RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici
 • Bijlagen en vgv

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Bijeenkomst 4/7.  Vrouwen in de Middeleeuwen: de vrouw in kerk en maatschappij

Onderwerpen dit uur:
  • De positie van de vrouw in de middeleeuwse kerk en maatschappij
    • Vormen van kerkelijke uitsluiting
    • Veranderingen in onderwijs en huwelijk
  • Zijweg: het mannelijke godsbeeld
  • Mystiek en verzet
  • De liederen van Hadewijch



Inleiding


Dit is de laatste bijeenkomst over Hadewijch. De volgende keer gaan we ons bezighouden met Jan van Ruusbroec, en dan komen we in een heel andere wereld terecht. De 14de eeuw is een heel andere tijd, een heel andere sfeer dan de 12de en de 13de eeuw. En we komen ook in een heel andere omgeving, namelijk binnen de kerk (Jan van Ruusbroec was priester) en we komen meer in een mannenwereld terecht.

Daarom wil ik in dit uur voor de pauze, nu het nog kan, nog even stilstaan bij Hadewijch als vrouw. En ik wil naar twee dingen gaan kijken: op de eerste plaats in zijn algemeenheid naar de positie van de vrouw in de Middeleeuwen. Dat zet ook mijn verhaal over de begijnen, van vorige week, meer in perspectief. We krijgen dan duidelijker zicht op vragen als: waarom gaan vrouwen als begijn leven, of waarom kiezen vrouwen überhaupt voor een religieus leven, waarom neemt dat vanaf de 12de eeuw zo explosief toe? Dus daar zal ik het eerst over gaan hebben: de positie van de vrouw in de middeleeuwse maatschappij.

We gaan daarmee van de literaire geschiedenis meer naar het domein van de vrouwengeschiedenis en de kerkgeschiedenis, met even een korte zijweg naar de feministische theologie.

In het verlengde daarvan wil ik gaan kijken naar Hadewijch als begijnenleidster. Zij heeft gekozen voor het leven als begijn, waarmee ze zich enigszins buiten de maatschappij plaatst, zij schrijft als vrouw, zij geeft leiding als vrouw. En ik wil dan kijken hoe ìn dat begijnenmilieu, hoe binnen die groep begijnen haar teksten hebben gefunctioneerd. En met name kom ik dan terecht bij de strofische gedichten.

Ik heb de kenmerken van vorige week nog even op het bord gezet, als achtergrond bij m'n verhaal dit lesuur.


Armoede-ideaal 12e eeuw

• leefwijze eerste christenen
• zelf boodschap uitdragen
• lijden/sterven v.d. mens Jezus
• verinnerlijking, affectief beleefd geloof
Vroege begijnen

• maatsch. tussenstand: semi-religieuzen
• devotie en vrijheid
• studeren, onderwijzen, leiding geven, schrijven
• volkstaal, eigen bewoordingen




De positie van de vrouw in de middeleeuwse kerk en maatschappij


Om de positie van de begijnen beter te kunnen begrijpen en om te begrijpen waarom vrouwen kiezen voor het begijnenleven, dat zelfs heel gevaarlijk kan zijn (zoals we vorige week hebben gezien), denk ik dat het zinvol is om in z'n algemeenheid iets te vertellen over de positie van de vrouw in de middeleeuwse maatschappij. Hoe wordt er in de Middeleeuwen gedacht over man-vrouw-verhoudingen, hoe was de rechtspositie van de vrouw, haar arbeidspositie, haar religieuze positie en haar positie in het huwelijk? Vanuit welke uitgangspunten koos een vrouw voor het huwelijk of voor de religieuze staat?

Ik heb de vorige keer verteld dat het aantal vrouwen dat een religieus leven gaat leiden vanaf de 12de eeuw explosief toeneemt. Het aantal vrouwenkloosters groeit enorm en vanaf het einde van de 12de eeuw komt de begijnenbeweging op. Waarom is er in de 12de eeuw zo'n enorme toename van vrouwenkloosters en vrouwen die als begijn gaan leven? Waarom gaan deze vrouwen niet trouwen? En waarom willen begijnen daarbij ook nog eens niet het klooster in?

Dat is natuurlijk een heel interessante constatering, dat zo verschrikkelijk veel vrouwen in de 12de eeuw voor een religieus of semi-religieus leven kiezen. Voor een deel zal dat zijn omdat ze zich aangetrokken voelden tot het armoede-ideaal. Maar er zijn ook sociale, maatschappelijke en sekse-gerelateerde oorzaken te geven waarom vrouwen, juist vanaf die periode, steeds vaker kiezen voor een religieus leven.


vrouwen in de middeleeuwen spinnen kaarden     vrouwen in de middeleeuwen valkenjacht

Adellijke vrouwen spinnen, weven, borduren (l),
gaan op valkenjacht (r).


Ik zal een historisch overzicht geven van de hele Middeleeuwen, maar het zwaartepunt zal natuurlijk liggen bij die 12de eeuw. Er zijn een aantal heel grote maatschappelijke veranderingen in die eeuw. En meestal niet ten goede voor de vrouw. Om die maatschappelijke veranderingen te kunnen volgen, begin ik bij het begin.

Jullie weten uit de eerste bijeenkomst dat de middeleeuwse cultuur is gebaseerd op drie pijlers: de Romeinse, de joods-christelijke en de Germaanse - en deze drie botsen wat betreft opvattingen over de vrouw. In bijvoorbeeld de Grieks/Romeinse maatschappij had de vrouw ronduit een slechte positie. Een vrouw is het bezit van haar vader of echtgenoot en ze is zelf handelings-onbekwaam: dat betekent dat haar handtekening niet rechtsgeldig is (dus dat zij bijvoorbeeld niet zelfstandig handel kon drijven of een rechtszaak kon beginnen) en dat een vrouw formeel eigenlijk nooit meerderjarig wordt. Ze is handelingsonbekwaam en daarmee heeft ze ook geen zelfbeschikkingsrecht.

