RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici
 • Bijlagen en vgv

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Bijeenkomst 4b.  Hadewijch: de weg door het ghebreken naar het gheliken

Onderwerpen dit uur:
  • Ghebreken: je aardse leven leven
  • Gaan gheliken: geestelijke groei
  • Het goddelijke in de mens
  • Bruidsvisioen: Hadewijch als bruid
  • Terugblik: Hadewijchs visioenen en brieven



Inleiding


Dit is het derde en laatste uur dat we in de teksten van Hadewijch lezen. De laatste twee bijeenkomsten hebben we fragmenten gelezen rond Hadewijchs godsbeeld en rond de wegen die zij beschrijft die naar God leiden (de weg langs de deugden en de weg van de minne). Deze fragmenten kwamen met name uit haar visionaire teksten: de momenten dat zij de zichtbare en voelbare aanwezigheid van God beschrijft.

Maar God is niet voortdurend voelbaar aanwezig - in haar gewone, dagelijkse, aardse, ondermaanse leven, leeft Hadewijch in verlatenheid, afgescheidenheid, in 'ellende'. Het ghebreken is: de afgescheidenheid van God in het ondermaanse. Ik heb het eerder gehad over die twee polen in Hadewijchs teksten, het ghebruken en het ghebreken.

Hoe gaat Hadewijch om met deze twee polen? Hoe kan zij, terwijl zij voortdurend verlangt, streeft, naar de minne, naar het ghebruken, omgaan met het leven in ghebreken? Wat zijn haar opvattingen over het ervaren en het niet-ervaren van de minne? En waarom is God eigenlijk niet voortdurend voelbaar voor haar aanwezig, waarom verkeert een mysticus niet voortdurend in gelukzalige hogere sferen?

Waarom leeft ieder mens hier op aarde in de toestand van ghebreken?

Wij gaan nu een aantal fragmenten rond dit thema lezen, want Hadewijch heeft hier heel uitgesproken en heel vergaande ideeën over. Met haar opvattingen over de betekenis en de zin van het ghebreken, integreert zij haar geestelijke ervaringen met het leven hier op aarde.



Ghebreken: je aardse leven leven


Om een beetje zicht te krijgen op haar inzichten wil ik de draad oppakken waar we de vorige bijeenkomst zijn gestopt, namelijk aan het einde het eerste visioen, over de boomgaard van de volmaakte deugden.

Een engel toont Hadewijch daar de weg naar God, die leidt langs een groot aantal deugden ('dat wat deugt'). De weg langs deze deugden leidt tot God (het je eigen maken van deze deugden leidt tot God).

Hadewijch ontmoet God dan ook, aan het einde van die weg langs de deugden, ze krijgt een mystieke eenheidservaring - maar ze beseft tegelijkertijd dat ze nog maar aan het begin staat van haar geestelijke ontwikkeling. Ze noemt zichzelf 'kinds' en 'onvolwassen' en ze zegt vanaf r. 229:


En mijn Geliefde gaf zichzelf aan mij, en zó dat ik Hem kon begrijpen en voelen. Maar toen ik Hem zag viel ik voor zijn voeten neer. Ik zag immers heel de weg waarlangs ik nu tot Hem was geleid en ik begreep ook dat er me nog zeer veel te doen stond om daarnaar te leven.


Hadewijch, visioen I (r. 229).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen I (Mnl. en hertaling).


Dit lijkt haast tegenstrijdig: Hadewijch krijgt een mystieke ervaring, maar beseft tegelijkertijd dat ze nog een lange weg naar God te gaan heeft. Ze ziet heel de weg waarlangs de engel haar zojuist heeft geleid, langs alle deugden, en beseft dat ze daar nog niet naar lééft, deze deugden nog niet toepast in haar leven.

Blijkbaar maakt Hadewijch onderscheid tussen enerzijds een mystieke ervaring, zo'n plotselinge ervaring waarbij je je bewust wordt van de liefdevolle aanwezigheid van God. En anderzijds een weg van geestelijke groei: van kindsheid tot volwassenheid, een weg die leidt langs alle deugden en langs de liefde en waarbij je uiteindelijk naar God kunt toegroeien.

Dit is een heel belangrijk onderscheid, ik zal het op het bord schrijven

ghebruken ghebreken
mystieke ervaring aardse leven
liefdevolle aanwezigheid van God weg van geestelijke groei,
naar God toegroeien

Ze licht dat enkele regels verder nog toe. God is daar aan het woord en maakt haar duidelijk, dat als ze het ghebruken wil ervaren in de godheid, dat ze Hem moet gheliken naar het mens-zijn, 'gheliken inder menscheyt'.


"Nog geef Ik u", zo sprak Hij, "een nieuw gebod: Wilt gij, die verlangt alles van Mij genietend te bezitten in de godheid, evenzeer aan Mij gelijk zijn [gheliken] in de mensheid, dan moet ge verlangen arm te zijn, verstoten en versmaad bij alle mensen, en in alle smarten moet ge smaak vinden die boven alle aardse genoegens uitgaat. Laat er u op een enkele manier ongelukkig door maken, ook al zullen ze onmenselijk zwaar zijn om te dragen.

Wilt gij de minne nastreven zoals dat hoort bij uw fiere natuur die Mij geheel en al voor u opeist, dan zult ge zo vervreemd raken van de mensen, zo versmaad en veracht zijn, dat ge niet zult weten waar onderdak te vinden, niet eens voor één nacht. Alle mensen zullen u laten vallen en in de steek laten en niemand zal met u willen zijn in uw nood en in uw ellende.


