RozemarijnOnline




Versanalyse en interpretatie
-
korte bespreking gedicht






















Versanalyse en interpretatie
korte bespreking gedicht


J.C. Bloem - In Memoriam
In: Verzamelde gedichten, 1965



<    
  >



Gastenboek. Onderwerp: Strofe twee van 'In Memoriam'
(20 december 2017)


Geachte mevrouw van Leeuwen,

Wij zijn drie leerlingen in klas 6, die een gedicht willen analyseren voor een verbredingsproject. Het desbetreffende gedicht is 'In Memoriam' van J.C. Bloem.

Wij hebben echter moeite met een aantal woordgroepen of strofes uit dit gedicht en op uw website staat dat u goed onderwezen bent in het analyseren van gedichten. Wij vragen daarom om uw hulp.

Wij hebben erg veel moeite met strofe twee, dus zou u die alstublieft die strofe kunnen uitleggen? Wij zitten onwijs in de knoop met die strofe. Weet u ook wie de 'wij-figuur' is?

We horen graag van u.

Met vriendelijke groeten,

Lotte, Wout en Sigrid.

---

In Memoriam


De blaren vallen in de gele grachten;
Weer keert het najaar en het najaarsweer
Op de aarde, waar de donkre harten smachten
Der levenden. Hij ziet het nimmermeer.

Hoe had hij dit bemind, die duistre straten,     (2)
Die atmosfeer van mist en zaligheid,
Wanneer het avond wordt en het verlaten
Plaveisel vochtig is en vreemd en wijd.

Hij was geboren voor de stille dingen,
Waarmee wij leven - maar niet even lang -     *
Waarvan wij 't wezen slaken in ons zingen,
Totdat wij zinken, en met ons de zang.

Het was een herfst als nu: de herfsten keren,     (4)
Maar niet de harten, na hun korten dag;
Wij stonden, wreed van menselijk begeren,     **
In de ademloze kamer, waar hij lag.

En voor altijd is dit mij bijgebleven:
Hoe zeer veel stiller dood dan slapen is;
Dat het een daaglijks wonder is, te leven,
En elk ontwaken een herrijzenis.

Nu weer hervind ik mij in het gewijde       (6)
Seizoen, waar de gevallen blaren zijn
Als het veeg zonlicht van een dood getijde,
En denk: hoelang nog leef ik in dien schijn?

Wat blijft ons over van dit lange derven,
Dat leven is? Wat, dat ik nog begeer?
Voor hem en mij een herfst, die niet kan sterven:
Zon, mist en stilte, en dan voor immermeer.


J.C. Bloem
In: Verzamelde gedichten, 1965.



*   wij: de mens in het algemeen
**   wij: de 'ik' + andere nabestaanden





Antwoord     (23 december 2017)


Dag Lotte, Wout en Sigrid,

De titel van dit gedicht van Bloem is 'In memoriam', wat letterlijk betekent 'ter herinnering' of 'ter nagedachtenis'. Een in memoriam is een tekst of toespraak waarin een overledene wordt herdacht ('een in memoriam uitspreken' of: 'een in memoriam in de krant lezen'). Hiermee maakt deze titel al van te voren veel duidelijk over het gedicht:

In dit gedicht wordt een overleden persoon herdacht. In het hele gedicht wordt deze overledene aangeduid met 'hij'. Nergens wordt duidelijk wie deze 'hij' was.

Het gedicht speelt zich af in de herfst ('het najaar', 'het najaarsweer', str.1). Zowel de 'hij' (de overledene), als de 'ik'-figuur (de verteller, de dichter) hield van dit jaargetijde. In het 'nu' van de dichter is het herfst (str.1-2 en str.6-7), èn de 'ik' denkt terug aan een eerdere herfst, waarin de 'hij' overleed (str. 4-5).


Ik zal de 7 strofen inhoudelijk kort langslopen.

Strofe 1 [huidige herfst]. Het is herfst, de bladeren vallen, het is najaarsweer. De 'hij' zal dit nooit ('nimmermeer') meer aanschouwen (want hij is dood). Strofe 2. Hij hield heel erg van dit najaarsweer, de herfst: van de duistere straten, de mist, de natte bestrating van de wegen. Strofe 3. Hij hield van de stille dingen in het leven (wij leven echter niet allemaal even lang). Deze stilte zit ook in geluid, in 'ons zingen', maar deze zang vergaat als wij sterven.