In de Germaanse cultuur daarentegen, voor zover we daar zicht op hebben, was er veel meer sprake van gelijkwaardigheid. Vrouwen hadden in de Germaanse beschavingen de mogelijkheid tot inmenging in politieke macht: zij konden bijvoorbeeld een oorlog beginnen (en ze vochten daarin ook actief mee). Een huwelijk was bij de Germanen gebaseerd op wederzijdse genegenheid èn wederzijdse instemming en binnen een huwelijk waren de man en de vrouw in principe gelijkwaardige partners.

In de middeleeuwse cultuur komen die verschillende opvattingen over de vrouw dan samen. Maatschappelijk gezien was de positie van de vrouw in de Middeleeuwen niet zo slecht. De vrouw had handelingsbekwaamheid, haar handtekening was dus rechtsgeldig, ze kon zelfstandig handel drijven, ze kon bijvoorbeeld een rechtszaak beginnen, èn ze kon haar eigen kapitaal beheren. In de middeleeuwse maatschappij is de vrouw handelingsbekwaam.



Vormen van kerkelijke uitsluiting


Maar heel belangrijk voor de opvattingen over de vrouw in de Middeleeuwen is natuurlijk de Rooms-Katholieke kerk. En je ziet dat binnen dat vroege christendom die opvattingen zich door de eeuwen heen gaan ontwikkelen.

Om bij het allervroegste christendom te beginnen, het Nieuwe Testament: van Jezus is bekend dat hij anders omging met vrouwen dan bij de joden tot dan het geval was. Hij had vrouwelijke volgelingen (m.a.w.: hij onderwees vrouwen, wat bij de joden niet gebruikelijk was), hij sprak in het openbaar met een Samaritaanse vrouw, en hij wees de joden terecht over het feit dat zij hun echtgenotes in de steek konden laten, waarna zo'n vrouw als een verstotene in de maatschappij kwam te leven. Jezus stelde zich dus duidelijk ànders op tegen vrouwen dan in de joodse cultuur gebruikelijk was.

Van de vroegste christelijke gemeenschappen is bekend dat dat groepen waren zonder hiërarchie en zonder vaste leider of voorganger. De groep kwam bij elkaar en per keer was er iemand anders die het woord voerde; en dat kon zowel een man als een vrouw zijn. Dat heeft niet lang geduurd, zo'n twee eeuwen; want toen de Romeinen zich met het christendom begonnen te bemoeien, kòn dat natuurlijk niet langer (gezien hun opvattingen over vrouwen). Men wees vanaf dat moment niet langer op de (zowel mannelijke als vrouwelijke) volgelingen van Christus, maar op de 12 mànnelijke discipelen (leerlingen van Jezus).

In de vierde eeuw werd het christendom door de Romeinen steeds meer vastgelegd en geïnstitutionaliseerd. In 313 werd godsdienstvrijheid toegestaan (onder Constantijn de Grote), in 325 werd de geloofsbelijdenis vastgelegd (concilie van Nicea, ook onder Constantijn), in 380 werd het christendom feitelijk staatsgodsdienst (keizer Theodosius), in 381 werd de leer van de Drie-Eenheid geformuleerd (Concilie van Constantinopel) en in 392 werden alle andere godsdiensten door Theodosius verboden.

Maar dus zowel de inhoud als de vorm van het christendom, is niet door Jezus vastgelegd, maar zo'n drie eeuwen later door Romeinen (lees: door Romeinse mannen, vanuit de Romeinse cultuur).

Vrouwen werden vanaf die 4de eeuw uitgesloten van een functie in de Rooms-Katholieke kerk; en moesten voortaan zwijgen in de kerk, waardoor vrouwen niet meer actief mede vorm konden geven aan de vorm en inhoud van het geloof. In diezelfde periode kreeg ook de kerk haar hiërarchie, naar het voorbeeld van de machtsstructuur van het Romeinse Rijk. Deze was bij de Romeinen exclusief in handen van mannen en zo werd dus ook de kerkelijke hiërarchie vormgegeven.


vrouwen in de middeleeuwen     vrouwen in de middeleeuwen boerinnen land bewerken duc berry heures 1410

Vrouw in het kraambed (l),
boerinnen werken op het land (r).


De vormgeving en ook de bestudering van het christendom wordt voorbehouden aan een steeds selectere groep. Het zijn dan, in de 4de, 5de en 6de eeuw, de kerkvaders die zich met de inhoud van het christelijke geloof gaan bezighouden, in het Latijn. Leken, iedereen die geen Latijn beheerst, ook de mannelijke leken, worden daarvan buitengesloten. Tot de beroemdste kerkvaders horen onder meer: Hiëronymus, Ambrosius, Ireneüs en Augustinus. Theologie is dus vanaf de 4de eeuw een mannenaangelegenheid (van een selecte groep mannen binnen de kerk); zij vormen de inhoud van het geloof.

En de ideeën van de kerkvaders over de vrouw komen voort uit denkbeelden die heel belangrijk zijn in het middeleeuwse christendom, namelijk: het maagdelijkheids-ideaal. Men ging er vanuit dat Jezus maagd was gebleven èn natuurlijk: Maria, de vrouw aller vrouwen, was volgens het Nieuwe Testament ook een maagd (althans bij Jezus' geboorte. Hoewel ze later nog een aantal kinderen kreeg, zoals Jezus' broer Jacobus de Rechtvaardige, bleef ze altijd gezien worden als maagd).

Vanuit dat maagdelijkheids-ideaal -naar de ongetrouwde staat van Jezus en de maagdelijkheid van Maria- ging men vanaf de 4de eeuw seks als een zonde bestempelen en daaruit volgend de vrouw, als verleidster, als bron van zonde, als bron van kwaad. (Dit sloot mooi aan bij het verhaal van Eva als verleidster tot kwaad.)

Dit maagdelijkheids-ideaal leidde zo (vanuit mànnelijk oogpunt) tot de opvatting dat de vrouw een bron van zonde was en dat leidde tot een enorme vrouwenangst. En die vrouwenangst zie je de hele Middeleeuwen door: de vrouw kan verleiden tot zonde, de vrouw is een bron van kwaad.

