Na een bespreking van verschillende Nederlandse ‘Schouwspeldichteren’, gaat hij over op vrouwelijke auteurs:

(...) geene Natie van Europa (kan) op een zoo groot aantal van merkwaardige Vrouwen boogen, die als Dichteressen, als Geleerden of Kunstenaressen, hare namen hebben vereeuwigd. Jammer is het dat de Hollandsche Taal zoo weinig gesproken wordt (...).

Onder de Sterren van de eerste grootte behooren wy, voorzeker, naast de alomberoemde Anna Maria Schuurman, de uitmuntende Dichteres Catharina Lescaille te plaatsen, welke zich den eernaam van tiende Zanggodin heeft waardig gemaakt.

Nadat er kort wordt ingegaan op haar treurspelen en haar werk in de boekhandel, worden nog drie andere dichteressen genoemd: Elizabeth Kolaart, Petronella Moens en Lukretia van Merken.

Uit hetzelfde jaar, 1805, stamt een Latijnse dichtbundel van een zekere Jacobi Henrici Hoeufft (zie paragraaf 1.2), genaamd: Carmina. Op vier dichteressen heeft hij een gedicht geschreven, achtereenvolgens zijn dat: Anna Maria Schuurman, Maria Tesselschade Visscher, Catharina l’Escaille en Elisabetha Hoofman. Drie in het artikel van Haug genoemde dichteressen komen hier weer terug; blijkbaar waren deze vrouwen rond 1800 nog bekend en spraken zij nog (enigzins) aan.

Ten slotte wordt Katharyne Lescailje genoemd in een artikel uit 1984 door M. Everard: ‘De liefde van Lesbos in Nederland’. De benadering lijkt op die in het artikel van Spies (zie paragraaf 3.3). Naar aanleiding van de erenaam ‘Sappho’ die verschillende dichteressen tussen de zestiende en de achttiende eeuw ten deel viel, bekijkt Everard of deze vergelijking misschien meer impliceerde dan alleen lof voor de dichtkunst , waarbij Sappho als symbool fungeerde voor lesbische liefde (of ‘gelijkgeslachtelijke vrouwenliefde’ of ‘vrouw-vrouwelijke liefde’).

In het artikel komt ‘de Amsterdamse Sappho Katharijne Lescailje’ kort aan de orde. Everard wijst op haar ongehuwde staat en mannelijke status (door haar werk in de boekhandel) en op de dichtwisseling met Cornelia van der Veer. Uit de klacht in het laatste gedicht van Cornelia van der Veer blijkt dat Katharijne meer belangstelling heeft voor haar vriendin Sara de Canjoncle. Overigens problematiseert Everard eerder in het artikel wel de vraag in hoeverre vriendschap die in gedichten tot uitdrukking komt, het niveau van de gelegenheidsgedichten overstijgt.



© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van de verwijzing onderaan deze pagina.



Noten

[1] zie voor een opsomming van gedichten (met titelbeschrijving) op Katharyne Lescailje: bijlage 7.
[2] achtereenvolgens: Mengelpoëzy I, blz. 99, 100, 146 en II, blz. 47, 332.
[3] aan Pluimer: I, blz. 114, 174, 177 en 312; aan Van Hoogstraten: II, blz. 59.
[4] Mengelpoëzy I, blz. 324-30; in de AB/LB heb ik geen bundel van W. Sluiter kunnen vinden.
[5] I, blz. 335, 338 en 347.
[6] in het artikel van Spies wordt hier nader op ingegaan (zie ook paragraaf 3.3).
[7] Titia Brongersma, De Bron-swaan of Mengeldichten. Groningen, 1686, blz. 30.
[8] Mengelpoëzy II, blz. 114 (huwelijkszang); eventueel verwijzing in dl. I, blz. 280.
[9] zie bijlage 7 voor een volledige opsomming.
[10] Lykzangen, blz. 20-23.
[11] Lykzangen, blz. 30-31.
[12] het Vaderlandsche woordenboek Kok, ook in 1.1 gebruikt, geeft enkele feiten en komt in deze paragraaf niet opnieuw aan de orde; Brunel is al aan de orde geweest in 2.1.
[13] voor zover de vindplaatsen die in de hier behandelde biografische woordenobeken worden gegeven en/of waar uit wordt geciteerd, niet in de computer te vinden waren, heb ik deze ter kennisgeving aangenomen en niet verder proberen te achterhalen. Ik volsta in deze gevallen met het geven van de titel beschrijving met bladzijdenummer (voor zover deze worden gegeven) wanneer ik een citaat overneem.
[14] N.C. van Kampen, Geschied. der Nederl. Letteren en Wetenschappen. Deel 1, blz. 365.
[15] J. de Vries, Geschied. der Ned. Dichtk. Deel 1, blz. 290.
[16] Siegenbeek, Bekn. Gesch. der Ned. Lett. Blz. 186.
[17] Witsen Geijsbeek B. A. C. Woord. Deel IV, blz. 191.
[18] naast De Vries (1835), Jonckbloet (1888-92), Kalff (1906-12), Te Winkel (1922-27), Vieu-Kuik/Smeyers (1975) en Spies (1993) die hier in de orde zullen komen, heb ik Katharyne Lescailje vergeefs gezocht in Knuvelder en Prinsen.
[19] De Vries, blz. 124.
[20] Jonckbloet, II-IV, blz. 441.
[21] Jonckbloet, I-V, blz. 71.
[22] Te Winkel IV-II, blz. 476-77.
[23] Te Winkel IV-II, blz. 493, 496 en 500.
[24] Te Winkel V-III, blz. 3.
[25] ik heb helaas geen gedichten met dergelijke duidelijke overeenkomsten kunnen vinden.
[26] Te Winkel V-III, achtereenvolgens blz. 6, 8 en 10.
[27] Te Winkel V-III, blz. 63.
[28] Te Winkel V-III, blz. 138.
[29] Te Winkel V-III, blz. 148-49 en twee bladzijden later, blz. 151.
[30] de volgende gedichten worden waarschijnlijk bedoeld: achtereenvolgens in Mengelpoëzy I, blz. 267 ('Rozemond, hardersklacht', met de aantekening: 'Gedicht voor N.N'), blz. 161 ('Redegund, herderskout') en blz. 256 ('Tytir, harderszang').
[31] Vieu-Kuik/Smeyers, blz. 49 (op twee andere plaatsen wordt haar naam genoemd in een opsomming van enkele dichteressen, te weten blz. 221 en 385).
[32] achtereenvolgens: Mengelpoëzy I, blz. 347 (de antwoorddichten van Van der Veer zijn hier ook in opgenomen), blz. 276 en blz. 339.




[einde van Hoofdstuk 3]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘Katharyne Lescailje: “Vermaarde en volgeestige dichteresse tot Amsteldam” (1649-1711)’ (onderzoeksnota, 1993). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Katharyne Lescailje
  Inhoudsopgave
  Woord vooraf
  Hoofdstuk 1 - Biografie
  Hoofdstuk 2 - Oeuvre
  Hoofdstuk 3 - Receptie   ↑
  Tot besluit
  Literatuurlijst
  Bijlagen