RozemarijnOnline




Geschiedenis van de Nederlandse poëzie































poeziegeschiedenis poezie geschiedenis poezie-geschiedenis geschiedenis Nederlandse poezie overzicht nederlandse poezie




Geschiedenis van de Nederlandse poëzie

Een kort overzicht van Nederlandse poëziegeschiedenis

door Rozemarijn van Leeuwen
(1998-2002)



 



Vooraf: wat is poëzie?


Kenmerken van poëzie

Wat is poëzie (pz.)? Een gedicht is een tekst. Een tekst met specifieke kenmerken die het gedicht onderscheiden van proza. Deze kenmerken (kunnen onder meer) zijn:
  • formele kenmerken (regellengte, strofe-indeling, metrum, rijm, assonantie, enz.)
  • geconcentreerd (gedicht heeft een beperkte lengte)
  • bladspiegel (de auteur bepaalt bewust de bladspiegel d.m.v. bijv. zinsafbreking)
  • gebruik van herhaling (van formele elementen, inhoud, beelden, woorden, klanken)
  • gebruik van ambiguïteit oftewel meerduidigheid (veel oproepen in weinig woorden)
  • gebruik van beeldspraak / stijlfiguren.


De vier raakvlakken van een gedicht

Poëzie verhoudt zich altijd tot:
  • wereld  (ook: andere/buitenlandse literatuur; contemporaine kunststromingen)
  • publiek  (contemporaine lezers; kritiek; beoordeling achteraf in latere eeuwen)
  • auteur  (literaire opvattingen (vers-intern en vers-extern); oeuvre; biografie)
  • het werk zelf  (taligheid; opgeroepen werkelijkheid).


Poëtica: opvattingen over poëzie

Elke tijd heeft zijn literaire conventies (opvattingen over literatuur). Een opvatting over poëzie wordt poëtica (pt.) genoemd. Poëtica: opvattingen over het ontstaan, de aard en de functie van poëzie.

Op basis van de bovengenoemde vier punten, worden vier poëtica’s onderscheiden. Ligt de nadruk bij een bepaalde dichter op
  • de wereld, spreken we van een: mimetische poëtica
  • het publiek: pragmatische poëtica
  • de auteur: expressieve poëtica
  • het werk: autonomistische poëtica.


De werkelijkheid van het gedicht

Daarnaast roept elk gedicht een wereld / een werkelijkheid (wklh.) op. Hierbij worden verschillende mogelijkheden onderscheiden:
  • taal beschrijft werkelijkheid
  • taal roept werkelijkheid op
  • taal staat los van werkelijkheid.



Poëzieopvattingen door de eeuwen heen. Overzicht.


In de geschiedenis van de Nederlanse poëzie kunnen verschillende periodes worden onderscheiden. Poëzie-opvattingen veranderen door de jaren heen.

Hieronder worden deze veranderende opvattingen in verschillende periodes bekeken aan de hand van onder meer: opvattingen over dichterschap, poëtica, functie van pz., publiek, thematiek, gebruik van formele kenmerken, verhouding pz.-taal, verhouding pz.-wklh.



Middeleeuwen

In de Middeleeuwen wordt een zeer andere waardering toegekend aan dichterschap. Het gebruik van rijm etc. staat voor vakkundigheid (geschoold zijn, het beheersen van de 'artes liberales'). Een dichter / schrijver is een geschoolde vakman en als zodanig een autoriteit. Hij spreekt de waarheid.

Hiernaast kende men een geheel andere genre-indeling dan tegenwoordig: zowel wetenschappelijke teksten als literaire teksten waren op rijm (teken van vakkundigheid). Men kende nog geen poëzie als zodanig; wel het lied (geestelijke liederen versus wereldlijke liederen, zoals bijv. liefdesliederen (hoofse liefde)).

Genres: artes-literatuur (wetenschappelijke teksten dus, naar de 'artes liberales'); ridderromans (Arthurromans, Karel-epiek); dierfabels en exempelen; geestelijke lit. (dit vormt ong. 80 procent van de overgeleverde geschriften; bijv. heiligenlevens, tractaten, visioenen); en lyriek (het lied).

Géén toneel als literair genre (dat komt pas weer op in de vijftiende eeuw, ten tijde van de Rederijkers), en géén poëzie als zodanig (er was nog geen/nauwelijks leescultuur, maar een orale cultuur, mondelinge overlevering).



Renaissance - mimetische poëtica

In deze periode (vanaf halverwegde de 16e eeuw) wordt gelegenheidspoëzie zeer belangrijk (gedichten die een rol spelen in de maatschappij of in het sociale leven): lofdichten, verjaarsdichten, lijkzangen, enz. Het uitgangspunt van lit. is: ter lering ende vermaak.

In navolging van de oudheid kwamen de poëzie en het toneel in zeer hoog aanzien. Classisisme: kunst is navolging; vaste regels. Navolging van literaire opvattingen uit de oudheid (bijv. het gebruik van een vast metrum). Veel gebruik van formele kenmerken. Opkomst van het sonnet (Petrarkisch, Shakespeariaans) (vaste versvorm).

Poëzie verwijst naar de werkelijkheid, vertolkt de mening van de meerderheid. Voorbeelden van onderwerpen van gedichten: 'Op het stadhuis van Amsterdam'; 'Op het stokske van Oldebarneveld'; 'Constantijntje zalig kijntje'; 'Tesselschade, nachtegaaltje'; 'Op den roemruchten zeeheld De Ruyer'; enz. Omdat gedichten de werkelijkheid beschrijven, spreken we van een mimetische poëtica (nadruk ligt op de werkelijkheid).

Belangrijkste genres in deze periode: toneel en dichtkunst. In de zestiende eeuw ontwikkelde de poëzie zich dus (door het teruggrijpen op de oudheid) van een nauwelijks op zichzelf bestaand genre, naar het genre met de hoogste status.



Domineedichters 19e eeuw - pragmatische poëtica

Een groot deel van de negentiende-eeuwse poëzie staat bekend als moraliserende en didactische poëzie. Veel domineedichters. Pz. is vervoermiddel voor gedachtengoed; moraal overbrengen aan lezers. Een pragmatische poëtica dus (nadruk ligt op het publiek).

Functie van poëzie: het algemene, geen individuele gevoelens, zeer breed publiek, voordrachten (leesgezelschappen).

Belangrijkste thema’s: God, vaderland, gezin.
Gedachtegoed: mens is fundamenteel goed; op rechte pad blijven; schoolplicht; positief optimisme; stad symbool voor kwaad; vooruitgang in de wetenschap; rationalisme (zolang het niet in conflict komt met het geloof). Moraal en religie.

Relatie tot wklh.: oproepen van herkenbare, veilige wereld.
Geen ‘lyrische’ pz., maar pz. met een maatschappelijke functie. Realistisch. Status van pz. wordt in deze periode ontleend aan maatschappelijk, algemeen belang.



Tachtigers (eind 19e eeuw) - expressieve poëtica

Belangrijk uitgangspunt bij de Tachtigers: afzetten tegen domineesdichters. Denken over pz. verandert radikaal. De dichter wordt anti-maatschappelijk; heeft er geen beroep naast; dichter-zijn is een beroep (bohemien).

I.p.v. het algemene wordt nu belangrijk: het individu; originaliteitsgedachte; inspiratie. Daarnaast afzetten tegen de vaste regels en de navolging van het Classisisme, nu: scheppen, creativiteit, geen voorbeelden, origineel zijn.

Relatie tot wklh.: dichters beschrijven nog wel een volledige wereld, maar niet meer geordend vlg. maatschappelijk prinicipe. Wklh. en actualiteit verdwijnen uit pz. Opgeroepen wereld is nu een innerlijke wereld, ziel, psyche, stemmingen, gevoelens (sluit aan bij Romantiek).

Hierdoor: versmalling publiek. Er ontstaat een leescultuur (zelf afgezonderd lezen) i.p.v. een voorleescultuur (gezamenlijk lezen).

Taal: de Tachtigers proberen een poetische sfeer op te roepen d.m.v. grote woorden en wollig taalgebruik. Woorden (en zeker gewone spreektaal) schieten tekort om gevoelens weer te geven.

Thema’s: natuur (symbolische waarde: kosmische uitvergroting van indiv. gevoelens); schoonheid (godsdienst wordt vervangen door cultus van schoonheid; kunst i.p.v. religie); klassieken, mythologie; ‘de waarheid’ i.p.v. de wklh. Religie als thema: niet langer geloofsbelijdenis (maar verwijst vaak naar positie van dichter in de samenleving).

Nieuw: lyrisch ik (is vaak: een dichter, individualistisch, in de natuur, tegenstrijdige gevoelens). Het lyrisch ik in het gedicht valt niet automatisch samen met het biografische ik van de dichter.

Kloos: poëzie is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie.

Expressieve poëtica (nadruk ligt op de auteur).
Voorb.: Kloos, Van Eeden, Verwey, Perk.

Belangrijkste genre is in deze periode nog steeds: de poëzie. Het leespubliek echter versmalt. In de 19e eeuw: opkomst van de roman, die de pz. als belangrijkste genre zal gaan verdringen.

De poëzie-opvattingen van de Tachtigers hebben grote invloed gehad op ons denken over wat pz. is of zou moeten zijn. Tot op de dag van vandaag zijn er nog steeds veel impliciete vooronderstelllingen over pz. die stammen uit deze periode (een gedicht is een expressie van de dichter, het is een uiting van gevoel, geeft zijn innerlijke wereld weer, opvatting van poëtisch woordgebruik, verwachting van bepaalde stijlkenmerken, enz.) Lezers verwachten vaak een expressieve poëtica bij het lezen van poëzie.



Symbolisten (ofwel: De Tieners, begin 20e eeuw) - autonomistische poëtica

De Tieners, aan het begin van de twintigste eeuw, zijn sterker individualistisch; gaan minder uit van inspiratie, zijn meer vakmatig.

Drie belangrijke verschillen met Tachtigers:
(1) hermetische poëzie (gesloten, minder toegankelijk);
(2) meer gebruik van meerduidigheid (ambiguïteit);
(3) minder lyrisch taalgebruik (gewone spreektaal; het poëtische wordt niet meer opgroepen door grote woorden en wollig taalgebruik zoals bij de Tachtigers).

Opgeroepen wklh: nog steeds een complete wereld, maar ergens geprojecteerd (beter, hoger, echter). Deze opgeroepen wklh. verschilt per dichter (Leopold, Boutens, Van Eijk, Verwey, H. en A. Roland Holst, Bloem, Van de Woestijne, Gossaert, enz.) en kan zijn: platonisch; mytische wereld; verleden; filosofie; socialisme; verlangen, enz.

Dichters willen niet meer de wklh. beschrijven, maar een werkelijkheid oproepen. Symbolisten roepen een wklh. op in taal.
Autonomistische poëtica (nadruk ligt op het werk).
Vnl. in buitenland: zelfs aanval op de wklh. (decadentie, perversiteit, bohemien, enz. -bv. Oscar Wilde-). Ofwel: terugtrekken op taal.

Taal drukt relatie uit tussen wklh. en spirituele existensie, d.m.v. het symbool. Meer macht voor het woord. Taal kan achter deze wklh. kijken; dichter als profeet. Je moet deze (persoonlijke) symbolen kennen om de pz. te kunnen begrijpen. Dit leidt opnieuw tot een versmalling van het publiek.

Symbolen niet gedefinieerd; roepen op, benoemen niet. Niet eenduidig.
Taal als onderwerp. Poëzie gaat vaak over poëzie (belangrijk om te weten voor interpretatie van gedichten).
Neutraal lyrisch ik. Onpersoonlijk.

Belangrijkste genre in deze periode: de roman. Pz. komt in marginalere positie.



Modernisme (interbellum) - automistische poëtica

In moderne tijd is de wereld niet meer veilig (snelle ontwikkelingen; veranderde maatsch. orde, enz).

Het begin van het modernisme wordt gelegd in 1916: Nijhoff en Van Ostaijen debuteren. Zie lezing Leven en poëzie van Martinus Nijhoff.

Belangrijk in Modernisme: literaire tijdschriften (Het Getij, De beweging, De vrije bladen, Roeping, Opwaartsche wegen, De stijl, Forum, Criterium, De nieuwe gids, enz.).

Dichters gegroepeerd rond tijdschriften, of eenlingen. Bv.: Nijhoff, Van Ostaijen, Slauerhoff, Marsman, Achterberg, Gerhardt, Vasalis, Aafjes, enz. (begin modernisme al bij Gorter).

In het modernisme worden twee stromingen onderscheiden:


* Avant-gardistisch modernisme

Groeperingen zoals het dadaïsme; manifesten, tijdschriften; politieke stellingname, modern, radikaal.


* Classisistisch modernisme

Gematigd modernisme. Geen bewegingen/manifesten, individueel, besef van traditie (neo-classicisme), niet pol., intellectueel, conservatief.

De wereld wordt losgelaten in de pz. Fragmentarische wklh, geen eenheid. De wereld wordt afgebroken (i.t.t. symbolisme, daar blijft de wereld intact, wordt alleen ergens anders geprojecteerd). Pz is een eigen, talige wereld, autonoom.

Afzetten tegen Tachtigers en symbolisme: geen uiting van lyrisch gemoed, ontsnappen aan persoonlijkheid, accent op het werk (autonoom, hermetisch). Dichter als ambachtsman.

Formele kenmerken: doorbreken v.d. vaste versvorm, vrije vers (loslaten van formele kenmerken), gebruik van het gewone woord, spreektaal.

Thema’s: aandacht voor moderne wereld; stad; techniek. Versplinterde wereld. Twijfel over de kenbaarheid v.d. wereld. Twijfel over taal. Poëticaliteit (pz gaat over pz).

Autonomistische poëtica (nadruk ligt op het werk).



Na-oorlogse poëzie - autonomistische poëtica

* Voortzetting van gematigd modernisme

Aafjes, Hoornik, Vasalis, enz.


* Vijftigers

Meer avant-gardistisch. Experimenteel realisme.
Afzetten tegen o.a. Criterium (Hoornik, Vasalis, Aafjes, Morriën e.a.): die anekdotische pz schreven, conventioneel van vorm.

Tijdschriften (tss.) van de Vijftigers: Braak, Blurp.

1951: publicatie bundel Vijf 5-tigers (Campert, Elburg, Kouwenaar, Lucebert, Schierbeek). 1954: publicatie bundel Atonaal (Andreus, Campert, Claus, Elburg, Hanlo, Kouwenaar, Lodeizen, Lucebert, Rodenko, Schuur, Vinkenoog).

Pz is autonoom, twijfel aan taal, taal is wereld op zichzelf. Vorm belangrijker dan inhoud.
Loslaten van formele kenmerken; gebruik van typografie; interpunctie; klank; meerduidigheid.
Tegen het intellectuele, tegen esthetisisme, leesautomatismen ontregelen.



Poëzie na ’60

Kenmerk: keuzevrijheid. Vier hoofdstromingen:
[1] - taalgerichte poëzie
[2] - parlandische poëzie
[3] - neo-symbolische poëzie
[4] - neo-romantische poëzie.


[1] De taalgerichte poëzie zet de traditie van de vijftigers voort. Pz. is een autonome werkelijkheid. Pz. is een wereld in woorden en als zodanig coherent. Deze dichters zijn niet geinteresseerd in de verhouding taal-werkelijkheid, maar in de verhouding poëzie-taal. De opvatting van Gerrit Kouwenaar wordt gevolgd: taal is materiaal en geen hulpmiddel.


[2] De parlandische poëzie staat lijnrecht tegenover de taalgerichte pz. en gaat terug op het tijdschrift Forum van Du Perron (het ventisme uit het interbellum!). Deze pz.-opvatting plaatst de dichter, de persoonlijkheid, terug in het middelpunt. Hierdoor komen uitdrukking van gevoelens en standpunten aan bod. Bijv: Rutger Kopland, Judith Herzberg.

Nieuw Realisme (va. jaren '60): spreektaal, parlandostijl, het waarnemen van de gewone, alledaagse werkelijkheid, niet-hermetische gedichten, anekdotische gedichten, gedichten waarin de persoon, gevoelens en standpunten weer centraal staan (itt. Vijftigers). Naast Kopland en Herzberg bijv. Herman de Coninck, Marjoleine de Vos en Anna Enquist. Tijdschriften: Barbarber (Bernlef, K. Schippers) en De Nieuwe Stijl (Armando).


[3] De neo-symbolische poëzie ligt heel dicht bij neo-romantiek; ook teruggrijpen op oudere dichters, maar dan vooral dichters uit het symbolisme, zoals Roland Holst, Bloem, Der Mouw, Vestdijk, enz. Streven naar het oproepen van een wereld in taal. De opgeroepen wereld en gebuikte symboliek verschilt per dichter.


[4] De neo-romantische poëzie verwijst naar een complex van romantische verschijnselen vanaf de jaren ’70 en ’80. Er wordt pz geschreven in traditionele versvormen (60=realistische reactie op 50; 70=restauratieve reactie op 60) en er is veel aandacht voor oudere dichters die buiten elke stroming zijn blijven staan: Ida Gerhardt, Chr. van Geel, Vasalis en Leopold. Grote voorkeur voor het sonnet. Zie ook: kenmerken neo-romantiek.

Gerrit Komrij behoort tot de eerste dichters die weer pz in een gebonden vorm schreef (metrum, rijm) en ook inhoudelijk een verbinding legde met vroegere romantische pz.

De ‘vroege’ Komrij was ook een vertegenwoordiger van een nieuwe humor-cultus die in de hedendaagse pz bestaat - die teruggaat op de 19e eeuw, alsof er geen Tachtigers en Vijftigers zijn geweest (denk aan: Weemoedt, Stip, Ivo de Wijs en ook aan de voormalige dichter des Vaderlands Driek van Wissen).

Tot deze neo-romantische stroming hoort ook de opkomst van de recente podium-poëzie. Deze pz zoekt het publiek weer op, kan zelfs weer maatschappelijk geëngageerd zijn, zoekt herstel van de waardering van het genre en bestaansrecht.

Komrij verwerkte niet alleen de traditie in zijn pz, hij maakte de traditie ook zichtbaar door enorme bloemlezingen van de Nederlandse poëzie samen te stellen, waarmee hij een herwaardering van de traditie wilde bewerkstelligen.



Post-modernisme

Vnl. in proza, nauwelijks in pz. Taal staat los van de wklh. Er is niet zoiets als ‘de’ wklh.; er zijn vele werkelijkheden. Taal kan de wklh. niet beschrijven, want de wklh. bestaat niet.



Recente periode, heden

Stromingen waarin poëzie weer meer naar lezer is gericht, podium-poëzie.

Hedendaagse gedichten moeten vlg. bijv. Maarten Doorman voldoen aan drie dingen: (1) ze moeten beelden oproepen die nooit zo werden opgeroepen; (2) gevoelens uitdrukken zonder te vervallen in larmoyante emoties; en (3) de blik op de taal richten waarin ze zijn verwoord.

Hoogleraar letterkunde Geert Buelens geeft als uitgangspunt (in college UvNL): In een gedicht moet er een relatie zijn tussen inhoud en vorm: inhoud en vorm moeten gekoppeld zijn, er moet over zijn nagedacht. Dan versterken vorm en inhoud elkaar. Dit kenmerk geldt voor poëzie altijd, anders is er geen onderscheid meer met bijv. een column.



Overzicht: enkele grote lijnen


In de verschillende perioden die hierboven zijn geschetst, zijn een aantal ontwikkelingen te zien. Verschuiving van opvattingen:
  • over de functie van poëzie
  • over de vorm van poëzie
  • over de rol van de dichter (positie in de maatschappij, rol tegenover de lezer)
  • met deze veranderingen verschuift ook de waardering van het genre poëzie.

Het lijkt of de verschillende poëtica’s elk in de loop van de tijd op de voorgrond komen te staan en uitkristalliseren in de poëzie van die tijd. Verschillende poëticale opvattingen volgen elkaar op, maar op een haast cumulatieve manier, ze blijven bestaan en bruikbaar in volgende periodes, tot ze in het heden allemaal synchroon naast elkaar bestaan.

De functie van de poëzie verschuift van een maatschappelijke functie (uitdrukken van opinie van het volk), naar een persoonlijke functie (persoonlijke gevoelens uitdrukken, expressie), tot een hermetische functie (persoonlijke symbolen, gedicht verwijst naar taal, enz.).

Tegelijk verandert de positie van de dichter van een verkondiger van waarheid, naar een beschrijver van maatschappelijke of sociale thema’s, naar een uitdrager van ideologisch gedachtengoed, tot iemand die zich afwendt van de maatschappij en terugtrekt in zijn eigen wereld of in taal.

In dit proces is er steeds meer ruimte om vaste vormen en conventies los te laten: vormvrijheid.

Met deze drie ontwikkelingen gaat een verandering van de waardering van poëzie gepaard: van het méést gewaardeerde genre tot uiteindelijk het minst gewaardeerde (verkochte) genre. Vanaf de jaren ’80 van de 20e eeuw zien we een streven van sommige dichters om dit tij te keren en weer nader tot de lezer te komen en meer in de maatschappij te komen staan.



Tot slot


Bovenstaande ontwikkelingen zijn niet meer dan grote lijnen, die hooguit de achtergrond vormen voor een individuele dichter. Bovendien zijn naast de behandelde poëtica’s, ontwikkeling van conventies en generalisaties over periode-stijlen, natuurlijk de persoonlijke opvattingen en kenmerken van iedere dichter van belang voor het plaatsen van de dichter in het landschap van de Nederlandse poëzie.

Hierdoor kunnen twee auteurs die beide bij bijv. het gematigd modernisme kunnen worden ondergebracht (op grond van hun vers-interne en -externe poëtica), toch meer van elkaar verschillen dan twee dichters met een andere poëticale achtergrond. Van belang zijn persoonlijk kenmerken van de dichter: mate van gebruik van formele kenmerken en vorm(vrijheid); opgeroepen werkelijkheid; gebruikte thematiek; taalgebruik; het poëtische register; enz. Bovendien hoeven dit geen statische kenmerken te zijn, maar is er binnen het oeuvre vaak ook weer sprake van een ontwikkeling.

Daarom dan ook tot slot een citaat van de Utrechtse hoogleraar A.L. Sötemann (Vier poëtica’s):

“Het nieuwe bouwt voort op het bestaande, is daarzonder niet denkbaar. Wil het herkend worden als behorend tot een zekere orde van artistieke verschijnselen, dan moet het in hoge mate voldoen aan een groot aantal expliciete en impliciete vooronderstellingen van het publiek. ‘True originality is merely development’, zoals T.S. Eliot het eens heeft uitgedrukt.

Anderzijds, en even vanzelfsprekend, is pure herhaling zinloos. Een auteur ontleent de zin van zijn bezigheid aan de omstandigheid dat hij anders te werk gaat dan zijn voorgangers. ‘Als je schrijver wilt blijven, moet je maken wat er nooit is geweest’, zegt Gerrit Kouwenaar terecht. Dat geldt ook, en zelfs in het bijzonder, binnen het oeuvre van een en dezelfde kunstenaar. Het volgende gedicht, de nieuwe roman, moeten anders zijn dan de voorgaande, wil er een reden van bestaan voor zijn.”



Verder lezen


Poëtica en literatuurgeschiedschrijving; W. v.d. Akker en G. Dorleijn (en de literatuuropgaven aldaar).

Twee eeuwen literatuurgeschiedenis. Poëticale opvattingen in de Nederlandse literatuur. Red: G. van Bork. (Groningen, 1986).

Vijf eeuwen poëtica. Uitgave Historische letterkunde, Universiteit Utrecht (Utrecht, zonder jaar).

W. v.d. Akker en G. Dorleijn, Een geschiedenis van de Nederlandse poëzie. Binnenkort te verschijnen.




© Het is alleen toegestaan om gegevens van deze pagina over te nemen met gebruikmaking van de volgende verwijzing:
Rozemarijn van Leeuwen, Geschiedenis van de Nederlandse poëzie. Een kort overzicht van Nederlandse poëziegeschiedenis. Zie: www.rozemarijnonline.net.




Aantekeningen voor voordrachten
door Rozemarijn van Leeuwen
gehouden voor het Utrechtse dichterscollectief Ithaka
in de jaren 1998-2002.