Positie vrouw in Katholieke kerk
  • vrouwen uitgesloten van kerkelijke functie
  • vrouwen uitgesloten van mede inhoud geven aan geloof
  • maagdelijkheids-ideaal
  • vrouw als bron van zonde

Uiteindelijk leidt dat maagdelijkheidsideaal in de 12de eeuw (1139; concilie van Lateranen), mede tot het instellen van het celibaat bij priesters. Dat loste voor de kerk meteen een nijpend probleem op, namelijk dat het kerkelijke bezit versnipperd dreigde te raken door het erfrecht (het kapitaal van een priester ging naar zijn wettige kinderen - bij kinderloosheid ging het naar de kerk). In de 12de eeuw ligt dus de oorsprong van het celibaat; enerzijds uit praktische overwegingen (de kerk erfde dan al het kapitaal), anderzijds vanuit de gedachte van de zondigheid van de vrouw en het maagdelijkheidsideaal.

Het huwelijk, dat ligt voor de hand, werd door het christendom in de Middeleeuwen dan ook niet erg positief gewaardeerd. Religieus leven was beter, maagd blijven was beter, het huwelijk was een beetje derderangs.

Wat betreft de positie van de vrouw binnen het christendom in de Middeleeuwen geldt dus: de vrouw wordt in de eerste eeuwen van onze jaartelling dus uitgesloten van kerkelijke functies en van de mogelijkheid om inhoudelijk mede vorm geven aan het christelijke geloof. Daarnaast werd de vrouw met argwaan bekeken: omdat men seks was gaan beschouwen als iets zondigs, was zij degene die de man kon verleiden tot zonde en dus een bron van kwaad.



Veranderingen in onderwijs en huwelijk


Tot zover het christendom. Maatschappelijk, heb ik net al gezegd, is de positie van de vrouw in ieder geval beter dan in het Romeinse Rijk: de vrouw is handelingsbekwaam en kan dus zelfstandig handelen in de maatschappij. In de 12de eeuw verandert er echter maatschappelijk gezien heel veel voor de vrouw. Ik zal twee gebieden noemen waarop de positie van de vrouw in de 12de eeuw verslechtert.

Op de eerste plaats op het gebied van onderwijs. De universiteiten ontstaan (Bologna 1088, Parijs 1150, Oxford 1167) en daar worden geen vrouwen op toegelaten. Vrouwen worden dus vanaf de 12de eeuw uitgesloten van de hoogste vorm van onderwijs. De universiteiten hadden, naast een algemeen programma, drie studierichtingen: theologie, rechten en geneeskunde. Ik zal een voorbeeld geven wat het voor de vrouw betekende dat zij die studies niet kon volgen.


docent universiteit met leerlingen parijs 1464

Hoogleraar met leerlingen, universiteit Parijs
(Gautier de Metz, L'image du Monde, 1464).


In de Middeleeuwen (tot de 12de eeuw) kan iedereen arts worden, man en vrouw, het enige wat je nodig hebt, is kennis van geneeskrachtige planten en kruiden, kennis van de astrologie (want de stand van de sterren kon ziektes veroorzaken) en kennis van het verzorgen van wonden en botbreuken enzovoort (er was bijv. veel kennis over zwaardverwondingen, het uittrekken van pijlen, enz.). In de 12de eeuw wordt geneeskunde een universitair vak; en op de universiteit worden geen vrouwen toegelaten, dus ineens kunnen vrouwen geen arts meer worden! Het heeft dus heel grote consequenties. Dat vrouwen worden uitgesloten van vervolgonderwijs, dat zet vrouwen natuurlijk op een enorme achterstandspositie.

Positie vrouw in maatschappij 12e eeuw
  • vrouwen uitgesloten van hoger onderwijs

Op de tweede plaats is een grote maatschappelijke verandering voor de vrouw in de 12de eeuw: haar positie in het huwelijk. In de vroege Middeleeuwen was het huwelijk een verbintenis op basis van gelijkwaardigheid, met als doel nageslacht te verwekken en het familiebezit veilig te stellen. Vrouwen hielden recht over hun bruidschat en namen die bij een eventuele scheiding weer mee.

Het huwelijk ging niet, zoals tegenwoordig, om romantische liefde, maar om familiebanden, om bestaanszekerheid, en om het veilig stellen en doorgeven van bezit en welvaart. In de hand-out 'VGV' staat in het kort iets over het verschil in opvattingen over het huwelijk en de liefde tussen de Middeleeuwen en het heden. Het woord 'huwelijk' bijvoorbeeld heeft een heel andere lading, verwachting, achterliggende opvatting, dan bij ons nu. Dat laat weer heel duidelijk zien, hoe enorm de middeleeuwse denkwereld kan verschillen van de onze.

Meer over de opvattingen over het huwelijk, hoofse liefde en romantische liefde bij de 'Veel Gestelde Vragen': Opvattingen over huwelijk en liefde (Middeleeuwen versus heden).

Het huwelijk in de Middeleeuwen dan. Hoe zit het met de huwelijkspraktijk? Tot het einde van de 12de eeuw kent men vier verschillende vormen van verbintenissen. Bij de adel gaat het vaak om uithuwelijking (meestal om politieke en economische motieven), waarbij er een officieel contract werd opgesteld en een bruidschat werd meegegeven. Scheiden was op meerdere gronden toegestaan en het was heel gebruikelijk dat mannen er voor en tijdens hun huwelijk een maitraisse op nahielden. Bastaardkinderen werden vaak wel onderhouden, maar hadden geen recht op erfenis.

Naast de uithuwelijking kende men tot de 12de eeuw een zogenaamd voorlopig huwelijk; daarbij werd er al wel een bruidschat meegegeven, maar de verbintenis was nog verbreekbaar, als er bijvoorbeeld een betere kandidaat werd gevonden. Het was gunstig als de vrouw voor het huwelijk zwanger werd, omdat je dan zeker wist dat ze niet onvruchtbaar was. Een simpelere vorm was het gaan samenwonen (wij denken dat dat heel modern is, maar dat is eigenlijk middeleeuws!). Na een paar jaar werd het paar als getrouwd beschouwd. En ten slotte was het mogelijk om als meisje mee te trekken naar het land van je geliefde; en als je je daar dan samen vestigde, werd je als getrouwd beschouwd. Wij noemen dit samen wegtrekken tegenwoordig ook wel 'je laten schaken', maar dat gebeurde over het algemeen op afspraak en vrijwillig.

