RozemarijnOnline




Versanalyse en interpretatie
-
korte bespreking gedicht






















Versanalyse en interpretatie
bespreking gedicht


Hugo Claus - Verdwaald liedje
In: De groeten (2002)





Gastenboek. Onderwerp: Verdwaald liedje
(20 mei 2012)


Geachte Rozemarijn,

ik moet voor school een poëzieportfolio maken en dus elke maand een opdracht uitvoeren. Tot nu toe ging alles prima maar nu zit ik jammergenoeg een beetje vast. Zou u me een handje willen helpen?

Ik moet deze maand namelijk een gedicht analyseren, maar ik weet niet zo goed hoe dat moet... Dit is mijn gedicht: [zie onderaan mail].

Dit gedicht moet ik analyseren. Het thema bespreken, rijmschema, enjambementen zoeken, voorbeelden van alliteraties, assonanties, dissonanties,...

Zou u me alstublieft willen helpen? Ik zou u echt enorm dankbaar zijn.

Met vriendelijk groet, Zoë.

---

Verdwaald liedje


De mens dat arme beest
hij is er en hij is er geweest
Hij rent door alle landen
tot hij geen asem heeft
En als hij neervalt is hij bang
en bidt en blaft en beeft

Daarom heeft hij de goden uitgevonden
daarom heeft hij torens opgericht
waar de goden mogen wonen
in een eeuwig licht

De mens dat arme beest
dat vraagt en vrijt en vreest
in de schaduw van de torens
En ik ben de kleine bruid
van het goede en het broze
Ik maai het onkuid
en ik maai de rozen

Ik hoor de mensen dromen
Amaai zijn dat seringen die ik ruik
of groeit het gras al op mijn buik?

En ik, godin van de nacht
omhels het jonge kind en de oude kraai
zeer zacht onder de torens
amaai amaai amaai.


Hugo Claus
In: De groeten (2002).




Antwoord     (21 mei 2012)


Dag Zoë,

Ik zag online dat het gaat om een gedicht van Hugo Claus, uit de bundel De groeten uit 2002. Het hoort bij de laatste bundels die deze dichter heeft gepubliceerd (hij leefde van 1929-2008).

De eerste twee regels van het gedicht zetten een duidelijk thema neer: 'De mens, dat arme beest / hij is er en hij is er geweest'. Het gedicht gaat dus over de mens. De mens is een levend wezen (een 'beest'), dat blijkbaar zielig is (het 'arme' beest). Waarom is de mens zielig? Dat verduidelijkt de 2e regel: de mens leeft ('hij is er'), maar zo is hij er niet meer ('en hij is er geweest'). De mens leeft dus maar tijdelijk, dan komt het moment dat hij dood zal gaan. Het thema dat wordt neergezet in de eerste 2 regels is: de tijdelijkheid van het leven, de dood.

De rest van de strofe gaat over dat moment van sterven. Tijdens zijn leven rent de mens wat rond over de wereld, tot hij op een geven moment neervalt. Dan is hij bang.

De 2e strofe legt iets uit over dat bang zijn (het begint met 'daarom... / daarom...'). Omdat de mens bang is om te sterven, dáárom heeft hij goden uitgevonden en torens (denk aan kerken) opgericht. Claus stelt dus dat goden een uitvinding zijn van de mens. Ze bestaan niet echt. Dat zou ook kunnen verklaren waarom hij de mens in de eerste regel een 'beest' noemt: de mens is niet door een god geschapen, met een ziel, maar verschilt niet wezenlijk van de andere dieren op aarde.

De 3e strofe begint opnieuw met de beginregel: 'De mens dat arme beest'. Blijkbaar is dit een belangrijke zin, want door de herhaling wordt hij benadrukt. Claus bevestigt opnieuw dat de mens een zielig 'dier' is. De mens leeft in de schaduw van de kerktorens - dat klinkt niet positief, alsof de toren (de kerk, het geloof) een schaduw werpt over hun leven.

Dan komt er in die 3e strofe een nieuw element in het gedicht: ineens is er sprake van een 'ik'. Wie is deze 'ik'? Het gaat om een vrouw, een 'bruid' (strofe 3), later wordt zij een 'godin' genoemd (strofe 5). Dat laatste is een beetje vreemd, want Claus heeft net gezegd dat er geen goden bestaan, dat zij zijn uitgevonden door de mens. Wie is dan deze vrouw (deze bruid, godin)? Wat doet zij? In de 3e strofe maait zij 'het onkruid' (het slechte) en 'de rozen' (het goede). Dit beeld doet denken aan de dood, die zowel goede als slechte personen 'neermaait', laat overlijden. Het is een kleine stap om hieraan te denken, omdat in de eerste twee regels immers al duidelijk was geworden dat het gedicht gaat over de tijdelijkheid van het leven, de dood.

Mijn interpretatie zou dus zijn dat de ik-figuur een personificatie is van de dood. In de 3e strofe maait zij zowel het onkruid (slechte mensen) als de rozen (goede mensen) neer. In de 4e strofe hoort zij gedachten van mensen. De uitdrukking 'er groeit gras op je buik' verwijst naar een overleden persoon, die in zijn graf ligt, dan groeit er gras op je buik. In de 5e (laatste) strofe omhelst zij zowel een jong als een oud iemand. Zoals zij onkruid/slechten en rozen/goeden neermaait, zo haalt zij ook zowel jong als oud.

Onder de torens van het geloof, haalt de dood slecht en goed, jong en oud. Het gedicht eindigt dan met de herhaalde uitroep amai, een uitroep van verbazing (wellicht ook leedgevoel, verontwaardiging, smart, of wellicht zit er nog een ander gevoel of gevoelsnuance in dit woord - het is een echt Vlaams/Zuid-Nederlands woord, dat hier in de noordelijke nederlanden niet wordt gebruikt. Ik kan het dus niet heel precies navoelen). De precieze betekenis en gevoelswaarde van dit woord zijn wel heel belangrijk voor dit gedicht, want met deze laatste regel geeft de dichter eigenlijk commentaar op het hele bovenstaande gebeuren.

De mens is bang voor de dood, klampt zich vast aan religie, die echter maar verzonnen is, en uiteindelijk komt de dood iedereen halen - de dichter overziet dit alles en besluit met een uitroep/verzuchting van leedgevoel/verbazing hierover.

(De laatste zin zou ook terug kunnen verwijzen naar de strofe ervoor, waarin een mens denkt 'amaai zijn dat seringen die ik ruik'. De laatste regel kun je dan opvatten als de gedachten van meer mensen die sterven - dat zou een andere interpretatie kunnen zijn.)


Ik hoop dat je zo verder komt met het uitpluizen van het gedicht. Het scheelt vaak als je begrijpt waar het gedicht over gaat. Je ziet, als je, zoals hier, in de beginregels een thema ziet, dat je van dat thema uit de andere strofen makkelijker kan gaan begrijpen.

Ik denk dat je de andere kenmerken er wel uit kunt halen. Er zit vrij veel eindrijm in het gedicht, en ook duidelijke alliteratie (bijv bidt-blaft-beeft en vraagt-vrijt-vreest) en assonantie (bijv. goden-mogen-wonen). Herhaling van klank brengt meer eenheid in een gedicht.

Veel succes met het maken van je verslag! Je kunt mijn website als bron opgeven.

Met vriendelijke groet,

Rozemarijn.

- meer gedichten met uitleg
- © onderaan pagina





Re:     (23 mei 2012)


Dag beste Rozemarijn,

Ik ben Zoë, het meisje dat je een paar dagen geleden erg goed geholpen hebt... Ik wou u nog eens bedanken voor het antwoord!

Ik heb helaas een klein probleempje... Ik ben onlangs op hotmail gehackt, waardoor ik een nieuw account heb moeten aanmaken. Het probleem is dat ik al mijn e-mails kwijt ben en dus ook datgene wat u me een paar daagjes terug gestuurd heeft.

Zou u me a.u.b het berichtje opnieuw willen doorsturen Ik zou u enorm dankbaar zijn.

Met vriendelijke groeten, Zoë.





Re:     (23 mei 2012)


Dank voor je bedankje, Zoë, goed om te horen dat je wat aan mijn uitleg had.

Hieronder stuur ik het opnieuw aan je toe. Sterkte met je mailproblemen!

Met groet weer, Rozemarijn.









Bespreking gedicht: Rozemarijn van Leeuwen (mei 2012)     © zie hieronder.
Gedicht: Hugo Claus, 'Verdwaald liedje'. In: De groeten (2002).

Overzicht alle besprekingen gedichten: Lijst gedichten met bespreking.




© copyright 2012. Het is alleen toegestaan om gegevens van deze pagina over te nemen met gebruikmaking van de volgende verwijzing:
Rozemarijn van Leeuwen, Versanalyse en interpretatie. Hugo Claus, Verdwaald liedje (2012). Bron: http://www.rozemarijnonline.net/poezie_gedichten.html.





Overzicht van gedichten:
lijst van gedichten met bespreking




<  
  >