RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici
 • Bijlagen en vgv

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Bijeenkomst 6/7.  De verschrikkelijke veertiende eeuw

Onderwerpen dit uur:
  • Ruusbroec en de 14de eeuw
  • De maatschappij in de 14de eeuw
  • De kerk in de 14de eeuw
  • Ruusbroecs reactie op zijn tijd



Ruusbroec en de 14de eeuw


Vorige week hebben we kennis gemaakt met Jan van Ruusbroec (1293-1381), dankzij het verslag dat broeder Geraert over hem had geschreven. Ik hoop dat jullie nou een beetje een beeld hebben van de levensloop van Ruusbroec: eerst is hij als priester en kapelaan verbonden aan de St. Goedelekerk in Brussel, als hij 50 is gaan Ruusbroec, Jan Hinckaert en Wouter Rademaker naar Groenendaal, en enkele jaren later nemen zij de regel van Augustinus aan en worden zij kloosterlingen. En vanaf dat moment gaat hun stichting ook steeds meer uitgroeien.

Vandaag ga ik het hebben over de tijd waarin Ruusbroec leefde: wat gebeurt er op maatschappelijk en religieus gebied in de veertiende eeuw; in hoeverre is Ruusbroec een kind van zijn tijd en in hoeverre reageert hij op gebeurtenissen in zijn tijd? Ook kom ik terug op de vraag van volgende week: welke bedoeling had Ruusbroec met zijn Middelnederlandse geschriften?

De kartuizer monnik broeder Geraert schreef in zijn verslag dat er behoefte was aan een onderricht in het Diets, omdat er enkele huichelachtigheden en tegenstrijdigheden de kop op hadden gestoken. Daar zal ik aan het einde van dit uur op terugkomen.



De maatschappij in de 14de eeuw


Eerst ga ik het hebben over de tijd waarin Jan van Ruubroec leefde: de maatschappelijke en religieuze omstandigheden van zijn tijd. Ruusbroec leeft en schrijft in de veertiende eeuw. Hij leeft van 1293 tot en met 1381 en hij heeft dus vrijwel de gehele 14de eeuw meegemaakt.

En nu is de 14de eeuw een heel andere eeuw dan de 12de of de 13de eeuw. Je zult je van de 12de eeuw herinneren dat dat een eeuw was van grote bloei, op economisch gebied, op cultureel gebied, op religieus gebied. De steden groeien, de universiteiten ontstaan, men gaat in opdracht van het hof literatuur in de volkstaal schrijven. Wat betreft het christendom is de paus in de 12de en 13de eeuw op het toppunt van zijn macht, ook wereldlijke macht. Kloosters groeien en worden steeds rijker. Als tegenbeweging komt er in de 12de eeuw die armoede-beweging op, er komt een enorm proces van verinnerlijking op gang, affectief beleefde religie; vooral sterk onder invloed van Bernardus van Clairveax.

De 13de eeuw is in veel opzichten een voortzetting van de 12de eeuw. De armoedebeweging zet zich voort (denk aan de fransciscanen, dominicanen en cistercienzers en buiten de kloosters de begijnenbeweging). De deelname van vrouwen aan religieuze bewegingen groeit, zowel binnen als buiten de kloosters; en in die kringen zijn het dan de vrouwen die in de volkstaal over religie beginnen te schrijven. Verinnerlijking en affectief beleefde religie staan centraal in de 13de eeuw.

De 14de eeuw, de eeuw van Jan van Ruusbroec, kan ik kortweg omschrijven als een ramp-eeuw. Het is een verschrikkelijke eeuw; hij wordt wel genoemd: de waanzinnige 14de eeuw. Wat gebeurt er dan allemaal in de 14de eeuw?


slag crecy kroniek froissart 1346

Honderdjarige Oorlog,
slag bij Crécy, Kroniek van Froissart, 1346.
-klik voor vergroting-


* Ten eerste: ruim honderd jaar lang blijft de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk zich voortslepen, en Vlaanderen zit daarbij tussen twee vuren (onrust, onzekerheid, onveiligheid). Dat is van 1337-1453.

* Ten tweede: is er sprake van een machtstrijd binnen de landsgrenzen van veel Europese landen. Ook in Vlaanderen en Brabant ontwikkelt zich heel sterk een machtsstrijd tussen aan de ene kant de traditionele heersers, vorsten, adel, graven en hertogen, en aan de andere kant de steden (de groeiende steden), de bestuurders en de gilden. Een machtstrijd dus tussen de adel en de steden.

* Ten derde: verschillende keren mislukken de oogsten volledig, met hongersnoden als gevolg, vooral in de jaren 1315-1317. Het gevolg is een onstabiele economie.