In de loop van de 11de eeuw gaat de kerk eisen dat er een priester aanwezig moet zijn bij een huwelijk. De steeds machtiger wordende kerk kan zo meer greep krijgen op het leven van de leek, wat met name van belang is bij de adel (politieke invloed). Aan het einde van de 12de eeuw, in 1184 (concilie van Verona), wordt zelfs bepaald dat het huwelijk een sacrament is en dan erkent de katholieke kerk geen andere samenlevingsvormen meer dan het kerkelijk huwelijk. Alle vier bovengenoemde verbintenissen worden niet meer erkend.

De kerk krijgt hierdoor een grote greep op de verdeling van de macht en op het privéleven van, vooral, de adel. Zij kunnen zo ongeveer alle huwelijksplannen in Europa dwarsbomen, of juist dispensatie geven als het hun uitkomt. Onderschat dit niet: in feite heeft de kerk vanaf dat moment de touwtjes in handen bij de adel en verkrijgt een enorme wereldlijke macht.

Positie vrouw in maatschappij 12e eeuw
  • vrouwen uitgesloten van hoger onderwijs
  • huwelijk
    • uithuwelijking, voorlopig huwelijk, samenwonen en wegtrekken →
      vervangen door kerkelijk huwelijk

Dit enig toegestane, kerkelijke, huwelijk -vanaf eind 12de eeuw- wordt feodaal ingericht, dat wil zeggen volgens het stramien van een heerser en een ondergeschikte. De vrouw wordt hierbij ondergeschikt aan de man. Naar bijv. de bijbeltekst: 'Christus is het hoofd van de man, de man het hoofd van de vrouw' (1 Korintiërs).

En je ziet dan dat vrouwen dit feodaal ingerichte huwelijk eind 12de eeuw massaal ontvluchten. En enige geaccepteerde manier om dat te doen was: kiezen voor het kloosterleven. En dat doen vrouwen dan ook massaal: het aantal vrouwenkloosters groeit explosief vanaf het einde van de 12de eeuw; en ook de begijnenbeweging ontstaat precies dan. Een deel van die vrouwen zal natuurlijk gekozen hebben voor een religieus leven omdat het nieuwe armoede-ideaal hen aansprak, maar een deel zal er zeker ook puur voor gekozen hebben om niet te hoeven trouwen.


huwelijk middeleeuwen ring om vinger

Man schuift ring om vinger van vrouw (± 1375)
(British Library, Royal 6 E VI, f104r.).


In de 12de eeuw verslechtert de maatschappelijk positie van de vrouw dus op twee manieren. Vrouwen worden niet toegelaten tot de universiteit, worden dus buitengesloten van de hoogste vorm van onderwijs, waardoor zij in een achterstandspositie komen te verkeren. En ten tweede wordt het kerkelijk huwelijk feodaal ingericht, waarbij de vrouw ondergeschikt wordt aan de man binnen het huwelijk. Zowel in de kerk, als in het onderwijs, als in het huwelijk is er dus niet langer sprake van een gelijke waardering van beide seksen, maar wordt sekse een hiërarchisch organisatieprincipe: de man wordt boven de vrouw gesteld, of het mannelijke boven het vrouwelijke.

Positie vrouw in maatschappij 12e eeuw
  • vrouwen uitgesloten van hoger onderwijs
  • huwelijk
    • uithuwelijking, voorlopig huwelijk, samenwonen en wegtrekken →
      vervangen door kerkelijk huwelijk
    • hiërarchisch, vrouw wordt ondergeschikt aan man

Dat proces van uitsluiting van de vrouw, uit kerk en onderwijs, dat bereikt in de 17de eeuw zijn dieptepunt. In de 17de eeuw greep men terug op de cultuur van de Romeinse oudheid, die men toen zo ging bewonderen (Renaissance), en dus ook op de wetgeving en rechtspraak uit die tijd. Daardoor verloor de vrouw in Europa in de 17de eeuw haar handelingsbekwaamheid.

Dus naast uitsluiting uit kerk en hoger onderwijs, vindt er dan ook weer maatschappelijke uitsluiting plaats. De vrouw is vanaf die 17de eeuw niet langer in staat handelend op te treden in de maatschappij (zij kan geen contracten tekenen, eigen geld beheren of een rechtszaak aanspannen - zij heeft daarvoor altijd een vader, echtgenoot of voogd nodig). Zij wordt, net als in het Romeinse Rijk, weer handelingsonbekwaam. Er waren overigens nog drie groepen handelingsonbekwaam: kinderen, misdadigers en zwakzinnigen - en bij dat rijtje gingen vanaf dan dus ook alle vrouwen horen. Dit duurt, in Nederland, tot 1956.

Terzijde: dankzij vrouwenemancipatie is zowel de maatschappelijke uitsluiting, als de uitsluiting uit universitair onderwijs, als ongelijkheid binnen het huwelijk, teruggedraaid. Maar kerkelijke vrouwenemancipatie is nog altijd verre van voltooid. De door mannen bevolkte hiërarchie van het hele instituut, het exclusief mannelijke priesterschap, en ook de geloofsinhoud die in de vierde eeuw door uitsluitend mannen is vastgelegd en onveranderlijke dogma's zijn geworden - dit is allemaal nog immer onveranderd.



Zijweg: het mannelijke godsbeeld


Nu sla ik heel even een zijweg in - een klein uitstapje naar de feministische theologie. Dit hele proces van uitsluiting van de vrouw uit kerk en maatschappij zie je weerspiegeld in het christelijke godsbeeld - of beter misschien: de de maatschappij is een weerspiegeling van dit tijdens de kerstening opgelegde godsbeeld.

God wordt in het christendom voorgesteld als exclusief mannelijk (dit beeld gaat deels terug op het joodse Oude Testament en deels op de concilies in de vierde eeuw). Dit godsbeeld van God-als-man (een Heer) werd zowel in de oude joodse cultuur (waarin vrouwen ook niet mochten studeren) als in die eerste eeuwen van de kerk, vormgegeven door uitsluitend mannen. Een stroming binnen de feministische theologie wijst erop dat zo'n exclusief mannelijk godsbeeld op een aantal manieren zeer kwalijk is.