Hadewijch, visioen I (r. 250-260).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen I (Mnl. en hertaling).


Het visioen stelt hier dus: als Hadewijch de liefde van God wil ervaren, het ghebruken, de godheid van God; dan moet ze evengoed op God gelijken in Zijn mensheid, menselijkheid (Christus), en dus verdragen om arm te zijn en verstoten en versmaad, om smart te ervaren. Als Hadewijch 'fier' naar de minne wil streven, die op wil opeisen; dan moet ze het evengoed verdragen om vervreemd en versmaad te zijn, in nood en ellende. Ze moet evengoed hier op aarde als mens haar aardse leven leven.

Deze weg door het aardse leven, de weg van de verlatenheid, dàt is de weg van geestelijke groei. Alleen zó, door je weg door het aardse leven te gaan, kun je je die deugden en de liefde eigen maken, fier worden, zelfstandig worden, en, uiteindelijk God gaan gheliken, goddelijk worden. Hadewijch bezingt in haar liederen wel de verlatenheid, de eenzaamheid, de ellende van deze weg, maar tegelijkertijd maakt ze duidelijk dat dit een heel belangrijke weg is, een noodzakelijke weg.

We zullen naar meerdere passages van Hadewijch gaan kijken om hier meer duidelijkheid in te krijgen. Houd daarbij in gedachten, dat voor Hadewijch de mens geschapen is door God, een goddelijk schepsel is (middeleeuwse wereldbeeld, middeleeuwse geloofswereld). Wij kunnen de mens zien als een primaat, die voortkomt uit de evolutie, en die zich goden is gaan voorstellen. Maar voor Hadewijch zijn het heelal, de aarde en de mens 6000 jaar eerder geschapen door God - de mens staat dus niet los van God, maar komt voort uit God, uit het goddelijke - en de mens is bovendien als enige schepsel geschapen naar het evenbeeld van God. Dat is een belangrijk uitgangspunt dat grond geeft aan haar vergaande gedachten over de mens, die nu volgen.



Geestelijke groei


Eerst zal ik het slot lezen van visioen II, vanaf r. 16 en daarna visioen III, dat eigelijk naadloos op visioen 2 aansluit.


Vroeger, voor die tijd, wilde ik, bij al wat ik deed, altijd maar iets te weten komen. Ik vroeg me namelijk af en voortdurend zei ik: Wat is minne en wie is minne? Twee jaar lang had ik dat gedaan.


Hadewijch, visioen II (r. 16-20).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen II en III (Mnl. en hertaling).




Daarna, op een paasdag, was ik tot God gegaan. Hij omvatte mij van binnen, in mijn vermogens, en nam mij op in de geest. En hij voerde mij in het aanschijn van de heilige Geest, die één wezen is met de Vader en de Zoon. Uit dit gehele wezen ontving ik alle inzichten en las ik elk vonnis over mij af.

En uit dat aanschijn klonk een stem, zó vreselijk, dat ze boven alles uit gehoord werd. Zij sprak tot mij: Kijk hier oude, gij hebt om mij geroepen en gevraagd wie ik minne ben (wie de minne is die ik ben), die ik ben eeuwen reeds voordat de mens bestond. Kijk en ontvang en ontdek mijn geest, want ik ben er minne in.

En als gij mij in jou volbrengt, louter mens in mij, door al de wegen van de volkomen minne te gaan, dan zult ge 'ghebrukelik' ervaren wie ik minne ben. Tot die dag zult gij beminnen. Wat ik ben liefde, en dan zult gij liefde zijn, zoals ik liefde ben. Gij zult, niet minder dan ik, een leven leiden dat liefde is en dit al uw dagen tot aan uw dood, de dag waarop gij levend wordt. Met mijn eenheid ontvangt gij mij en ik heb u ontvangen. Ga en leef wat ik ben en kom terug en breng mij de gehele godheid, en ervaar dan 'ghebrukelik' wie ik ben.

En toen kwam ik weer in mijzelf en ik begreep al wat ik tevoren gezegd had. En ik bleef kijken in mijn hartelijk zoete lief.


Hadewijch, visioen III (r. 1-25).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen II en III (Mnl. en hertaling).


Hadewijch stelt zich twee vragen: wat is minne en wie is minne? En we hebben de vorige keer, in het zesde visioen, al gezien dat Hadewijch de natuur van God, het wezen van God omschrijft als minne. Hier geeft God haar eigenlijk twee antwoorden: eerst laat God zichzelf voelen (in r.12): 'ontvang mijn geest, want ik ben er minne in'. Het eerste antwoord is dus: de geest, of het wezen, van God is minne.

En daarna geeft hij haar de opdracht om als puur mens alle wegen van de minne te gaan en daarbij God in zichzelf te volbrengen ('du mi di volbringhes') - en aangezien het wezen van God liefde is, dus om de goddelijke liefde in zichzelf te volbrengen. Deze weg van de minne leidt tot het ghebruken ('soe saltu mijns ghebruken'). In r.16: 'en dan zult gij liefde zijn, zoals ik liefde ben' (ende dan saltu minne sijn alsoe ic minne ben).