* En tot overmaat van ramp, op de vierde plaats, wordt Europa verschillende keren getroffen door pestepedimieën, vooral in de periode 1347-1351. Miljoenen mensen sterven in die periode in Europa aan de pest, ongeveer een derde van de bevolking.

Al deze dingen veroorzaken grote maatschappelijke onrust, heel bekend zijn de boerenopstanden: in Vlaanderen in 1332 en in Frankrijk in 1358 en in Engeland in 1381. Bekend is het beeld van boeren met hooivorken en rieken (omdat het bezit van wapens was voorbehouden aan de adel, zij hadden het geweldsmonopolie). De oorzaak van de boerenopstanden was de steeds hogere belastingdruk die werd opgelegd door de adel, die verarmd was door de slechte economie, maar wel de dure oorlogsvoering moest bekostigen.

De 14de eeuw
  • Honderdjarige Oorlog (1337-1453)
  • machtsstrijd adel - steden
  • hongersnoden (1315-1317)
  • de pest (1347-1351)
  • boerenopstanden (1358, 1381)

Tijdens de ergste hongersnoden is Jan van Ruusbroec 22 jaar oud, het is een paar jaar voor zijn priesterwijding. Bij het begin van de Honderdjarige Oorlog is Ruusbroec 44 jaar oud, hij is op dat moment nog kapelaan in de Sint Goedelekerk in Brussel. In de periode van de Zwarte Dood, de pest, is hij rond de 55, hij woont dan al in Groenendaal, in het Zoniënwoud.


pestlijders in gasthuis lijders aan pest in italie

Pestlijders in een Italiaans gasthuis
met geestelijken als verzorgers.
-klik voor vergroting-




De kerk in de 14de eeuw


Conflict over armoede-ideaal

Maar niet alleen maatschappelijk is de 14de eeuw een roerige tijd. Ook de kerk heeft het deze eeuw moeilijk. Op de eerste plaats speelt er een conflict met de fransciscanen, de minderbroeders. Zij leven in de lijn van het armoede-ideaal helemaal zonder bezit. De kerk vindt dit echter veel te ver gaan en in 1323 verklaart de paus dat het idee dat Christus zonder bezittingen leefde, ketters is.

Dit grijpt natuurlijk enorm in bij alle groeperingen die vanuit de 12de en 13de eeuw volgens het armoede-ideaal leven, denk ook aan de begijnen. Ook leidt het ertoe dat bijvoorbeeld de franciscanen zich kritischer op gaan stellen naar de kerk toe en vragen gaan stellen bij de macht van de kerk. Dit is dus een groot probleem dat speelt op het religieuze vlak in de 14de eeuw (bijv. ook beschreven in De naam van de roos, van Umberto Eco). Het is dus niet zo dat de kerk het veroordeelt om in armoede te léven, maar het idee dat Christus in armoede leefde wordt ketters, en daarmee wordt natuurlijk een belangrijk fundament onder het armoede-ideaal weggehaald.


Het Westerse Schisma (1387-1417)

In de loop van de 14de eeuw gaat er nog een veel groter en ingrijpender probleem spelen binnen de kerk. In de 13de eeuw heeft de paus veel macht naar zich toegetrokken. Rond 1300 ontstaat er echter een conflict tussen de paus van dat moment (Bonefatius VIII) en de Franse koning (Philips IV de Schone). Dat conflicht loopt zo hoog op, dat de paus de Franse koning ex-communiceert , waarop de koning de paus aanvalt met een legermacht.

In 1303 overlijdt deze paus (een natuurlijke dood, overigens) en zijn opvolger is een Fransman, paus Clemens V, die iets raars doet. Hij verplaatst namelijk in 1309 het pauselijke hof van Rome naar Avignon! Dat is iets heel vreemds, want de paus is in feite de bisschop van Rome. Maargoed, paus Clemens V gaat in het Zuid-Franse Avignon wonen en papt aan met de Franse koning. Ook zijn opvolgers blijven in Avignon wonen en deze toestand duurt tot 1377. Rond die tijd krijgt de paus conflicten met Duitse vorsten, die het niet zo leuk vinden dat de paus helemaal in Avignon zit, en de paus van dat moment (Gregorius XI) keert naar Rome terug.

Maar eigenlijk gaat het dan pas goed mis. In 1378 moet er namelijk een nieuwe paus worden gekozen en dat wordt een Napolitaan, Urbanus VI. Deze krijgt onmiddellijk grote problemen met de kardinalen, en die kiezen dan een tegenpaus: Clemens VII, een Italiaan. Clemens vestigt zich in Avignon. Vanaf 1378 zijn er dus twee pauzen, één in Rome en één in Avignon. Dit is het begin van het zogeheten Westerse Schisma (de Westerse scheuring), en die scheuring in de westerse kerk zal 40 jaar duren, van 1378 tot 1417.

Ruusbroec heeft het begin van het Westerse Schisma nog net meegemaakt, in de laatste drie jaren van zijn leven, vanaf zijn 85e jaar (1378 tot 1381). Het zal hem niet blij en hoopvol hebben gestemd...


pauselijk paleis avignon middeleeuwse afbeelding

Pauselijk paleis in Avignon
-klik voor vergroting-



Breuk geloven-denken

Dus tijdens dit Westerse Schisma is er één paus in Avignon, die is gekozen door de kardinalen; en één paus in Rome, en die heeft ruzie met de kardinalen. Beide pauzen worden ook voordurend weer opgevolgd. Maar dit Schisma zou je wel kunnen zien als symbool voor een veel wezenlijker en veel dieper schisma / scheuring die plaatsvindt in de 14de eeuw (bijna aan het einde van de Middeleeuwen). Er ontstaat een breuk tussen geloven en denken.

Jullie weten, van de vorige keren, dat in de Middeleeuwen het denken doordrenkt is van religie, het geloof is de basis van het denken. Wetenschap is in de Middeleeuwen doordrongen van geloof, denk maar aan de middeleeuwse kosmologie.

Maar in de 14de eeuw verandert dat. Denkers uit de 14de eeuw, zoals Duns Scotus (rond 1300) en Willem van Ockham (franciscaan, 1285-1349), maken onderscheid tussen dat wat het geloof ons leert, en dat wat je kunt bewijzen. Dat is iets geheels nieuws! Vanaf de 14de eeuw komt het denken, de wijsbegeerte, de metaphysica lòs te staan van het geloof. Daardoor krijg je aan de ene kant de wetenschap en aan de andere kant de theologie.

Je ziet hier al ontwikkelingen die later ten tijde van de Verlichting (va. ca. 1650) het belangrijkste uitgangspunt gaan worden van de Westerse cultuur, wetenschap, filosofie, democratie - het Westerse denken. Zolang religieuze ideeën nog een grondslag vormen voor de wetenschap, voor het denken, zal het denken zich niet verder kunnen ontwikkelen, maar vast blijven zitten in overtuigingen die vaak eeuwen eerder, door mensen in nog minder ver ontwikkelde culturen, voor waar werden aangenomen.

Pas bij een scheiding tussen geloof en denken, kan wetenschap leiden tot vooruitgang - zoals de enorme wetenschappelijke en technische vooruitgang van de laatste twee eeuwen. We zullen de volgende bijeenkomst nog zien, hoe ook Ruusbroec, hoewel hij een ongelooflijk diepzinnige en nauwkeurige denker is, vastzit in geloofsovertuigingen uit zijn tijd en van ver voor zijn tijd - en daardoor niet in vrijheid zijn inzichten kan 'uitdenken', scheefloopt, vastloopt. Het laat zien dat, zogauw mensen gaan denken dat hun geloof 'de waarheid' is, het denken tot stilstand komt.


Breuk theologie-vroomheid

Dit schisma, deze scheiding tussen geloof en denken, tussen theologie en wetenschap in de veertiende eeuw, wordt echter nog veel dieper. Door deze verschuiving van wetenschap op basis van geloof naar wetenschap op basis van bewijsbaarheid (dus wetenschap die los komt te staan van het geloof) komt de theologie zoals die aan de universiteiten wordt onderwezen in de knel. Ik simplificeer, maar het komt er op neer dat de theologie óók een wetenschap wil zijn, niet onder het geloof wil vallen, maar een universitaire wetenschap wil zijn. En zo ontstaat er in de 14de eeuw ook een breuk tussen theologie en vroomheid.

Je moet je als het ware voorstellen dat de theologie eerst een knielende theologie was en nu een zittende theologie wordt. Theologie komt los te staan van vroomheid: van een knielende naar een zittende theologie.

Kort gezegd zou je kunnen zeggen: de kerk, de theologie èn het denken dreunen in de 14de eeuw op hun grondvesten. En Jan van Ruusbroec zit daar middenin, als mysticus, als priester, als prior van Groenendaal, als geestelijk leidsman.

De kerk in de 14de eeuw
  • armoede Chr. wordt ketters (1323)
  • paus in Avignon (1309-1377)
  • Westerse Schisma (1378-1417)
  • breuk geloven - denken (bewijsbaarheid)
  • theologie wil ook wetenschap zijn, leidt tot:
    breuk theologie - vroomheid



Ruusbroecs reactie op zijn tijd


Ruusbroec is zeker niet een mysticus die alleen maar in hogere sferen verkeert, of die zich in de afgelegen bossen van het Zoniënwoud terugtrekt uit de maatschappij, hij reagéért op verschillende maatschappelijke en kerkelijke ontwikkelingen van zijn tijd. Maar dat doet hij heel selectief. Van al die punten die er nu op het bord staan, zijn er verschillende dingen waar hij uitdrukkelijk wèl en uitdrukkelijk niet op reageert.

We zullen kijken waar hij op reageert en de vraag stellen 'waarom juist wel daarop'? Wat is zijn doel, wat wil hij zeggen? En uiteindelijk kom je dan bij de vraag: waarom heeft Ruusbroec zijn Middelnederlandse teksten geschreven?


Over de breuk denken-geloven, theologie-vroomheid

Wat Ruusbroec niet doet, is zich mengen in de theologische discussie; hij reageert in zijn geschriften vrijwel niet op die hele ontwikkeling dat geleerden onderscheid gaan maken tussen wat bewijsbaar is en wat je in geloof moet aannemen (breuk geloven-denken); en het onderscheid tussen geloof en theologie-als-wetenschap, dat proces van de knielende naar de zittende theologie (breuk theologie-vroomheid).

Ruusbroec staat daar natuurlijk ook een beetje buiten: hij heeft wel een opleiding gehad in Brussel en kent Latijn, maar hij is niet gaan studeren, bv. aan de universiteit van Parijs. Om zich in deze wetenschappelijke discussie te mengen zou hij ook in het Latijn moeten zijn gaan schrijven, maar hij kiest ervoor om in de volkstaal te schrijven. Zijn doelstelling ligt dus blijkbaar ergens anders.

Ook over het feit dat de paus in Avignon zit in de periode 1309-1377, lees je bij Ruusbroec niets. Dit in tegenstelling tot andere schrijvers, religieuze schrijvers in de 14de eeuw, want daar wordt flink veel kritiek op geleverd.


Over het armoede-ideaal en kritiek op de kerk

Ruusbroec neemt wèl stelling met betrekking tot het armoede-ideaal. Hij verwijst dan overigens niet naar de onenigheid tussen de paus en de franciscanen, maar hij spreekt zich wel duidelijk over de kwestie uit als hij zijn mening geeft over de toestand in de kerk in zijn eeuw.

Laten we naar een paar passages gaan kijken; en dit zijn passages die niet uit de Brulocht komen, maar uit een ander werk van Ruusbroec, want daar spreekt hij zich heel duidelijk uit over de toestand van de kerk en kloosters in zijn eeuw: Van den geesteliken tabernakel (geschreven rond 1350). We lezen vanaf blz. 235 (of nummering 324).


Maar de oudste zonen, die met de vader thuis gebleven zijn en zijn erfenis bezitten, zijn de prelaten van de heilige Kerk. Maar allen, die het erfgoed van onze Heer Jezus Christus verteren, het lijkt wel dat zij in diepe traagheid ingedommeld zijn, want zij leven noch leren, hetzij met woorden of met werken, iets waardoor het hun toevertrouwde volk zou kunnen verbeteren.


Jan van Ruusbroec, Van den geesteliken tabernakel (± 1350). Kritiek op kerk en kloosters.

Hertaling: L. Moereels, Het geestelijk tabernakel (1982), blz. 324.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Wat is hier Ruusbroecs kritiek? De geestelijken in de kerk leren het volk niets over het geestelijke leven en zij leven het ook niet voor. Dit is misschien wel Ruusbroecs fundamenteelste kritiek op de religieuze toestand in zijn tijd: de geestelijken 'leven noch leren, hetzij met woorden of met werken, iets waardoor het hun toevertrouwde volk zou kunnen verbeteren'. Hij vindt dus dat de kerk het af laat weten, tekort schiet.

En hij heeft nog meer kritiek op de kerk, laten we verder lezen vanaf blz. 324, vanaf de 2de alinea.


Kijk nu eens naar de prinsen der heilige Kerk, of zij goede herders zijn. Hun zalen en paleizen zijn vol personeel dat hen dient. Er is daar machtsvertoon en rijkdom en grote praal naar de trant van de wereld, overvloed aan spijzen en drank, grote keus van kleren, kostelijke juwelen en al de pronk, die de wereld maar opbrengen kan. En toch komen zij nog altijd te kort: hoe meer zij krijgen, hoe gieriger zij blijven. Hierdoor gelijken zij op de ellendige wereld, die altijd belust is op aards goed, omdat zij in God geen smaak vindt.