Ten eerste constateren zij dat bij zo'n exclusief mannelijk godsbeeld, het vrouwelijke wordt uitgesloten van het goddelijke. Er is geen vrouwelijke god meer (geen Grote Godin, geen Frija of Nehalennia), er is geen voorbeeld voor het vrouwelijke goddelijke meer. Geen vrouwelijke god die handelend optreedt in de verhalen, scheppend is, heldhaftig is, barmhartig is, een heldin is; en een voor-beeld kan zijn voor vrouwen, die vanzelfsprekend in dat geloof meekrijgen dat het vrouwelijke binnen de wereld van de goden hoort, binnen het goddelijke hoort.

Ten tweede betogen zij dat vrouwen, bij zo'n exclusief mannelijk godsbeeld, zich niet direct kunnen identificeren met God of het goddelijke. De bekende hoogleraar en theologe Dorothee Sölle heeft daar een indrukwekkend boek over geschreven (God is meer dan een man, 1988) waarin zij laat zien dat een vrouw zich niet op directe wijze kan identificeren met het mannelijke god en daardoor niet vanzelfsprekend deel heeft aan het goddelijke. Zoals meisjes zich op jonge leeftijd identificeren met hun moeder en jongens met hun vader bij het zoeken naar hun identiteit, zo kan een man zich identificeren met een mannelijk god (zich erin herkennen, zich spiegelen, een ideaal om naar te streven), maar wordt een vrouw uitgesloten van identificatie met het goddelijke.

En ten derde kon dat exclusief mannelijke godsbeeld een argument vormen voor de minderwaardheid van de vrouw en een rechtvaardiging voor de overheersing van de man over de vrouw (bijv. binnen een huwelijk, zoals we zagen). Er werd in de middeleeuwse kerk letterlijk gezegd: "De man is geschapen naar God en moet aan God verantwoording afleggen, de vrouw is geschapen uit de man en moet verantwoording aan de man afleggen". En de zojuist al genoemde bijbeltekst: 'Christus is het hoofd van de man, de man het hoofd van de vrouw' (1 Korintiërs). Met zulke uitspraken (waarbij overigens volledig voorbij wordt gegaan aan de bijbeltekst 'God schiep de mens naar zijn beeld, als man en vrouw') met zulke uitspraken werd zowel de eenzijdige benadering van God als mannelijk, als de minderwaardige positie van de vrouw versterkt.

Je ziet dus dat deze twee dingen elkaar wederzijds versterken: de uitsluiting van het vrouwelijke uit het goddelijke versterkt de uitsluiting van de vrouw uit de maatschappij, waardoor er weer meer reden is om God exclusief als mannelijk voor te stellen enz. enz.

Deze korte zijweg is natuurlijk te summier om recht te doen aan de standpunten en onderzoeksresultaten van vele decennia aan feministische theologie - ik raad iedereen die nu interesse op voelt komen aan om hier zelf meer over te lezen, bijvoorbeeld het genoemde boek van Dorothee Sölle.


evangelie thomas nag hammadi

Evangelie van Thomas, Nag Hammadi geschriften
(eind 2e eeuw; bovenstaande Koptische vertaling 4e eeuw).


Ik blijf nog heel even op mijn zijweg. Er wordt binnen de theologie ook onderzoek gedaan naar andere evangeliën dan de vier die door de kerk zijn goedgekeurd en in de Bijbel zijn opgenomen. In de 1ste en 2de eeuw zijn er nog veel meer evangeliën geschreven. Er waren al een flink aantal apocrieve evangeliën - en er zijn in deze eeuw nog meer evangelische teksten ontdekt, waarvan de belangrijkste vondst is: de Nag Hammadi geschriften, met onder meer het evangelie van Maria Magdalena. Die teksten kunnen natuurlijk meer licht werpen op de opvattingen en leer uit de eerste eeuwen na Jezus.

Eén citaat wil ik jullie niet onthouden in dit kader, het komt uit het evangelie van Thomas, hoofdstuk 22:


Jezus zei tot hen:
Als jullie de twee één maakt
en als jullie het innerlijk maakt als het uiterlijk
en het uiterlijk als het innerlijk
en het boven als beneden,
en als jullie het mannelijke en vrouwelijke tot één maakt,
zodat het mannelijke niet mannelijk zal zijn
en het vrouwelijke niet vrouwelijk
dan zullen jullie binnengaan in het Koninkrijk.


Evangelie van Thomas, hoofdstuk 22.


Deze tekst spoort mensen aan om te streven naar evenwicht, naar het mannelijke en het vrouwelijke in ieder mens. En bevat een duidelijk pleidooi voor gelijkwaardigheid tussen beide seksen. Maar helaas heeft deze tekst de bijbel niet gehaald.



Mystiek en verzet


Ik keer terug naar de Middeleeuwen. Door de eeuwen heen zijn er steeds vrouwen en mystici geweest die zich hebben verzet tegen hun positie in de maatschappij, hun positie in de kerk en inhoudelijk tegen onderdelen van de kerkelijke geloofsleer. Dat was moeilijk, omdat vrouwen steeds meer waren buitengesloten van hoger onderwijs, politieke macht en kerkelijke invloed.

De begijnen verzetten zich bijvoorbeeld, door zich níet te conformeren. Zij keren de maatschappelijke conventies, de kerkelijke organisatie en het huwelijk de rug toe en zij proberen hun eigen weg te gaan.

De kenmerken van de begijnenbeweging laten verzet zien tegen al die dingen die op het bord staan:

- ze trouwen niet (verzet tegen het kerkelijke huwelijk);
- ze treden niet in een orde in (verzet tegen de kerkelijke organisatie);
- ze gaan zelf studeren en schrijven (verzet tegen de situatie in het onderwijs èn kerk);
- en ze gaan zelf leiding geven (verzet tegen de man-vrouw verhoudingen waarbij de man boven de vrouw werd gesteld, zowel in het huwelijk als in de kerk).

Vrouwelijke mystici verzetten zich nog op een bijzondere manier. Zij mengen zich in theologische kwestie van hun tijd, maar ze kunnen zich natuurlijk niet op een theologische studie beroepen. En zij beroepen zich dan op God zelf. Door te verwijzen naar hun visioenen en godservaringen (die door hun tijdgenoten, vanuit het middeleeuwse mens- en wereldbeeld, serieus werden genomen, zoals we hebben gezien) kunnen zij zich beroepen op de autoriteit van engelen, heiligen, Christus of God zelf.

We hebben daar meteen in de eerste bijeenkomst al voorbeelden van gezien. Bijv. verschillende mystici beschrijven God als mannelijk en vrouwelijk (androgyniteit van God), afwijkend van het kerkelijke godsbeeld (Hildegard van Bingen, Julian van Norwich en in latere eeuwen bijvoorbeeld Jacob Boehme, 16de eeuw).

De teksten van Hadewijch functioneren over het algemeeen in kleine kring: in de kring van begijnen om haar heen. Zij reageert weinig op theologische discussie van haar tijd of op maatschappelijke situaties van haar tijd. Maar haar leefwijze zelf is natuurlijk wel heel veelzeggend: de non-conformistische en originele leefwijze van de begijnen, waarbij zij leiding geeft en (in de volkstaal, over religie) schrijft.

Maar een enkele keer gebruikt ook Hadewijch de autoriteit die een visionaire tekst of een mystieke tekst in de Middeleeuwen had, om in te gaan tegen theologische, kerkelijke denkbeelden van haar tijd. We hebben daar vorige week twee voorbeelden van gezien.

We zagen in het eerste visioen dat Hadewijch zich kritisch uitlaat over het beeld van de Drie-Eenheid. Dit (vierde-eeuwse) godsbeeld, stelt zij, is een idee waarmee bannelingen, die ver van de minne verwijderd zijn, God proberen te begrijpen. Hiermee plaatst zij zich recht tegenover de geleerden en de theologen van haar tijd.

En het achtste visioen bevat kritiek op priesters, theologen, die het geloof enkel intellectueel benaderen, die niet op een affectieve manier met het geloof omgaan. Het buiten de affectie houden van de gewone gelovige, wordt daarbij als een 'groot onrecht' bestempeld.

Deze voorbeelden laten zien, hoe deze teksten hebben gefunctioneerd in hun tijd, in hun cultuur-historische context; hoe het verwijzen naar visioenen en mystieke ervaringen (als autoriteit) functioneerde in de maatschappelijke en religieuze omstandigheden van die tijd.



De liederen van Hadewijch


Met alle informatie van vorige week (over de spaarzame gegevens over Hadewijchs leven, over de 12de-eeuwse spiritualiteit en over de vroege begijnen) en het bredere kader van deze week (de positie van de vrouw in de middeleeuwse kerk, de verandereringen in de maatschappij op gebied van onderwijs en huwelijk en de inmenging van mystici in het religieuze debat met visioenen als autoriteit) zien we een glimp van het leven van Hadewijch, tegen de achtergrond van de wereld waarin zij leefde.

Met al die kennis ga ik tot slot terug naar het enige wat wij met zekerheid in handen hebben van deze 13e-eeuwse Brabantse vrouw: haar geschriften - de 14 visioenen, 31 brieven en 45 gedichten. Hoe hebben haar teksten gefunctioneerd ten tijde van haar leven? Over het algemeen mengt Hadewijch zich niet veel in de discussies van haar tijd. Het merendeel van haar teksten is gericht op een kleine kring van begijnen, vertrouwlingen, om haar heen.

Het is duidelijk dat de brieven (vaak korte tractaten) gericht zijn aan vriendinnen en ze zullen hebben gefunctioneerd als rondzendbrieven. In de brieven wordt niet alleen de vriendschap tussen de vrouwen bevestigd, maar ook Hadewijchs leiderschap.

De visioenen kunnen in dezelfde kring hebben gecirculeerd. Ze zullen de begijnen om haar heen hoop en bevestiging en vertrouwen hebben gegeven dat de godsvereniging hier op aarde werkelijk mogelijk is. Ze maken voor de vriendinnen duidelijk wie en wat God is, ze maken de liefde van God en voor God concreet.

Maar met de gedichten, de lyrische teksten, is iets bijzonders aan de hand. Het is heel lang onduidelijk geweest welke rol die hadden in Hadewijchs omgeving, met welk doel zij deze schreef. Maar sinds kort weten we dat men deze gedichten zong, en dat het dus geen strofische gedichten, maar strofische liederen zijn. Een musicoloog, de Utrechtse hoogleraar Louis Grijp, heeft in 1992 van zes gedichten van Hadewijch aangetoond dat ze oorspronkelijk op muziek waren geschreven.

Nadat de lyrische teksten 700 jaar lang waren aangeduid als 'gedichten', bewees hij met een baanbrekend onderzoek overtuigend en onomstotelijk dat het liederen moeten zijn geweest.


middeleeuwse harpiste harp middeleeuwen harpspeelster

Middeleeuwe harpiste.


Hoe kun je dat met zekerheid vaststellen? In de Middeleeuwen was het gebruikelijk om liederen te schrijven op al bestaande melodieën. (Zeg maar: wat je ook wel eens doet bij een bruiloft, een eigen tekst schrijven op een bekende melodie). Zo'n lied met een nieuwe liedtekst op een bestaande wijs heet een contrafact. En meestal liet men in de Middeleeuwen dan één tekstregeltje uit de oorspronkelijke liedtekst staan, ze namen bijvoorbeeld één regel uit het oorspronkelijke refrein op in de nieuwe tekst. Louis Grijp zocht dus bij bekende, middeleeuwse liederen naar teksten met precies dezelfde strofe-indeling, dezelfde regellengte, hetzelfde rijmschema, èn met één gelijke regel tekst (dus formele èn literaire ontlening).