Strofe 4 [eerdere herfst]. De 'ik' denkt terug aan een eerdere herfst (de herfst keert steeds terug, maar mensen na hun korte leven niet). 'Wij', de nabestaanden, de achterblijvers van de overledene (waaronder de 'ik'), 'wij' stonden in de kamer waar hij dood lag. Het beeld van de 'ademloze' kamer verwijst naar de overledene die niet meer ademt (het begeren, dus het verlangen is 'wreed', omdat het verlangen naar iemand die dood is, nooit ingelost zal worden).

Strofe 5. Naar aanleiding van het doodsbed waar hij bij staat, krijgt de 'ik' een inzicht in de dood, en komt de 'ik' tot een beschouwing, een bespiegeling over het leven. Hij vergeet vanaf nu nooit meer dat de dood veel stiller is dan de slaap (als je ooit bij een overledene hebt gestaan, weet je hoe waar, hoe glashelder geformuleerd die waarneming is). Het leven is een dagelijks wonder. En als je 's ochtends wakker wordt, is dat een soort kleine herrijzenis uit het niet-leven van de slaap.

Strofe 6 [huidige herfst]. De 'ik' keert terug naar het heden, de herfst in het nu. Hij noemt de herfst een gewijd, heilig seizoen, van gevallen bladeren, 'veeg' zonlicht (veeg is: stervend, bijna dood, denk aan: zich het vege lijf redden), een dood jaargetijde. Strofe 7. Het leven is niets anders dan 'derven': ontberen, missen, mislopen, verliezen. Wat verlangt de 'ik' nog? Hij verlangt naar een herfst die niet zal sterven, niet zal voorbijgaan, die eeuwig zal duren. Er zou dan zon, mist en stilte zijn, en dat voor altijd ('immermeer').


Het allerlaatste woord (str.7) 'immermeer' (voor altijd) spiegelt het laatste woord van de eerste strofe (str.1): 'nimmermeer' (nooit meer). De werkelijkheid van het leven is, dat je doodgaat en dan nooit meer een herfst zult meemaken (str.1). De wens, de begeerte, het verlangen van de 'ik' is, dat er een herfst zal zijn die altijd voortduurt (str.7).
Dus de vergankelijkheid van het leven wordt gesteld tegenover het verlangen naar onvergankelijkheid, eeuwigheid ('nimmermeer' in str.1 versus 'immermeer' in str.7).


Kortom: dit gedicht gaat over een overleden persoon. Deze persoon hield van de herfst en is in een eerdere herfst overleden. Nu is het weer herfst en de 'ik' denkt terug aan de 'hij' en aan zijn overlijden, zijn doodsbed. Dit leidt tot de beroemde vijfde strofe, met een korte, krachtige, glasheldere omschrijving van de dood en beschouwing over (het wonder van) het leven. De 'ik' heeft nog maar één verlangen: dat er een herfst zou zijn (voor zowel de 'ik' als de 'hij'), die altijd zou duren.

De thematiek van dit gedicht past naadloos in het werk van Bloem, dat heel veel gaat over vergankelijkheid, de herfst, de dood en onvervulde verlangens.


Ik hoop dat jullie zo verder komen met jullie bespreking. Veel succes met het doen van het hele project.

Met vriendelijke groet,

Rozemarijn.


Alle gedichten met bespreking





∗       ∗       ∗



Bespreking gedicht: Rozemarijn van Leeuwen (december 2017)   © zie hieronder.
Gedicht: J.C. Bloem, In memoriam. In: Verzamelde gedichten, 1965.

Overzicht alle besprekingen gedichten: Lijst gedichten met bespreking.




© copyright 2017. Het is alleen toegestaan om gegevens van deze pagina over te nemen met gebruikmaking van de volgende verwijzing:
Rozemarijn van Leeuwen, Versanalyse en interpretatie. J.C. Bloem, In memoriam (2017). Bron: http://www.rozemarijnonline.net/poezie_gedichten.html.





Lees meer:

poëziegeschiedenis

kenmerken van poëzie        analyseren en interpreteren

alle gedichten met een bespreking




<    
  >