RozemarijnOnline




Publicaties en artikelen online










Artikelen en recensies online








Vertalingen




Poëzie












‘De weg was slechter dan we ooit hadden gezien’

De Bommelerwaard door de ogen van reizigers in de afgelopen eeuwen.


door Rozemarijn van Leeuwen



In augustus 1669 maakt de beroemde zeventiende-eeuwse dichter Constantijn Huygens een reis door Nederland. Hij schrijft hier een lang gedicht over, dat als volgt begint:

“Twee Meeren [merries] voor mijn’ Coets,
twee Knechts, een Hond, een Luijt:
Met die onnoosle sleep [dat simpele gevolg] trock ick ten huijsen uijt,
Als Kijcker; en uijt lust om hier en daer te spieden,
Wat wel, en wat niet wel, bij kloecke en slechte lieden
Te weghe was gebracht, in ’t spillen van haer [hun] Geld
Aen Boomen inder aerd, of steen op steen gestelt.” (1)

Huygens reist voor zijn plezier, om eens te kijken wat er in het land gebeurt en waar de mensen hun geld aan uitgeven. Hij neemt het er ook echt van op zijn reisje; hij is nog maar nauwelijks een paar uur onderweg, of hij besluit te stoppen bij een herberg tussen Leidschendam en Voorschoten, waar hij zo'n enorm ontbijt nuttigt dat het ook als middagmaal kan dienen. Huygens reist, voor deze tijd, op de meest dure en luxe manier. Hij rijdt in zijn eigen koets met eigen paarden ervoor en wordt vergezeld door twee knechten. De “onnoosle sleep” is dan ook ironisch bedoeld, de doorsnee reiziger kon zich dit gewoonlijk niet permitteren.



Op reis door Nederland


Wat Huygens hier doet, reizen voor zijn plezier, om het land te bekijken, is op dat moment een betrekkelijk nieuw verschijnsel. Rond 1600 begint de bovenlaag van de burgerij voor het eerst (naast bijvoorbeeld het reizen omwille van het drijven van handel) door Europa te reizen om het reizen. Kinderen van welgestelde families maken bij wijze van sluitstuk van hun opleiding een reis door Frankrijk en Italië. Deze educatie-reis krijgt in de loop van de zeventiende eeuw de naam Grand Tour. Het doel van deze reis is de jongeren voor te bereiden op een maatschappelijke functie. Door te reizen maken ze kennis met andere landen, mensen en culturen; ze leren vreemde talen, hun inzicht wordt verrijkt, hun karakter gevormd en ze leren levenslessen. (2)

Al snel worden tijdens deze reizen ook andere landen aangedaan. Duitsland en Engeland worden veel door reizigers bezocht, maar ook Nederland wordt een reisdoel. Binnen de Nederlanden zijn ’s-Gravenhage, Amsterdam, Utrecht en Maastricht echte trekpleisters, maar natuurlijk worden onderweg ook andere plaatsen bezocht. Van Utrecht naar ’s-Hertogenbosch komen reizigers langs of door de Bommelerwaard en er zijn verschillende reisverslagen bekend waarin dit gebied of de stad Zaltbommel wordt vermeld.

Wat vonden, ten eerste, deze reizigers in de vorige eeuwen van de Bommelerwaard? Hebben ze hier dorpen bezocht, er overnacht? En wat was, ten tweede, de plaats van de Bommelerwaard in hun reis door Nederland? Bleven ze er lang of lag het slechts op een doorreisroute? Ik heb zeventien reisverslagen waarin de Bommelerwaard wordt vermeld bekeken (zes Duitse, vier Engelse, drie Franse en vier Nederlandse). Ik zal deze fragmenten in chronologische volgorde langsgaan. Het merendeel van de vindplaatsen stamt uit de achttiende eeuw, namelijk tien fragmenten. Eén fragment stamt uit de zestiende eeuw, één uit de zeventiende en vijf uit de negentiende eeuw. Een lijst van deze reisverslagen is aan het artikel toegevoegd. Tussen de reisfragmenten door zullen ook de perikelen van het reizen en de opmerkelijkheden van het Nederland van toen aan bod komen. Hier volgt een blik op Nederland in de afgelopen eeuwen en op de Bommelerwaard in het bijzonder.



Reizen over water en land


Een heel oude vermelding van een bezoek aan de Bommelerwaard stamt uit de zestiende eeuw, voor de Grand Tour in de mode kwam. Albrecht Dürer noemt de streek in zijn reisdagboek annex schetsboek van 1520. Hij reist in dat jaar samen met zijn vrouw door Nederland en hij maakt onderweg tekeningen van gebouwen en mensen. Na Tiel voorbij te zijn gegaan (en zeven stuivers te hebben uitgegeven), varen ze over de Maas langs “Pommel”. Als er echter een storm opsteekt, gaan ze te paard, zonder zadel (!), verder naar ’s-Hertogenbosch. Hij geeft deze dag één gulden uit.

“Niemägen ist ein schöne Stadt, hat eine schöne Kirchen und ein wolgelegen Schloss. Von dannen führ wir gen Till [Tiel]; do verliessen wir den Rin und fuhren uf der Mas gen Terawada, da die zween Turn stahn; do lagen wir über Nacht, und diesen Tag verzehret ich 7 Stüber. Darnach führen wir am Erichtag frühe gen Pommel uf der Mas. Do kam ein gross Sturmwind, das wir Bauerpferd tingten und ritten ahn Sattel bis gen Herzogpusch. Und verführ zu Schiff und verritt 1 fl.” (3)

Dürer duidt met het woord “Pommel” waarschijnlijk niet de stad (Zalt)bommel aan, deze ligt immers niet aan de Maas, maar de hele Bommelerwaard. De naam “Bommel” wordt door reizigers in vorige eeuwen soms op deze manier gebruikt (zie hierna de “English gentleman” en La Roche). Dürer beschrijft het uitzicht dat hij over de Bommelerwaard had helaas niet. Wellicht heeft hij er door de storm geen oog voor gehad. Wat zijn vrouw vond van hun overhaaste tocht naar ’s-Hertogenbosch op ongezadelde paarden vermeldt het dagboek evenmin.

Wat in dit korte tekstje al naar voren komt zijn de verschillende manieren waarop je door Nederland kunt reizen: over water en over land. Nederland staat tot ver in de negentiende eeuw bekend om zijn slechte wegen over land en zijn goede waterwegen. Buiten de steden zijn de wegen nog niet verhard en ze zijn daardoor, zeker als het regent, moeilijk begaanbaar. Pas onder koning Willem I komt daar verandering in. Zijn stelregel is: “Geen land ter wereld is rijk genoeg om zich de weelde van slechte wegen te kunnen veroorloven”. (4) In de reisgids Neueste Reisen durch die vereinigte Niederlande uit 1783 geeft Johann Volkmann de reizigers die Nederland gaan bezoeken informatie over het vervoer aldaar:

“Men reist op twee verschillende manieren door de Verenigde Provinciën; over water en over land. Deze laatste manier is heel kostbaar. Men kan weliswaar overal met de wagen komen, maar de wegen zijn in veel streken, vooral in de lente en in de herfst, erbarmelijk; en vanwege de moerasachtige bodem, in het bijzonder in Holland, nauwelijks begaanbaar. In streken met een zandbodem gaat het beter. Op verschillende wegen, bijvoorbeeld de route van Duitsland naar Amsterdam, zijn behoorlijke reisdiensten op de Duitse manier aangelegd. Binnen de provinciën rijden op bepaalde dagen en uren ook wagens van de ene stad naar de andere, waar men een plaats kan nemen; deze plaatsen zijn echter duur en de bagage komt daar nog bovenop. Wie helemaal alleen wil reizen, moet deze eer zeer duur betalen, meer dan wanneer men in Duitsland met de betaalde post reist. Hierboven moet men steeds tol, passagegeld enz. betalen.”

De beste, meest gebruikelijke en goedkoopste manier om te reizen is onbetwist met

”Treckschuyten en Beurtschiffen. [...] Dagelijks gaat er in de zeven provinciën een groot aantal tussen alle steden heen en weer. Er worden gewoonlijk veel verhalen over spelers en avonturiers verteld, die in de roef meevaren om reizigers tot spelen of andere ongeregeldheden te verleiden; veel van die verhalen kunnen waar zijn, maar dat ze zijn aangedikt, is wel zeker. Een voorzichtige reiziger moet zich onderweg niet inlaten met een spel met onbekenden; wie echter onbehoedzaam is, vindt overal de gelegenheid om zijn geld te verliezen.” (5)

De trekschuit is een zeer populair vervoermiddel; hij vaart regelmatig, is goedkoop en er is een uitgebreid netwerk van trekvaarten en veerdiensten. De gemiddelde snelheid is ongeveer zeven kilometer per uur. Dat lijkt misschien langzaam, maar door de toestand van de wegen en het vele oponthoud is een diligence vaak niet veel sneller. Om je een voorstelling te kunnen maken: de trekschuit vaart in 1830 ’s zomers acht keer en ’s winters zes keer per dag van Leiden naar Haarlem. Deze afstand van dertig kilometer wordt in vier uur afgelegd. Een plaats in het ruim, waar dertig personen in kunnen, kost zestien stuivers. De prijs voor de roef, een luxere ruimte voor acht personen, is vierentwintig stuivers per persoon. Hiermee vergeleken is de koets niet veel sneller, maar wel veel duurder. De vergelijkbare afstand tussen Amsterdam en Utrecht wordt in vijf uur afgelegd en kost twee gulden en vijf stuivers. Op langere afstanden wordt de diligence relatief goedkoper: in 1827 kun je met de firma Van Gend en Loos twee maal per dag naar Parijs voor achttien gulden en achttien stuivers. Je moet dan wel rekenen op een reistijd van zestig uur! (6)





(afb. 1) De titelpagina van de reisgids van Volkmann uit 1783.




De kogel in de kerk


In 1608 vat Thomas Coryate, die in Oxford heeft gestudeerd, het plan op om te voet (!) een reis te maken door Frankrijk en het noorden van Italië tot aan Venetië, dat in die tijd bekend staat als de mooiste stad van Europa. Op de terugweg wil hij Zwitserland en de Lage Landen aandoen. Hij heeft zichzelf ten doel gesteld om een verslag over zijn reis en alle bezienswaardigheden te maken, zodat hij in Engeland als eerste een echte reisgids kan publiceren. Tijdens zijn reis houdt hij dan ook heel precies de afstanden en de reistijden tussen steden bij en hij laat zich in steden zoveel mogelijk door een gids rondleiden. Zijn interesse ligt duidelijk bij steden en architectuur, niet bij platteland en natuur.

Coryate vertrekt in mei 1608 en reist in september 1608 door de Nederlanden terug naar Engeland; over Nijmegen, Gorinchem, Dordrecht, Middelburg en Vlissingen. Hij geeft eerst wat algemene informatie over Gelderland, “one of the seventeen Provinces of the Netherlands and one of the eight united Provinces that belong to the States”. (7) Er wordt over deze provincie gezegd dat zij zo vlak is, dat er geen enkele heuvel te vinden is. Het hele gebied is bedekt met bos. Gelderland staat bekend om twee dingen: de enorme hoeveelheid graan die daar groeit en de goede weilanden voor het vee; er wordt zelfs mager vee helemaal uit Denemarken gebracht om op die weilanden te grazen! Er stromen drie beroemde rivieren door Gelderland: “the Rhene, the Maze and the Wael” en het telt maar liefst tweeëntwintig ommuurde steden en driehonderd dorpen.

Het valt hem al snel op dat Nederland andere gebruiken kent dan Duitsland.

“Het is een gebruik in de herbergen om enkele stukken bruin brood bij de voorsnijplank van de gast te leggen, en één of twee kleine witte broodjes. Op veel plaatsen zetten ze ook aan het begin van het avondeten of het souper rundvlees en goede gestampte spek op tafel, voor ze iets anders brengen. [...] aan het einde van de maaltijd brengen ze altijd boter. Eén van hun gewoontes die ik verafschuwde, is dat zij buitensporig lang aan tafel zitten, op zijn minst anderhalf uur. Ze souperen zelden voor zeven uur. [...] gewoonlijk drinken ze bier en geen Rijnwijn, zoals in de hogere delen van Duitsland. Daarvoor hebben ze geen wijn in hun land. Een gewoonte die ik heb meegemaakt in het land van Kleef, Gelderland en Holland, is dat als er iemand drinkt op een ander, hij zijn vriend de hand schudt [...].” (8)

Onderweg van Nijmegen naar Gorinchem komt Coryate langs twee plaatsen.

“Op mijn reis tussen Nijmegen en Gorinchem passeerde ik twee mooie steden van Gelderland, langs de rivier de Waal gelegen, waarvan de eerste Tiel heet, op ongeveer twaalf mijl van Nijmegen; de tweede Bommel, op zes mijl van Tiel. Dit Bommel is de stad op de uiterste grens aan de westkant van Gelderland, en om één ding gedenkwaardig. Ik zag namelijk een grote kanonskogel in de pilaar van hun kerk zitten, bijna bovenaan, die door de vijand was afgeschoten in het jaar 1574, deze cijfers (1574) zijn in zulke grote tekens onder de kogel geschreven, dat men ze heel duidelijk van een afstand kan onderscheiden. Van Bommel naar Gorinchem is zes mijl.” (9)

Dit is wel een heel opmerkelijke vermelding. Coryate was duidelijk onder de indruk van de kogel in de kerktoren, maar ook nu nog spreekt deze anekdote tot de verbeelding. Het maakt heel concreet duidelijk wat het voor een stad in die tijd betekende om op de grens van een land te liggen. Op het moment dat Coryate de stad bekijkt, is het nog maar tweeëndertig jaar geleden dat die kogel werd afgeschoten en de Tachtigjarige Oorlog is nog steeds niet voorbij. Coryate vermeldt niet of hij over de Waal naar Bommel is gevaren of er op een andere manier kwam, maar het is in ieder geval zeker dat hij het stadje in is gelopen en heeft bekeken. En wat hij, ongeveer vierhonderd jaar geleden, vermeldenswaard vond, is tot op de dag van vandaag een bezienswaardigheid.





(afb. 2) De prachtig geïllustreerde titelpagina van het reisverslag van Coryate geeft een beeld van de wederwaardigheden van een zeventiende-eeuwse reiziger.




Het Maria-mirakel


De Engelsman John Northleigh is tijdens zijn reis in 1702 door onder meer de Verenigde Nederlanden en de Spaanse Nederlanden, in het bijzonder geïnteresseerd in historische en politieke achtergronden. Op deze manier bespreekt hij ook de Bommelerwaard in zijn verslag.

“Aan de linkerkant lag de stad Bommel op zijn eiland, sterk door zowel water als land. In hun oorlogen met de Spanjaarden was deze plek vaak een toevluchtsoord en werd even vaak aangevallen; de lidstaten hadden er eens een groot deel van de Spaanse krijgsmacht omsingeld, dat niet door de hertog van Parma kon worden bevrijd, en hun uiteindelijke verlossing werd door Strada, volgens de bijgelovige houding van zo'n schrijver, toegeschreven aan louter mirakel, en het vinden van de afbeelding van de Maagd Maria, waarop, zegt hij, zo’n vorst volgde (iets wat toch heel gewoon is in die landen) dat de lidstaten, die zichzelf zo zelfverzekerd voelden tegenover al hun vijanden, gedwongen werden om hun posten te verlaten, uit angst om, samen met hun schepen, afgesloten te worden door de vorst en het ijs dat hen begon te omringen. Dit is dezelfde plek die, bij het beschrijven van de Maas, door Caesar het Eiland van Batavia of Batavorum wordt genoemd; en in de laatste oorlogen teisterden de Fransen deze landen en liepen ze onder de voet met de rest; in deze gebieden begonnen de katholieken het land te bevolken, hun huizen onderscheidend met kruizen op de deuren.” (10)

Northleigh heeft duidelijk een nuchtere kijk op het verloop van de oorlog, het Maria-mirakel wijst hij van de hand als bijgeloof. Uit zijn beschrijving wordt duidelijk dat de Bommelerwaard precies tussen twee vuren lag in de oorlog met Spanje. In de beschrijving van Northleigh is de Bommelerwaard een cruciale plek voor de Nederlanden. Het speelt een belangrijke rol in oorlogen en het ligt op de grens tussen het katholicisme en protestantisme.

Zeventien jaar later, in 1719, bezoekt de Fransman Guillot de Marcilly Zaltbommel. De invalshoek van zijn reis door de Nederlanden is een heel andere dan die van John Northleigh; hij is voornamelijk geïnteresseerd in godsdienst. Hij woont de mis bij in de kerk van Zaltbommel en reist vervolgens door naar Gorinchem.

“De derde dag vervolgde ik mijn reis; ik woonde de mis bij in Bommel aan de Waal, bij een geestelijke, die me ontving met alle hartelijkheid van de eenvoudige kerk en me niet in Gorkum liet aankomen voor de poorten ’s avonds sloten. [...] Deze stad [Gorkum] wordt nog steeds verdedigd door twee burchten, waarvan Loevestein geheel vrij van smaad is.” (11)

De Marcilly beklimt de toren van de kerk van Gorinchem en telt tweeëntwintig ommuurde steden en nog talloze dorpen. Loevestein vermeldt hij wel, maar hij bezoekt het slot niet.

Ook het reisgezelschap van burgemeester Citters van Middelburg, dat in augustus 1760 een “playsier reisje” maakt met een jacht van de VOC, gaat in Zaltbommel naar de kerk. Door het slechte weer missen ze een gedeelte van de mis. Er zijn plannen om een nieuw stadhuis in Zaltbommel te bouwen; men wil het financieren door de bomen op de Singel te verkopen. ’s Avonds bezoekt het gezelschap slot Loevestein.