En in liedboeken van Noord-Franse trouvères, allen uit de 13de eeuw en allen afkomstig van of rond Atrecht (oftewel Arras, in zuid-west Vlaanderen), vond hij inderdaad enkele liederen waar Hadewijchs gedichten precies op pasten, en... die soms inderdaad ook een regel tekst overeenkomstig hadden! Hadewijchs gedichten zijn dus liederen: ze werden gezongen. Van de zes melodieën die Louis Grijp heeft gevonden, waren er vijf oorspronkelijk Franse liederen en één was oorspronkelijk Latijn.

Professor Grijp vond enkel overeenkomsten met Noord-Franse trouvères (niet met Zuid-Franse troubadours, Duitse Minnesänger of Middelnederlandse minstreels). Hieronder de trouvères Moniot d'Arras ('het monnikje van Atrecht', werkzaam 1213-1239), Thibaut de Champagne (1201-1253), Richart de Fournival (Amiens, net onder Atrecht, 1201-1260), Jehan Erart (Atrecht, 1210-1258), Perrin d'Angicourt (rond Atrecht, werkzaam 1245-70), Gillebert de Berneville (Atrecht, werkzaam 1250-1280) en Colart le Boutellier (Atrecht, werkzaam 1240-60).

Hadewijch gebruikte dus meerdere melodieën afkomstig van of rond Atrecht, van trouvères die werkzaam waren in de jaren 1225-1270. Dit bevestigt de datering (die wij vorige week zagen) dat zij haar teksten rond 1240 schreef en roept de vraag op welke binding zij met Atrecht had. Meerdere gebruikte melodieën waren Marialiederen.


colart le boutellier     gillebert de berneville

Twee 13de-eeuwse trouvères uit Atrecht
van wie Hadewijch melodieën heeft gebruikt:
Colart le Boutellier en Gillebert de Berneville.


Hadewijch heeft dus liederen geschreven op bestaande melodieën. En dan wordt ook duidelijk hoe deze teksten hebben gefunctioneerd in de kring van begijnen om Hadewijch heen: ze werden gezongen, en samen zingen, zeker van een eigen liedrepertoire, werkt gemeenschapsvormend. Ook wordt duidelijk waarom in veel van haar lyrische teksten het woord 'wij' wordt gebruikt. Dat duidt ook op sámen zingen.

Van de Noord-Franse liederen uit die liedboeken is soms ook de muziek nog bekend en het is dus mogelijk om Hadewijchs liederen weer op muziek te zetten. Louis Grijp heeft dat ook gedaan. Hij leidde indertijd een muziekgezelschap, Camerata Trajectina. Zij hebben één van de liederen van Hadewijch op cd gezet: het 45ste lied.

Ik denk dat we niet dichterbij Hadewijch kunnen komen, dan haar weer tot klinken te brengen. Dit lied heeft Hadewijch ongetwijfeld zelf gezongen. Ze heeft geschrapt en geschaafd om de zinnen mooi uit te laten komen op de melodielijn. Dit waren voor haar vertrouwde klanken. Wat wij nu kunnen horen op de cd van Camerata Trajectina, dat precies zo heeft Hadewijch kunnen horen als het lied gezongen werd door vrouwen als Sara, Emma en Margriet.

Ik stel daarom voor dat we als slot voor de pauze naar Hadewijch gaan luisteren. De tekst van het 45ste lied staat afgedrukt in de Bloemlezing. Op de linker bladzij staat ook de Latijnse 'Maria Praeconio', het Maria-lied waarvan de muziek is gebruikt. De Latijnse woordjes die Hadewijch uit de oorspronkelijke tekst heeft overgenomen, zijn makkelijk herkenbaar.

De 45 liederen van Hadewijch komen inhoudelijk / thematisch nogal overeen: ook in dit lied, waar wij nu naar gaan luisteren, verlangt Hadewijch, en de anderen die dit lied zongen, naar de liefde.

In strofe 1 zegt Hadwijch: 'In heel de wijde wereld is er niets / dat me vreugde kan schenken / dan de ware minne'. Maar de liefde, de goddelijke liefde, is niet voelbaar aanwezig. 'Geef me', zegt Hadewijch in de vierde strofe, het hele geheim van uw edele natuur'. Dàt is waar ze om vraagt, en we weten ondertussen dat zij de goddelijke natuur beschrijft als 'minne'. Het lied gaat dus over de verlatenheid en verlangen naar de goddelijke liefde, het ghebreken.

Klik op 'muziek afspelen' om Hadewijchs lied te beluisteren. Hieronder is de liedtekst in het Middelnederlands en in vertaling mee te lezen.


speaker muziek lied afluisteren    muziek afspelen  /  of klik hier

Hadewijch, lied 45.
Uitvoering: Camerata Trajectina,
Pacxken van Minnen (cd, 1992).



Ay, in welken soe verbaert die tijt,
En es in al die werelt wijt
Dat mi gheven mach delijt,
Dan: verus amor.

Ay minne, op trouwe (want ghi al sijt
Miere zielen joye, miere herten vlijt),
Ontfaermt der noet, siet ane den strijt;
Hort cordis clamor!

Ay, wat ic mijn wee roepe ende claghe,
Die minne doe met mi hare behaghe;
Ic wille hare gheven alle mine daghe
Laus et honor.

Ay, minne, ocht trouwe u oghe ansaghe!
Want mi maect coene dat ics ghewaghe;
Want mi ierst op uwe hoghe staghe
Uwe traxit odor.

Ay, minne, ja ghi die niet en loghet:
Want ghi mi tonet inder joghet
Daer ic na quele, (want ghijt vermoghet),
Sijt medicina.

Ay ja, minne, ghi die als zijt voghet,
Gheeft mi om minne dies mi meest hoghet;
Want ghi sijt moeder alre doghet,
Vrouwe ende regina.

Ay, weerde minne, fine puere,
Wan sidi ane hoe ic gheduere,
Ende sijt in minen betteren suere
Condimentum.

Ay, ic dole te swaer in davonuere.
Mi sijn alle andere saken suere;
Volghevet mi, minne, u hoghe natuere
Sacramentum.

Ay, benic in vrome ocht in scade,
Si al, minne, bi uwen rade:
Uw slaghe sijn mi ghenoech ghenade
Redemptori.

