RozemarijnOnline




Publicaties en artikelen online










Artikelen en recensies online








Vertalingen




Poëzie












‘In mijzelf zing ik een lied’.
Middeleeuwse minstreels klaar voor de 21ste eeuw


Recensie van:
Lyrische lente. Liederen en gedichten uit het middeleeuwse Europa
door Rozemarijn van Leeuwen



De samenwerking tussen de Utrechtse hoogleraar W.P. Gerritsen en de schrijver/dichter Willem Wilmink heeft al een aantal keer zijn succes bewezen. Beiden beogen de middeleeuwen toegankelijk en leesbaar te maken, weer genietbaar voor de moderne lezer. Vanuit hun eigen professie vullen zij elkaar hierin prachtig aan. De eerste vrucht van hun samenwerking was de uitgave van De reis van Sint Brandaan, nu zes jaar geleden, waarbij Gerritsen de cultuur-historische kant voor zijn rekening nam en Wilmink de hertaling verzorgde. Het was voor het eerst sinds tijden dat ik weer eens hardop om een middeleeuwse tekst heb zitten lachen.

Met hun nieuwste boek begeven zij zich op het terrein van de trouvères en troubadours. Lyrische lente. Liederen en gedichten uit het middeleeuwse Europa is een onconventionele bloemlezing van middeleeuwse lyriek uit heel Europa. De ‘lente’ verwijst naar de eerste bloeitijd van het lyrische gedicht in West Europa: de periode 1050-1400. Prof. W.P. Gerritsen heeft uit het overgeleverde materiaal zijn heel persoonlijke keus gemaakt. Dit levert een zeer afwisselende bloemlezing op: van geestelijke liederen tot scabreuze, van liefdesliederen tot spotliedjes en dat uit onder meer het Frans, Portugees, Italiaans, Duits en Welsh.



De hertaling


Willem Wilmink heeft deze liederen hertaald zonder concessies te willen doen aan het gebruikte rijm en metrum. Hij is er wonderwel in geslaagd de liederen schijnbaar moeiteloos en speels neer te zetten en tegelijk ook nog oog te houden voor taalgrapjes en de sfeer van het origineel. Zelfs als je het Welsh niet helemaal beheerst, herken je bij bijvoorbeeld in de volgende titel toch de vertaalvondst: ‘Trefferth mewn tafarn’ wordt ‘Herrie in een herberg’ (blz. 309). Ook de sfeer van dit hilarische lied is hiermee goed weergegeven. Een jonge man legt het in een herberg aan met een dienstmeisje: ‘In die pub werkte indertijd / een zeer mooie, slanke meid’. ’s Nachts zoekt hij in het donker haar bed op, maar deze tocht verloopt niet zo gladjes:

         (...) ik stapte glad verkeerd,
         heb mijn scheenbeen erg bezeerd,
         want ik zag het bankje niet
         dat een knecht daar achterliet.
         De tocht naar mijn nieuw liefdesnest
         liep ook verder niet zo best.
         (...)
         ik stootte eer ik er erg in had
         mijn hoofd tegen een tafelblad

Als dan ook de honden op het erf nog aanslaan, denken de andere gasten met een inbreker van doen te hebben. De man moet zich schielijk uit de voeten maken en brengt de nacht alleen in zijn eigen bed door. Zonder in de valkuil van de anachronismen terecht te komen, is de toon en de woordkeus van de vertalingen hedendaags. Hierdoor komt de middeleeuwse leefwereld dichterbij en worden situaties herkenbaar en invoelbaar.

Het verschijnsel uithuwelijking bijvoorbeeld kwam nog nooit zo nabij als in het lied van de mysterieuze Italiaanse ‘La compiuta donzella’ (‘de volmaakte jonkvrouwe’, blz. 179). Zij schrijft een prachtig sonnet over haar vader die haar tegen haar zin wil uithuwelijken. Ze begint met een beschrijving van de bloemen en bladeren van het seizoen die tot liefde opwekken. Behalve bij haar:

         Want vader maakt een chaos van mijn leven,
         door hem voel ik mij droevig en verloren
         omdat hij mij een echtgenoot wil geven
         de ikzelf nooit zou hebben uitverkoren.
         Dus leef ik ieder uur in angst en beven
         en wil van blad en bloem geen woord meer horen.

Spreekt deze Florentijnse dichteres uit ervaring of kende zij zulke situaties van nabij? Het is niet meer te achterhalen.



De minstreel


Lyrische lente doet ook recht aan de dichter achter het lied. Ieder vers wordt namelijk voorafgegaan door een korte inleiding van de hand van Gerritsen, die de dichter aan je voorstelt, een korte historische context schetst en zonodig aanwijzingen geeft voor de interpretatie van het lied. En zo worden de gekozen liederen op een tweede manier toegankelijk gemaakt. Willem Wilmink brengt het lied in onze taal tot klinken, en Gerritsen geeft iedere dichter/dichteres een gezicht. En zo trekt er een stoet middeleeuwers aan de lezer voorbij die gemeen hebben dat ze allemaal hun stem hebben laten klinken: minder bekende kunstenaars, geleerden, gravinnen en geestelijken, maar ook grote namen als Dante Alighieri, Christine de Pisan, Heinric van Veldeke, Hadewijch, Franciscus van Assisi en vele anderen.

Soms is het verrassend wie er als maker achter een lied schuilgaat. Een voorbeeld van een lied dat je op het verkeerde been zet is het Franse liefdeslied op blz. 123. Hierin wordt de angst onder woorden gebracht van een vrouw wier geliefde op kruistocht is:

         Om mijn wanhoop af te weren,
         zing ik in mijzelf een lied.
         Hoe het lot mij mag bezeren,
         dood of gek maakt het me niet.
         Als mijn vriend maar terug mag keren
         uit dat ver en woest gebied!

Haar geliefde heeft haar de tuniek gezonden die hij aanhad op de dag van vertrek en zij vertrouwt ons toe: ‘In de nachtelijke stonden / draag ik die tuniek voortaan’. Maar haar angst vermindert er niet door, want: ‘Saracenen zijn zo wreed’. Op basis van de oprechte emoties en zorgen die uit dit lied spreken ben je geneigd de vrouwelijk ik-persoon als de dichteres van het lied op te vatten. Maar hier zet de cultuur-historische context van Gerritsen je weer met beide benen op de grond. Anders dan het perspectief doet vermoeden, is de dichter geen vrouw, maar de Bourgondische trouvère Guiot de Dijon.







De muziek


Tot slot zouden liederen geen liederen zijn als er geen muziek bij hoorde. En dat is de derde manier, naast de hertaling en de inleidingen, waarop verschillende liederen in deze prachtige uitgave weer tot leven kunnen worden gebracht. In twaalf gevallen heeft prof. dr. C. Vellekoop transcripties gemaakt van de overgeleverde muzieknotatie en deze zijn achterin het boek opgenomen. Met weinig moeite zijn deze liederen dus weer te zingen. Ik heb zelf de proef op de som genomen tijdens de PAO-dag die prof. Gerritsen bij het verschijnen van Lyrische lente heeft verzorgd. Met behulp van enkel een blokfluit heb ik met twee andere deelnemers in ongeveer twintig minuten een lied ingestudeerd en, na nog een korte generale, voor de andere deelnemers ten gehore gebracht. Plezier en succes verzekerd!



Tot besluit


Lyrische lente is een boek om van te genieten. De liederen zijn afwisselend, geven een kijkje in het middeleeuwse leven en zijn prachtig vertaald. De context die bij ieder lied gegeven wordt, geeft het boek een plezierig evenwicht. De melodieën en de bijzondere illustraties maken het af. Het geheel leest als een reis door het laat-middeleeuwse Europa: van Ierland tot ver over de Alpen. En overal zingen de minstreels.




Rozemarijn van Leeuwen, ‘In mijzelf zing ik een lied’. Middeleeuwse minstreels klaar voor de 21ste eeuw. In: Nednummer, najaar 2000, p26-27. Zie: www.rozemarijnonline.net/publicaties.html.

Recensie van: Lyrische lente. Liederen en gedichten uit het middeleeuwse Europa. Gekozen en toegelicht door W.P. Gerritsen, vertaald door Willem Wilmink. Amsterdam, 2000.
ISBN 90 351 2205 4; 355 p.


© Het is alleen toegestaan om gegevens uit deze recensie over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.