RozemarijnOnline




Versanalyse en interpretatie
-
korte bespreking gedicht






















Versanalyse en interpretatie
korte bespreking gedicht


Jan Baptista Wellekens - Kunstliefde
(1658-1726)





Gastenboek. Onderwerp: Jan Baptista Wellekens
(10 februari 2012)


Beste Rozemarijn,

Ik moet voor een opdracht voor school een gedicht analyseren, interpreteren en alle stijlfiguren en beeldspraak eruit halen (klank- en stijlverschijnselen, welk metrum, vormen van assonantie en acconsonantie en vormen van beeldspraak).

Ik heb gekozen voor het gedicht Kunstliefde van Jan Baptista Wellekens (1658-1726). Ik ben al een aantal dagen bezig met de analyse en vind het zeer moeilijk.

De volgende kenmerken ben ik tegenkomen, maar ik heb geen idee of het allemaal juist is:

Als metrum ben ik uitgekomen op een jambe, maar het lijkt alsof er zowel mannelijke als het vrouwelijke rijm in het gedicht gebruikt is.
Kunstliefde behoort tot de noemer klinkgedichten. Het is een sonnet en bevat een vaste vorm. Er zitten geen enjambementen in het gedicht. Het gedicht is opgebouwd uit vrij lange zinnen. De zinnen van het gedicht zijn steeds ongeveer even lang. Twee keer vier zinnen en twee keer drie zinnen. Het gedicht heeft een redelijk vast ritme. De regels van een strofe horen bij elkaar.
Er is sprake van eindrijm, aan het einde van elke regel. Ook heeft de dichter gebruik gemaakt van assonantie door elke versregel te voorzien van klinkerrijm. Het rijmschema is abba abba ccd eed. Het gedicht begint met een omarmend rijm, gevolgd door gekruist rijm.

Beeldspraak: Verliefd op lauwerbladen (hyperbool); De wrede tijd (hyperbool); Minerf blijft altijd Maagt. (concretum pro abstracto, relatie godsheids - machtsgebied); in Lethes duistre baren (concretum pro abstracto) de stroom van de Lethe, die voorbij vreedzame oorden vloeit; Bedwing uw lastertong; kan onzen Zangberg plagen (abstractum pro concreto); De deugt veroudert niet (abstractum pro concreto); Gelijk mijn zonnewagen (abstractum pro concreto).

Het scanderen en de vertaling is gelukt (deze zou ik u kunnen toesturen). Maar ik loop echt vast bij de methode voor het noteren van de interpretatie die men aan een metafoor geeft en de woordgroepen die geheel of gedeelte metaforisch zijn en wel of niet met elkaar in semantisch opzicht in botsing met elkaar zijn maar toch wel bij elkaar kunnen aansluiten.

Ik hoop dat u mij een beetje op weg kunt helpen. Bij voorbaat dank.

Met vriendelijke groet, Graziana.

---

Kunstliefde


Doorluchte zielen, die, verliefd op Lauwerblâren,
Om hoge wetenschap en edle kunsten zweet,
Staak, staak uw mymring: zie, de stormwint is gereet
Die 't al versmoren zal in Lethes duistre baren.

De wrede tydt zal u noch uw gezang niet sparen,
Hoe loflyk ieder geest en brein en hant besteet,
Wat kunde d'een bezit of d'ander zich vermeet,
't Versleit al slapende met ons, wy met de jaren.

O dwaze, grauwt Apol, bedwing uw lastertong:
Minerf blyft altoos Maagt; myn wezen eeuwig jong.
Geen tydt noch ongeval kan onzen Zangberg plagen.

De muzen waren noit voor ondergang bevreest.
De deugt veroudert niet, verrotting deert geen geest.
Zy blinken eindeloos, gelyk myn Zonnewagen.


Jan Baptista Wellekens (1658-1726)




Antwoord     (10 februari 2012)


Dag Graziana,

Ik begrijp dat je het een lastig gedicht vindt, zeker omdat het uit de 17e of 18e eeuw stamt.

Het gedicht is een sonnet (oftewel klinkdicht) met slechts vijf rijmwoorden (rijmschema: abba abba ccd eed). Tussen de twee kwatrijnen en de twee terzetten zit een wending in het gedicht, zoals dat hoort in een sonnet.

Ik zal hieronder naar vier dingen kijken: (1) betekenis van de woorden, (2) de inhoud van het gedicht, (3) metrum, enjambementen, klank, (4) beeldspraak en stijlfiguren.



(1) Allereerst: alle lastige woorden opzoeken in woordenboek / encyclopedie.

Er zitten veel verwijzingen in naar de Griekse/Romeinse mythologie. Handig om die vooraf op te zoeken in een encyclopedie (online bijv Wikipedia).

- lauwerblaren (lauwerbladeren): een lauwerkrans, gemaakt van laurierbladeren: dit was een eerbewijs voor een winnaar, bijv. de beste dichter of wetenschapper
- Lethe: rivier van de onderwereld (volgens de Griekse mythologie); de doden drinken hieruit en vergeten zo hun aardse leven (rivier van de dood en de vergetelheid)
- Apol (Apollo of Apollon): Griekse god van o.a. de muziek, de geneeskunst, soms van de zon (vaak afgebeeld met een muziekinstrument of met een lauwerkrans)
- Minerf (Minerva of Pallas): maagdelijke godin van krijgskunst en vrede
- Zangberg: dit is de berg Parnassus of de berg Helikon, waar de Muzen wonen
- muzen: negen Griekse godinnen van kunst en wetenschap (begeleidsters van Apollo, ze woonde op de berg Parnassus of Helikon). De muzen waren een inspirerende kracht (voor bijv. dichters, kunstenaars en wetenschappers)
- zonnewagen: de god van de zon reed op een zonnewagen (in sommige mythen is dat Apollo)

Andere verouderde woorden (woordenboek):
- doorluchte = aanzienlijke, voorname
- vermeet (vermeten) = beweren



(2) De inhoud van het gedicht. Ik zal eerst het gedicht per strofe inhoudelijk langslopen.

De eerste strofe (het eerste kwatrijn)
In het gedicht worden 'doorluchte zielen' (dus edele, aanzienlijke, voorname personen) aangesproken. Zij zijn verliefd op de lauwerkrans (willen geëerd worden als de beste dichter/wetenschapper) en zweten om de wetenschap en de edele kunsten. Het gedicht geeft ze het advies om het mijmeren hierover te staken (Doorluchte zielen (...) staak uw mijmering). Er komt namelijk een stormwind aan, die alle inspanningen om de wetenschap en kunst, en alle mijmeringen over het verkrijgen van een lauwerkrans, zal versmoren (verstikken) in de baren (de golven) van de rivier de Lethe.

De tweede strofe (het tweede kwatrijn)
Wat is die stormwind die eraan komt? Dat is de tijd. Deze tijd is wreed, want ze spaart niets: hun gezang niet, hun kunde niet. Alles verslijt met de jaren, ook zijzelf. Uiteindelijk wordt alles versmoord door de Lethe, de rivier van de vergetelheid, de rivier van de dood.

Dus: in de eerste twee strofen worden wetenschappers en kunstenaars (de doorluchte zielen) aangesproken: zij zijn verliefd op lauwerkransen (willen graag de beste wetenschapper of dichter zijn) en ze werken zich in het zweet om de wetenschap en de kunst. Ze moeten hun mijmeringen hierover staken. Er komt namelijk een stormwind aan, de wrede tijd, en hun gezang en al hun kunde en ook zijzelf, zullen vergaan met de jaren en zullen uiteindelijk in de vergetelheid raken.

De derde strofe (het eerste terzet)
Dan volgt er een wending in het gedicht. De god Apollo neemt het woord (r. 9: "O, dwaze", grauwt Apollo). Hij zegt dat de dichter een dwaas is. Deze moet zijn lastertong (zijn lasterpraat, kwaadsprekerij) bedwingen. Want, zegt Apollo: Minerva blijft altijd maagd, ikzelf blijf altijd jong, de tijd heeft geen vat op onze Zangberg, de Parnassus/Helikon.

De vierde strofe (het tweede terzet)
Apollo spreekt verder: de muzen vreesden nooit voor hun ondergang (de muzen zullen altijd kunstenaars en wetenschappers blijven inspireren), deugd veroudert niet, de geest verrot niet. Al deze goden en dingen blinken altijd, als de zonnewagen van Apollo.


De betekenis van het gedicht is dan dus: De dichters, kunstenaars, wetenschappers en al hun werk, vergaan eens met de tijd. Maar alles wat tot de wereld van de goden behoort (Apollo, Minerva, de Parnassus/Helikon, de muzen, de deugd, de geest), die vergaan niet met de tijd, maar blijven altijd onveranderd.

Eerst waarschuwt de dichter de wetenschappers en kunstenaars (de doorluchte zielen) dat al hun inspanningen eens ten onder zullen gaan in de Lethe, de rivier van de vergetelheid en de dood. Maar Apollo spreekt vervolgens de dichter bestraffend toe: de dichter vergeet dat er ook onvergankelijke dingen zijn. De godenwereld is onvergankelijk, de inspiratie door muzen, de deugd en de geest.


Structuur van het gedicht: er zit een duidelijke tweedeling in dit sonnet. De eerste twee strofen gaan over het aardse, het vergankelijke. De dichter is aan het woord.
De laatste twee strofen gaan over de godenwereld, over onvergankelijkheid (ook voor de mens zijn een aantal zaken onvergankelijk, zoals de inspiratie door de Muzen, de deugd en de geest van de mens). In deze twee strofen is de god Apollo aan het woord.



(3) Metrum, enjambementen, assonantie/alliteratie

Het gebruikte metrum is een jambe. Het is door het hele gedicht vast aangehouden. De tweede regel begin echter met een sterke beklemtoning van de eerste, onbeklemtoonde, lettergreep (Staak, staak uw ...). Dit heet antimetrie. Er is in elke strofe afwisselend mannelijk en vrouwelijk rijm gebruikt. Bijv. mannelijk rijm (zweet-gereet; bevreest-geest); vrouwelijk rijm (blaren-baren; plagen-wagen). Bij elk type metrum kun je zowel mannelijk als vrouwelijk rijm gebruiken (het blijft gewoon een jambe, in dit geval - er komt alleen een onbeklemtoonde lettergreep bij aan het einde van de regel). De regels zijn steeds ongeveer even lang (elke regel heeft zes heffingen: dat heet zes-jambische versregels).

Een enjambement betekent dat een zin doorloopt over de volgende regel. Een regel = alles op 1 hoogte (1 lijn van een schrift). Een zin = alles vanaf de hoofdletter tot aan de punt (bij normale spelling: negeer dus de hoofdletters in het gedicht aan het begin van elke regel!). Een sonnet bestaat altijd uit 14 regels (4 + 4 + 3 + 3 = 14 regels).

In dit sonnet maakt Wellekens in het begin veel gebruik van enjambementen, later vallen zinnen juist vaak samen met een regel. De eerste zin (Doorluchte zielen .... duistre baren.) beslaat 4 regels, dus de hele eerste strofe. Hier is dus sprake van enjamementen. De tweede zin (De wrede tijd .... met de jaren.) beslaat ook 4 regels, dus de hele tweede strofe. Ook hier is dus sprake van enjambementen. De volgende zin (O dwaze ... eeuwig jong.) beslaat r. 9 en 10 (dus ook een enjambement). Daarna vallen alle zinnen precies samen met steeds 1 regel. Regel 11, 12, 13 en 14 kennen dus geen enjambementen meer. Er lopen nooit zinnen door tot een volgende strofe.

Wellekens heeft een aantal keer gebruik gemaakt van assonantie (klinkerkrijm): zielen-verliefd; weten(schap)-edele-zweet; geest-besteet; slapende-jaren; deert-geen-geest. Ook komt er alliteratie (beginrijm) in het gedicht voor: staak-stormwind; Minerf-Maagd; deugd-deert.



(4) Beeldspraak en stijlfiguren

Beeldspraak, bijv:
- r. 1 zielen (metoniem): 'zielen' wordt gebruikt voor 'mensen'
- r. 1 verliefd op lauwersblaren (metafoor): laurierbladeren zijn metafoor voor hun doel om de beste wetenschapper of kunstenaar te zijn
- r. 4 Lethes duistre baren (de donkere golven van de rivier de Lethe): metafoor voor de dood, de vergetelheid
- r. 5 de wrede tijd: personificatie (begrip wordt als een levend persoon voorgesteld: de tijd is wreed)
- r. 9 lastertong (metoniem): 'lastertong' wordt gebruikt voor lasterpraat, kwaadsprekerij

Stijlfiguren, bijv:
- r. 1 allocutie (aanspreking): de doorluchte zielen worden aangesproken door de dichter
- r. 3 repetitio (herhaling): de uitroep 'staak' wordt herhaald (geeft extra nadruk)
- r. 9 allocutie (aanspreking): de dichter wordt aangesproken door de god Apollo
- r. 10-14 enumeratie (opsomming): Apollo geeft een opsomming van dingen die niet worden aangetast door de tijd



Tot slot
Let op: een paar dingen die je bij het gedicht schrijft, kloppen niet:
- er zitten geen enjambementen in - klopt niet
- de zinnen zijn steeds ongeveer even lang - klopt niet (je bedoelt: de regels zijn ong. even lang)
- gekruist rijm is: abab (het sonnet eindigt echter met ccd eed)



Ik hoop dat je met bovenstaande verder komt. Je kunt mijn website als bronvermelding opnemen (Rozemarijn van Leeuwen, 'Over poëzie. Een aantal kenmerken van poëzie uitgelicht'. Op: http://www.rozemarijnonline.net/poezie_kenmerken.html).

Veel succes met je werkstuk. Ik hoop dat je er iets moois van maakt en er een goed cijfer voor zult krijgen.

Met vriendelijke groet,

Rozemarijn.


www.rozemarijnonline.net - Kenmerken van poezie

www.rozemarijnonline.net - Gedichten met een bespreking





Re:     (11 februari 2012)


Beste Rozemarijn,

Hartelijk dank voor uw uitleg! Ik begrijp de analysevarianten nu veel beter. Het maken van de versanalyse moet nu zeker lukken.

Ook mijn complimenten voor uw website. Ik heb ook veel informatie daar vandaan kunnen halen.

Nogmaals bedankt!

Met vriendelijke groet, Graziana.





Re:     (11 februari 2012)


Dag Graziana,

dank voor je berichtje! Fijn dat je het even laat weten!

Het scheelt vaak erg als je een gedicht beter begrijpt, zeker als het gaat om een lastige tekst uit de 17/18e eeuw.

Veel succes met je werkstuk, je hebt er in ieder geval alles aan gedaan om het grondig uit te pluizen.

Met groet, Rozemarijn.









Bespreking gedicht: Rozemarijn van Leeuwen (februari 2012)   © zie hieronder.
Gedicht: Jan Baptista Wellekens, Kunstliefde (Wellekens: 1658-1726).

Overzicht alle besprekingen gedichten: Lijst gedichten met bespreking.




© copyright 2012. Het is alleen toegestaan om gegevens van deze pagina over te nemen met gebruikmaking van de volgende verwijzing:
Rozemarijn van Leeuwen, Versanalyse en interpretatie. Jan Baptista Wellekens, Kunstliefde (2012). Bron: http://www.rozemarijnonline.net/poezie_gedichten.html.





Overzicht van gedichten:
lijst van gedichten met bespreking




<  
  >