Ay, wadic ghewat, clemme ic op grade,
Benic in honghere ochte in sade,
Dat ic u, minne gnoech voldade,
Unde mori. Amen. Amen.


Hadewijch, lied 45.


 


 


Ach, welk seizoen het ook is
in heel de wijde wereld is er niets
dat me vreugde kan schenken
dan ware Minne.

Ach Minne, bij trouwe (u bent immers
mijn zielevreugde, ijver van mijn hart)
heb erbarmen met mijn nood, zie hoe ik strijd
hoor naar de klacht van mijn hart.

Ach, hoe ik ook over mijn wee roep en klaag
de Minne doet met me wat haar behaagt;
ik wil haar al mijn dagen
lof en eer geven.

Ach Minne, nam u toch maar mijn trouw in aanmerking
want het geeft me moed ervan te gewagen
daar uw eigen geur me eerst
tot uw hoogste toppen heeft aangetrokken.

Ach Minne, u toch die nooit hebt bedrogen
omdat u me in mijn jeugd getoond hebt
datgene waarnaar ik hunker (daar u het kunt)
wees mijn redding.

Ach ja, Minne, u die alles beheerst
geef me uit liefde, wat me het meest verheugt;
want u bent moeder van alle deugd
Vrouwe en koningin.

Ach edele en zuiver Minne,
zie hoe ik standhoud
en wees voor mijn bittere pijn
leniging.

Ach, ik dool te zeer in het avontuur.
Ik heb een afkeer van alle andere dingen;
geef me, Minne, het gehele geheim
van uw edele natuur.

Ach, maak ik vooruitgang of lijd ik schade,
laat alles gebeuren, Minne, zoals u het wilt.
Uw slagen helpen me in hoge mate vooruit
naar de Verlosser.

Ach, trek ik door de diepte, klim ik op tot de top,
ben ik hongerig of verzadigd,
ik wens dat ik u, Minne, ten volle voldoe
en daaraan sterf. Amen. Amen.


Hertaling: Camerata Trajectina, Pacxken van Minnen (cd).  Volledige tekst lied 45 (Mnl. en hertaling).




Afronding


Het afgelopen uur ging over de positie van de vrouw in de middeleeuwse kerk en maatschappij. Ik heb daarbij stilgestaan bij verschillende vormen van verzet en hoe dat ook in Hadewijchs teksten èn leefwijze terug te vinden is.

•  In de middeleeuwse maatschappij was de vrouw handelingbekwaam en het huwelijk was in principe gelijkwaardig (vanuit de Germaanse cultuur).

•  In de rooms-katholieke kerk werden vrouwen op verschillende manieren uitgesloten.
  • vrouwen uitgesloten van kerkelijke functie
  • vrouwen uitgesloten van mede inhoud geven aan geloof
  • maagdelijkheids-ideaal, seks zondig
  • vrouw als bron van zonde, vrouwenangst

•  In de 12de eeuw vinden er veranderingen plaats in onderwijs en huwelijk, waardoor de positie van de vrouw verslechtert.
  • vrouwen uitgesloten van universitair onderwijs
  • huwelijk
    • uithuwelijking, voorlopig huwelijk, samenwonen en wegtrekken →
      vervangen door kerkelijk huwelijk
    • hiërarchisch, vrouw wordt ondergeschikt aan man

•  In de kerk, in het onderwijs en in het huwelijk (en vanaf de 17e eeuw ook in de maatschappij) wordt sekse een hiërarchisch organisatieprincipe: de man wordt boven de vrouw gesteld, of het mannelijke boven het vrouwelijke.

•  Door de eeuwen heen is er door vrouwen en door mystici verzet tegen ongelijkheid en uitsluiting.

•  Begijnen verzetten zich door zich op verschillende manieren niet te conformeren. Vrouwelijke mystici mengen zich in theologische kwesties door zich op de autoriteit van God zelf te beroepen. Meerdere mystici verzetten zich tegen een exclusief mannelijk godsbeeld (waarmee vrouwen zich niet direct kunnen identificeren, waarmee het vrouwelijke wordt uitgesloten van het goddelijke, en waardoor uitsluiting van vrouwen wordt gerechtvaardigd).

•  Ook Hadewijch gaat soms in tegen theologische denkbeelden van haar tijd. In het eerste visioen wijst zij de Drie-Eenheid als godsbeeld, zoals vormgegeven in de vierde eeuw, af. In het achtste visioen schiet de 'kimpe' (oftewel de theoloog) tekort, omdat hij niet op een affectieve manier met geloof is omgegaan. Het buiten de affectie houden van de gewone gelovige, is een 'groot onrecht'.

•  Ook in haar leefwijze conformeert Hadewijch zich niet. Zij geeft leiding, onderwijst en schrijft over religie. Haar liederen tonen hoe haar teksten functioneerden in een groep gelijkgestemden (gemeenschapsvormend). En inhoudelijk onderwijst zij anderen wel over die 'vijfde weg', hoe je tot God kunt komen door middel van de liefde, waarin theologen te kort schieten.



Na de pauze


Na de pauze gaan we teksten lezen over het ghebreken, waarbij Hadewijch haar spirituele ervaringen integreert in het leven hier op aarde. En we zullen zien dat zij daar uiterst gedurfde en vergaande ideeën over heeft. Dat na de pauze.



Achtergrondinformatie


De cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen bestaat uit zeven bijeenkomsten. De mystieke teksten van Hadewijch en Ruusbroec worden hierin in een cultuur-historische context gelezen.

•  Over deze cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen: inhoud en opzet.

•  Achtergrondliteratuur bij deze cursus: over de Middeleeuwen, Hadewijch, Ruusbroec en middeleeuwse mystiek.

•  Over de docente Rozemarijn van Leeuwen.

•  Veel gestelde vragen, als: Opvattingen over het huwelijk en de liefde.

•  Reacties lezen of zelf een reactie achterlaten.

•  Teksten van Hadewijch en Ruusbroec: fragmenten in het Middelnederlands en in hedendaagse hertaling.



Copyright


©  Bovenstaande tekst is een onderdeel van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

Het is niet toegestaan om deze tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen of mystiek
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen   ↑ Hadewijch: door het ghebreken
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >