RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





























Cursus over spiritualiteit in de Westerse cultuur


Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De christelijke spiritualiteit van Hadewijch en Jan van Ruusbroec



   



Hadewijch, Brief XXII (fragment)

(ca. 1250; hertaling: P. Mommaers, 1990)



Wie God wil begrijpen en weten wat hij is in zijn naam en in zijn wezen, die moet god geheel en al zijn. Ja, zo geheel dat hij hem is zonder zichzelf. Want de naastenliefde zoekt niet zichzelf, maar de minne is met niets bezig dan met zichzelf. Daarom, wie God wil vinden en te weten komen wat hij in zichzelf is, die verlieze zichzelf.

Wie weinig weet kan maar weinig zeggen, dat zegt de wijze Augustinus. Zo gaat het ook met mij, god weet het. Veel geloof en hoop ik van God, maar mijn weten van God is gering: slechts een klein deel kan ik van hem ontraadselen, want God kan men met menselijke begrippen niet duiden. Maar mocht iemand in de ziel door God aangeraakt worden, die zou van hem iets kunnen duiden voor hen die het in de ziel zouden begrijpen.

(...)

De verlichte rede toont aan de innerlijke vermogens iets van God. Daardoor kunnen ze weten (...) dat God alles is in alle dingen en in alle dingen geheel. God is boven alles maar niet verheven. God is onder alles maar niet verdrukt. God is binnen alles maar niet ingesloten. God is buiten alles maar helemaal omgrepen.







Bovenstaand fragment in het Middelnederlands:



Die gode wilt verstaen ende kennen wat hi es in sinene name Ende in sijn wesen, hi moet gode al gheheel sijn, Ja also gheheel dat hi hem al si ende sonder hem selven. Want caritate en soeket niet dat hare es, Ende Minne en pleghet niet dan haers selves. Daar omme verliese hem selven, die gode vinden wilt ende bekinnen wat hi es in hem selven.

Die luttel weet, hi mach luttel segghen, dat seghet die wise Augustinus. Alsoe doen ic oec, wet god, vele ghelove ic ende hope van gode. Mer mijn weten van gode es cleine, een cleyne gheraetsel maghic van hem gheraden. Want men mach gode niet tonen met menschen sinnen. Mer die metter zielen gherenen war van gode, hi soudere yet af moghen toenen den ghenen diet metter zielen verstonden.

(...)

Verlichte redene toent den innighen sinnen een lettel van gode, Daer si bi moghen weten (...) dat hi alle dinc es te allen Ende in allen gheheel. God es boven al ende onverhaven, God es onder al ende onverdruct, God es binnen al ende onghesloten, God es buten al ende al omgrepen.





Meer fragmenten uit mystieke teksten.