Maar Christus, onze goede herder, leert ons een andere weg. Want Hij had huis noch hof, maar met Zichzelf en met heel zijn bezit kocht Hij de mens, dat is: zijn schaapje. En toen de wereld Hem de hoogste eer toezwaaide, toen reed Hij op een ezelin. En zijn gevolg, dat waren zijn leerlingen, die gingen naast Hem te voet. Hij had wel een paard of een wit muildier kunnen krijgen, had Hij het gewild, maar Hij wilde ons de weg van de ootmoedigheid leren. En daarom: bij de aanvang der heilige Kerk gingen de apostelen en de heilige bisschoppen, die er toen waren, te voet met grote ijver heel de wereld door en bekeerden het volk uit het ongeloof.


Jan van Ruusbroec, Van den geesteliken tabernakel (± 1350). Kritiek op kerk en kloosters.

Hertaling: L. Moereels, Het geestelijk tabernakel (1982), blz. 324.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Hier neemt Ruusbroec hier zeer duidelijk stelling in de discussie over het armoede-ideaal. De armoede van Christus was in 1323 ketters verklaard; Ruusbroec schrijft het Tabernakel rond 1350. Hier stelt hij openlijk: Christus had 'huis noch hof' en 'reed op een ezelin'. Zijn opvatting over het armoede-ideaal is een onderdeel van zijn oordeel over de kerk in zijn tijd.

We zien dus twee kritiekpunten op de 14de-eeuwse kerk. Ten eerste de rijkdom, hebzucht, uiterlijk vertoon en een verschraald geestelijk leven. Ten tweede wordt het volk niet goed 'voorgeleefd' en krijgt het volk ook niet voldoende onderricht, geestelijk onderricht.


benedictijner monnik drinkt wijn

Benedictijner monnik proeft alvast van de wijn
-klik voor vergroting-



Ruusbroecs kritiek op de kloosters

Daarnaast heeft Ruusbroec ook kritiek op de kloosters van zijn tijd. Dat komt ongeveer overeen met zijn kritiek op de kerk. Laten we lezen vanaf blz. 328, vanaf het tussenkopje, het 'Verval der kloosterordes'.


En dit kunt gij ook merken aan al de religieuzen, die er in de wereld zijn. Wel vindt men in kloosters nog monniken en nonnen, die zeer plichtsgetrouw en devoot zijn en die innig voorkomen en zich onder alle opzichten wel gedragen. Sommigen onder hen zijn goedwillig, eenvoudig en heilig, maar dezen acht men niet. Anderen daarentegen zijn slecht en huichelachtig en tonen wat zij niet zijn, en juist dezen worden dikwijls verheven en tot oversten gekozen.

En dan kan men ze leren kennen naar wat zij zijn. Want zij verheffen zichzelf boven de anderen, alsof zij in de wereld waren en zij dit goed en dit ereambt verworven hadden als erfenis van hun voorouders. En dan hebben zij de heiligheid vergeten en begeren het aardse bezit en oefenen hun gezag uit. Zij vertrouwen de zorg voor de zielen en de kloostertucht aan de prior toe, want zij hebben het te druk en zijn met allerlei bezig, zodat zij nog amper een mis kunnen horen. En wie hen benadert, die moet buigen en knikken, want zij bekleden de ereplaats!

Feitelijk zouden zij hierom uit ootmoedigheid van hart juist de laatsten moeten zijn en geheel trouw tot dienst van hun onderdanen staan.


Jan van Ruusbroec, Van den geesteliken tabernakel (± 1350). Kritiek op kerk en kloosters.

Hertaling: L. Moereels, Het geestelijk tabernakel (1982), blz. 328.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Dan slaan we twee alinea's over; verder bij de onderste alinea (blz. 329 en 330):


En dit kunt gij ook terdege beschouwen: waar veertig monniken zijn in een klooster, daar doen ze weinig meer missen dan zij gedwongen zijn te doen, omdat zij aan het convent gemeenschappelijk zijn opgelegd. En 's nachts als men voor de metten luidt, dan komen er vier of vijf die het van ambtswege moeten doen, maar meer noodgedwongen dan uit vrije wil, terwijl al de andere slapen en rustig hun gemak koesteren. Men houdt dikwijls kapittel en dat is nuttig en goed: nochtans vervalt de kloosterstaat van dag tot dag. Want als ieder de ander beoordeelt in plaats van zichzelf, is de berisping ongenadig en zo ontbreekt daar de ootmoed en eendracht in broederlijke liefde. Want die aan zichzelf niet mishagen en hun gebreken niet bekennen, wanneer men ze berispt, kunnen kwalijk kritiek gelijkmoedig verdragen.