En wat zegt God in de slotregel? In r. 21: 'Ga en leef wat ik ben en kom terug en breng mij de gehele godheid, en ervaar dan 'ghebrukelik' wie ik ben'. Ga en leef wàt ik ben (dus leef uit liefde), en kom terug en breng mij dan de gehele godheid. Breng mij de gehele godheid.

Dit doet denken aan zinnen van Hadewijch waar wij in de tweede bijeenkomst op waren gestuit, toen we het 6de visioen hebben gelezen. Het is alweer een tijdje geleden, maar jullie zullen ze vast herinneren: Hadewijch wordt daar 'god en mens' genoemd. Vanaf r. 87:


Ik leid u, god èn mens, weer de wrede wereld in. Daar zult ge alle soorten van dood proeven, totdat ge weer hier komt, in de gehele naam van mijn ghebrukens, waarin ge nu, in mijn diepheid, gedoopt zijt.


Hadewijch, visioen VI (r. 87).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen VI (Mnl. en hertaling).


'Dood' betekent bij Hadewijch de toestand van het afgescheiden zijn van God. Zij moet dus door die toestand van het 'dood-zijn' heen, in de wrede wereld, haar leven leven zònder dat zij God voortdurend ervaart, om terug te keren naar God.

En Hadewijch zèlf wordt 'god èn mens' genoemd. Als 'god en mens' gaat zij de wrede wereld in om, door alle soorten van dood heen, door het ghebreken heen, toe te groeien naar het ghebruken, om als mens toe te groeien naar het goddelijke.

Hadewijch legt dit ook uit in haar 29ste brief.


Al heb ik dat alles in de minne in mijn eeuwig wezen, ik heb het nog niet in ghebrukene van minne in mijn eigen wezen. Ik ben immers een mens, en die moet met Christus lijden tot de dood: door de waarachtige liefde moet men schande lijden te midden van al de vreemden, totdat de minne zichzelf wordt, todat ze in ons door de deugden tot volwassenheid komt. Op die manier wordt de minne met de mens één'.


Hadewijch, brief 29 (r. 87-95).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 29 (Mnl. en hertaling).


Hadewijch heeft de minne, het goddelijke, al in haar eeuwige wezen. Maar ze heeft die nog niet tot volwassenheid gebracht met behulp van de deugden. Als een mens dàt doet, als de mens de minne tot volwassenheid brengt door middel van de deugden, dan wordt de mens één met de minne, gelijk aan het goddelijke.

In haar zesde brief daar zegt Hadewijch het prachtig; ik zal het betreffende fragment eerst de vertaling lezen en daarna het oorspronkelijke Middelnederlands:


Hij [God] is in de hoogheid van het ghebruken, wij zijn in de laagheid van het ghebreken. Namelijk gij en ik - wij die nog niet geworden zijn wat we zijn, die nog niet verkregen hebben wat we hebben, die nog zo ver verwijderd zijn van wat van ons is. Wij moeten zonder voorbehoud alles loslaten en uitsluitend, onverschrokken het volmaakte leven van de liefde leren, die ons beiden aangeraakt heeft tot haar werk.


Hadewijch, brief 6 (r. 29-36).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 6 (Mnl. en hertaling).




Want hi es in de hoecheit sijn ghebrukens, ende wi sijn in de diepheit ons ghebreekens. Namelike ghi ende ic, die noch niet worden en sijn dat wi sijn ende noch niet vercreghen en hebben dat wi hebben; Ende dien noch soe verre sijn dat onse es, wi behoeven sonder sparen al omme al te darvene ende enichlike ende ghenendichleke te leerne dat volmaecte leven der minnen, die ons beiden beruert hevet te haren werke.


Hadewijch, brief 6 (r. 29-36).


Hadewijch zegt: 'wij zijn nog niet geworden wat we zijn, we hebben nog niet verkregen wat we al hebben'. 'We zijn nog zo ver verwijderd van wat eigenlijk van ons is, de liefde'. In feite zegt Hadewijch: we hebben de minne al wel, we hebben het goddelijke in ons, maar we hebben het nog niet ontwikkeld, tot volwassenheid gebracht, verwerkelijkt. En hoe kun je dat verwerkelijken? Door hier op aarde je aardse leven te leven, door je liefde te laten groeien door de deugden, door volwassen te worden, zelfstandig te worden, fier te worden.

Ghebreken: je aardse leven leven, geestelijke groei
  • je de deugden eigen maken
  • je liefde laten groeien (door de deugden)
  • volwassen worden, zelfstandig worden
  • fier worden

Dit kan niemand je leren, zegt Hadewijch, dit moet je zelf doen. Bijvoorbeeld in haar 24ste brief, zagen we eerder al de laatste regel:


Want men kan niemand de minne leren, maar deze deugden leiden de mens helemaal tot de minne.


Hadewijch, brief 24 (r. 110-111).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 24 (Mnl. en hertaling).




Het goddelijke in de mens


Hadewijch zegt zelf: het lijkt misschien wel vreemd en ongodsdienstig wat ik allemaal zeg over God en over de mens. Maar het verwondert haarzelf niet, schrijft ze in brief 28:


Wie zo lang in God gebleven is dat hij dergelijke wonderen begrijpt, namelijk hoe God is in zijn godheid, die lijkt dikwijls, in het oog van de godvruchtige mensen die dit niet kennen, ongodsdienstig omdat hij zo vergoddelijkt is, onstandvastig omdat hij zo standvastig is en onwetend omdat hij weet.

Ik zag God als God en de mens als mens. En op dat ogenblik verwonderde het me niet dat God God was en de mens mens. Daarna zag ik God als mens en ik zag de mens vergoddelijkt. En op dat ogenblik verwonderde het me niet dat de mens verzaligd was in God.


Hadewijch, brief 28, r. 225.

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 28 (Mnl. en hertaling).


Ik herhaal even de laatste alinea in het Middelnederlands:


Ic sach gode god ende den mensche mensche. Ende doe verwonderde mi niet, dat god god was, ende dat de mensche mensche was. Doen saghic gode mensche, ende ic sach den mensche godlec. Doen verwonderde mi niet dattie mensche verweent was met gode.


Hadewijch, brief 28, r. 225.

In: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).


Hadewijch verwoordt het hier: 'ic sach den mensche godlec', 'ik zag de mens goddelijk'. In al deze teksten beschrijft Hadewijch dus de weg die je kunt gaan om goddelijk te worden.

Dit is de weg die door het ghebreken loopt, om zo te groeien van kinsheit naar volwassenheid, geestelijke volgroeidheid. Je kunt deze geestelijke volwassenheid bereiken door het je eigen maken van de liefde (liefde voor je medemens en liefde voor God) en door het je eigen maken van de deugden (waaronder zelfkennis, wijsheid en geduld). Op deze manier groei je naar God toe, ga je God gheliken (gelijken) en kun je naar God terugkeren als 'mens ènde gode'.

Hadewijch beschrijft deze weg ook wel als de navolging van Christus. Aan het einde van het eerste visioen zegt Christus tegen haar (blz. 33):


Ik wil dat ik door u zo volmaakt nageleefd wordt in alle deugden ter wereld, dat ge op geen enkel punt bij mij achterblijft. (...)

Zó wordt men god en blijft het voor eeuwig.


Hadewijch, visioen I (r. 311).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen I (Mnl. en hertaling).


Hier is Hadewijch heel duidelijk: 'Zó wordt men god en blijft men het voor eeuwig'. Door de deugden volmaakt te beoefenen en de liefde tot volwassenheid te brengen, kan iemand opgroeien tot hij 'god met Gode' is.

Ghebreken: je aardse leven leven, geestelijke groei
  • je de deugden eigen maken *
  • je liefde laten groeien (door de deugden)
  • volwassen worden, zelfstandig worden
  • fier worden
  • het goddelijke in jezelf verwezenlijken

* de deugden: zelfkennis, nederigheid, krachtige vrije wil, inzicht, liefde voor God, wijsheid, geduld, trouw, naastenliefde, vrede, en ten slotte de ervaring van God, die men 'in geloof begint, en in liefde voltooit'.

Als je het goddelijke in jezelf hebt verwerkelijkt (de deugden en de liefde), als je die lange, moeilijke, eenzame weg naar geestelijke volwassenheid bent gegaan, dan kun je God fier tegemoet. Dat heb ik de vorige week al verteld naar aanleiding van het eerste visioen. Hadewijch wil voor God knielen, maar God zegt dan: 'sta op, gij zijt zonder begin in mij, geheel vrij en niet gevallen'.

Hadewijch beseft daar in het eerste visioen dat je naar God kunt toegroeien, ze ziet de weg langs de deugden en de liefde en ze beseft dat als je die weg gaat, dat je dan God met opgeheven hoofd tegemoet kunt, fier. Dit begrip fierheid is iets heel karakteristieks voor Hadewijch, je vindt dat verder nergens in de Middeleeuwen.

En in het 12de visioen gebeurt iets soortgelijks. Een engel zegt dan tegen Hadewijch:


Tracht het uit te houden en wacht nog, val niet voor dit aanschijn neer. Die voor het aanschijn in aanbidding neervallen, ontvangen genade, maar die staande blijven en door het aanschijn heen kijken, die ontvangen gerechtigheid. Zij worden in staat gesteld de diepe afgronden te ervaren welke met zo'n huiver beschouwd worden door wie er niet vertrouwd mee is.


Hadewijch, visioen XII (r. 36).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen XII (Mnl. en hertaling).


Ik moet hier altijd aan de uitspraak van Hadewijch denken: 'Wie zoveel van God begrijpt, lijkt soms ongodsdienstig omdat hij zo vergoddelijkt is'.

Maar Hadewijch blijft in dit 12de visioen staande voor het aanschijn van God en later kijkt ze naar het aanschijn en dan zegt de serafijn, die haar dan begeleidt:


Kijk, dit is de minne, die gij ziet midden in de aanschijn van Gods natuur. Nooit werd zij hier aan een schepsel geopenbaard.


Hadewijch, visioen XIII (r. 86).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).


Ook in het visioen daarvoor, het elfde visioen, gaat Hadewijch God fier tegemoet en zij beseft dan dat zij de mensheid naar de godheid toe moet beminnen en de mensheid en de godheid als één werkelijkheid moet zien.


Toen het ogenblik gekomen was dat ik vertroost zou worden en God mij de volkomen fierheid in minne zou laten ondervinden, toen leerde ik hoe men de mensheid naar de godheid toe moet beminnen en beide, zoals recht is, als één werkelijkheid erkennen. Dàt is het meest waardevolle leven dat ooit in Gods rijk geleefd werd. En deze rust verleende God mij te gelegener ure.


Hadewijch, visioen XI (r. 176).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen XI (Mnl. en hertaling).


Uiteindelijk zijn de mensheid en de godheid één werkelijkheid. Dit is voor Hadewijch een van de meest waardevolle inzichten; de erkenning hiervan geeft haar rust.

Als een mens dit heeft bereikt, volwassen is geworden, de deugden en de liefde heeft verwerkelijkt, goddelijk is geworden en God fier tegemoet durft, dan beschrijft Hadewijch de ontmoeting tussen mens en God als volgt (brief 28):


Tussen God en de zalige ziel die god met God geworden is, heerst een geestelijke liefde. En wanneer God deze geestelijke liefde in de ziel openbaart, dan rijst in haar een tedere vriendschap. Dat betekent: zij voelt in haarzelf hoe God haar vriend is, vóór elk verdriet en in elk verdriet en door elk verdriet heen.


Hadewijch, brief 28.

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 28 (Mnl. en hertaling).


Dit is een van de plaatsen waar ze de uitdrukking 'god met Gode' gebruikt: de zalige ziel is 'god met Gode' geworden.

Hadewijch beschrijft vervolgens God als vriend: dus een beeld van wederzijdse affectie en gelijkwaardigheid. Je vindt dat bij meer mystici, zowel in de Middeleeuwen als in latere eeuwen. In Duitsland en Brabant had je groepen godsvrienden, waar ook Ruusbroecs kleine parochie in Groenendaal waarschijnlijk toe gerekend kan worden. (Dit heeft overigens een grondslag in de Bijbel, omdat Jezus daar zegt: jullie zijn geen slaven, maar vrienden (Joh. 15:15)). Mystici benadrukken daarmee een affectieve en gelijkwaardige relatie tussen de geestelijk volgroeide mens en God.

Daarnaast wordt God, de persoonlijke God, door veel Westere mystici beschreven als Vader, of bij mystici die uitgaan van het androgyne principe van de godheid, God als vader-moeder. Dit is een heel bekende manier om God te beschrijven, we vinden die ook al bij Jezus.

We zagen dat Hadewijch in het eerste visioen hierover zei, dat 'Vader, Zoon en Heilige geest' namen zijn, waarmee bannelingen, die ver van de minne verwijderd zijn, God proberen te begrijpen. Mogelijk zegt zij hier ook mee, dat het beeld van een vader (een ongelijkwaardige relatie, nl. vader-kind) vooral geldt voor mensen die de weg van de minne nog niet zijn gegaan, en dus geestelijk onvolgroeid zijn, onvolwassen.

En als derde, en dat vind je vooral heel veel in de late Middeleeuwen, wordt God beschreven als Geliefde of als Bruidegom. De ziel die geestelijke gegroeid is, die volmaakt is geworden, wordt dan de bruid. Meestal is het Christus die wordt voorgesteld als de bruidegom, Christus als God die naar de aarde kwam en zich aan de mens gelijk maakte; waardoor ook die verbintenis, voorgesteld als het huwelijk, tot stand kan komen. Bernardus van Clairveax heeft dit beeld eigenlijk ingang doen vinden (verwijst hierbij naar het Hooglied) en in de eeuwen daarna vind je dit beeld heel veel in de kringen van het armoede-ideaal.

De beelden van een 'vriend' en 'bruidegom' voor de verstandhouding tussen de geestelijk volgroeide mens en God, hebben als overeenkomst dat het gaat om verbinding, om een affectieve en gelijkwaardige relatie.

God/Christus voorgesteld als:
  • vader / vader-moeder
  • vriend
  • geliefde / bruidegom



Bruidsvisioen: Hadewijch als bruid


En dat is het laatste wat wij nu van Hadewijch gaan lezen: het bruidsvisioen, dat is het 10de visioen.

Terwijl zij in Visioen I nog stelde dat ze te jong en onvolwassen was, is ze hier duidelijk volwassen en opgegroeid tot de bruid van Christus. Zij bevindt zich in dit visioen in een stad. Daar vliegt een arend (symbool van de evangelist Johannes), die de bruiloft aankondigt.

Hij zegt dat de bruid opgegroeid is in het 'vreemde land' (op aarde). De stad staat voor haar vrije bewustzijn (of vrije geweten), de versierselen zijn haar deugden, om de stad staat haar ijver en de bruid is haar ziel.

Een stem zegt dan: 'Zie hier, dit is mijn bruid'. De minne van Hadewijch is volmaakt en zij heeft God beleefd zowel als God, als als mens. Hadewijch krijgt dan een mystieke ervaring (on-middellijk, zonder middelen, zonder beelden), in ghebrukene (ervaring van God of de goddelijke liefde).


Op het feest van sint Jan de evangelist, in de kersttijd, werd ik in de geest opgenomen. Daar zag ik een stad in gereedheid brengen, zo nieuw als Jeruzalem - zo heette ze en zo zag ze eruit. Men tooide haar met allerlei nieuwe versierselen, onzegbaar mooi.

(...)

(r. 11) En midden door de verheven stad vloog een arend, die met krachtige stem riep: Gij allen, heren en heerschappijen, hier zult gij het blijvende karakter leren kennen van uw heerlijkheid. En nog eens vloog hij door de stad en riep: Het ogenblik is nabij. Gij allen die levend zijt, verenigt u met haar die leeft uit het leven.

