RozemarijnOnline




Biografie
Martinus Nijhoff





















Leven en poëzie van Martinus Nijhoff

door Rozemarijn van Leeuwen
voordracht zomer 2001

© onderaan pagina





Ik begin met een anekdote uit de jaren '30, als Nijhoff in de veertig is. Het is de nacht van 15 december 1931, half twee 's nachts. Edgar du Perron schrijft een brief aan zijn vriend Adriaan Roland Holst, waarin hij beschrijft hoe hij die nacht met Martinus Nijhoff op de vuist is gegaan. Ze hadden met een aantal schrijvers en uitgevers wat zitten drinken in Café Américain in Amsterdam.

Volgens Du Perron stookte de uitgever Sander Stols het vuurtje door Nijhoff in het oor te fluisteren dat Du Perron een hekel aan hem had. Nijhoff, volgens het verslag enigszins aangeschoten, daagde zijn collega-schrijver vervolgens uit de zaak op de vuist te beslechten.

In de vestibule van de Américain heb ik hem toen verteld wat ik tegen hem had, maar zoodra ik gekomen was tot de verklaring dat hij eigenlijk behoorde tot de ouweloelen, sprak hij weer van uitknokken en naar buiten gaan, waarop ik hem [...] naar buiten ben gevolgd, en we op de kinderachtigste manier, daar bij de stoep van de Américain, elkaar 2 of 3 vuistslagen hebben verkocht.

[...] hij schijnt te krabben als hij vecht, althans ik merkte dat ik bloedde aan mijn bovenlip, waarvan hij een stukje vel had afgekrabt, maar het stond heel mooi, want er was althans een bloedzakdoek bij, die in de kronieken van 'de Kring' wel zal uitdijen tot minstens 2 bloedneuzen. [1]

Het is een grappig anekdote, maar waarom begin ik hiermee? Volgens literatuur-historici staat dit voorval symbool voor een tegenstelling, een strijd, die gaande was in de literaire kringen van het interbellum.

Nederlandse literatuur, een geschiedenis vervolgt dan ook:

Deze weinig verheffende wapenfeiten zouden het vermelden niet waard zijn als de twee vechtersbazen niet ook op een ander slagveld tegenover elkaar stonden. Juist in 1931 is er een literaire polemiek ontbrand die de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde is ingegaan als de 'Vorm of vent'-discussie, een polemiek die nog lang na de oorlog voor de nodige standpunten en getuigenissen zou zorgen.

Nijhoff stond midden in deze polemiek, als dichter en als literatuur criticus. Ik zal hier daarom later uitgebreid op terugkomen, als ik het ga hebben over zijn plaats in de literatuurgeschiedenis en zijn poëticale opvattingen.

Mijn verhaal vanavond zal uit 3 onderdelen bestaan:

- biografie van Nijhoff
- plaats van Nijhoff in de literatuurgeschiedenis ('Vorm of vent'-discussie; Nijhoffs poëticale opvattingen)
- thematiek in Nijhoffs poezie

Bij elk van de drie onderdelen zullen we een aantal gedichten lezen die als illustratie zullen dienen.





Biografie - over het leven van Martinus Nijhoff (1884 - 1953)


Ik ken de poëzie van Nijhoff al jaren, al van voor mijn studententijd, maar ik wist eigenlijk niets over zijn leven. Ik moet eerlijk zeggen dat ik verrast was door de man achter de gedichten. Nijhoff heeft een veelbewogen leven gehad; hij heeft beide wereldoorlogen meegemaakt, hij heeft 2 studies gedaan, had een controversieel huwelijk en is op alle vlakken van het literaire leven actief geweest.

Martinus Nijhoff werd op 20 april 1894 geboren in Den Haag.

Hij was de oudste van vier kinderen, twee jongens en twee meisjes. In de wandeling werd hij Pom genoemd. Zijn vader was de boekhandelaar en uitgever Wouter Nijhoff, zijn moeder, Johanna Alida Seijn, heilsoldate die bijbelse stukjes schreef die door scholieren werden opgevoerd. [...] Nog weer later werd ze katholiek, iets dat in het niet-godsdienstige gezin Nijhoff toch heeft doorgewerkt in de opvoeding van de vier kinderen. [2]

Nijhoff gaat naar het gymnasium in Den Haag. Hij sluit daar vriendschap met Victor van Vriesland, die gedichten schrijft. Ze brengen vele doorwaakte nachten door, gewijd aan de literatuur. Of, zoals onderzoeker Dorleijn het formuleert: "Ze brachten vele nachten door in troebele extasen en schreven pathetische brieven". [3]

Een voorbeeld uit een brief aan een neef in Amsterdam:

1911... Ik ben nu ook weer met een heerlijk boek van hem (Couperus) bezig, Dionysos. Verder heb ik gelezen Graziella van Lamartine, hetgeen zeer roerend is. Verder De Mei van Gorter, hetgeen je lezen móet. Van de week heb ik een Fransch gedicht gemaakt, hetgeen volgens het oordeel van anderen en mij zeer mooi is. Ook enige Hollandsche verzen en ben begonnen een marsch te componeren. Ik heb met een klasgenoot afgesproken dat we, als we 21 zijn, naar Italië gaan. Trouwens, ik heb daar een tante wonen. Ik ben nu lid van Leimonias.

Later zegt Van Vriesland over de gymnasiumtijd:

Werry, Pom en ik waren onafscheidelijk; lastige, non-conformistische jongetjes van laat ons zeggen vijftien, die hele nachten, meestal bij mij, doorbrachten bij kaarslicht en met rode wijn, nogal snobistische séances natuurlijk. [...] dan zaten we gedichten voor te lezen, van onszelf en anderen. Engelse, Wilde bijvoorbeeld, en Franse. [4]

Aan het einde van de gymnasiumtijd en het begin van hun studietijd ontstaat er steeds meer wedijver tussen Van Vriesland en Nijhoff (de vriendschap loopt uiteindelijk ook stuk). Rond 1912 proberen zij beiden gedichten gepubliceerd te krijgen en het is Van Vriesland de eeste die dat lukt, in De nieuwe gids, waar Kloos op dat moment hoofdredacteur van is.

In een brief uit 1912 schrijft Nijhoff:

De verzen van Vriesland in De Nieuwe Gids vind ik zeer mooi. Ze zijn al oud, zoowat een jaar, en hij heeft ze dadelijk na het maken ingestuurd. Wat een draler is die Kloos toch. Ik heb de laatste weken een paar prachtige gedichten gemaakt, die zeker overal in opgenomen zouden worden. Als ik in Amsterdam ben in de Kerst, zal ik ze je wel eens voorlezen. Je zult verstomd staan, evenals allen waaraan ik ze laat lezen. [...] Ik ben echter van plan niets uit te geven of in te zenden voor het staatsexamen, maar dan zal het ook donderend neerdalen. [5]

In datzelfde jaar, 1912, gaat Nijhoff rechten studeren in Amsterdam. Hij probeert op verschillende manieren gedichten gepubliceerd te krijgen (o.a. in De nieuwe gids), maar op enkele studentenblaadjes na, wordt alles afgewezen.

Van Vriesland vertrekt in 1913 naar Frankrijk. Dit is het begin van het einde van de vriendschap. [gedicht p17 pom=harlekijn]

In datzelfde jaar krijgt Martinus Nijhoff een relatie met Netty Wind (later bekend als de schrijfster A.H. Nijhoff). Zij zit dan nog op het Haagse gymnasium en hij verleidt haar -natuurlijk- met een sonnet.

Dan breekt 1916 aan: een belangrijk jaar voor Nijhoff. Aan het begin van dat jaar wordt Netty zwanger (gedicht: aan mijn kind). In mei trouwen ze, Netty is 19, Martinus is 22. Nijhoffs vader, de uitgever, geeft als verrassing enkele gedichten van Martinus Nijhoff uit in een klein bundeltje, genaamd Per le Nozze (dit is later het eerste deel van De wandelaar). De bundel wordt opgemerkt. In september verschijnen er gedicht in literaire tijdschriften, in november wordt de bundel De wandelaar uitgegeven en in de maanden erna staan er positieve recensies in kranten en tijdschriften.

Ondertussen is de Eerste Wereldoorlog uitgebroken en Nijhoff moet in dienst. Hij moet zijn rechtenstudie onderbreken. Pas 10 jaar later zal hij afstuderen. Hij heeft echter nooit iets met deze studie gedaan; dank zij een ruime toelage van zijn vader heeft Nijhoff nooit hoeven werken om geld te verdienen.

Nijhoff en zijn vrouw Netty gaan met hun zoon Faan in Laren wonen. [foto!] Daar komen zij in contact met de Larens-Blaricumse kunstenaarsgemeenschap; waaronder Mondriaan, Herman Hana, Roland Holst, Dirk Coster, J.C. Bloem, J.I. de Haan en verschillende filosofen.

Bloem schrijft later dat hij een van de wonderlijkste tijden van zijn leven in Blaricum heeft doorgemaakt:

't Is een ongelooflijke janboel in het Gooi. Maar ik zou er toch niet altijd moeten zitten, want het is om er absoluut te gronde te gaan en niets meer te praesteeren. [6]

Het huwelijk van Martinus en Netty is allesbehalve conventioneel. Ze gaan al spoedig gescheiden van elkaar leven. Netty woont ondermeer is Frankrijk, Griekenland, Oostenrijk, Hongarije, Italië en uiteindelijk in Parijs. Ze komt daar terecht in de avantgardistische kringen en krijgt een lesbische relatie met de Engelse schilderes Marlow Moss.

Nijhoff blijft in Nederland en heeft een eindeloze stroom (soms langdurige) relaties. Hij blijft echter tot bijna het einde van zijn leven getrouwd met Netty, ze houden contact en zoeken elkaar op in het buitenland. Ze blijven betrokken en steunen elkaars literaire ambities.

De eerste in de rij verhoudingen is jonkvrouw Claudine Witsen Elias. Al rond zijn huwelijk heeft Nijhoff 2 gedichten aan haar opgedragen - waarvan 1 nota bene is opgenomen in de huwelijksbundel Per le Nozze (1916). Ook het andere gedicht stamt uit 1916. [p147]

Een zeer langdurige relatie van Nijhoff in de jaren '20 is geheim gebleven tot ver in de jaren '90, toen er brieven boven water kwamen. Het gaat om Emmy van Lonkhorst. Zij woont in Parijs, is getrouwd, en ze schijven elkaar jarenlang. Als Emmy in een huwelijkscrisis terechtkomt, begint ze een verhouding met Netty, Nijhoffs vrouw. Netty vraagt of ze in Italië komt wonen en heeft geen weet van Emmy's contact met Martinus. In 1925 ontmoet Emmy echter de componisst Willem Pijper en ze trouwt met hem. Tijdens het huwelijk blijft ze Nijhoff nog steeds brieven schrijven onder een andere naam, totdat ze een buitenechtelijke verhouding begint met Dick Binnendijk.

Haar correspondentie met Nijhoff is na haar dood door de familie aan het Letterkundig Museum geschonken. Deze mocht het pas openen in de jaren '90, toen alle betrokkenen waren overleden. Zo bleef zijn relatie met deze femme fatale dus 70 jaar lang geheim.

In de jaren '30 heeft Nijhoff een verhouding met Josien (Joosje) van Dam van Isselt, lerares klassieke talen in Utrecht. Nijhoff overweegt een scheiding, maar Nettie wil er niet van weten. Hij stapt ook gauw weer van het denkbeeld af en schrijft haar:

Ik zal na je laatste brief het woord scheiding niet meer in de mond nemen.
[...]
Jij bent mijn eerste liefde en laatste wijsheid. [7]

Dit drijft Josien van Dam van Isselt tot wanhoop: 'Het is wel niet zijn vrouw, maar hij wil er niet vanaf'! [8]

Pas in de jaren '50 zijn Martinus Nijhoff en Netty Nijhoff - De Wind daadwerkelijk gescheiden. Nijhoff trouwt daarna met de actrice Georgette Hagendoorn. Dat huwelijk heeft niet lang geduurd, want Nijhoff stierf in 1954 onverwacht aan een hartstilstand. Netty overleefde hem nog ruim 15 jaar, zij stierf in 1971.





De plaats van Nijhoff in de literatuurgeschiedenis


Martinus Nijhoff was niet alleen dichter, maar ook criticus. Tot 1923 was hij recensent van het Nieuws van de Dag. Vanaf 1924 werd hij recensent van de NRC en kwam hij bij de redactie van De Gids. Na 1935 heeft hij zelf nog maar weinig gedichten geschreven; voornamelijk nog vertalingen en psalmvertalingen.

In zijn literaire beschouwingen en recensies heeft hij zich gemengd in de discussie van zijn tijd over poeticale opvattingen. Op basis van zijn eigen werk en zijn artikelen (vers-interne poetica en vers-externe poetica) heeft men geprobeerd Nijhoff te plaatsen in de literatuurgeschiedenis. Dit bleek echter niet heel makkelijk. De Utrechtse hoogleraar Sötemann is gaan turven en stelde vast dat Nijhoff door de verschillende onderzoekers bij maarliefst 14 verschillende stromingen is ondergebracht (symbolisme of juist post-symbolisme, humanisme of ethisch-humanisme, bij het tijdschrift De Beweging of juist bij De Stem). Enige consensus is er over het modernisme, het gematigde modernisme of een overgangsfiguur naar het modernisme.

Het modernisme gaat uit van een autonomistische poetica.

Er worden vier verschillende poetica's onderscheiden:
- mimetische poetica (de werkelijkheid staat centraal)
- pragmatische poetica (het publiek staat centraal)
- expressieve poetica (de dichter staat centraal)
- autonomistische poetica (het gedicht staat centraal)

In de Renaissance overheerst de mimetische poetica: lofzangen op personen en gebouwen, verjaardagsgedichten, gelegenheidspoëzie. Poëzie refereert aan de werkelijkheid. De 18e eeuw is de eeuw van de domineedichters: pragmatische poetica. Poëzie wil een boodschap uitdragen, de luisteraar beleren, overtuigen, een moraal meegeven. In de jaren '80 van de negentiende eeuw verzetten De Tachtigers zich tegen dit soort domineespoëzie. Zij vinden dat je je eigen gevoelens moet vertolken in gedichten (denk aan de beroemde uitspraak van Kloos: Poëzie is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie). Dit is het tijdperk van de expressieve poetica.

In het modernisme is de leus: kunst om de kunst. De kunst is een werkelijkheid op zich. Het staat los van de wereld, maar ook los van de maker. Het is een talige werkelijkheid, die door de lezer zo geïnterpreteerd mag worden als die wil. Het gedicht is ambigu. Er is geen vaste achterliggende wereld of levensovertuiging. In het modernisme vinden we dus autonomistische poetica.

In dit kader zijn er twee beroemde uitspraken van Nijhoff.

De eerste luidt: 'Een dichter schreit niet'. Een dichter is niet bezig zijn gevoelens te uiten in een gedicht, maar probeert gevoelens op te roepen. Een oprecht gevoel staat niet garant voor een geslaagd gedicht. Hoe kun je gevoelens oproepen bij de lezer? Ten eerste door het vervolmaken van je techniek. Ten tweede door ont-persoonlijking.

In Pen op papier schrijft Nijhoff:
Beschrijf alleen gewaarwordingen van andere mensen. [...] Zo alleen kom je van jezelf vrij, dat is het doel. Zet uw eigen stemming in uw dagboek. Wanneer je echter de versvorm opneemt: alleen het gevoel van anderen. U zult zien hoe sterk u komt te staan, tegenover het gedicht en tegenover uzelf. Wees voozichtig, of uw stem schroeit door. [9]
[Een ik-figuur in een gedicht van Nijhoff, slaat zelden op Nijhoff zelf.]

Hiermee staat hij lijnrecht tegenover de Tachtigers. Niet de auteur staat centraal, maar het gedicht. Nijhoff stelt zelfs: 'Laat de kunstenaar sterven, opdat het kunstwerk leeft'. Het gedicht moet dus een eigen leven gaan leiden. De betekenis is niet wat de dichter erin stopt, maar wat de lezer eruit haalt.

Dat leidt ons tot de tweede beroemde uitspraak van Nijhoff: 'Lees maar, er staat niet wat er staat'. Nijhoff geeft zijn lezers een vrijbrief om een gedicht te interpreteren zoals zij dat willen. Er zijn zoveel interpretaties als er lezers zijn. Ruimte voor ambiguïteit.

Een bekend voorbeeld is de figuur van Awater. Een professor legde die naam uit met een verwijzing naar een Sanskriet woord. Nijhoff kent geen Sanskriet, maar geeft als reactie: dat zou best kunnen.

Nijhoffs poëzieopvattingen worden wel 'ontstaans-poëzie' genoemd.

Centraal staat de opvatting dat schrijven niet zozeer de nauwkeurige verwoording is van een emotie of idee, maar dat gedurende het proces van het schrijven er een transformatie plaatsvindt, die tenslotte tot het resultaat, een gedicht, leidt. [10]

Nijhoff zet inderdaad het ontstaansproces centraal in zijn poëzieopvattingen. Hij gaat ervan uit dat je niet begint met een volledige gedachtengang die je vervolgens in strofen gaat vormgeven. Hij legt er de nadruk op dat je begint met een idee en dat het gedicht vervolgens 'zichzelf' schrijft. De inhoud wordt niet in een vorm gegoten, maar de vorm bepaalt mede de inhoud. Bijvoorbeeld: de eerste zin bepaalt al een rijmklank.

Dus: niet de inhoud kiest een geschikte vorm, maar de vorm produceert een inhoud. En hiermee zitten we midden in de 'vorm of vent' discussie. Schrijvers als Kloos, maar ook Ter Braak en Du Perron, vonden deze opvatting belachelijk. Ter Braak en Du Perron verzetten zich tegen technische volmaaktheid ten gunste van oorspronkelijkheid; en tegen esthetiek (de vorm) ten gunste van de communicatie (de inhoud).

Bloem is degene die de boel probeert te sussen in zijn artikel 'Vorm of vent'. Dat mocht niet baten - gezien de vechtpartij tussen Nijhoff en Du Perron in 1931...

Nijhoffs poetica is grotendeel vers-externe poetica. In het nu volgende derde deel van dit verhaal gaan we kijken naar de gedichten zelf: de kenmerken en motieven in Nijhoffs werk.





De gedichten van Nijhoff: kenmerken, thematieken, interpretatie


Herschrijven

Nijhoff heeft slechts een klein oeuvre nagelaten. Hij debuteert met De Wandelaaar (1916). Acht jaar later verschijnt Vormen (1924). Vervolgens tien jaar niets, tot eindelijk Nieuwe Gedichten verschijnt in 1934.

Nijhoff staat erom bekend dat hij heel langzaam schreef. "Ik ben een soort koraalrif, waar schoksgewijs iets aan groeit". Maar als je de poëzie leest, dan lijkt het moeiteloos te zijn ontstaan. Warren zegt hierover: Lezend in de gedichten van M. Nijhoff lijkt het of ze moeiteloos zijn ontstaan. Ze klinken zo eenvoudig en vanzelfsprekend dat men zich nauwelijks kan voorstellen dat bijne elke versregel het resultaat was van een langdurige worsteling met de taal.

Nijhoff deed soms twee maanden over 1 zin. Maar ook als het gedicht af was, bleef hij er aan sleutelen, herschrijven, veranderen. Hij dreef hiermee zijn uitgever tot wanhoop: elke nieuwe druk van een bundel bevat weer nieuwe varianten. Het meest extreme voorbeeld hiervan is 'De schrijver': dit verandert in een compleet nieuw gedicht, een gedicht over het geschrapte gedicht.

Hier volgen 3 varianten van dit gedicht 'De schrijver', uit opeenvolgende drukken van de bundel Nieuwe Gedichten.


Elk woord, terwijl hij schreef, ging ademhalen
En riep een ander antwoord in zijn oor.
Telkens kwamen tusschen de bergen door
Vogels met een nieuwen tekst, en uit de dalen
Drong zulk een landelijke blijdschap door,
Zoo heerlijk zelfs begon de rots te stralen
Van 't langs geen enkelen weg meer te achterhalen
Woord uit de zon, dat hij zijn spraak verloor.

Hij ziet omhoog: wolken uiteengeworpen
En een zwerm vogels die naar 't zuiden trekt.
Hij ziet omlaag: hij ziet verspreide dorpen,
Een waterput, een paard dat balken trekt.
Zoo ziende wordt hij op een kruis geworpen
En in vertwijfelingen uitgerekt.

(Nieuwe Gedichten, 1933)




Telkens komen tusschen de wolken door
vogels met een nieuwen tekst tegen de ramen,
en ik zit mij, onder mijn lamp, te schamen
dat ik niet neer kan schrijven wat ik hoor.

O God! Hoe dorst ik lachen om lichamen
van wier volmaakte schoonheid een flauw spoor
in kleeding overblijft, ik, die aldoor
uw evangelie uitstraal voor reclame.

Hoe dorst ik lachen? In hun oogopslag
in vogelwiekslag meer dan uit te spreken.
Ik kan niets doen, niets doen. Ik wacht den dag

dat zich één vrouwenhand opheft, ten teeken
dat ik wat voor mij neerstrijkt nemen mag.
Want hoor, hij zingt, hi is niet te onderbreken.

(Nieuwe Gedichten, 1934)




Op deze plek heeft een gedicht gestaan.
't Beviel me niet. Toen ik het op wou knappen,
toen bleef er, toen mijn pen begon te schrappen,
per slot van rekening geen woord meer staan.

Het gaf een beeld van het schrijverlijk bestaan,
zijn zelfverwijt en andere eigenschappen.
Het was vooral triest door de trieste grappen.
Neen, het was goed noch slecht, er was niets aan.

Het was geïnspireerd op een Jan Steen:
Elia - misschien zal u dit verbazen -
Elia met de raven om zich heen.

Mijn vogels werden stenen door de glazen,
en mijn Elia werd vel over been.
Hier rust zijn as. Requiescat in pace.

(Nieuwe Gedichten, 1937)




Het meest beroemde voorbeeld van het herschrijven van gedichten, is 'Impasse'. De ik-figuur staat in de keuken en vraagt aan een vrouw: 'waarover wil je dat ik schrijf?'. Oorspronkelijk luidde de slotregel:

En zij antwoord, terwijl zij langzaam-aan
het drup'lend water op de koffie giet
en de damp geur wordt: een nieuw bruiloftslied.

(De Gids, 1936)

Later wijzigde Nijhoff dit in:

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water op de koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

(Nieuwe Gedichten, 1946)

Tot op de dag van vandaag harrewarren neerlandici, dichtliefhebbers en lezers erover wat de beste variant is van deze twee. Bij zijn tijdgenoten stond Nijhoff bekend als een 'verprutser van zijn eigen poëzie'. [11]

Na 1934 heeft Nijhoff bijna geen oorspronkelijk werk meer gepubliceerd; voornamelijk nog vertalingen en recensies. Naar de reden hiervan kunnen we enkel gissen. In 1932 begon hij met een studie Nederlands; dit werkte misschien demotiverend om zelf nog te schrijven. In 1940 maakte hij de slag op de Grebbenberg mee. Zelf zei hij, toen hem werd gevraagd of hij al genoeg gedichten had voor een volgende bundel: 'Nee. Geef me een onderwerp en ik zal erover schrijven.

Nijhoff voelde eigenlijk veel weerzin tegen schrijven. Zijn zoon herinnert zich later de uitspraak:

O, dat werken, dat verschrikkelijke werken! Ik verzin alles om maar niet aan het werk te hoeven. Ik doe alles om lui te zijn!

En tegen zijn redacteur zei hij:

Ik schrijf niet graag gedichten, omdat het me dagenlang beroerd en in kwaad humeur maakt. [12]




Spreektaal

Een tweede kenmerk van Nijhoffs poëzie is zijn eenvoudige en transparante taalgebruik.

(...) een streven naar eenvoud van woord en uitdrukking. Van de poëzie van Nijhoff kan men terecht zeggen dat zij een bijna-spreken is. [13]

Veel literatuurcritici wijzen op de gewone spreektaal die Nijhoff gebruikt, bijvoorbeeld:

Nijhoff, die in zijn stijl van poëzie schrijven zocht naar een soort veredelde volkstaal, niet een poetische taal, maar de gewone omgangstaal verheven tot een niveau waarop ze poëzie wordt (...)

Een ander voorbeeld, uit de literatuurgeschiedenis van Knuvelder:

Nijhoff beoogt een vloeiende spreektaal te schrijven. Deze spreektaal moet dan bewogen zijn gemaakt door de woordkeus.

Hiermee zet Nijhoff zich af tegen het bombastische taalgebruik van de Tachtigers.




Motieven

Nijhoff heeft niet &eacut;én allesoverheersende thematiek, maar wel een aantal motieven die steeds terugkeren. Lodewick noemt er drie:

xx

xx

xx

Verder staat Nijhoff bekend om zijn gebruik van religieuze motieven en heeft hij een voorkeur voor overgangsmomenten. Nijhoff is ook de dichter van het niet-zeggen, het openlaten van wat er nu eigenlijk wordt gezocht, gevonden of bedoeld.

We zullen de verschillende motieven langslopen en er steeds een gedicht of enkele fragmenten bij lezen.

1. De wanhoop van de moderne mens die de leegte van het bestaan als onontkoombaar ervaart.

Het souper. Ook hier zie je: geen levensvisie die het bestaan zin geeft of dragelijk maakt (zoals bijvoorbeeld bij Roland Holst het metafysische). De mens is eenzaam, dat is niet op te lossen. Hooguit: de vergetelheid; of erom lachen. Onmacht, dat is ook sterk terug te vinden in de laatste strofe van De wandelaar.

xx

2. In het verlengde hiervan ligt: geen echte gevoelens, valsheid, onechtheid, vernislaagje om te ontvluchten aan de werkelijkheid. Deze zinloosheid wordt soms opgeheven door muziek.

3. Twee motieven die ook met elkaar in verband staan: Nijhoffs voorkeur voor overgangsmomenten en het open laten van oplossinge, het niet-verwoorden van wat wordt gevonden of als waarheid wordt gezien.

Bijv. De jongen.

Hij besluit weg te gaan (overgangsmoment). Waar hij heen gaat of hoe de tocht verloopt, blijft in het ongewisse. Als reden om weg te gaan, wordt gegeven: misschien leert de mens wat, onderweg. Geen expliciete levensvisie of zingeving.

Meer voorbeelden van het niet-noemen: Troubadour, Pierrot, alarm?

Dit is wat Nijhoff nastreeft: hij wil niet invullen, maar oproepen. Hij wil de lezer aan het denken en interpreteren zetten.

4. Tot slot drie motieven die nauw samenhangen.

- het terugverlangen naar het kind-zijn
- de moeder
- religieuze motieven

Vb. De eenzame.

Het is geen religieuze poëzie (zoals bijv. van Nel Benschop of Guido Gezelle), maar in de gedichten worden religieuze motieven gebruikt.





Gebruikte literatuur

W.J. van den Akker, 'E. du Perron en M. Nijhoff gaan op de vuist. Vorm of vent'. In: Nederlande literatuur, een geschiedenis (199x), p642-647.

G.J. Dorleijn, 'De literaire vriendschap van M. Nijhoff en Victor van Vriesland'. In: NRC Handelsblad 12-5-1989.

Soerd van Faasssen, 'Brieven uit een moeizaam huwelijk'. In: Haagsche Courant, 15-06-1996.
Artikel over de uitgave: Martinus Nijhoff. Brieven aan mijn vrouw. Door A. Oosthoek.

Hansmaarten Tromp, 'Martinus Nijhoff. Toeschouwer uit een hoge toren'. In: Haagse Post 11-11-1978.

stem op papier

2 eeuwen literatuurgeschiedenis



Noten

[1]   Van den Akker 199x, p642.
[2]   Tromp 1978
[3]   Dorleijn 1989
[4]   Dorleijn 1989
[5]   Tromp 1978
[6]   Dorleijn 1989
[7]   Van Faassen 1996
[8]   ?
[9]   Stem op papier
[10]   Twee eeuwen literatuurgeschiedenis
[11]   Mathijsen 1993
[12]   Mathijsen 1993
[13]   Lodewick
[14]  
[15]  
[16]  
[17]  
[18]  
[19]  
[20]  






Rozemarijn van Leeuwen, Leven en poëzie van Martinus Nijhoff. Voordracht zomer 2001. Zie: www.rozemarijnonline.net/poezie/nijhoff.html.


© Het is alleen toegestaan om gegevens uit deze voordracht over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.