RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





























Cursus over spiritualiteit in de Westerse cultuur


Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De christelijke spiritualiteit van Hadewijch en Jan van Ruusbroec



   



Hildegard, Proloog van de Scivias (fragment)

(12e eeuw; vertaling: W. Lampen)



In het jaar 1140 der Menswording van Gods Zoon, Jezus Christus, toen ik twee en veertig jaar en zeven maand oud was, kwam er uit de open hemel een vurig licht van allersterkste schittering, dat zich door mijn hersenen verbreidde en mijn gehele hart en mijn borst in vuur zette als een vlam die niet brandt, maar alleen verwarmt, zoals de zon een voorwerp warm maakt waarop zij haar stralen uitzendt.

En opeens begreep ik de betekenis van de Psalmen, de Evangeliën en de andere katholieke werken zowel van het Oude als het Nieuwe Verbond. Niet echter leerde ik de woordelijke verklaring van die teksten kennen, noch de verdeling der lettergrepen of de naamvallen en tijden.

Van mijn vijfde levensjaar af tot heden toe had ik echter de betekenis der mysteriën, der geheime en bewonderenswaardige visioenen op wonderbare wijze aangevoeld, zoals trouwens nu nog. Dit heb ik echter aan niemand verteld behalve aan enkele godvruchtige personen, die dezelfde levenswijze volgden zoals ik. Al die tijd tot op die dag, waarop God het wilde, dat het geopenbaard zou worden, heb ik het stil gehouden en verborgen.

De visioenen die ik mocht aanschouwen, zag ik niet in de slaap of in dromen, ook niet in een soort waanzin, noch met mijn lichamelijke ogen. Niet met de uitwendige oren van een mens nam ik ze waar, noch in het verborgene, maar in wakende toestand, zoals God het wilde, in alle helderheid van geest, met de ogen en oren van de inwendige mens. Hoe dit geschiedde, is voor de vleselijke mens moeilijk te begrijpen.

Tot de jaren van rijpheid gekomen, hoorde ik eens een stem uit de hemel zeggen:
‘Ik ben het Levende Licht, dat alle duisternis verlicht (...) Gij nu, o mens, die deze dingen ontvangt niet in de onrust van bedrog, maar in de zuiverheid van uw eenvoud, die gericht is op de openbaring der verborgen dingen, schrijf op wat ge ziet en hoort.’

Ofschoon ik dit echter zag en hoorde, weigerde ik toch te schrijven, omdat ik twijfelde en een geringe opvatting van mijzelf had en omdat deze woorden zoveel verschilden van die der mensen. Het was geen weerspannigheid van mij, maar werkelijke geringschatting van mezelf.

Toen, door Gods hand getroffen, viel ik op het ziekbed neer en ik kreeg allerlei smarten te verduren. Op aandringen van een edel en braaf meisje en van de man die ik, zoals gezegd, in stilte had gezocht en gevonden, begon ik te schrijven.

Terwijl ik dit deed, voelde ik, zoals ik al zei, de grote diepte van de uitlegging der boeken, en na mijn krachten herwonnen te hebben, stond ik van mijn ziekbed op. Tien jaar heb ik bijna nodig gehad om dit werk tot een goed einde te brengen.





Meer fragmenten uit mystieke teksten.