“23 Saterdag. [...] ’s avonds om agt een gedeelte van ons geselschap ging met de chaloup [sloep] nog eens na [naar] Bommel welke plaats niet heel groot, maar heel lugtig betimmert is en met fraye gebouwen en ruyme straaten voorsien is, te dees tijd had de Magistraat van die stad het besluyt genomen om een nieuw stadhuys te laten maken, dog de stad daartoe geen genoeg fonds in zig zelfs hebbende, was bedagt om dit fonds bedragende ƒ 20 000 uyt te vinden, men had reeds bedagt de bomen op de Cingel staende te vercopen maar helas bij presentatie so veel niet mogende gelden [niet zoveel waard waren], weerden deselve tot beter gelegentheid bewaerd, wij laten dan de regeering besig met daer toe de nodige middelen te beramen en retourneerden na het jagt met intentie om ’s anderen daags onse kerkgang daer te komen doen.
24 Sondag wierden door den sterken reegen verhindert om met de chaloup na land te varen, weshalven tot ons leed werden verhindert tenminsten voor het grootste gedeelte in het verrigten van onse devotie, egter het weer wat ophelderde tegen tien uuren gingen nog eens na wal en direct na de kerk dat een seer groot en lugtig gebouw is, seer wel voorzien van heere gestoeltens en een orgel, hoorden daer dominee de Mist nog een gedeelte van zijn leerreede doen, na het einden derselve gingen bij Juffrouw Dibbets een visite doen, die ons eenige ververssinge voorsettede alwaer na een uur vertoefd te hebben, na het jagt terug gingen. (...) dat wij ’s avonds bij seven uuren voor het slot Loevestein quamen liggen, het welk nog dien avond gingen sien schoon het bijna reeds duyster was, het scheen ons toe een groot en oud kasteel egter wel onderhouden, dog meer besienswaerdig om het gewag dat daer dikwijls van gemaekt is in de Vaderlandsche historien als om zijn fraayheid, buyten het kasteel is er nog een magasijn dat ter dees tijd wel voorzien was van affuyten, sandsakken en buyten dit sij er nog eenige barakken voor het garni-zoen, dat egter maer uyt 24 man bestond, en nog weinig andere huysen wordende de kerk in het slot gehouden in een daer toe geapprobieerde sael, het fort self ligt vrij net in zijn wallen rekene het uurs in zijn omtrek, dit fort kan teffens met zijn kanon de Maes en de Wael bestrijken.” (12)

Het reisgezelschap van Citters bekijkt Loevestein alleen van de buitenkant. Het is voor hen een bekend slot uit de vaderlandse geschiedenis en het is nog steeds in gebruik, al bestaat het garnizoen op dat moment nog maar uit een tiental mannen. Doordat het nog in gebruik is als militaire vesting en gevangenis, is het waarschijnlijk niet mogelijk geweest om het slot van binnen te bezoeken.



Stenen huizen en strohutten


In 1774 maakt J.Fr. Grimm een reis door Duitsland, Frankrijk, Engeland en Holland. Hij doet hier, op een heel persoonlijke toon, verslag van in brieven aan zijn vrienden in Duitsland. (13) Na een maand door Engeland te hebben rondgetrokken, reist Grimm vanaf 15 mei 1774 tien dagen door Nederland. De overtocht van Harwich naar Hellevoetsluis, die vierentwintig uur duurt bevalt hem slecht. Hij wordt flink zeeziek en verzucht: “Zo waar ik leef, liever vierentwintig uur, als het mogelijk is, ononderbroken te voet gaan, dan even lang in het beste schip op zee varen”. (14)
Als hij in Nederland voet aan land zet, merkt hij meteen het verschil met Engeland op: “De eerste aanblik van de huizen leerde me da ik weer in een ander land was, net als de taal en de kleding der vrouwen”. (15)

Deze “aanblik van de huizen” is meer reizigers opgevallen. Johann Volkmann wijdt er in zijn reisgids van 1783 een hele passage aan.

“Men kan geen land verzinnen dat mooier en vlijtiger bebouwd is dan Holland. Nergens vindt men steden die zo’n schone en keurige aanblik geven als deze. Uiterlijk heeft de bouwstijl niet veel moois, maar wel is opvallend, voor wie niet aan de Nedersaksische smaak gewend is, dat de gevel, of de punt van het dak, aan de straat is gelegen, en men dus aan de gevelkant het huis in gaat. Maar de netheid en het zorgvuldige onderhoud vergoedt deze fout, en het geheel bevalt de ogen zo goed, dat men die misstand niet meer zo bemerkt. Midden door de straten lopen gewoonlijk kanalen, die aan beide zijden met bomen zijn beplant, en heel gemakkelijk zijn voor het vervoer van goederen. Het is echter niet te ontkennen, hoezeer deze inrichting het daaraan niet gewende oog bevalt. dat men toch, wanneer men meerdere Hollandse steden ziet, gauw een monotonie bemerkt. Daarom pleegt men te zeggen: wie een paar steden in Holland heeft gezien, die heeft ze allemaal gezien. Om nog maar te zwijgen van de kanalen, die al het afval bevatten, veel ongezonde geuren uitwasemen en in de zomer, als het warm is, soms vies stinken.” (16)

Hier worden de stenen huizen van de steden beschreven, maar de dorpjes geven in die tijd een heel andere aanblik. We zullen Grimm verder volgen op zijn reis, die ons, op weg naar ’s-Hertogenbosch, over het platteland en door enkele dorpjes zal voeren. Grimm gaat eerst over Den Briel en Delft naar Den Haag en vervolgens over Leiden naar Amsterdam, waar hij vier dagen doorbrengt. Hierna vaart hij over het kanaal naar Utrecht, waar hij niet veel van ziet vanwege de aanhoudende regen. Zijn volgende reisdoel is ’s-Hertogenbosch. Hij kan met de postkoets meereizen, deze vertrekt iedere ochtend om vijf uur, zodra er genoeg betalende passagiers zijn ingestapt. Er passen zes personen in de koets, die samen dertien gulden moeten opbrengen. Daarbij komt nog een bedrag voor de bagage, zeven stuivers provisie, zes stuivers voor de tol en zes stuivers voor de overtocht over de Rijn, Linge, Maas en Lek. De tocht duurt, “met drie beroerde paarden” tot zes uur 's avonds.

Grimm vindt het een zeer onaangename tocht. Door de langdurige regen is de weg heel slecht; deze is namelijk niet verhard en bestaat uit zand, dat nu modder is geworden. Ze komen langs akkers en langs weiden met schapen met een zeer lange vacht, en “de bloeiende klaprozen kleuren de groene velden rood”. (17) Bij de dorpjes die ze passeren, valt het Grimm op dat de strodaken van de huizen bijna tot aan de grond reiken. Na zes uur te hebben gereden, steken ze de Lek over en komen ze bij “Syrmund” (waarschijnlijk Zoelmond). Hiervandaan rijden ze over een opgehoogde weg naar Buurmalsen. Hij ziet in deze omgeving veel fruitbomen en vermeldt als wetenswaardigheidje dat veel van de appels en peren in Amsterdam worden verkocht. Een kwartier later zijn ze bij de Linge:

“aan de zuidelijke oever van deze snel stromende, ongeveer honderdvijftig voet brede rivier, ligt Geldermalsen. Hier wisselt de post zijn paarden, omdat het precies op de helft ligt”. (18)

In Geldermalsen wordt ook gegeten, bij een herberg waarvan de waard ook postbeambte en schoolmeester is. Grimm vindt de Nederlandse herbergen nòg slechter dan de Franse; maar beter dan de Duitse. Na de maaltijd reist het gezelschap verder naar “Swaerenburg, waar we bij de Waal, een andere hoofdarm van de Rijn, komen”. (19) Het dorp, hij zal doelen op Waardenburg, bestaat uit armoedige huizen met strodaken en ligt aan de hoge oever van de rivier, die hier wel zeshonderd voet breed is en een sterke stroom heeft.

”Voor de oversteek wordt een schip met een mast en een zeil gebruikt. Het scheelde niet veel, of ik was weer zeeziek geworden. Bommel, een kleine, versterkte stad, ligt aan de zuidelijke oever van de rivier, op ongeveer zeven minuten afstand, en geeft tijdens de overtocht een mooie aanblik. Het landschap bestaat uit zand, weiden en vee. De schapen aan de noordelijke oever waren buitengewoon groot en vet. De weg voerde ons naar de westkant van de stad, en was hier niet beter dan hiervoor, platgereden zand en modder. Van hier naar Den Bosch is het vijf uur, waarbij je nog langs verschillende dorpen komt. De belangrijkste zijn Bruckel [Bruchem], Truthem [?] en Amelroy [Ammerzoden], waarna Heel [Hedel] aan de Maas, twee uur van Bommel, volgt. Ze zien er allemaal hetzelfde uit, ze bestaan uit verspreide, kleine strohutten, die er armoedig uitzien. Veeteelt en akkerbouw wisselen elkaar af, er zijn in deze streek echter ook wijdse, moerassige heiden. Bij Heel gingen we over de Maas.” (20)

Het landschap aan de zuidelijk oever van de rivier, ziet er volgens Grimm ineens heel anders uit. Het land ligt diep en de weg loopt over een hoge dijk. Men ziet ’s-Hertogenbosch al geruime tijd voor zich liggen. Het heeft vestingwerken; de huizen zijn deels van steen en deels van hout en de straten zijn geplaveid. Hij noemt Den Bosch een schone, maar niet een prachtige stad. Meteen de dag erna reist Grimm al af naar Maastricht; er gaat iedere dag een diligence heen. Dit is de laatste stad die hij aandoet. In de volgende brief aan zijn vrienden schrijft hij dat hij hen toch wel erg begint te missen: “Hoe meer ik u nader, hoe groter mijn ongeduld en mijn verlangen wordt om u weer te zien”. (21)

Grimm geeft hier een prachtige beschrijving van de dorpen in de Bommelerwaard. Het is nauwelijks voorstelbaar dat Bruchem, Ammerzoden en Hedel toentertijd uit kleine strohutten hebben bestaan! Grimm maakt duidelijk onderscheid tussen Bommel en de andere plaatsen tussen de Waal en de Maas. Bommel noemt hij verschillende keren een stad, een versterkte stad zelfs, die vanaf de Waal een mooie aanblik geeft. Hij beschrijft er helaas niets meer van dan de staat van de weg die er aan de westkant langsloopt.

De Franse reiziger André Theeën doet dat in 1795 wel. Hij beschrijft heel kort de huizen van Zaltbommel.

“We stopten bij Bois-le-Duc [’s-Hertogenbosch] om er de nacht door te brengen en de volgende morgen vervolgden wij onze weg. Na een tijd staken we op het ijs de Maas over, en bij het eerste dorp dat zich voordeed aan de andere oever, zag ik met plezier de molenwieken. [...] Omstreeks twee uur ’s middags kwamen we bij Bommel, een kleine maar mooie stad, waarvan de straten, merendeels smal, omzoomd zijn met huizen van twee verdiepingen, soms van drie, gemaakt van bakstenen, met de deuren en de ramen groen geschilderd. Zij ligt aan de rivier de Waal, een van de zijtakken van de Rijn, breder op die plek dan de Seine in Parijs tegenover het Muséum d’histoire naturelle.” (22)

Aan het einde van de achttiende eeuw bestaan dus de kleine dorpen in de Bommelerwaard uit strohutten. In Zaltbommel staan, overigens dan al enkele honderden jaren, stenen huizen. De beschrijving van de groen geschilderde ramen en deuren roept een leuk beeld van de stad op.

De Franse abt De Feller volgt in mei 1775 dezelfde route als Grimm: van Utrecht over ’s-Hertogenbosch naar Maastricht. Hij gaat uitgebreid in op de slechte begaanbaarheid van de wegen. Het kleine stadje Bommel bestempelt hij als “wel aardig”:

“Bommel, aan de linker oever van de Waal, is een klein stadje; wel aardig, maar slecht gelegen op een moerassig en onbegaanbaar gebied. De wegen daar tot aan de Maas, en zelfs tot aan Den Bosch, zijn erg slecht, overstroomd, moeilijk te bereizen en volledig buiten gebruik tijdens een groot deel van het jaar. Na het oversteken van de Maas worden ze heel gevaarlijk vanwege de smalle dijken, en door het drijfzand waar onze onkundige en waardeloze koetsier meer dan één keer denkt dat we zullen verongelukken.” (23)






(afb. 3) Gezicht op Zuilichem door Constantijn Huygens jr. (7 augustus 1671).



Van Nijmegen naar ’s-Hertogenbosch


Hoewel het reisboek van Johann Jacob Volkmann uit 1783 (dat hiervoor al enkele keren aan de orde is geweest) net als dat van Grimm uit brieven bestaat, is de functie en de toon ervan een heel andere. De brieven van Grimm zijn persoonlijke reisbeschrijvingen, gericht aan vrienden; die van Volkmann vormen samen een informatieve reisgids voor mensen die Nederland willen bezoeken. Volkmann begint met het beschrijven van de “sieben vereinigten Provinzen”: de grootte, het aantal inwoners, de steden, de rivieren, de regering, de handel, de munteenheid en gebruikelijke maten, bekende schrijvers en schilders enzovoort. Hij geeft veel praktische informatie over reisroutes, het klimaat en bezienswaardigheden. Zo geeft hij bijvoorbeeld een verklaring voor het klimaat dat in de Nederlanden heerst:

“Uit het vele water, de kanalen en moerassen, stijgen dampen op die de lucht heel dik maken en veelvuldig mist en regen veroorzaken; die door de meestal heersende westenwind, die de dampen uit zee over het land drijft, nog worden verergerd. De noordelijke en oostelijke wind brengen in de winter de kou die de rivieren en kanalen doet bevriezen; wat de Hollanders de gelegenheid geeft om één van hun meest geliefde vermaak, waar beide geslachten aan deelnemen, namelijk het schaatsenrijden, volledig te bevredigen.” (24)

Hij weet nog veel meer te vertellen over de inwoners van de lage landen aan zee. Volgens hem zijn ze in het bezit van de volgende karaktereigenschappen:

”Zuinigheid, trouw en eerlijkheid waren voorheen de belangrijkste eigenschappen van de Hollanders, waardoor ze de beste kooplieden ter wereld waren. Ze bezitten deze eigenschappen nu nog, maar niet meer in die hoge mate. [...] De Hollander overhaast zijn beslissingen niet, hij is ernstig en bedachtzaam. [...] Hij hecht veel waarde aan zijn vrijheid; de liefde hiervoor heeft hem in vroegere tijden dapper gemaakt; hij heeft zijn vaderland verdedigd.” (25)

Na al deze praktische informatie beschrijft hij een reis door achtereenvolgens Holland, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Zuid-Holland, Zeeland, Brabant en Utrecht. In Gelderland bezoekt hij Zutphen, Doesburg, Dieren, Arnhem, Nijmegen, Tiel, Bommel en vervolgens gaat hij naar het Brabantse ’s-Hertogenbosch. We zullen hem na Nijmegen volgen op zijn reis.

“We volgen de weg van Nijmegen langs de Waal. Na zes uur komt men in Tiel, de tweede stad van deze streek, die in een vruchtbaar gebied aan de rivier ligt, waarin een zandbank is ontstaan, die de stad in de loop van de jaren veel schade zou kunnen toebrengen. Tot op heden wordt er veel handel gedreven over de Maas; er worden over de bij de stad ontspringende arm van de Linge, die echter alleen in de winter bevaarbaar is, veel goederen en levensmiddelen naar Buren, Kuilenburg en Leerdam vervoerd. Het is een oud stadje, vroeger was ze sterk verstevigd. De werken zijn echter in verval en de buitenwerken zijn helemaal versleten. Ze heeft veel belegeringen doorstaan en heeft verschillende keren in puin gelegen.
Bij het vervolgen van de weg langs de Waal, blijft het fort St.-Andries, dat bestaat uit een regelmatige vijfhoek (het is genoemd naar kardinaal Andreas van Oostenrijk, die het in 1599 liet bouwen), aan de overkant liggen, en men komt bij Bommel, de derde stad van het gebied rond Nijmegen. Zij ligt op een eiland dat wordt gevormd door de Maas en de Waal en dat de Bommelerwaard wordt genoemd. Ze komt steeds meer in de verdrukking, doordat de Waal voor de stad zo verzand is, dat de scheepvaart daar enorm door wordt gehinderd. De vestingwerken heeft men slecht onderhouden, sinds ’s-Hertogenbosch tot de Republiek is gaan behoren. Van Bommel naar ’s-Hertogenbosch kost vijf uur. De weg gaat langs verschillende dorpjes, die er allemaal hetzelfde uitzien; ze bestaan uit vervallen, kleine strohutten, die een armoedige aanblik geven. Weilanden en akkerbouw wisselen elkaar af, en er is ook wijdse, moerasachtige grond. Bij Heel [Hedel] steekt men de Maas over en aan diens zuidelijke oever krijgt het land een heel andere aanblik. Het ligt diep en de weg loopt over hoge dijken tussen de weiden en bossen door. Soms zijn er mooie graslanden, soms akkervelden en dichter bij de stad tuinbouw. Aan alle kanten is de horizon door heuvels, kleine bossen en verhogingen ingesloten. Op een uur afstand van de Maas eindigt het Maasland, dat vol zand en veengrond is. Men ziet ’s-Hertogenbosch al geruime tijd voor zich liggen, hoog gelegen als de dijk waar men over gaat.” (26)

De beschrijving van Volkmann is bijna letterlijk gelijk aan die van Grimm (zou hij het -gedeeltelijk- van Grimm hebben overgenomen?). In dit fragment uit Volkmanns reisgids is duidelijk te zien dat hij reizigers niet echt aanraadt om de Bommelerwaard te gaan bezoeken. Van Nijmegen beschrijft hij bijvoorbeeld wel uitgebreid alle bezienswaardigheden. Hij reist meer door de Bommelerwaard heen omdat het voor hem nu eenmaal op de route naar ’s-Hertogenbosch ligt; het is geen reisdoel op zich, maar hij komt er onderweg naar een ander reisdoel langs. De enige bijzonderheid die hij over Zaltbommel vermeldt, de vestingwerken, beschrijft hij niet als een bezienswaardigheid. Hij is (helaas!) niet gestopt om het stadje te gaan bekijken. De status die Volkmann toekent aan de Bommelerwaard als reisdoel, wordt ook duidelijk als hij aan het begin van zijn gids de reisroute uitgebreid uiteen zet. Hij schrijft: “... van Nijmegen over water naar Tiel en het fort St.-Andries, waar men bij gelegenheid het eiland Bommel aandoet.” (27)

Opvallend is dat Grimm en De Feller, die hiervoor aan de orde zijn geweest, beiden een vermelding maakten van de slechte toestand van de wegen, en dat Volkmann hier op zijn beurt de verzanding van de Waal ter hoogte van Bommel noemt. Hier valt uit af te leiden dat de reizigers meer belang hechten aan de begaanbaarheid van de (water)wegen in deze streek, dan aan de bezienswaardigheden.



Overnachten in een herberg of in een rijtuig


In het reisverslag van Wilhelm Heinse van zijn reis in 1784 wordt Bommel genoemd, maar niet beschreven. Ook Loevestein wordt genoemd, maar ook hij bezoekt het slot niet.

“De 7de ons op de Waal naar Rotterdam ingescheept. De hele weg lang geen heuvels meer. Tiel, Bommel, Gorkum, schoon en mooi, met bomen rondom beplante steden; alles trouwens welgesteld en vrij. Bij Loevestein begint de provincie Holland.
’s Nachts in Hardingxsveld geslapen, het toonbeeld van een mooi Hollands dorp; zoals de waard met zijn achterovergeslagen hoed op zijn hoofd het toonbeeld van een Hollander.” (28)

Een zekere “English gentleman” reist rond 1786 door de Nederlanden. Hij gaat van Den Bosch naar Utrecht en wel over land, omdat hij “liever met de erbarmelijkste wagen over land” gaat dan dat hij zich blootstelt aan de onzekerheden van het water. (29) Hij betaalt zeventien gulden voor de rit met de koets.

“De weg van Bois-le-Duc naar Utrecht voert dwars door de velden, en is soms (zelfs in de zomer) onbegaanbaar. Je moet zeker een goede koetsier hebben en geweldige paarden, wil je drie mijl in een uur halen. Je kruist de Maas en de Rijn verschillende keren; elke passagier betaalt twee sol, de koetsier betaalt voor de koets en de paarden. Je steekt over door middel van touwen die aan beide zijden van de oever zijn vastgemaakt aan palen, en die door katrollen kunnen bewegen. De enige plaats die je onderweg tegenkomt is Bommel, ongeveer negen mijl van Bois-le-Duc. Het is de hoofdstad van het eiland met dezelfde naam, gelegen in de Maas en het ligt op de grens met Brabant. Deze plaats werd tegen het einde van de zestiende eeuw belegerd door de Spanjaarden. De Nederlanders kregen het echter voor elkaar er hulptroepen binnen te brengen, en het staatsleger dat hen kwam ondersteunen dwong de Spanjaarden hun onderneming op te geven. Bommel heeft altijd, vanwege zijn ligging, veel garnizoenen gehad en de vestingwerken zijn in goede staat gehouden op kosten van de staat. Het heeft vijfhonderd beroepstroepen gevestigd, onder bevel van de prins van Hesse D’Armstadt, die gouverneur van het eiland is. Het is het properste stadje dat ik ooit zag en niet slecht gelegen. Het is de woonplaats van enkele kooplieden en Nederlandse heren met een middelgroot fortuin, die zich hier hebben teruggetrokken om te genieten van de otium cum dignitate met een gematigde besteding. Elke passagier betaalt vier sol voor een vrije doorgang door deze stad - een soort tol over de mensen, die van je wordt gevraagd als je de poort uit gaat.
We werden hier zo lang opgehouden doordat de eigenaar van de veerboot niet te vinden was, dat het onmogelijk was om Utrecht nog die avond te bereiken. We gingen daarom niet verder dan een tiental kilometers van Bommel en overnachtten die nacht in een klein plaatsje, Geldermalsen genaamd. Het was een afschuwelijke herberg; maar weinig herbergen in Engeland hebben zulke slechte voorzieningen, en wat bijdroeg aan de onaangenaamheid was dat zowel de waard als de waardin, koetsier en ieder ander persoon in het huis geen andere taal sprak dan Laag-Nederlands, wat bijna zoveel betekent als helemaal geen taal spreken. Ik zou iedereen die overweegt deze weg te nemen, aanraden om de nacht in Bois-le-Duc door te brengen en daar om vier uur ’s ochtends te vertrekken Hierdoor kan elk ongerief worden vermeden en kan Utrecht dezelfde avond worden bereikt. (...)
De hele weg van Bois-le-Duc naar Utrecht is het land armzalig. Aan beide kanten wordt de reiziger omgeven door grote, moerassige graslanden, bijna steeds bedekt met water. De reis gaat over een zanderige, moeilijke weg, nog uitputtender gemaakt door de enorme hoeveelheid regen die de laatste herfst is gevallen. Het land is niet dicht bevolkt en de mensen die je ziet hebben alle kenmerken van diepe armoede en ellende. Dit is, voor een Engelsman die gewend is om in zijn eigen land rijkbebouwde graanvelden met droge, prachtige weilanden te zien, onbeschrijfelijk.” (30)

Het is jammer dat deze “English gentleman” niet heeft besloten de nacht in Zaltbommel door te brengen. Zou hij de overnachtingsmogelijkheden daar ook zo miserabel hebben gevonden? Over het algemeen hebben de herbergiers en de Nederlandse keuken niet zo'n goede naam. Volkmann besteedt hier een passage aan in zijn reisgids van 1783 en hij is daarbij heel uitgesproken in zijn mening.

“Er zijn geen zelfzuchtigere schepsels dan de Hollandse herbergiers. Het is een regel, in grote steden één van de beste herbergen te kiezen, de kamer kost gewoonlijk een gulden per dag. De herbergstafel, waar men gezamenlijk eet, heeft in de grote steden als Amsterdam, Haag en Leiden, meestal een vaste prijs, namelijk één gulden; een halve fles slechte wijn een halve gulden; het ontbijt, thee of koffie met brood en boter kost tien stuivers. Men doet er goed aan om aan de gezamelijke tafel te eten. Wie zich op zijn kamer laat bedienen, betaalt veel meer en eet niet beter, eerder slechter; wie uit spaarzaamheid weinig eten bestelt, zal ook zijn doel niet bereiken. Kleinere steden zijn berucht; het eten is niet bijzonder, men wordt niet beter bediend en men moet de overdreven eisen van de waard geduldig betalen. Op weinig bezochte routes, of wanneer men over land reist, maakt men dit het meest mee. Daarom zegt men dat een reiziger, ook als hij slechts voor de herberg stopt, veel herbergiers alleen al voor de aanblik moet betalen. Van de Hollandse keuken moet men zich, ook in de grootste herbergen, geen voordelige voorstelling maken, anders komt men bedrogen uit bij de rekening. Het avondeten is niet zo bijzonder, en heel duur als men wat laat aanrichten.” (31)

Waarschijnlijk zullen reizigers na het lezen van deze tekst zoveel mogelijk in grote steden hebben gegeten en overnacht, daar geldt meestal een vaste prijs. Zaltbommel valt, net als Geldermalsen, waar de “English gentleman” de nacht doorbracht, onder de tweede categorie: kleinere steden waar minder reizigers komen. Deze zijn in de achttiende eeuw “berucht”! Over de mogelijkheden om te overnachten in kleine dorpjes, zoals zowel Grimm als Volkmann andere plaatsen in de Bommelerwaard beschreven, wordt hier niets gezegd.

Een andere mogelijkheid is de nacht door te brengen in de koets waarmee je reist. Dat doet de volgende reiziger, John Owen. De Engelsman Owen reist in 1791 en 1792 door België, Nederland, Duitsland en Italië. Hij houdt er, naar eigen zeggen, een wat avontuurlijker manier van reizen op na. Maar hoewel hij minder bekende routes neemt, bezoekt hij toch ook vooral de geijkte plaatsen. Het eerste wat hij over Nederland vermeldt, onderweg van Antwerpen naar Breda, zijn (alweer!) de slechte wegen: “(...) als we er niet daadwerkelijk overheen hadden gereden, hadden we dat hoogstwaarschijnlijk als onmogelijk beschouwd”. (32) Het is een scheef, modderig pad dat gedeeltelijk onder water staat en “iedere stap van de paarden kostte grote inspanning en het lukte ze niet sneller te gaan dan stapvoets. Het was bijna 10 uur toen we Breda bereikten en we hadden geluk dat de poorten niet voor die tijd dicht gingen”. (33)

Ook in zijn volgende brief wijdt hij uit over de slechte wegen in Nederland. Volgens hem zit het grote voordeel van het maken van een tour door de Nederlanden in de kanalen, die een goede verbinding tussen de verschillende plaatsen vormen. Noord-Holland vindt hij prachtig, hij was er graag langer gebleven. Door zijn beperkte tijd gaat hij verder, naar Utrecht. Dit vindt hij echter niet zo’n bijzondere stad en hij reis al snel door naar ’s-Hertogenbosch.

“Van Utrecht namen we cabriolets naar Bois-le-duc, of, zoals de Nederlanders zeggen, “Hertzogenbosche”. Dit duurde de hele nacht en een deel van de volgende dag. De route die we volgden, wordt niet vaak genomen. Dit gaf ons de kans iets anders van het land te zien. Tussen 10 en 11 uur bereikten we de oever van de Lek; door het late tijdstip hadden we een reden om de rivier niet meer over te steken; we sliepen in onze kleren tot de volgende ochtend, en staken bij zonsopgang de rivier over. Daarna kwamen we bij Bommel, bij het oversteken van die arm van de Rijn die de naam Waal draagt. De weg van Bomml naar Bois-le-duc was slechter dan we ooit eerder hadden gezien. Het gebied was troosteloos, kaal en moerasachtig. Nadat we de Maas waren overgestoken, bereikten we in de loop van de dag veilig Bois-le-duc, waar de koets op ons wachtte.” (34)

Het lijkt erop dat Owen bij de Lek geen herberg meer heeft gezocht en in zijn rijtuig is gaan slapen. Wilde hij geld besparen, vond hij het wel avontuurlijk of was er gewoon geen herberg in de buurt? John Owen is zeer uitgesproken over de staat van de wegen in de Bommelerwaard: het zijn de slechtste wegen die hij ooit heeft gezien!



“Het zal u verbazen dat een vrouw zo'n reis maakt”


In 1787 maakt de Duitse Sophie la Roche samen met haar zoon en een vriendin een reis door Nederland en Engeland. In die tijd, zij is dan 57 jaar, heeft zij al verschillende romans en reisverslagen gepubliceerd en ook een tijdschrift voor vrouwen opgericht. Toch meent zij in de inleiding van haar reisverslag, dat in 1791 wordt uitgegeven, het feit dat zij als vrouw op leeftijd reist, te moeten verdedigen.

“Het zal iedereen verbazen dat een vrouw, op mijn leeftijd, de gelegenheid en de zin heeft om zo'n reis te maken, iets wat eigenlijk alleen de zaak van de jeugd, de rijkdom, de vrijheid en de handel is. Ik voeg hier nog twee soorten reizigers aan toe: zieken, die een geneeskrachtige bron opzoeken, - en weetgierigen, die, ook buiten hun woonplaats, naar de aarde en haar kinderen omkijken. Bij die laatste groep behoor ik [...].” (35)

Het dagboek dat Sophie la Roche bijhoudt, is heel persoonlijk van toon. Zij knoopt met zoveel mogelijk mensen gesprekken aan, die ze dan uitgebreid weergeeft. Op 19 augustus 1787 gaat zij met een “Regulair-schiff” van Nijmegen naar Rotterdam. Ze raakt aan de praat met twee medereizigers, die bij Tiel van boord gaan.

“Ons gesprek duurde echter niet lang, want ze verlieten ons in Tiel; de vrouw zette de wieg met het kind op haar hoofd, en de man nam de zak met kleding en linnen op zijn rug, en zo zetten ze hun weg verder te voet voort. ’s Middags aten we in de roef en zagen daarna Tiel, een heel leuk plaatsje, dat vroeger in het verbond van Hanzesteden, en ook als vesting, een rol speelde, tegenwoordig worden er echter rustig ambachten uitgeoefend.” (36)

Daarna raakt ze aan de praat met twee officieren, die ook in de roef zitten. Een Hollandse menist (doopsgezinde) maakt thee, terwijl

“de scheepslui bij Bommel aan land gingen en wij geduldig op ze moesten wachten. Hier komen de Maas de Waal samen, wat Bommel tot een eiland maakt en de trots geeft om te zeggen: ‘dat zij al in de tijd van Julius Caesar in aanzien stond’. Ik vond dat de stad werd getooid met een aardige toren; over het algemeen heel schoon; een allerliefst landhuis en tuin er heel dicht bij; en ik had plezier in de overtocht, waarbij paarden, voertuigen en mensen van de andere oever van de Waal naar Bommel werden overgezet; de resten van een Hollands bruiloftsgezelschap te zien, dat zich bij een herberg aan het water onder een prieel vermaakte.” (37)

Ze varen verder naar Gorinchem. Onderweg beschrijft ze het landschap.

“Maar men moet wel zeggen dat ofwel een goed gezelschap, ofwel goede boeken nodig zijn, aangezien het eindeloze, platte land, aan beide kanten van de oevers van de van hier af aan zeer brede rivier door de grote eentonigheid van de onafzienbare weilanden, weinig vermaak geeft. Ik vond de volledige rust, die in het land schijnt te heersen, evenwel heel aangenaam. Hier en daar boerderijen en visserswoningen, die heel knus liggen, keurig gebouwd, met zoveel welvaart omgeven, in de armen van de vrede en ongestoord bezit; het groene gras en de kruiden, de weiden en struiken, is zo glanzend, zo rijk aan bladeren, dat het oog met zoete rust daarop blijft rusten.” (38)

In Rotterdam eet Sophie la Roche met haar vriendin en zoon in een herberg. Haar ergernis over het roken tijdens het eten is ook in deze tijd nog een heikel onderwerp. Maar het eten vindt zij heerlijk.

“We aten om drie uur, met enkel Hollanders, die, zogauw het warme eten was opgediend, bij de peren, pruimen en kaas, tabak begonnen te roken, wat wij een beetje ergerlijk vonden. Maar omdat we Holland wilden leren kennen, moesten we ons dit laten welgevallen. Ik maakte met genoegen opnieuw kennis met de zeevis Turbot, die hier in plaats van soep in zout water wordt gegeven; daarna kwamen bloemkool, en bonen, zeer smakelijk met botersaus, die ik wil leren maken, omdat ze voortreffelijk smaakt; hierna een grote gezouten schapenbout, gebraden kippen, en rostbeef, met enkele zoete spijzen.” (39)



“De sombere en vochtige verblijven des doods”


In de negentiende eeuw doen zich grote ontwikkelingen voor op het gebied van reizen. Niet alleen worden steeds meer wegen bestraat, maar ook doen de stoomboot (in Nederland rond 1830) en de trein hun intrede. In 1839 rijdt de eerste trein in Nederland tussen Amsterdam en Haarlem. Drie jaar later wordt deze lijn doorgetrokken naar Leiden, weer een jaar later naar Den Haag en in 1847 naar Rotterdam. De lijn Amsterdam-Utrecht, geopend in 1843, wordt in 1845 doorgetrokken naar Arnhem. (40) Alleen op dit beperkte aantal trajecten kan de reiziger in de eerste helft van de negentiende eeuw van het spoor gebruik maken. In de rest van Nederland gaat het op de oude voet voort.

Dirk Smits is in de zomer van 1805 op weg naar Parijs. Hij blijft twee dagen bij kennissen in Zaltbommel logeren. Hij bekijkt de toren en de kerk en vertelt de lezers van zijn brief wat ze in ieder geval niet mogen missen als ze ooit in Zaltbommel komen.

“Woensdag den 3 dezer voer ik, zo als gij weet, met den Beurtman van Nijmegen af, en kwam in den namiddag te Zalt-Bommel aan, waar ik mij twee dagen ophield en de kennissen, bij wie ik logeerde, mij alle plaisier tragten aan te doen.
In dit stadje is het zeer doodsch; hetzelve levert weinig merkwaardigs op; de grootte Toren, die thans, zo als mij verzekerd is, slegts vijf voeten lager is dan de Dom van Utrecht zoude zijn, is voor dezen wel de helft hoger geweest, gelijk blijkt uit eene Schilderij van dezelve, in de kerk aldaar te zien, doch deszelfs bovenste gedeelte dat in een spits uitliep, is door den bliksem neergeslagen. De groote kerk aldaar is zindelijk en ruim - een schoon orgel verciert dezelve; de banken en zitplaatsen waren al nieuw gemaakt uit een fonds, hetwelk men voor eenigen tijd verzameld had tot betaling der Predikanten, bijaldien het gouvernement hun niet meer bezoldigde, doch welke penningen men dagt niet te zullen nodig hebben; ik voor mij echter twijffel, of zij niet beter gedaan zouden hebben, die Somme gelds provisioneel uit te zetten, vermits het mij gansch niet onwaarschijnlijk voorkomt, dat hun dezelve vroeg of laat tot het bestemde oogmerk zoude kunnen te pas komen. Wanneer gij in deze stad komt, moet gij niet verzuimen het koffijhuis aan de Waterpoort te bezoeken; men heeft daar een uitgestrekt en zeer schoon gezigt over de Rivier de Whaal.” (41)

Hoewel Zaltbommel een “doodsch” stadje schijnt te zijn, is het koffiehuis aan de Waterpoort volgens Dirk Smits een echte aanrader. Het uitzicht over de rivier de Waal en het achterliggende land is prachtig en weids.





(afb. 4) Het uitzicht vanaf de Waterpoort, getekend door Constantijn Huygens jr. in 1669. Van precies dit uitzicht is Dirk Smits in 1805 onder de indruk: “[...] men heeft daar een uitgestrekt en zeer schoon gezigt over de Rivier”.




Niet alleen de aanblik van het Nederlandse platteland wordt door reizigers gewaardeerd. In een uit het Frans vertaald reisverslag van een reis door Nederland in 1806, wordt ook de atmosfeer ervan uitgebreid geprezen.

“Herwaarts keerde ik te rug langs denzelfden weg, dien ik te voren bevaren, gereden en gewandeld had; doch nu alleen met de gewone jaagschuit, en ik moet erkennen, dat de aangename indruk niet verminderde. Nauwelijks ben ik hier, of ik bevind mij werkelijke opgeruimd. Komt zulks van de verwijdering des verdriets, dat mij kwelde? Of zou ook de oorzaak in eenen zuiverder dampkring liggen? De grond ten minste is alhier merkelijk hooger. De rivieren altijd stroomende. Men vindt niet zoo vele poelen en veenplassen, als in het Departement Holland. Taaie en vette klei levert de weligste teellanden, en de uitwasemende dampen zijn dus minder zwavelig en vochtig. Van hier hebben ook de meeste inwoners een helderder en sterker voorkomen. Reeds ontmoet men eenige sporen van dat gastvrije, welk men mij verzekert in Gelderland bij onderscheiding te zullen aantreffen.” (42)

Dit is een heel ander oordeel dan Volkmann twintig jaar eerder over het Nederlandse klimaat velde. Van zware dampen uit de kanalen en moerassen is hier geen sprake. De anonieme Fransman reist van Gorinchem naar Nijmegen. Hij koestert een enorme bewondering voor Hugo de Groot en hij brengt dan ook een bezoek aan slot Loevestein. Dit is het eerste reisverslag waarin het slot ook van binnen wordt bezocht. Ook vermeldt de Fransman twee beroemdheden van Zaltbommel.

“Naar eene verwisseling van reisform verlangende, nam ik gretig het voorstel aan, om met eene bijzondere scheepsgelegenheid onzen togt voor eene wijl tijds te water te vervolgen, merkwaardig vooral om de vereeniging van stroomen, welke hier omstreeks eene onvergelijkelijke kracht oefent. Mag ik geloof slaan aan de waarneming, welke ons alhier werd mede gedeeld, dan zoude de rivier de Merwe in deze nabijheid, in 24 uuren tijds, 5000 Rhijnlandsche Roeden, en dus 3 1/3 in elke Minuut, doorlopen: eene snelheid inderdaad, welke verbaazen moet. Weldra naderden wij die Vesting, welke als het ware eenen uithoek vormt, ter plaatse waar de Rivieren, Maas en Waal, zamenvloeijen, en zeer waarschijnlijk tot een krijgskonstig oogmerk van het vaste land is afgescheiden. De vijfhoekige Buitenwerken zijn tamelijk sterk, aan den eenen kant door de Rivier de Waal bespoeld, en aan de andere zijde der Maas door rietgordingen en grienden gedekt. Van binnen heeft zij eenen goeden wal met eene breede gracht. Het Kasteel, hoog uit dezelve gebouwd, met twee zware torens voorzien, en in den ouden trant met een paar schuin opgaande gevels, vertoont zich reeds op eenen verren afstand. Boven alles, echter, schijnt dit Slot tot eene Staatsgevangenis verordend, en zie hier dan ook de reden, waarom zulks onzen aandacht trok. Behoef ik u wel den naam te herinneren, nadat ik zoo even van den Man gewaagde, die zoo dikwerf een voorwerp was onzer hoogste bewondering? Ja, ik mogt dit oord niet verlaten, zonder dat Loevestein te bezigtigen, alwaar de doorluchte Staatsman anderhalf jaren lang gevangen zat, eer hij in de boekenkist wierd weggevoerd. Niets dan met huivering aanschouwde ik het ellendige vertrek, alwaar de Letterheld een aantal zijner voortreffelijke werken vervaardigde, die den roest der eeuwen zullen verduren, en het flaauwe licht door een klein en van zwaar ijzer getralied venster in de hoogte wordt doorgelaten. Ook wees men ons de vertrekken van Hogerbeets en andere voorname Mannen, die, in hetzelfde jaar 1619, om de verdediging der burgerlijke en godsdienstige vrijheid opgesloten, eerst naderhand, onder het zagter bewind van den opvolger des wraakzuchtigen Maurits, ontslagen werden, en gedeeltelijk in deze kerkers overleden zijn. Ook nog latere tijden hebben ditzelfde lot aan andere beroemde Staatspersonen ter dezer plaatse doen wedervaren. Waarlijk, mijn Vriend, het hart bloedde mij onder het doorwandelen van zoo vele sombere en vogtige verblijven des doods, waarin zoo vele geleerdheid en deugd verkwijnen moest. Gelukkig hij, die zich in de wijsgeerte den troost der letteren bezorgd, en te midden des leeds de Nakomelingschap haar zich heeft weten te verpligten! doch ook de vloek van alle eeuwen rust op hen, wie dolzinnig onverstand een louter verschil van bespiegeling tot misdaad en kerker gedoemd, en de straf der gevangenis zelve nog door eenen duizendvoudigen roof van de eigendommelijke geneugten des levens heeft verdubbeld!

De stad Bommel, waarheen zich onze verdere reis bepaalde, met haren hoogen stompen Toren, heeft niets merkwaardigs, dan hare bevallige ligging op een eiland, door beide de reeds genoemde rivieren gevormd, en de herdenking van een tweetal mannen, waaraan zij het daglicht schonk, wier strijdigheid van karakter zeer zonderling in het oog valt, als den vermaarden Bevelhebber der Gelderschen, Maarten van Rossum, die het branden en blaken het sieraad des oorlogs noemde, er den beroemden Elbert Leeuw, (meer bekend onder den Latijnschen naam Leoninus) rechtsgeleerden der 16de eeuw, wien ongemeene matigheid, te midden der hevigste kerk- en staats-beroerten, ofschoon hij zelf Catholiek ware, niet weinig bijdroeg tot de vesting der Nederlandsche Republiek, en die zoo wel in zijn gezantschap bij het Fransche Hof, als in zijne onderhandelingen met den Graaf van Leicester, door Koningin Elizabeth naar dit land afgezonden, de wederzijdsche betrekkingen bij uitnemendheid ten algemeener voordeele wist te wijzigen en te verzekeren.” (43)

Deze negentiende eeuwse Franse reiziger geeft een prachtige, emotioneel geladen beschrijving van slot Loevestein. Hij heeft het van binnen bezichtigd en is duidelijk door anderen rondgeleid langs verschillende kerkers en vertrekken. Hij bezichtigt het slot niet als leuk tijdverdrijf, maar vanuit een sterk historisch besef. Ook Zaltbommel bekijkt hij met die blik. Hij beschrijft niets van het stadje zelf, maar bespreekt twee beroemdheden die er zijn geboren. Is hun roem tot in Frankrijk doorgedrongen, of heeft deze reiziger zich laten voorlichten door een gids?



“Langs de modderige weg reden wij voort”


De laatste twee hier te behandelen reisverslagen van reizigers die de Bommelerwaard hebben bezocht, stammen van halverwege de negentiende eeuw.

De heer Engelen maakt rond 1847 wandelingen door Gelderland. Hij beschrijft het uitzicht over de Bommelerwaard vanaf de hoofdtoren van Loevestein. Naderhand bekijkt hij ook nog de kerkers van het slot, die nu als dienstbodenvertrekken dienen.

“Men vermaande mij toch vooral den hoofdtoren van het slot te beklimmen, boven welke zich een zogenaamde peer of pijnappel verheft, die een heerlijke vergezigt oever den omtrek aanbiedt. De wind, die vrij hevig waaide, deed dit verhevenste gedeelte van het kasteel eene gedurige schudding ondergaan, hetgeen mij echter niet verhinderde een geruimen tijd mijne blikken door de kleine torenvensters over deze vruchtbare landstreek te laten rondweiden. Aan de eene zijde vertoonde zich de breede Waalstroom en de statige toren van Bommel schijnbaar in de onmiddellijke nabijheid; terwijl aan den anderen kant de stad ’s-Hertogenbosch zich met hare vestingwerken en forten, torens en kerkspitsen uitbreidde. Den geheelen Bommelerwaard, met zijn talrijke dorpen, korenrijke akkers, weiden en boomgaarden, kon men van hier met een enkele blik omvatten. Na mij met moeite aan dit gezigt onttrokken te hebben, voerde men mij uit de hoogte naar de diepte, in verbazend ruime overwelfde kelders van het slot namelijk, thans tot dienstbodenvertrekken, provisiekamers enz. ingerigt, maar in vroeger tijden voor een gedeelte tot een kerker dienende: gelijk men nog een blok, waaraan de gevangenen gekluisterd werden, als eene rariteit bewaard.” (44)

Bij de bekende schrijver Jacob van Lennep keert het welbekende thema van de reisteksten van de voorgaande eeuwen weer terug: de slechte wegen. Hij reist in augustus 1854 over Zaltbommel van ’s-Hertogenbosch naar Haaften. Hij geeft wel een alternatieve route aan. In plaats van dwars door de Bommelerwaard te gaan, over de wegen die eeuwenlang onveranderlijk modderig en moerasachtig zijn gebleven, kun je ook de weg over de dijk, òm de Bommelerwaard heen, nemen. Dit is waarschijnlijk de meest gebruikelijke weg, al is het wel een behoorlijke omweg. Van Lennep bezoekt de stad Zaltbommel en hij is lovend over de markt.

“Langs een zeer modderigen weg reden wij voort en hielden, na de Maas overgevaren te zijn, den binnenweg, vermits de dijk drie uren om is. Den postwagen ontmoetend zeide ons de voerman dat de weg taai was en moeraslijk, de wielen konden bijna niet draaien. Nabij Bommel zeide men ons dat wij een zandweg zouden krijgen. Doch er was intusschen enkel slijk, tot zoover hadden wij niets dan moerassen rechts en links gezien. Maar toen begon de grond welig te worden als overal bij de Waal. Bommel zelve is een lief plaatsje dat net gebouwd is en een fraaie markt heeft. De rivier over gevaren zijnde reden wij links de dijk af naar het dorp Haeften. Heerlijk was hier het gezicht; de boonenvelden aan de eene, de vette weiden aan de buitendijkszijde.” (45)



Tot besluit


De beschrijvingen van de reizigers met wie we in dit artikel zijn meegereisd, geven samen een leuk beeld van de Bommelerwaard tussen 1520 en 1854. (46) Ik keer terug naar de vragen die ik aan het begin van dit artikel heb gesteld. Wat vonden de reizigers in de vorige eeuwen van de Bommelerwaard? Hebben ze er plaatsen bezocht, er overnacht? En wat was de plaats van de Bommelerwaard in hun reis door Nederland? Bleven ze er lang of lag het slechts op een doorreisroute?

De reizigers zijn eensluidend in hun beschrijving van en oordeel over de Bommelerwaard. Het gebied bestaat uit weiden, akkers en moerasgrond. De weg die van Zaltbommel naar het zuiden loopt, is door de eeuwen heen modderig, soms zelfs overstroomd, en slecht begaanbaar. Volgens Owen is het zelfs de slechtste weg die hij ooit heeft gezien! Het gebied wordt over het algemeen als troosteloos, kaal en saai ervaren, maar het uitzicht wordt ook als mooi, weids en rustgevend beschreven. Bij Zaltbommel is er een mogelijkheid om de Waal over te steken. Het stadje wordt vaak omschreven als schoon en net. De huizen zijn van steen, met groen geschilderde deuren en ramen. Bezienswaardigheden zijn de toren, de kerk, de vestingwerken en, in de negentiende eeuw, de markt. De andere plaatsen in de Bommelerwaard worden beschreven als kleine dorpjes die, in ieder geval tot en met de achttiende eeuw (in de negentiende-eeuwse reisverslagen wordt er niets over gezegd), uit armoedige strohutten bestaan.

Het is opvallend dat veel reizigers aandacht besteden aan historische achtergronden. Vooral belegeringen door de Spanjaarden worden, tot ver in de achttiende eeuw, beschreven of genoemd. Dit geldt in nog sterkere mate voor slot Loevestein. Tot en met de achttiende eeuw is het gewoon in gebruik en wordt het hooguit van de buitenkant beschreven. Pas uit de negentiende eeuw stamt de eerste vermelding dat het van binnen is bezocht en de beschrijving is dan sterk historisch.

In geen van de hier bekeken reisverslagen is de Bommelerwaard of Zaltbommel het reisdoel. De reizigers komen er onderweg van of naar ’s-Hertogenbosch, Utrecht, Nijmegen of Gorinchem langs. Zes reizigers bezoeken Zaltbommel; twee gaan er naar de mis, één bekijkt de kerk van binnen, één beschrijft de kerktoren, één de huizen en één de markt. Geen enkele reiziger brengt er de nacht door. De begaanbaarheid van de wegen en waterwegen in en rond de Bommelerwaard komt in veel reisverslagen aan de orde. Dat dit door de reizigers vaker wordt vermeld dan bezienswaardigheden, wijst erop dat de Bommelerwaard echt een streek was om doorheen te reizen en niet zozeer om te bezoeken. Toch vinden de reizigers de streek of de stad wel vermeldenswaard.

Nu, aan het einde van de twintigste eeuw, is veel veranderd in de Bommelerwaard. Hedendaagse reizigers en dagjesmensen treffen geen zandwegen meer aan; de veerpont over de Waal heeft plaatsgemaakt voor een brug en voor de strohutten zijn goed geïsoleerde huizen in de plaats gekomen. Maar nog steeds is het landschap ruim en mooi; Loevestein met zijn rijke geschiedenis is een bezoekje waard en Zaltbommel heeft nog altijd een hoge toren, een ruime kerk met een kogel in de pilaar en vervallen vestingwerken. Er na dit alles te hebben bezichtigd, kunnen bezoekers het beste de raad van Dirk Smits opvolgen en lekker “koffij” gaan drinken aan de Waterpoort en genieten van het onveranderlijk mooie uitzicht.



© Het is alleen toegestaan om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van de verwijzing onderaan deze pagina.




Noten

1. A. van Strien, Constantijn Huygens. Mengelingh. Amsterdam. 1990. Blz. 345.
2. A. Frank van Westrienen, De Grootte Tour. Amsterdam, 1983.
3. Dürer, 1933. Blz. 38.
4. P. van Zonneveld, ‘Varen en rijden’. In: Panorama van de 19de eeuw. De tijd van Romantiek en Biedermeier. Bulkboek, tweede herziene druk. Amsterdam/Barneveld, 1987. Blz. 49-52.
5. J. J. Volkmann, 1783. Blz. 129-130.
6. P. van Zonneveld, ‘Varen en rijden’. In: Panorama van de 19de eeuw. De tijd van Romantiek en Biedermeier. Bulkboek, tweede herziene druk. Amsterdam/Barneveld 1987. Blz. 49-52.
7. T. Coryate, 1978. Blz. 633.
8. T. Coryate, 1978. Blz. 637.
9. T. Coryate, 1978. Blz. 638.
10. J. Northleigh, 1702. Blz. 88.
11. G. de Marcilly, 1719. Blz. 85-86.
12. Rijksarchief Utrecht, familiearchief Des Tombes, inv.nr.826.
13. J.Fr. Grimm, 1775-1781 (6 din.). Zijn reis door Holland (in 1774) beslaat de brieven 78-89 (deel 3, blz. 247-412).
14. J. Grimm, 1775-1781. Deel 3, blz. 247.
15. J. Grimm, 1775-1781. Deel 3, blz. 255.
16. J. Volkmann, 1783. Blz 5-6.
17. J. Grimm, 1775-1781. Deel 3, blz. 390.
18. J. Grimm, 1775-1781. Deel 3, blz. 393-394.
19. J. Grimm, 1775-1781. Deel 3, blz. 395.
20. J. Grimm, 1775-1781. Deel 3, blz. 396.
21. J.Grimm, 1775-1781. DeeI 3, blz. 415.
22. A. Thouin, 1841. Deel 1, blz. 151-152.
23. De Feller, 1820. Blz. 263.
24. J. Volkmann, 1783. Blz. 11-12.
25. J. Volkmann, 1783. Blz. 7-8.
26. J. Volkmann, 1783. Blz. 459-462.
27. J. Volkmann, 1783. Blz. 128.
28. W. Heinse, 1909. Deel 7, blz. 295.
29. An English Gentleman, 1791. Blz. 168.
30. An English Gentleman, 1791. Blz. 170-174.
31 J. Volkmann, 1783. Blz. 131-132.
32. J. Owen, 1796. Blz. 56
33. J. Owen, 1796. Blz. 57
34. J. Owen, 1796. Brief 22
35. S. la Roche, 1791. Blz. 3.
36. S. la Roche, 1791. Blz. 54.
37. S. la Roche, 1791. Blz. 55-56.
38. S. la Roche, 1791. Blz. 56-57.
39. S. la Roche, 1791. Blz. 73-74.
40. P. van Zonneveld, Panorama van de 19e eeuw. De tijd van Romantiek en Biedermeier. Amsterdam, 1987. Blz. 49-52.
41. D. Smits. Blz. 73-74.
42. Reis door Holland in de jaren 1807-1812. Blz. 2-3.
43. Reis door Holland in de jaren 1807-1812. Blz. 100-104.
44. A Engelen, 1847.
45. J. van Lennep, 1942. Blz. 202.
46. Er zijn ongetwijfeld meer reisverslagen te vinden waarin de Bommelerwaard wordt vermeld. Hoeveel dit er zouden kunnen zijn, is niet bij benadering in te schatten.



Gebruikte reisverslagen


• Albrecht Dürer, Tagebuch der Reise in die Niederlande. Leipzig, 1933.
• Jacob van Citters, Reyzen naar de Gelderse kwartieren gedaan in de jaare 1760. Niet uitgegeven reisverslag, Rijksarchief Utrecht, familiearchief Des Tombes, inv.nr.826.
• Thomas Coryate, Coryats Crudities 1677. Ed. W.M. Schutte. Londen, 1978.
• A.W. Engelen, Wandelingen in Gelderland. 1847.
• De Feller, Itinéraire, ou voyages de Mr. l’abb v Defeller en diverses parties de l’europe. Parijs, 1820 (2 dln.). Hiervan deel 2.
• An English Gentleman, An entertaining tour, containing a variety of incidents and adventures, in a journey through part of Flanders, Germany and Holland, historical, political and entertaining (...) with an account of the various paintings, pictures, coins, inns, mode of travelling, and a history of the various places the whole useful as a campanion to the historian and traveller, and also illustrates the events of these countries. Londen, 1791.
• J.Fr. Grimm, Bemerkungen eines Reisenden durch Deutschland, Frankreich, England und Holland in Briefen an seine Freunde. Altenburg, 1775-1781 (6 dln.), deel 3.
• Wilhelm Heinse, Sämmtliche Werke. Leipzig, 1902-1925 (10 dln.). Hiervan deel 7, Tagebücher von 1780 bis 1800. Leipzig, 1909.
• Jacob van Lennep, Nederland in den goeden ouden tijd. Utrecht, 1942.
• Guillot de Marcilly, Relation historique et theologique d’un voyage en Hollande, et autres provinces des Pays-Bas. Parijs, 1719.
• John Northleigh, Topographical Descriptions: with Historico-Political, and Medico-Physical Observations: Made in two several Voyages, Through most Parts of Europe. Londen, 1702.
• John Owen, Travels into different parts of Europe in the years 1791 and 1792, with familiar remarks on places, men and manners. Londen, 1796 (2 dln.). Hiervan deel 1.
Reis door Holland in de jaren 1807-1812. Amsterdam, z.j. (3 dln.). Hiervan deel 2, Reis door Holland in het jaar 1806 en 1807 (naar het Fransch).
• Sophie la Roche, Tagebuch einer Reise durch Holland und England. Offenbach am Main, 1791 • Dirk Smits, 1805.
• André Thouin, Voyage dans la Belgique, la Hollande et l’ltalie. Parijs, 1841 (2 dln.). Hiervan deel 1.
• Johann Jacob Volkmann, Neueste Reisen durch die Vereinigten Niederlande. Vorzüglich in Absicht auf die Kunstsammlungen, Naturgeschichte, Oekonomie und Manufacturen, aus den bessten Nachrichten und neueren Schriften zusammen getragen. Leipzig, 1783.





Rozemarijn van Leeuwen, ‘De weg was slechter dan we ooit hadden gezien’. De Bommelerwaard door de ogen van reizigers in de afgelopen eeuwen. In: Tussen De Voorn en Loevestein 34 (mei 1998, nr. 100), p. 7-25. Zie: www.rozemarijnonline.net/publicaties.html.


© Het is alleen toegestaan om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.