Verder, als de prior of iemand anders, aan wie hij het kan opdragen, voor de refter luidt, dan komen drie of vier van de jongsten, opdat het toch als een kloostergemeenschap zou voorkomen. De heer abt blijft in zijn appartement met zjn gevolg, en al de rest van het convent is ziek en krank en doet zich te goed aan vlees en lekkere spijzen, die men maar krijgen kan. Die veel renten heeft, verzamelt veel geld of verteert het kwistig; wie minder bezit, moet maar minder verteren. Want ieder behoudt wat hij heeft en deelt het met de anderen niet.

(...)

Maar die de bedelorden stichtten, bezaten God in de eenheid van hun geest, en inwendig gedreven door God en uit broederlijke liefde keerden zij zich tot het volk en vervulden heel de wereld met hun heilig leven en met volkomen lering. Zij versmaadden bezit en eer, de genoegens van hun lichaam en alle troost der wereld. Zij volgden Christus na in vrijwillige armoede zo uitwendig als inwendig.


Jan van Ruusbroec, Van den geesteliken tabernakel (± 1350). Kritiek op kerk en kloosters.

Hertaling: L. Moereels, Het geestelijk tabernakel (1982), blz. 329-330.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Huichelarij, hoogmoed, het begeren van aards bezit en van macht, niet naar de mis komen, veel eten en drinken en wat je bezit niet delen met de anderen. Ruusbroec neemt geen blad voor de mond. In die laatste alinea neemt hij het openlijk op voor het armoede-ideaal, als hij het over de stichters van de bedelorden heeft: 'Zij volgden Christus na in vrijwillige armoede zo uitwendig als inwendig'. Hij noemt dit een 'heilig leven' en een 'volkomen lering'.

Hij prijst dus deze bedelorden om hun uitgangspunten: zij richtten zich tot het volk en leerden het volk en zij leefden in armoede. Maar, zegt Ruusbroec, er zijn er nog maar weinig die nu nog zo leven. Oók de bedelorden maken zich tegenwoordig schuldig aan zucht naar bezit en rijkdom en uiterlijk vertoon.

De enigen voor wie hij nog een goed woord overheeft (dat is op blz. 243), zijn de kartuizers en de vrouwen die in slotkloosters zijn. Zijn gaan nooit de wereld in en worden daardoor ook niet gelijk aan de wereld.

Het zal ook geen toeval zijn dat Broeder Geraert, bij wie Ruusbroec op bezoek ging, zoals we de vorige keer hebben gezien, een kartuizer was. Het is bekend dat de kartuizers in de 14de eeuw ook veel kritiek hadden op priesters en pastoors. Zij verwijten de pastoors dat die te weinig doen aan de geestelijke opvoeding van leken, het gewone volk. Kartuizers gaan dan in de 14de eeuw religieuze literatuur, waaronder de bijbel in vertaling, verspreiden in de volkstaal.

Eigenlijk streven de kartuizers en Ruusbroec, prior van het Augustijnerklooster in Groenendaal, hetzelfde na. Je zou het kort kunnen samenvatten met: zij willen tegemoetkomen aan de geestelijke nood van het volk. En waarom? Dat hebben we gezien: omdat degenen die daar verantwoordelijk voor zijn, de kerk (priesters, pastoors) dat niet doen, het laten afweten; of niet goed doen naar de mening van Ruusbroec. Zoals hij zegt in het Tabernakel: de geestelijken in de kerk leren het volk niets over het geestelijke leven en zij leven het ook niet voor.


Ruusbroec over ketterse ideeën

Maar er is nog een tweede reden waarom Ruusbroec in de volkstaal wil tegemoetkomen aan de geestelijke nood van het volk. En die tweede reden noemt broeder Geraert in zijn Proloog. We hebben het de vorige keer al gezien en ik zal het citaat nog eens lezen:


Toentertijd was er grote behoefte aan volledig geestelijk onderricht in de volkstaal omwille van enige huichelachtigheden en tegenstrijdigheden die de kop opgestoken hadden. Ruusbroec beschrijft die duidelijk op het einde van het tweede deel van het boek Die chierheit der gheesteliker brulocht en elders in zijn boeken maakt hij er ook dikwijls gewag van.


Broeder Geraert (Proloog, III, blz. 19).


Dit is dus ook een reden dat Ruusbroec zijn werken in de volkstaal schrijft: omdat er 'in die tijd grote behoefte was aan een volledig onderricht in het Diets, omdat er enkele huichelachtigheden en tegenstrijdigheden de kop op hadden gestoken'. Waar moeten we dan aan denken?

In die 'verschrikkelijke 14de eeuw' met al die maatschappelijke problemen, kon de kerk geen houvast geven, want die zat zelf veel te veel in de problemen door het machtsverlies, de paus die in Avignon zat en later zelfs de idiote situatie dat er twéé pauzen waren, één in Rome en één in Avignon.

Tegelijkertijd is de kerk verschrikkelijk rijk en - dat zagen we bij Ruusbroec - er zijn dan blijkbaar veel priesters en kloosterlingen die opgaan in die rijkdom, die zich wentelen in de prachten en praal en uiterlijk vertoon, terwijl ze hun taak om het volk geestelijk bij te staan en te onderrichten veronachtzamen.

In zo'n situatie, van maatschappelijke onzekerheid, terwijl de kerk geen of niet voldoende houvast kan bieden, gaan mensen hun heil ergens anders zoeken en dat leidde in de 14de eeuw tot het ontstaan van allerlei religieuze bewegingen. Volgens de kerk: ketterse bewegingen. Ketters is: het niet nauwgezet volgen van de leer van Rome (of: ... die van Avignon, that's the question in de 14de eeuw).

Een extreem voorbeeld van zo'n religieuze groepering dat zijn de zogenaamde Flagellanten: groepen mannen die door steden trekken terwijl ze zichzelf, in grote processies, tot bloedens toe geselen. Maar waar ik nu iets dieper op in wil gaan, dat zijn de Broeders en de Zusters van de Vrije Geest. Dit was een vrij ongeorganiseerde stroming; het is daardoor ook nogal een allegaartje, het is niet een eenduidige groepering. Maar er zijn twee heel duidelijke opvattingen te vinden bij de Broeders en Zusters van de Vrije Geest.


optocht processie flagellanten 1349

Optocht van flagellanten
(1349)
-klik voor vergroting-


Op de eerste plaats gaan zij er vanuit dat àlles God is: de aarde, alles wat er op de aarde is, het heelal, al het leven, alles is God. God is dus als het ware een optelsom van alles wat er is. God stijgt daar niet bovenuit. Als je sterft dan wordt je opgenomen in het al en wordt je 'ik', jij als persoon, je identiteit, vernietigd. Je gaat uiteindelijk op in het al.

Op de tweede plaats houden ze zich sterk bezig met inkeer, met meditatie zouden wij nu zeggen. Door die inkeer word je, volgens hen, niet alleen één met God, nee je wòrdt zelfs God. En als je door die inkeer beseft dat je God bent, net als alles in het heelal immers God is volgens hen, dan redeneren zij als volgt: ik besef nu dat ik God ben, dat houdt in dat ik geen zonde kàn begaan, ik hoef me dus niet langer bezig te houden met deugden of goede werken of met je medemens of met de maatschappij. Stilzitten, inkeren en voelen dat je God bent is het enige dat dan nog telt.

Wat vindt Ruusbroec nou van deze groepering, de Broeders en Zusters van de Vrije Geest? Ergens, zou je zeggen, is het toch mystiek dat zij beschrijven: door inkeer ga je het goddelijke ervaren. Het klinkt wel aannemelijk. Maar, zegt Ruusbroec dan, dat is nou juist zo gevaarlijk. Ruusbroec behandelt dit uitgebreid aan het einde van het Innige Leven in de Brulocht. Ten eerste zegt hij daar: het lijkt op mystiek, het lijkt op God vinden, maar het is het niet werkelijk. Ruusbroec noemt de ervaring van de Broeders van de Vrije Geest: valse mystiek, oftewel: een onvolledige mystieke ervaring. Ik zal hier na de pauze nog even op terugkomen, daar wordt dat duidelijk. Maar in ieder geval ziet Ruusbroec het als een onvolledige mystieke ervaring.

Ten tweede maken de Broeders en Zusters van de Vrije Geest volgens Ruusbroec ook verkeerde gevolgtrekkingen. Volgens de Vrije Geest ga je door inkeer ervaren dat jij zelf God bènt dan, zeggen zij, kun je geen zonden meer begaan, je kunt dus moreel gezien alles doen en laten, je hoeft geen deugden en naastenliefde meer te beoefenen, het enige wat nog wordt nagestreefd is 'rusten in jezelf'. Ruusbroec noemt dit aan het einde van het Innige Leven 'valse ledigheid'. Het druist ook volledig in tegen de opvattingen van Ruusbroec, waar we al een klein beetje van hebben gezien de vorige keer, want bij hem staat juist de groei van de deugden en de liefde en het gewetensvol omgaan met je medemensen centraal bij de geestelijke groei.

Ik hoop dat duidelijk is geworden in wat voor wereld Ruusbroec leefde en hoe hij reageert op de gebeurtenissen van zijn tijd. Zijn uitgangspunt daarbij is dat het gewone volk niet genoeg geestelijk onderricht krijgt vanuit de kerk en dat de geestelijkheid ook niet het goede voorbeeld geeft. Daarnaast wordt het volk misleid door dwaalleren, zoals de groepering van de Vrije Geest, die veel aanhang krijgen doordat de mensen het in de kerk niet meer vinden.

Ruusbroec schrijft dus met een bewust doel. Hij wil met zijn boeken in de volkstaal het gewone volk geestelijk inzicht geven en brengen tot een persoonlijke, innerlijke religieuze beleving.



Afronding


Het afgelopen uur hebben we stilgestaan bij de verschrikkelijke veertiende eeuw (zowel de maatschappelijke als de religieuze ontwikkelingen) en bij Ruusbroecs reactie op zijn tijd. Door vast te stellen waar Ruusbroec (1293-1381) wel en niet op reageert, wordt duidelijker met welk doel Ruusbroec zijn tractaten schreef.

•  De 14de eeuw wordt wel een ramp-eeuw of de waanzinnige 14de eeuw genoemd. Belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen en rampen zijn:

  • Honderdjarige Oorlog (1337-1453)
  • machtsstrijd adel - steden
  • hongersnoden (1315-1317)
  • de pest (1347-1351)
  • boerenopstanden (1358, 1381)
•  Belangrijke ontwikkelingen en conflicten binnen de kerk en het religieuze denken zijn:

  • armoede Chr. wordt ketters (1323)
  • paus in Avignon (1309-1377)
  • Westerse Schisma (1378-1417)
  • breuk geloven - denken (bewijsbaarheid)
  • theologie wil ook wetenschap zijn, leidt tot:
    breuk theologie - vroomheid
•  Ruusbroec heeft kritiek op de kerk en kloosters, en hij mengt zicht in de discussie over het armoede-ideaal.

  • Priesters leren het volk niets over het geestelijke leven en zij leven het ook niet voor.
  • Hij verwijt geestelijken en kloosterlingen huichelarij, hoogmoed, het begeren van aards bezit en van macht, niet naar de mis komen, veel eten en drinken en wat je bezit niet delen met de anderen.
  • Hij prijst de bedelorden om hun uitgangspunten (armoede) en de kartuizers en de vrouwen die in slotkloosters zijn, omdat zij niet de wereld in gaan.
•  Net als de kartuizers, gaat Ruusbroec geestelijke inzichten verspreiden onder het volk, dus in de volkstaal. Zij willen tegemoetkomen aan de geestelijke nood van het volk, omdat de verantwoordelijken (priesters, pastoors, kloosterlingen) dat niet doen.

•  Bovendien was er grote behoefte aan geestelijk onderricht in het Diets, omdat nieuwe religieuze bewegingen (in Ruusbroecs ogen) onjuistheden en dwaalleren verspreidden onder het volk.

•  Volgens de Broeders en de Zusters van de Vrije Geest is àlles God en word je door inkeer (meditatie) zelf God, waardoor je geen zonde meer kan begaan en je je niet meer bezig hoeft te houden met deugden, goede werken of naastenliefde. Je hoeft alleen nog te rusten in jezelf.

•  Ruusbroec noemt dit 'valse ledigheid' en 'valse mystiek'. In zijn visie zetten geestelijke ervaringen juist aan tot zoeken naar zelfkennis en godskennis, deugden en naastenliefde.

•  Het doel van Ruusbroec geschriften is dus het verspreiden van onderricht onder het volk - omdat geestelijken dit nalaten, terwijl religieuze sekten dwaalleren verspreiden.



Na de pauze


Wij zullen daar na de pauze meer over gaan lezen in de Brulocht.



Achtergrondinformatie


De cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen bestaat uit zeven bijeenkomsten. De mystieke teksten van Hadewijch en Ruusbroec worden hierin in een cultuur-historische context gelezen.

•  Over deze cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen: inhoud en opzet.

•  Achtergrondliteratuur bij deze cursus: over de Middeleeuwen, Hadewijch, Ruusbroec en middeleeuwse mystiek.

•  Over de docente Rozemarijn van Leeuwen.

•  Reacties lezen of zelf een reactie achterlaten.

•  Teksten van Hadewijch en Ruusbroec: fragmenten in het Middelnederlands en in hedendaagse hertaling.



Copyright


©  Bovenstaande tekst is een onderdeel van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

Het is niet toegestaan om deze tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen of mystiek
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: door het ghebreken
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw   ↑ Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >