RozemarijnOnline




Versanalyse en interpretatie
-
analyse gedicht






















Versanalyse en interpretatie
analyse gedicht


Rozemarijn van Leeuwen - De pelgrim
Ongepubliceerd, 2005





De pelgrim


Hij was op pad gegaan. De weg lag vast
dacht hij de kathedraal met de reliekenschrijn
die naar honing geurde, had hij zich laten vertellen.
Zijn hoed was leeg, hij hield zijn pelgrimsstaf.

Hij ging het pad met doelgerichte pas
zeven malen zou hij om de kerk schrijden
de priester zou de insigne op zijn hoed spelden
heiligheid en wonder straalden op hem af.

Maar hoe langer hij op weg was hoe langer
de weg werd. En toen hij zijn ogen afwendde
van het doel dat uit zicht raakte - zag hij ineens
de randen van de weg, de berm, het land.

Zijn pas vertraagde wat. Zijn hoed kwam
als vanzelf in zijn hand, de landman
knikte terug, hij zag de akkers waar
hij zoveel dagen al aan was voorbij gegaan.

Hij wist niet meer wie hij was. Vreemdeling,
reiziger, zwerver van een vreemde bedevaart.
Hij bleef toeven in het eerstvolgende gehucht
en sprak met vrouwen aan de waterput.

Hij vergat zijn reis, bleef dralen, tot het leek
of de wereld naar hèm op weg was en dwars
door hem heen ging, als een verborgen pad
dat eindeloos zich uitstrekte - tot op een dag

hij stond blootshoofds, hij was een oude man,
de vergeten kathedraal voor hem verscheen.
Zijn gezicht en handen lichtten op, zo gaan althans
verhalen. Hij stierf daar niet veel later.

Niemand wist nog wie hij was. Men maakte
een eenvoudig graf en legde daar in steen
het bedevaartsinsigne. Naar men zegt
geurt die plek nog steeds naar hooi en lentegras.



Rozemarijn van Leeuwen
april 2005





Analyse en interpretatie


De eerste indruk is een vrij lang gedicht; haast episch (verhalend). De vorm: acht strofes van elk vier regels (kwatrijnen); er is vrij consequent een metrum aangehouden binnen de regels, geen vast rijmschema. De titel verwijst naar de hoofdfiguur van het gedicht. De inhoud op anekdotisch niveau: een pelgrim gaat op pelgrimage, hij raakt echter van het pad af, komt aan het eind van zijn leven toch nog bij zijn oorspronkelijke doel en sterft daar.



Elke strofe nader bekeken


(1)

1.    Hij was op pad gegaan. De weg lag vast
2.    dacht hij de kathedraal met de reliekenschrijn
3.    die naar honing geurde, had hij zich laten vertellen.
4.    Zijn hoed was leeg, hij hield zijn pelgrimsstaf.

De pelgrim gaat zelfverzekerd en doelgericht op pad (in r1, 2 en 4 weergegeven met korte a-klanken (assonantie); een vast jambe; zinnen vallen samen met de regellengte). Echter: ambiguïteit opgeroepen door het enjambement van r2: ‘dacht hij’ blijkt er ineens achteraan te komen - wat in r1 met grote zekerheid wordt gesteld, wordt bij het doorlezen naar r2 op losse schroeven gezet. In r3 wijkt de vaste versvoet af: zijn gedachten dwalen even af van zijn vaste voornemen naar de wonderverhalen die hij heeft horen vertellen.

De betekenis van ‘zijn hoed was leeg’ is hier, zeker voor een niet-historicus, niet duidelijk. Het geloof in een wonder (een reliek dat een hemelse geur verspreidt) roept een middeleeuwse sfeer op.

Het tweede deel van r4 werkt als ontregeling van het leesautomatisme; het lijkt een onvolledige zin te zijn (een ellips). De betekenis is daardoor twijfelachtig, maar het lijkt de onverzettelijkheid van de pelgrim te onderstrepen.

Deze eerste strofe, die op het eerste gezicht een simpele beschrijving (het neerzetten van de beginsituatie) lijkt, roept toch meteen al onzekerheden op: het enjambement van r2 (dacht hij...); er wordt een wonder in het vooruitzicht gesteld (al zijn dat maar geruchten); en de pelgrimsstaf wordt wel erg stevig vastgehouden.



(2)

5.    Hij ging het pad met doelgerichte pas
6.    zeven malen zou hij om de kerk schrijden
7.    de priester zou de insigne op zijn hoed spelden
8.    heiligheid en wonder straalden op hem af.

De regels van deze strofe hebben weer een zeer vast metrum, de regeleindes vallen samen met de taalkundige zinnen. Hierdoor wordt de indruk van een marstempo gewekt. Jambe en regeleindes, en de steeds herhaalde a-klanken, ondersteunen weer zijn vastberadenheid en overtuiging waarmee hij de pelgrimsweg gaat. Hij weet al precies wat er zal gaan gebeuren (al is de lezer al aan het twijfelen geraakt door het ‘dacht hij’ in strofe 1).

Ook qua klank hangen deze strofes samen: klankherhaling van de slotwoorden; geen precies rijm, maar wel assonantie (ast-ijn-ellen-af; as-ijden-elden-af). Deze klanken (met name de a-klank) worden ook in de zinnen zelf herhaald.

In deze strofe wordt het beeld van de lege hoed duidelijk: de pelgrim die de pelgrimage heeft voltooid, kan een insigne op zijn hoed spelden. Elke bedevaartplaats had (en heeft nog steeds) zijn eigen bedevaartsinsigne; in de Middeleeuwen was het gebruikelijk om die op je hoed te spelden. Het aankomen op een bedevaartplaats ging vaak ook met rituelen gepaard (zoals het om de kerk lopen e.d.). Versterking van een historische context.

R8 geeft de hoop van de pelgrim weer: hij hoopt door zijn pelgrimage te delen in de heiligheid en het wonder van de relikwie in de kathedraal.



(3)

  9.    Maar hoe langer hij op weg was hoe langer
10.    de weg werd. En toen hij zijn ogen afwendde
11.    van het doel dat uit zicht raakte - zag hij ineens
12.    de randen van de weg, de berm, het land.

Het nevenschikkend voegwoord ‘maar’ laat altijd een alarmbel rinkelen in een gedicht, zeker als het op zo’n prominente plaats staat als het begin van een nieuwe strofe. Zowel de inhoud als de sfeer slaan om. Het vaste jambe (en het samenvallen van zinseinde met regeleinde), wat de indruk van een mars opriep, wordt hier losgelaten. De losgelaten versvoet en de enjambementen (elke regel loopt nu door in de volgende) ondersteunen de inhoud: de doelgerichtheid en het tempo worden losgelaten, de pelgrim vertraagt en begint om zich heen te kijken.
De pelgrim is echter niet zomaar afgeleid, het is een vreemd en vervreemdend gebeuren wat hem overkomt: hoe dichter hij bij zijn doel komt, hoe meer het uit zicht raakt. Een surrealistisch beeld: dit is een werkelijkheid die alleen in taal opgeroepen kan worden.
De klanken van de slotzin, r12, ondersteunen het beeld van een weg in het midden van het land: een omarmde assonantie: a-e-e-a.



(4)

13.    Zijn pas vertraagde wat. Zijn hoed kwam
14.    als vanzelf in zijn hand, de landman
15.    knikte terug, hij zag de akkers waar
16.    hij zoveel dagen al aan was voorbij gegaan.

De a-klanken keren terug, maar nu gecombineerd met enjambementen; de tocht raakt vertraagd en wordt aarzelend. De hoed, eerst leeg en vol verwachting op zijn hoofd, wordt afgenomen, wat door de landman al dan niet terecht als een groet wordt opgevat. De pelgrim wordt zich bewust van zijn omgeving en de mensen om hem heen.
De akkers waaraan hij voorbij is gegaan, heeft een dubbele betekenis (ambiguïteit). Pelgrim (zie het ethymologisch woordenboek) betekent letterlijk: voorbij de akker gaan. Hij is, staat er dus eigenlijk letterlijk, al dagen op pelgrimstocht. Tegelijkertijd staat er ook dat hij dat met een beperkte blik heeft gedaan, dat hij aan alles buiten de weg voorbij is gegaan.



(5)

17.    Hij wist niet meer wie hij was. Vreemdeling,
18.    reiziger, zwerver van een vreemde bedevaart.
19.    Hij bleef toeven in het eerstvolgende gehucht
20.    en sprak met vrouwen aan de waterput.

R17 is het tegenovergestelde van een enjambement: een versbreking (de zin is korter dan de regel). Hierdoor komt er een sterkere nadruk op het woord ‘vreemdeling’. De opsomming van woorden waarmee hij zichzelf aarzelend, stamelend probeert te omschrijven, vallen allen keurig onder de definitie van pelgrim (bedevaartganger, reiziger, vreemdeling; zie woordenboek).
In r19 en 20 komt er een nieuwe klank aan het einde van de versregels: een herhaalde u-klank. Nadat zijn tempo is vertraagd, hij om zich heen is gaan kijken en zich afvraagt wie hij eigenlijk is, verandert zijn gedrag. Groette hij eerst, bijna onbewust nog, de landman vanuit de verte, nu gaat hij met vrouwen in gesprek. Het beeld van vrouwen aan een waterput doet ook aan een scène uit het Nieuwe Testament denken (en suggereert heel in het klein een navolging van Christus). Het bijzondere van deze kleine scène wordt benadrukt door de afwijkende klanken.



(6)

21.    Hij vergat zijn reis, bleef dralen, tot het leek
22.    of de wereld naar hèm op weg was en dwars
23.    door hem heen ging, als een verborgen pad
24.    dat eindeloos zich uitstrekte - tot op een dag

De scène bij de put brengt de pelgrim in een volgende fase - een omkering. Hij is niet langer de pelgrim op weg naar een doel; de wereld is op weg naar hem, een eindeloze weg die tot hemzelf (in hemzelf) leidt. Het doel van deze weg ligt niet langer buiten hemzelf, maar in hemzelf. De a-klanken van het op pad zijn, uit strofe 1 en 2, komen terug. De sfeer en enjambementen komen overeen met strofe 3. Het enjambement loopt zelfs over de strofe heen; een sterke doorbreking van de vaste vorm, die de eindeloosheid van het pad weergeeft. Herhaling van klank brengt wel weer eenheid in deze zes regels (strofe 6 - begin strofe 7: ee-a-a-a, a-ee).



(7)

25.    hij stond blootshoofds, hij was een oude man,
26.    de vergeten kathedraal voor hem verscheen.
27.    Zijn gezicht en handen lichtten op, zo gaan althans
28.    verhalen. Hij stierf daar niet veel later.

Dat hij een oude man is geworden, suggereert dat er veel tijd voorbij is gegaan; hij is aan het einde van zijn leven gekomen. Hij staat blootshoofds; zijn hoed (en dus zijn oorspronkelijke doel om daar een bedevaartsinsigne op te kunnen spelden) is nu helemaal verdwenen.
De kathedraal, vergeten en zelfs niet meer gezocht, verschijnt. Ook voor de lezer is de kathedraal uit het zicht geraakt: na strofe 2 is die niet meer genoemd en wellicht ook door de lezer vergeten: lezer en pelgrim vallen zo samen. De lezer is met de pelgrim van het pad afgedwaald.
Dan lijkt er een wonder te gebeuren: zijn gezicht en handen lichten op. Dit wordt meteen afgezwakt: volgens verhalen. De pelgrim sterft dan bij een kathedraal waar hij niet eens naartoe is gegaan, die alleen voor hem verscheen. Het is ongewis of er een soort van wonder gebeurt en al wordt er gesuggereerd dat de pelgrim bij de kathedraal is gestorven, is het ongewis of hij daar eigenlijk daadwerkelijk ooit gekomen is.



(8)

29.    Niemand wist nog wie hij was. Men maakte
30.    een eenvoudig graf en legde daar in steen
31.    het bedevaartsinsigne. Naar men zegt
32.    geurt die plek nog steeds naar hooi en lentegras.

R29 weerspiegelt qua vorm en inhoud precies r17 (ook het begin van een strofe): hij wist niet meer wie hij was. De inhoud van de zin laat echter een betekenisvolle verschuiving zien: van de pelgrim naar zijn omgeving. Door zijn reis, zijn ouderdom en het oplichten van zijn gezicht, zou het heel goed kunnen dat de pelgrim nu wèl weet wie hij is. De tragiek (of het logische gevolg voor een rondzwervende pelgrim) is echter dat zijn omgeving dat nu niet meer weet.
Postuum krijgt hij alsnog het insigne in stenen op zijn graf gelegd; een symbool dat hij uiteindelijk toch de (of: een) pelgrimstocht heeft volbracht. Het slot spiegelt de relikwie, zijn oorspronkelijke doel, die wonderbaarlijk naar honing geurde. Het wonder lijkt zich te weerspiegelen in het graf, waarover ook verhalen de ronde doen dat het er wonderbaarlijk geurt. Zo krijgt de pelgrim zijn eigen bescheiden wonder, aan het eind van zijn eigen, persoonlijke pelgrimspad. Bij nadere beschouwing is het echter wel onzeker hoe wonderbaarlijk het nu eigenlijk is als het ergens geurt naar hooi en lentegras: als het in het voorjaar ruikt naar gras en in het najaar naar hooi, is dat dan een wonder? Door de weerspiegeling met de relikwie slaat deze onzekerheid ook terug op het wonder van de honinggeur, dat ook slechts een gerucht was en misschien achteraf niet eens zo wonderbaarlijk.



Interpretatie

De globale verhaallijn van de eerste lezing kan na bovenstaande analyse worden bijgesteld. De eerste indruk van een anekdotisch gedicht (een verwachting die vooral in strofe 1 en 2 wordt opgewekt) wordt bij nadere lezing doorbroken. De historische elementen die een middeleeuwse wereld oproepen worden vervangen door een haast surrealistische wereld, een binnen het gedicht opgeroepen werkelijkheid (symbolisme); meer een psychische werkelijkheid dan een materiële werkelijkheid.

De werkelijke gebeurtenissen worden naarmate de tocht vordert steeds minder belangrijk: het blijft onduidelijk of de pelgrim nu werkelijk toch nog bij de kathedraal is aanbeland, of daar een wonder is geschied, of hij bij de kathedraal begraven kan zijn en of het daar op een heilige manier geurt. Hier vindt de lezer geen uitsluitsel of houvast.

Het proces dat zich afspeelt is meer psychologisch. De pelgrim weet niet meer wie hij is, raakt van de rechte weg af, gaat dwalen, zwerven, krijgt oog voor zijn omgeving en de mensen, groet, gaat praten; dit leidt zelfs tot een scène met een nieuw-testamentisch beeld (de waterput).

Als de pelgrim tot stilstand komt (en dus feitelijk geen pelgrim meer is, zijn hoed is afgezet en zelfs verdwenen - al beschrijft hij zichzelf nog wel met woorden die binnen de definitie van een pelgrim vallen), gaat het leven op hem afkomen, beseft hij dat de weg naar jezelf eindeloos is, komt hij tot zichzelf. En zonder dat hij er nog naar op zoek is, hij is de hele kathedraal zelfs vergeten, komt hij toch bij zijn oorspronkelijke einddoel. Hij voert zijn voornemen echter niet meer uit (om de kerk lopen, de relikwie bekijken), maar hij sterft daar. Of: de kathedraal verschijnt hem bij zijn sterven.

Waarheid en fictie lopen door elkaar. Enerzijds door de verhalen en geruchten die de ronde doen. Anderzijds door de discrepantie tussen de werkelijkheid zoals we hem kennen en de werkelijkheid die in dit gedicht wordt opgeroepen. Ook het gedicht zelf wordt uiteindelijk een gerucht, een wonderverhaal dat de ronde doet, waarvan het waarheidsgehalte of de betekenis niet meer te achterhalen is.

Vorm, formele kenmerken en klanken ondersteunen de inhoud, meerduidigheid, verschuiving van betekenis, opgeroepen werkelijkheid en sfeer. Daarnaast zorgen de assonanties bij de eindwoorden, parallelle zinnen en het terugkeren van thematiek, voor een sterke eenheid van het gedicht. De taal is alledaags en doorzichtig (gematigd modernistisch); suggereert een schijnbare eenvoud, die in contrast staat met de ambigue inhoud.

Dit is geen gedicht dat vraagt om een uiteindelijke sluitende betekenistoekenning met een interpretatie. Er wordt verwondering opgeroepen, mogelijkheden, vragen. Dingen die betekenisvol zijn, blijken dat niet te zijn, en dingen die minder waardering hebben (bijv. van de rechte weg afdwalen) blijken zeer betekenisvol. De interpretatie zal ook afhangen van de blik van de afzonderlijke lezer.

Het gedicht is op meerdere niveau’s te lezen. Allereerst een anekdotisch niveau (een verhaal dat loopt van de aanvang van een pelgrimage tot het sterven van de pelgrim); dit geeft echter niet genoeg houvast voor een sluitende interpretatie. Ten tweede een duidelijk psychologisch niveau (de ontwikkeling die de pelgrim doormaakt op zijn pad). Daarnaast zou je dit gedicht ook op filosofisch niveau kunnen lezen (het gaat er niet om je doel vastberaden te bereiken, integendeel, dan laat je zelfs veel liggen aan de kant van de weg. Ook door te zwerven, te praten, de wereld op je af te laten komen, Christus na te volgen, kun je een wonder meemaken (wat een wonder dan ook mag zijn), kun je gaan begrijpen wie je bent, kun je rustig sterven); ook hier zal iedere afzonderlijke lezer anders naar kijken. En tot slot een poeticaal niveau: het gedicht valt uiteindelijk samen met de verhalen en geruchten over wonderen die de ronde doen.

Uiteindelijk is het hele gedicht een uitwerking van de spanning die in de eerste twee regels door het enjambement was opgeroepen: de weg lag vast... dacht hij. Niets bleek echter minder waar - zowel voor de pelgrim, als voor de lezer.




Analyse gedicht: Rozemarijn van Leeuwen (juli 2006)   © zie hieronder.
Gedicht: Rozemarijn van Leeuwen, De pelgrim. Ongepubliceerd, april 2005.

Overzicht alle besprekingen gedichten: Lijst gedichten met bespreking.





© copyright 2006. Het is alleen toegestaan om gegevens van deze pagina over te nemen met gebruikmaking van de volgende verwijzing:
Rozemarijn van Leeuwen, Versanalyse en interpretatie. Rozemarijn van Leeuwen - De pelgrim (2006). Bron: http://www.rozemarijnonline.net/poezie_gedichten.html.





Overzicht van gedichten:
lijst van gedichten met bespreking




<  
  >