En een derde keer riep hij: Gij die dood zijt, komt naar het licht en naar het leven, en gij allen die niet klaar zijt maar toch niet te naakt om onze bruiloft mee te maken, komt delen in onze overvloed, en erken de bruid die door de minne alle nood, hemelse zowel als aardse, door en door gekend heeft. Zij is in het vreemde land door de nood zo door en door bezocht geworden, dat ik haar nu zal laten zien hoe zij, in het land der duisternis, opgegroeid is. En zij zal groot zijn, haar rust zien en de stem van de heerschappij zal haar helemaal toebehoren.

(...)

(r. 48) Toen hoorde ik een stem die heel luid riep: Vrede zij u allen, nieuwe vrede en elke nieuwe blijdschap. Ziehier, dit is mijn bruid. Al wat gij doet, dat heeft zij met volmaakte minne doorgemaakt. Zo sterk is haar minne, dat allen erdoor opgroeien. En Hij zei: Zie nu, bruid en moeder, gij hebt Mij alleen als God èn mens kunnen beleven. Kijk maar hoe degenen die geroepen zijn om ten opzichte van alle aardse rust eunuch te zijn, worden wat gij voor hen allen zijt: niemand heeft ooit zoals gij het aardse gif smaakloos gevonden; niemand heeft bij de mensen zo onmenselijk veel geleden. Gij zult alles ten einde toe doorlijden, gesterkt door wat Ik ben, en wij zullen één blijven. Geniet mij nu, geniet wat Ik ben dankzij de kracht van uw overwinning. En wie verzadigd worden zullen eeuwig leven putten uit u.

(r. 62) En de stem omving mij met een ongehoorde wonderlijkheid. Ik viel in Hem en mijn geest schoot te kort om nog meer te kunnen zien en horen. een half uur bevond ik mij in die genieting. Maar toen was de nacht al voorbij en ik kwam weer in mezelf, jammerlijk klagend over mijn verstoting, iets wat ik heel deze winter al gedaan heb.

(...)


Hadewijch, visioen X (r. 1-25, 48-70).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen X (Mnl. en hertaling).


Dat Hadewijch in dit visioen als bruid van Christus wordt voorgesteld, is het eindpunt van een ontwikkeling - daar begin je niet, aan het beginpunt van je religieuze weg.

Jullie zullen je herinneren, dat Hadewijch in haar eerste visioen stelt: "ik was echter te jong en te weinig volwassen". In het zesde visioen vermeldt zij dat zij 19 jaar oud was. In dit tiende visioen, een van de laatste die zij heeft opgetekend, is zij de bruid van Christus - duidelijk een beeld van juist volwassenheid. Er wordt bij vermeld dat zij 'in het land der duisternis (dus op aarde) opgegroeid is'. Hadewijch begint dus jong en onvolwassen, groeit op in het ghebreken, en is uiteindelijk de (volwassen) bruid van Christus. Dit wijst erop dat er een ontwikkeling zit in de visioenen.

Ook zagen we al eerder dat Hadewijch eerst wordt begeleid door een engel der tronen (visioen I) en later door een serafijn (visioen XIII). Ook dat wijst op groei, een opgang door de engelenkoren, steeds nader tot God. De engelenkoren die de ruimte tussen aarde en empyreum geheel opvullen, lijken dus niet alleen te werken als doorgevers van boodschappen van God aan de mens, maar ook als treden, graden van ontwikkeling, die de opgang van de mens tot God aangeven.

We weten niet wanneer de visioenen zijn opgetekend (alleen dat het rond 1240 was, zoals ik vorige week heb verteld), maar mogelijk zijn ze opgetekend over het verloop van enige of zelfs vele jaren. Dan zou de ontwikkeling, de opgang, de groei van kindsheid naar volwassenheid in de visioenen, een weerslag kunnen zijn van de geestelijke groei die Hadewijch in die jaren doormaakte in het ghebreken, haar aardse leven, het zich eigen maken van de deugden en de liefde.


In dit tiende visioen zien we, tot slot, nog eens twee belangrijke fundamenten van waaruit Hadewijch schrijft: de Bijbel en de Cisterciënzer spiritualiteit of de Bernardijnse spiritualiteit.

Op de eerste plaats zijn duidelijke overeenkomsten in beelden met de Openbaring uit het Nieuwe Testament, waar ik bij andere visioenen al eerder op wees. De arend (oftewel adelaar) staat symbool voor de evangelist Johannes (het beeld voor Mattheüs is een gevleugelde mens; Markus is een leeuw; en Lukas een stier). Het 'nieuwe Jeruzalem' zal volgens Openbaring 21-22 de uiteindelijke woonplaats zijn van de christenen.


'En terstond werd ik in den geest; en ziet, er was een troon gezet in den hemel, en er zat Een op den troon. (...) En voor den troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden des troons, en rondom den troon, vier dieren.' Openbaring 4:2/6.

'En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.' Openbaring 21:2.



Op de tweede plaats sluit Hadewijch met haar bruidsvisioenen aan bij de 12e-eeuwse nieuwe spiritualiteit van het armoede-ideaal. Met name bij de Bernardijnse spiritualiteit van Bernardus van Clairvaux: nadruk op de menselijkheid van Christus, op de verinnerlijking van het geloof en op de affectieve beleving van het geloof.

Als ideaalbeeld van dat laatste, schetst Bernardus een geestelijk huwelijk tussen Christus als bruidegom en de ziel als bruid.



Ideaal bereikt


Hadewijch heeft een positief mensbeeld en de fragmenten hierboven laten een steeds vergaander, steeds hoger ideaal zien. De mens kan naar God toegroeien langs de weg van de deugden en van de minne; kan zelfs god worden ('zo wordt men god en blijft het voor eeuwig'); en de mens kan uiteindelijk 'god met Gode' worden.

We moeten hierbij bedenken dat voor Hadewijch de mens geschapen is door God (dus een goddelijk schepsel is) en volgens Genesis als enige schepsel naar diens evenbeeld geschapen is. De mens is het middelpunt en hoogtepunt waar de hele schepping om draait. Het goddelijke zit dus als het ware, vanuit het verhaal in Genesis, al ingebakken (denk aan: 'wij zijn nog niet geworden wat we zijn').

Vandaag is de vraag langsgekomen, dat het ideaal van Hadewijch heel 'haalbaar' lijkt: je moet je een aantal deugden eigen maken (doen wat deugt) en bewust liefde gaan voelen voor je medemens en voor God - en dan ben je al goddelijk, word je 'god' met Gode. Maar dan moeten we terug naar het middeleeuwse wereldbeeld, dat lineair is: de mens heeft één leven in het christelijke geloof, en in die tijdspanne van 60, 70 jaar moet de hemel natuurlijk wel haalbaar zijn (anders dan bij bijv. Boeddhistische stromingen, waar het vele, vele levens kan duren om verlicht worden).

De andere vraag was: wordt God zo niet erg 'klein' en menselijk voorgesteld, als niet meer dan een soort deugdzame, liefdevolle man? Ja, maar dan moet je wel blijven bedenken, dat de middeleeuwse mystici God steeds op twee manieren beschrijven: een persoonlijke God (een Ander, die werkzaam is d.m.v. inzicht/liefde, licht/warmte), èn als die a-persoonlijke God (oneindig, alles overstijgend, een zee, een draaikolk), die in rust kan zijn, maar in beweging kan komen en dan scheppend kan zijn. Dat ondervangt het probleem van God als niets meer dan een soort grootse man. Want dat kunnen ontzaglijke, alles overstijgende en overweldigende beelden zijn, dat hebben we in de visioenen van Hadewijch ook gezien - en de mens is naar het beeld van de persoonlijke God, niet naar die scheppende kracht, die a-persoonlijke God.

Zo blijft Hadewijch steeds geworteld in de denkwereld en geloofswereld van haar tijd. Maar op dat fundament heeft zij een beeldend, levendig, persoonlijk, sprekend oeuvre gebouwd, waarin zij onophoudelijk streeft naar wat zij als het allerhoogste ziet, de minne, en na veel strijd, verlatenheid en ontberingen in dit tiende visioen haar ideaal bereikt, om geestelijk opgegroeid, volwassen en fier als bruid voor God te staan - in volmaakte minne.


In r. 63 zegt Hadewijch dan 'ende mi ghebrac des gheests meer te siene ende te hoorne': mijn geest schoot tekort om nog meer te kunnen zien en horen. En mijn geest schiet tekort om nog meer over Hadewijch te kunnen zeggen. Daarmee loopt onze (veel te korte en beperkte) kennismaking met de visioenen, de brieven en de liederen van Hadewijch ten einde.

Ter afsluiting zal ik een overzicht uitdelen (hand-out) met daarop puntsgewijs wat we de afgelopen weken hebben gezien over Hadewijchs mensbeeld en godsbeeld.



Afronding van deze bijeenkomst


Deze laatste bijeenkomst over Hadewijch ging over de betekenis van het ghebreken: waarom moet de mysticus, of elk mens, hier op aarde gewoon zijn aardse leven leven?

•  De mens kan, zegt Hadewijch, naar God toegroeien door de weg van de deugden en de weg van de liefde. Tijdens je aardse leven, kun je je deugden en liefde eigen maken, tot volwassenheid brengen.

•  Als je je de deugden en de liefde eigen maakt, volwassen (volgroeid) wordt, zelfstandig wordt, dan kun je uiteindelijk God gaan gheliken.

•  Hadewijch ziet de mens als goddelijk (den mensche godlec). In haar visioenen wordt zij 'god en mens' genoemd, als zij de goddelijke minne in zichzelf volbrengt, dan kan zij God 'de gehele godheid' brengen.

•  Nog sterker wordt gesteld: beoefen de deugden volmaakt en breng de liefde tot volwassenheid: 'zo wordt men god en blijft het voor eeuwig'. Dan kan de mens 'god met Gode' worden en God fier tegemoet.

•  Hoewel de mens 'god met Gode' wordt, wordt de mens nooit God - er is een eeuwig onderscheid tussen de mens en God als schepper. God blijft altijd die goddelijke Ander.

•  Voor de volgroeide ziel wordt God beschreven als vriend of als bruidegom. Dit duidt op verbinding en op een affectieve en gelijkwaardige relatie.

•  Onder de belangrijke fundamenten van waaruit Hadewijch schrijft, valt dus ook de Bernardijnse spiritualiteit:
  • de middeleeuwse kosmologie
  • het rooms-katholieke geloof
  • de joods-christelijke Bijbel
  • de 12de-eeuwse Bernardijnse spiritualiteit



Samenvatting en overzicht  (hand-out):
Hadewijchs visioenen en brieven



We hebben de afgelopen drie weken een heel aantal fragmenten gelezen uit Hadewijchs Visioenen, Brieven en Strofische liederen. Door fragmenten thematisch gegroepeerd te lezen, heb ik in deze drie bijeenkomsten geprobeerd enig zicht te krijgen op haar mensbeeld en godsbeeld.

Hadewijch heeft geen werk geschreven met een vastomlijnde, uitgewerkte leer - maar Jan van Leeuwen noemt haar niet alleen een heylich glorieus wijf maar ook een ghewareghe lereesse (heilige, roemrijke vrouw en waarachtige lerares).

Wat wilde Hadewijch uitdragen als begijnenleidster aan haar vriendinnen? Welke inzichten heeft zij op het perkament vast willen leggen? Ik zet de belangrijkste dingen die we hebben langs zien komen, hier nog eens op een rijtje.


Visioenen en mystieke ervaringen

•  In de teksten van Hadewijch kun je drie soorten religieuze ervaringen onderscheiden: de plotselinge mystieke ervaring die je zomaar overkomt; het visioen, een ervaring mèt beelden; en de 'volgroeide' mystieke ervaring (naar God toegroeien d.m.v. deugden en liefde, God gaan gheliken).

•  Tijdens haar visioenen en godservaringen is Hadewijch 'opgenomen in enen gheeste': opgenomen in een van de engelensferen (zij beschrijft het als buitenlichamelijke, geestelijke ervaringen).

•  Hadewijch beschrijft de mystieke ervaring met het woord ghebruken (genieten; het intens, liefdevol ervaren van de goddelijke liefde). Dit staat in tegenstelling tot het ghebreken (eenzaamheid, verlangen, je aardse leven leven).

•  In het eerste visioen is Hadewijch 'jong en onvolwassen' en wordt zij begeleid door een troonengel (twee-na-hoogste engelenkoor). In het tiende visioen is Hadewijch de bruid van Christus. En in het dertiende visioen wordt Hadewijch begeleid door een serafijn (hoogste engelenkoor). Dit lijkt te wijzen op groei naar volwassenheid, op een ontwikkeling door de visioenen heen.


Het godsbeeld van Hadewijch

•  Hadewijch beschrijft God in paradoxen: transcendent en immanent, a-persoonlijk en persoonlijk. Het kerkelijke beeld van de Drie-eenheid vindt zij ver van de minne staan.

•  Het wezen en de natuur van God is minne, liefde.

•  God is een bron van inzicht: zelfkennis en godskennis.

•  God is een kracht (een draaikolk). In rust gekenmerkt door donker, bij beweging gekenmerkt door licht en vuur (licht en warmte).


Het mensbeeld van Hadewijch

•  De mens bestaat uit drie onderdelen: een natuur, een ziel en een lichaam (dus een onvergankelijk en een vergankelijk deel). De eeuwige ziel is stevig, als een stam, het lichaam is vergankelijk, als een bloem.

•  De weg naar God loopt langs je het je eigen maken van de deugden (dat wat deugt) en van de liefde (naastenliefde en godsliefde).

•  Als de mens deze weg gaat, dan kan hij/zij God met opgeheven hoofd, staand, niet knielend, fier, tegemoet.

•  In het ghebreken, het leven van je aardse leven, de weg gaan langs de deugden en de minne, kun je naar God toegroeien, het goddelijke in jezelf tot volwassenheid brengen (de minne tot volwassenheid brengen door middel van de deugden), God gaan gheliken (gelijken), goddelijk worden, 'god met Gode' worden.
(N.B.: niet 'God worden', want God, de schepper, is juist die Ander).

•  Hadewijch beschrijft de verhouding tussen (de geestelijk volgroeide of zalige) mens en God zowel met 'vriendschap', als met het beeld van 'bruid en bruidegom'. Dit zijn beide beelden van verbinding, affectie en gelijkwaardigheid.



Slotadvies: lees het geheel


Drie bijeenkomsten zijn natuurlijk veel te kort om uitputtend kennis te maken met Hadewijchs teksten en gedachtegoed. We hebben slechts fragmentarisch in haar teksten kunnen lezen.

Ik raad jullie dan ook aan om de komende twee weken te gebruiken om haar visioenen en brieven in hun geheel te lezen en te luisteren naar Hadewijchs eigen stem, zoals die uit de teksten spreekt.



Volgende bijeenkomst


De volgende keer, dus over twee weken, gaan wij naar Jan van Ruusbroec.

Fijne vakantie en tot over twee weken.



Achtergrondinformatie


De cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen bestaat uit zeven bijeenkomsten. De mystieke teksten van Hadewijch en Ruusbroec worden hierin in een cultuur-historische context gelezen.

•  Over deze cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen: inhoud en opzet.

•  Achtergrondliteratuur bij deze cursus: over de Middeleeuwen, Hadewijch, Ruusbroec en middeleeuwse mystiek.

•  Over de docente Rozemarijn van Leeuwen.

•  Reacties lezen of zelf een reactie achterlaten.

•  Teksten van Hadewijch en Ruusbroec: fragmenten in het Middelnederlands en in hedendaagse hertaling.



Copyright


©  Bovenstaande tekst is een onderdeel van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

Het is niet toegestaan om deze tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen of mystiek
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: door het ghebreken   ↑
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >