RozemarijnOnline




Hadewijch en Ruusbroec

“Dat donkere verlichte alle dinc”

doctoraalscriptie
1996































Doctoraalscriptie Vakgroep Nederlandse taal- en letterkunde

Faculteit der Letteren, Universiteit Utrecht

Onder begeleiding van prof.dr. W.P. Gerritsen, 1996




Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De Génestet
- De brulocht
- Het tabernakel

klik hiervoor op: Historische letterkunde






‘Dat donkere verlichte alle dinc’

Lichtthematiek en de daarmee samenhangende donker- en warmtethematiek in de teksten van de middeleeuwse mystici Hadewijch en Jan van Ruusbroec.

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1996)



 



Hoofdstuk 2

Lichtthematiek bij Hadewijch



2.1 DE VISIOENEN


Deze inventarisatie en uitwerking is gebaseerd op de tekst van de visioenen zoals die staat afgedrukt in de uitgave van Mommaers (1979, 2 dln). Er is gezocht naar termen die licht, warmte, vuur, donker en kou aanduiden. In de categorieën warmte en kou zijn geen termen gevonden, hoewel verschillende woorden uit de vuurterminologie wel een betekenisaspect dat op warmte duidt, includeren.

In dit hoofdstuk is alleen de licht- en donkerterminologie uitgewerkt. De vuurthematiek is er in de paragraaf over de secundaire literatuur wel bij betrokken (zie par. 1.3).

Dit inhoudelijke onderzoek naar de Visioenen is als volgt onderverdeeld: een schematisch overzicht van lichtterminologie en van donkerterminologie (in par. 2.1.1) en vervolgens een functie- en betekenisbepaling van licht- en donkertermen aan de hand van de context (par. 2.1.2).

Deze eindigt voor zowel licht- als donkerterminologie met een slotsom. Deze onderverdeling is ook aangehouden voor het daarna volgende onderzoek naar de brieven (par. 2.2).



2.1.1 Inventarisatie


2.1.1.a Schematisch overzicht lichtterminologie


In de visioenen zijn zeven verschillende woorden te vinden die direct licht benoemen. In het totaal komt er in de veertien visioenen achttien keer een lichtterm voor. De werkwoorden die worden gebruikt om licht mee aan te duiden zijn afgeleid van de stam 'licht', de adjectieven stammen alle af van 'claer'.

Het woord 'claerheit' is eenmaal gebruikt als bepaling bij 'lucht' (de helderheid van de lucht; Vis. I, 200-201). Dit geval is in dit overzicht vanzelfsprekend niet opgenomen.

Bij de verdeling van deze achttien woorden over de visioenen is het zwaartepunt op de tweede helft van de visioenenreeks opvallend (twaalf ervan komen voor vanaf het tiende visioen tot en met de Lijst).

In drie gevallen zijn er twee of meerdere lichttermen in nauwe samenhang gebruikt: danwel binnen één beschrijving, danwel in een passage waarin er in dezelfde bewoordingen wordt gerefereerd aan een eerdere passage. Het gaat om de volgende gevallen: Vis. I, 193-197 ('claerre' (2x) en 'claerster'), Vis. XIV, 19; 37-38 en 59 ('claerheit' (2x) en 'claer') en Lijst, 189 ('doer scenen' en 'verlichtet').

Hieronder volgt een schematisch overzicht van de inventarisatie:


Termen   Aantal   Vindplaatsen
claerheit (n)   3   VI, 39; XIV, 19; XIV, 37-38
licht (n)   1   X, 18
claer (adj)   7   I, 45; I, 193; I, 196; I, 196-7; XIII, 103; XIII, 207; XIV, 59
dorelichten (v)   1   VIII, 16
dorescinen (v)   2   XIII, 76; Lijst, 189
lichten (v)   1   XII, 86
verlichten (v)   3   X,44; XI, 6; Lijst, 189
       
    18    



2.1.1.b Schematisch overzicht donkerterminologie


Slechts vijf verschillende termen in het hele visioenenboek duiden rechtstreeks donker aan (in het totaal acht keer gebruikt). Drie maal wordt hiervoor een zelfstandig naamwoord gebruikt, achtereenvolgens 'deemsterheit', 'demsternessen' en 'donkere'. Heeft Hadewijch hiermee bewust gevarieerd, wellicht om betekenisverschillen mee te kunnen duiden?

Net als bij de licht-terminologie het geval was, zijn de termen voor donker niet gelijkmatig over de visioenen verspreid. Het zwaartepunt, dat echter niet zo nadrukkelijk is door de kleine hoeveelheid woorden, ligt op het tiende tot en met het twaalfde visioen.

In twee gevallen zijn twee donkertermen binnen eenzelfde passage gebruikt. Het gaat om Vis. XI, 3-4 en 6 ('overdonker' en 'donkere') en Vis. XII, 11 en 14-15 ('doncker' en 'donckerste'). Van de hier volgende acht woorden, zijn er vijf in combinatie gebruikt met een in het overzicht van de lichtterminologie vermeld woord. Het gaat om visioen I, 44 en 45; I, 194-7 en 215; X, 18 en 24 en 44; XI, 3-4 en 6 en 6 (Zie ook: 'Combinatie van een licht- en een donkerterm' (par. 2.1.1.c)).

Hier volgt een schematisch overzicht:


Termen   Aantal   Vindplaatsen
deemsterheit (n)   1   IV, 113
demsternes (n)   1   X, 24
doncker (n)   1   XI, 6
doncker (adj)   4   I, 44; I, 215; XII, 11; XII, 14-15
overdoncker (adj)   1   XI, 3-4
       
    8    



2.1.1.c Combinatie van een licht- en een donkerterm


Als je de overzichten van vindplaatsen van licht- en van donkerterminologie naast elkaar legt, is te constateren dat deze elkaar voor wat betreft vier visioenen overlappen (Vis. I, X, XI en XII).

Dit levert vier passages (of enkele inhoudelijk met elkaar samenhangende passages) op waarin termen uit beide groepen gebruikt worden, verspreid over drie visioenen (Vis. I (2 passages), X en XI). Twee maal wordt binnen één zin een licht- en een donkerterm gebruikt.

Opvallend is dat het hierbij slechts één keer om een tegenstelling gaat (Vis. I). In het andere geval zijn licht en donker op een heel andere manier met elkaar verbonden: de donkerte van de wieling verlicht alles (Vis. XI). Hadewijch beschrijft eenzelfde soort donkere wieling in visioen I (191-216; waarbij het beeld dat uit het donker alles wordt verlicht, ontbreekt) en in visioen XII (1-31; waarin niet het beeld van licht, maar wel dat van vlammen wordt gebruikt).

Hier volgen de vier passages.


Visioen I, 42-49

Ende doe seide ocht die inghel. Vercorne ziele ende hakende. die van soe nedren te soe hoghen ghetrect best. ende van soe donkren dolinghe te soe claren. ende vanden armsten ten rijcsten. verstant wat dit es. Ende hi toende mi. ende ic verstont. Dat was die oetmoedecheit. die met vroeder vresen. daerse met bekint gods groetheit. ende hare nederheit alle hare wel ghechierde doghede mede dect.


Visioen I, 194-197 en 214-216

Ende voer dat cruce saghic staen enen zetel. ghelijc ere sciven. ende was claerre ane te siene dan die sonne in haerre claerster macht. [...]

Die diepe wiel die soe vreeselike donker es. Dats die godleke gebrukelecheit in haren verhoelnen stormen.


Visioen X, 17-22 en 22-26 en 41-44

Ende derdewerf riep hi. ende seide. O ghi dode comt int licht. ende int leven. ende alle ghi ongherede. die niet te naect en sijt onse brulocht te bekinne. comt in onser saden. ende bekint die bruut die bi minnen dore kint heeft alle node. hemelsche. ende eerdsche. [...]

Si es soe met node dorekint int vremde lant. dat ic hare nu sal toenen hoese es ghewasse int lantscap der demsternessen. ende si sal wesen groet. ende si sal hare raste sien. ende die stemme dies moghens sal hare al sijn. [...]

Daer na alle die levende des hemels. ende der erden selen hare leven vernuwen in diere brulocht. Die dode sondere die buten hope sijn comen. ende bi dijnre kinnesse sijn verlicht. ende sijn in begherten van gracien ochte in purgatorien. die een deel cleven ane die doghet. ende niet te naect en sijn.


Visioen XI, 2-5 en 5-6

Daer saghic enen overdiepen wiel. ende enen widen. ende overdonker. ende in dien wiel. die soe wiit was. So was alle dinc besloten. so vaste. ende so na bedwonghen. Dat donkere verlichte ende dore sach alle dinc.




2.1.2 Functie- en betekenisbepaling aan de hand van de context


2.1.2.a Lichtterminologie


Claerheit (n) (Vis. VI, 39; XIV, 19; XIV, 37-38)

'Claerheit' is een belangrijk begrip voor het beschrijven van specifiek mystiek gedachtengoed in Hadewijchs visioenen. In alle drie de gevallen komt het voor in een beschrijving van de godheid. In visioen VI wordt het gebruikt als predikaat bij het aanschijn van God zelf. Hadewijch wordt voor een zetel geleid

'ende die daer op sat was onsienlec ende onverstaen in diere werdicheit' (Vis. VI, 12-13).

Er wordt haar dus een zetel getoond, maar degene die er op zit kan zij niet aanschouwen! Nevengeschikt aan 'onsienlec' wordt 'onverstaen' genoemd: naast niet te aanschouwen (of wellicht: samenhangend met niet te aanschouwen) is degene op de zetel niet te begrijpen.

Een engel met een wierookvat verzoekt aan de 'onbekinde moghentheit. ende al vermoghende grote here' om zich te openbaren. Dit verzoek fundeert de engel door er op te wijzen dat Hadewijch eer en hulde brengt (door middel van de wierook?) en hier heen is geleid door haar (door God zelf opgewekte) brandende liefde.

Dan spreekt God tot Hadewijch: 'Sich wie ic ben'. En wat Hadewijch daarvoor niet kon waarnemen, wat 'onsienlec ende onverstaen' was, openbaart zich dan. Als eerste term om het aanschouwde mee te benoemen of te beschrijven wordt het begrip 'claerheit' gebruikt:

'ende ic sach den ghenen dien ic sochte. ende sijn anschijn oppenbaerde hem met selker claerheit' (Vis. VI, 38-39).

In deze klaarheid neemt Hadewijch alle aanschijnen en alle manieren van leven waar. In paradoxen beschrijft zij de trancendentie en immanentie van God en laat daar op aansluiten:

'Ic hoerde sine redene. ende verstont alle redene met redenen' (Vis. VI, 63-64).

Nadat God tegen Hadewijch heeft gezegd 'Zie wie ik ben', krijgt zij niet alleen daadwerkelijk het aanschijn en de klaarheid ervan te zien, maar daarin neemt zij dingen waar die enerzijds haar inzicht geven in de verhouding tussen mens en God en anderzijds leiden tot Godskennis.


De andere twee vindplaatsen van 'claerheit' komen beide uit het veertiende visioen, dat aansluit bij het er aan voorafgaande. Hadewijch beschrijft een troon met daarop een zetel waarop 'die makere onser minnen Ende die meester dier gherechticheit' zit. Zij hecht een bijzondere betekenis aan de troon: deze verbeeldt de verhevenheid van het leven van vereniging waartoe zij uitverkoren is. De helderheid ('claerheit') geeft haar zuiverheid, smetteloosheid aan.

Even verderop legt zij uit waarom 'men alle dinc dore die claerheit van dien trone sien mochte' (Vis. XIV, 37-38): dit wezen is het eigen wezen van God en al wat Hadewijch doet vanuit Hem of wat haar bevolen is, vindt zij in het wezen van Zijn wil. Het feit dat zij alles doorziet in die troon, betekent dat al haar werken in God zijn en dat ook haar wil in God is, zoals Zijn wil in haar werken is.

Blijkbaar ziet zij in deze troon, die het wezen van God voorstelt, zichzelf, of zichzelf voor zover ze verenigd is of in overeenstemming is met God. Nadat Hadewijch enigzins af is gedwaald van dit eigenlijke visioen met beschrijvingen van andere mystieke ervaringen, komt zij aan het einde ervan terug op de troon. Zij definieert deze troon dan letterlijk als volgt: 'den nuwen troen [...] die ic was' (Vis. XIV, 145). Zij mag God volledig leren kennen en dit is alleen mogelijk als een mens 'ware al alse god' (Vis. XIV, 144).


'Claerheit' wordt in de visioenen gebruikt als predikaat bij het aanschijn van God of bij de troon waarop, op een zetel, de godheid is gezeten. Dit licht is niet zomaar te aanschouwen: God moet hiervoor eerst toestemming geven (Vis. VI) of de mens moet al op een hoog niveau van ontwikkeling zijn gekomen (Vis. XIV).

In het zesde visioen heeft de 'claerheit' duidelijk niet alleen te maken met waarnemen, maar ook met inzicht en kennis: inzicht in de verhouding van de mens tot God en godskennis. In het veertiende visioen is dit veel directer op Hadewijch zelf betrokken: haar eigen verhouding tot of een-zijn met God en zelfkennis.


Licht (n) (X, 18)

De enige keer dat het nomen 'licht' voorkomt in de visioenen, wordt het niet op de godheid of Gods aanschijn betrokken. Hadewijch aanschouwt Jeruzalem dat door geesten van de hemel en door alle levenden wordt versierd. Zij wordt toegesproken door drie figuren: een arend, een evangelist en een stem die waarschijnlijk aan Christus toebehoort.

De arend spreekt drie keer. De eerste keer spreekt hij de heren en heerschappijen aan. De tweede keer allen die levend zijn. De derde keer degenen die dood zijn:

'O ghi dode comt int licht. ende int leven. ende alle ghi ongherede. die niet te naect en sijt onse brulocht te bekinne. comt in onser saden. ende bekint die bruut die bi minnen dore kint heeft alle node. hemelsche. ende eerdsche' (Vis. X, 17-22).

Licht hangt samen met leven, het staat lijnrecht tegenover dood. De doden kunnen evolueren naar leven en licht. De evangelist lijkt op deze toestand terug te komen in zijn toespraak:

'Die dode sondere die buten hope sijn comen. ende bi dijnre kinnesse sijn verlicht' (Vis. X, 43-44).

Degenen die buiten hoop zijn, die mystiek gezegd dood zijn, kunnen worden verlicht en weer in het licht en leven komen. In de toespraak van Christus wordt dit nader uitgelegd: 'Wies minne es soe starc daerse bi alle dus wassen' (Vis. X, 52-53). Door de krachtige minne van de bruid, Hadewijch, vernieuwt het leven van de levenden zich en komen de doden in het licht en in het leven.


Claer (adj) (I, 45; I, 193; I, 196; I, 196-7; XIII, 103; XIII, 207; XIV, 59)

Dit adjectief is in de visioenen de meest gebezigde term om licht mee aan te duiden. In het eerste visioen komt het al vier keer voor, waarvan de laatste drie keer binnen één beschrijving.

In het eerste geval dat dit woord wordt gebruikt, staat het in tegenstelling met donker. Een engel der Tronen leidt Hadewijch door een vlakte, 'die wijtheit der volcomenre doechde' (Vis. I, 18), waar deze haar de zinnebeeldige betekenis van zeven bomen verklaart. De engel spreekt haar steeds aan met verschillende verheffende benamingen. Bij de tweede boom noemt hij haar 'uitverkoren ziel vol verlangen' en duidt vervolgens haar opgang of ontwikkeling aan:

'die van soe nedren te soe hoghen ghetrect best. ende van soe donkren dolinghe te soe claren. ende vanden armsten ten rijcsten' (Vis. I, 43-45).

Dit herinnert heel sterk aan het begin van het visioen waar Hadewijch stelt dat zij juist die dag zover was opgegroeid dat zij door een engel der Tronen kan worden begeleid; van dit engelenkoor wordt expliciet gezegd dat ze de gave des onderscheids bezitten:

'Ende op dien selven dach wasic te hem comen met wassene. so dat ickene hadde ontfaen. dat hi soude sijn in miere hoeden. ende gheselle in allen minen weghen' (Vis. I, 27-30).

Het begrip 'clare' staat in de aanspreking van de engel duidelijk in tegenstelling met 'donker' en op één lijn met 'hoog' en 'rijk'. Het is een heel positieve ontwikkeling die door de engel wordt geschetst en er lijkt uit op te maken dat Hadewijchs ontwikkeling een eindpunt heeft bereikt.

Maar de context waarin deze woorden worden gesproken, moet niet uit het oog worden verloren: Hadewijch staat hier bij de tweede boom, die de ootmoedigheid verzinnebeeldt. Mooie bladeren worden bedekt door een laag dorre: de fraaie deugden worden bedekt door de vrees van de ziel die Gods grootheid en zijn eigen kleinheid beseft en 'datse hare ne weet wies verheffen' (Vis. I, 51).

Van het donker tot de klaarheid komen betekent blijkbaar nog niet dat je er bent, dat je ontwikkeling voltooid is. Integendeel, de ziel is zich bewust van haar kleinheid, weet niet waarop zich te verheffen en beseft dat het genietende een-zijn haar nog ontbreekt.


Na de tocht langs de zeven bomen volgt een passage waarin drie keer een lichtterm voorkomt. Hadewijch keert zich van de engel af en het eerste wat ze ziet is een kruis 'ghelijc cristalle' en ze verbetert zichzelf meteen: 'claerre ende witter dan cristal' (Vis. I, 192-193). Er door heen is een grote wijdheid waar te nemen. Voor het kruis staat een zetel die op een schijf lijkt en deze

'was claerre ane te siene dan die sonne in haerre claerster macht' (Vis. I, 196-197).

Onder deze zetel bevinden zich drie zuilen die de drie-eenheid voorstellen en een diepe, donkere wieling, die het stormen van de goddelijke genieting betekent. Op de zetel zit de Geliefde waar Hadewijch naar had verlangd genietend een mee te zijn.

In deze voorstelling van het goddelijke: de drievuldige èn eenvuldige God, onpersoonlijk èn persoonlijk, zijn zowel licht als donker opgenomen. De schijf waarop de persoonlijke God (weergegeven in een menselijke gestalte) zit, is lichter dan de zon. De diepe kolk eronder is vreselijk donker.

Het zijn de abstracte gedeelten van het beeld die door licht en donker worden getypeerd. In de beschrijving van het concrete gelaat van God ontbreken zulke termen.


De term 'claer' komt twee maal, onafhankelijk van elkaar, in het dertiende visioen voor. De eerste keer fungeert het als adjectief bij kennis:

'ghi siet ende selet sien in claerre redenen van kinnessen metter menscheit' (Vis. XIII, 102-103).

Het gaat hier om kennis van de eigenschappen van de minne, die aan Hadewijch is geopenbaard in het aanschijn van God.

Ook in het tweede geval in dit visioen wordt de term met de rede en de minne verbonden. Het is hier Maria die spreekt over verschillende wijzen om de minne te loven: 'Die werke der hoechster trouwen der redenen dat es die claerste stemme der minnen ende die bequaemste' (Vis. XIII, 206-208). Door middel van trouw aan de rede wordt de minne met 'claerste' stem geloofd.


Tot slot komt de term 'claer' voor in een passage in het veertiende visioen die hiervoor al is besproken bij de term 'claerheit'. 'Claer' wordt net als 'claerheit' in deze passage als predikaat bij 'troen' gebruikt: 'overmids dat soe mi wart ghetoent die hoghe troen nuwe. ende claer' (Vis. XIV, 58-59). Dit voegt geen nieuwe gegevens toe aan de analyse van de passage zoals die hier boven is gegeven.


Het adjecief 'claer' is wel een veel gebruikte, maar niet een consequent gebruikte term. Het functioneert in verschillende soorten contexten.

Net als 'claerheit' gebruikt Hadewijch het om de godheid mee te beschrijven (Vis. I, 196-197 en XIV, 59). Het gaat in beide gevallen om de beschrijving van de abstracte godsvoorstelling: het is de zetel die licht uitstraalt, niet bijvoorbeeld Gods gelaat. De beschrijving van het kruis in het eerste visioen kan hier ook toe worden gerekend. Het vormt geen onderdeel van de godheid, maar staat er direct achter (Vis. I, 193).

Opvallend is dat hier in de klaarheid een wijdsheid waar te nemen is. Ditzelfde verschijnsel is geconstateerd bij de term 'claerheit'.

Wanneer 'claer' wordt gebruikt in tegenstelling met donker, kan het een ontwikkeling van de ziel aanduiden (Vis. I, 45). Het bereiken van het licht is echter geen eindpunt waarbij de ziel op zijn lauweren kan gaan rusten: de eenheid met God is nog niet bereikt en ootmoedigheid is geboden.

Tot slot wordt 'claer' in het dertiende visioen met de rede en de minne of kennis van de minne verbonden. Door (kennis van) de minne wordt de rede verlicht.


Dorelichten (v) (VIII, 16)

De passage waar de term 'doer licht' in voorkomt, beschrijft een aanschijn boven op een berg. De berg is het wezen en zelf de hoogste, totale weg naar boven. Over de berg lopen vijf afzonderlijke wegen, die alle tot het aanschijn leiden. Hadewijch bevindt zich daar met een kimpe, die het volgende over het aanschijn zegt:

'dat al dore siet. ende doer licht den volcomenen diensten dat volleidet. ende leret diviniteit. ende vroetheit. ende rijcheit gheeft aller ghebrukenessen van allen vollen consteleken smake' (Vis. VIII, 16-19).

Enkele regels later wordt het aanschijn beschreven als 'ene groete viereghe vloet widere ende diepere dan die zee' (Vis. VIII, 28-29). Uit deze vloed spreekt een stem tot Hadewijch die de verschillende wegen beschrijft. Uit deze toespraak blijkt duidelijk dat het Christus is die hier spreekt.

Hadewijch is alle vier de wegen gegaan en over de vijfde, meest verheven weg zegt Christus:

'dats die wech te mijns selves. naturen. daer ic te mi selven mede ghecomen hebbe. ende gheghaen. ende daer mede ghinc ic ute te minen vader te di. ende ten dinen. ende quam weder van di. ende vanden dinen te minen vader' (Vis. VIII, 40-44).

Hij nodigt Hadewijch uit om deze weg, die Hij zelf ging, te gaan of eigenlijk te zijn: 'Comt ende wes selver die overste wech' (Vis. VIII, 31). Hadewijch is de vijfde weg volgens Christus, die zichzelf letterlijk specificeert als 'mijns vader waerheit' (Vis. VIII, 73).

Hoe zijn in deze context de woorden van de kimpe over het aanschijn te duiden? Het aanschijn met de vijf wegen die er toe leiden, is geen voorstelling van de drie-eenheid, zoals we al eerder zijn tegengekomen, of van de persoonlijke-onpersoonlijke godheid (hoewel het beeld dat wel suggereert: een berg als het wezen en daar bovenop een aanschijn). Het gaat hier om Christus: enerzijds Christus als God (volgens VIII, 41-42 en VIII, 25-26); anderzijds Christus als de Zoon of de Waarheid van de Vader (volgens VIII, 42-44 en VIII, 73).

Van dit aanschijn nu zegt de kimpe dat het alles doorziet en de volkomen diensten doorstraalt. Dit aanschijn leert volledige wetenschap over God en geeft inzicht. Hier keren enkele elementen die we al eerder hebben gezien terug: het waarnemen, alles doorzien, wijsheid en Godskennis. In dit visioen wordt dit alles betrokken op Christus, de Waarheid van de Vader.


Dorescinen (v) (XIII, 76; Lijst, 189)

Beide keren dat het werkwoord 'doorschijnen' voorkomt, wordt het gebruikt in verband met de minne. In het dertiende visioen ziet Hadewijch in het oog van het aanschijn van God, midden in het aanschijn van Gods natuur, een zetel waarop de minne zit als een koningin. Hadewijch beschrijft haar als volgt:

'Der minnen voeren uten oghen swerde al vol vieregher vlammen. Hare voeten uten monde blicsenen ende dondere Haer was dat anschijn dore scenen dat menre dore mochte sien alle die werke van wondere die de minne ye wrachte ende werken can' (Vis. XIII, 73-78).

Wat we al vaker hebben geconstateerd, komt hier weer terug. 'Claerheit', 'clare', 'doorlicht' of 'doorschenen' zijn, brengt een verruimde blik en inzicht met zich mee: verschillende verhoudingen van de mens tot God, Godskennis, zelfinzicht, kennis van de minne of van de wondere werken van de minne.


In de Lijst is het de minne die de mens doorschijnt:

'Si en willen niet minnen segghen vore gode nochtan heeft minne alle hare leden doer scenen ende verlichtet' (Lijst, 187-189).

Twee regels later wordt gepreciseerd dat het God is die de twee mensen bemint: 'Ende hi [=gode] hen doer mint dat hi haer god ende haer lief es' (Lijst, 192-193). God 'doormint' de mens, de minne op haar beurt doorschijnt de mens.


Lichten (v) (XII, 86)

In het twaalfde visioen wordt een bruid beschreven die een kleed draagt dat versierd is met twaalf deugden. De negende is de rede:

'toenese gheordent ende datse hare reghele ware. daerse mede wrachte gherechtecheit alle uren. ende die hare lichte in al den liefsten wille haers lieves ende si gaf benedictie ende doemsele ghelijc hem selven in al sine minnende ende in al sine hatende. ende si gaf al dat hi gaf. ende si nam al dat hi nam' (Vis. XII, 83-89).

De rede toont hoe ze geordend is. Deze geeft haar de regel waarmee ze gerechtigheid kan doen en verlicht haar, geeft haar licht in de wil van haar Geliefde. Zo kan ze in overeenstemming komen met God.

Samenhang tussen licht en rede en in samenhang daarmee inzicht en overeenstemming, is hiervoor al verschillende keren opgemerkt.


Verlichten (v) (X, 44; XI, 6; Lijst, 189)

Hierboven is de term 'verlicht' al twee keer aan de orde geweest. Ten eerste bij de analyse van 'licht' in het tiende visioen: doden, mensen die buiten hoop zijn, kunnen worden verlicht en zo hun situatie ontgroeien.
Op de tweede plaats komt het in de Lijst voor, nevengeschikt aan 'doorschijnen'. God doormint de mens, de minne op haar beurt doorschijnt en verlicht de mens.

De passage waarmee het elfde visioen begint, geeft wel een heel bijzondere vorm van verlichten weer. Er wordt een diepe, wijde, donkere wieling beschreven, waarin alle dingen zijn besloten. Het stelt de macht, de hele mogendheid van de Geliefde voor.

'Dat donkere verlichte. ende dore sach alle dinc' (Vis. XI, 5-6).

De verbinding tussen 'licht' en 'doorzien' komt ook voor in het veertiende visioen (zie de bespreking van de term 'claerheit' hiervoor). Een soortgelijke beschrijving van een donkere wieling is te vinden in visioen I (191-216) en XII (1-31). In het eerste geval ontbreekt het beeld dat vanuit het donker alles wordt verlicht. In het twaalfde visioen wordt niet het beeld van het licht, maar wel dat van vlammen gebruikt.



Slotsom lichtterminologie

In Hadewijchs visioenen wordt met twee verschillende nomina licht aangeduid. Het begrip 'claerheit' komt consequent voor in de context van een beschrijving van de godheid. Zowel het persoonlijke deel (het aanschijn) als het onpersoonlijke deel (de troon, het wezen van God) kan er mee worden beschreven.

De klaarheid heeft een tweeledige werking. Enerzijds maakt het waarnemen mogelijk, het leidt zelfs tot een ruimer waarnemingsvermogen: in de klaarheid is van alles te zien en te doorzien. Anderzijds heeft het te maken met inzicht en kennis. De dingen die zijn waar te nemen in de klaarheid geven inzicht in de verhouding van de mens tot God en Hadewijchs eigen verhouding tot of een-zijn met God en leiden tot zelfkennis en Godskennis.

De goddelijke klaarheid is niet zomaar waar te nemen, er is Gods toestemming of een hoog ontwikkelingsniveau (verhevenheid van leven) voor nodig.


Het nomen 'licht' fungeert in een heel andere context. Dit begrip geeft een ontwikkelingstoestand van de ziel aan. Het beschijft een mystieke toestand die tegengesteld is aan de mystieke 'dood' van het buiten hoop zijn: door verlichting kan de ziel hier aan ontgroeien naar een toestand van in licht en in leven zijn.

Of de betekenis van dit begrip zich hier toe beperkt, is natuurlijk aan de hand van slechts één vindplaats niet vast te stellen.


Het enige adjectief van de lichtterminologie, 'claer', wordt relatief gezien veelvuldig gebruikt en functioneert in diverse van elkaar verschillende contexten.

Op de eerste plaats kan het op dezelfde manier als (en in samenhang met) het begrip 'claerheit' fungeren, namelijk om de godheid mee te beschrijven. Anders dan 'claerheit' is 'claer' vooral een beschrijvende term, het wordt op zijn beurt zelf niet beschreven (zoals bij 'claerheit' wel het geval was: in de klaarheid was van alles te zien).

Op de tweede plaats kan het begrip 'claer', in tegenstelling met donker, een ontwikkeling van de ziel aanduiden. Dit doet sterk denken aan het gebruik van het nomen 'licht'.

Ten derde kan 'claer' voorkomen als adjectief bij kennis (van de minne). Dit doet weer denken aan de kennis- en inzichtgevende werking van de 'claerheit'.


Hadewijch varieert met verschillende werkwoorden die licht aangeven: doorlichten, doorschijnen, lichten en verlichten. Dit lijkt logisch omdat licht verschillende werkingen kan hebben: iets kan licht uitstralen of verlichten, iets kan verlicht worden of zelfs helemaal doorschenen worden.

Op de eerste plaats het werkwoord 'doorlichten'. Dit wordt toegepast op het aanschijn van Christus, dat wordt beschreven als een grote vurige vloed. Dit aanschijn doorziet alles en doorstraalt de volkomen diensten, het geeft inzicht en Godskennis. Hoewel dit werkwoord van de stam 'licht' is afgeleid, doet het niet denken aan de manier waarop het begrip 'licht' werd gebruikt. Integendeel, er keren hier verschillende elementen terug die naar voren kwamen bij het begrip 'claerheit'.

Het tweede werkwoord 'doorschijnen' hangt nauw samen met minne. Het aanschijn van de minne, dat zich midden in Gods natuur bevindt, is doorschenen en dit leidt (vergelijk weer met 'claerheit') tot een verruimde blik en inzicht, in dit geval inzicht in de werken van de minne. De minne kan ook de mens doorschijnen, zoals God de mens doormint.

Het derde werkwoord, 'lichten', functioneert in samenhang met de rede. Deze verlicht de ziel en geeft zo inzicht in de wil van God. Verband tussen licht en rede kwam ook voor als derde betekenis bij het adjectief 'claerheit'. Samenhang tussen licht en inzicht komt veelvuldig voor, zie de begrippen 'claerheit', 'claer', 'doorlichten' en 'doorschijnen'.

Tot slot het werkwoord 'verlichten'. Dit wordt in verschillende contexten gebruikt. Op de eerste plaats hangt het nauw samen met het begrip 'licht'. Het kan een ontwikkeling van de ziel van de ene (mystieke) toestand naar de andere weergeven. Op de tweede plaats kan het de minne zijn die de mens verlicht, vergelijkbaar met 'doorschijnen'.

Op de derde plaats kan het worden gebruikt in een beschijving van de godheid en wel op een bijzondere manier. De donkere wieling van de godheid verlicht en doorziet alles (hier dus opnieuw een verband tussen licht en doorzien).



2.1.2.b Donkerterminologie


Deemsterheit (n) (IV, 113)

Aan het einde van het vierde visioen spreekt een engel, maar uit de toespraak is op te maken dat het eigenlijk Christus is die hier spreekt. Hij maakt Hadewijch de vier manieren om te groeien en volwassen te worden duidelijk. De vierde manier houdt in dat Hadewijch de Geliefde moet missen, ze moet juist datgene missen wat zij boven alles bemint:

'Hare vierde werc ende dat alre meeste datse in ons volleiden sal. dats derven van onser sueter naturen. die onser ghelijc van anderen ghevoelt. ende die kinnisse. ende dat smaken. dat wi in ons selven tweevoldech van hare hebben Ende si onvolwassen dies darven moet. dien si boven al moet minnen. Ende alse alle deemsterheit dar ane hebben. Dat sal here werc sijn daer si ons mede ghenoech maerghen hare selven volbringhen sal' (Vis. IV, 107-115).

De inhoud van deze passage lijkt nogal paradoxaal: het moeten missen van Gods aanwezigheid voert haar het diepst in God; door te missen wat zij bemint, geeft zij God (en Christus) het meeste voldoening. Zolang Hadewijch nog onvolwassen is, moet zij missen wat zij boven alles bemint en deze situatie wordt beschreven als in 'deemsterheit' verkeren.

'Deemsterheit' duidt op de afwezigheid van de Geliefde, maar tegelijk op een situatie waarin de ziel God de meeste voldoening schenkt.


Demsternes (n) (X, 24)

Deze passage uit het tiende visioen is bij de bespreking van de lichtterminologie al aan de orde geweest (zie 'licht' en 'verlicht'), maar de term 'demsternessen' is daar nog niet besproken. Het wordt door de arend gebruikt om de situatie waar Hadewijch in heeft verkeerd aan te duiden:

'Si es soe met node dorekint int vremde lant. dat ic hare nu sal toenen hoese es ghewasse int lantscap der demsternessen. ende si sal wesen groet. ende si sal hare raste sien. ende die stemme dies moghens sal hare al sijn' (Vis. X, 22-26).

Hadewijch is opgegroeid in het 'vremde lant', in het land van duisternis. Er wordt gesuggereerd dat Hadewijch, die de bruid is, zich nu in het licht en het leven bevindt waar de bruiloft plaatsvindt.

In de duisternis kan dus groei plaatsvinden, die leidt tot het licht. Deze groei wordt in dit geval veroorzaakt door het doorleven van nood. De evangelist noemt vervolgens verstoting, het beoefenen van deugden en ijver, zonder deze echter expliciet met groei te verbinden.

Christus gebruikt in zijn toespraak wel dit woord: Hadewijchs minne is zo sterk dat ieder er door groeit.


Doncker (n) (XI, 6)

De passage aan het begin van het elfde visioen is hierboven al besproken bij het begrip 'verlichten'. Het zelfstandige naamwoord 'donker' wordt hier op een heel andere manier gebruikt dan de hierboven behandelde begrippen 'deemsterheit' en 'demsternessen'. Beide keren ging het om een toestand waarin de ziel zich kan bevinden: afgezonderd van de Geliefde, in het vreemde land, maar met mogelijkheden om te groeien (naar het licht).

Het begrip 'donker' wordt hier echter gebruikt in een omschrijving van de godheid. De diepe, wijde, donkere wieling, waar alle dingen in besloten zijn, verlicht en doorziet alles. 'Donker' verwijst naar de goddelijke duisternis waaruit het licht ontstaat, als het ware een 'voorlichtelijk donker'. De grondeloze wieling is de macht van de Geliefde.


Doncker (adj) (I, 44; I, 215; XII, 11; XII, 14-15)

In tegenstelling tot de variatie in nomina, wordt er in de visioenen maar één term gebruikt als adjectief. Er wordt hierbij niet door middel van verschillende termen onderscheid gemaakt in betekenis, zoals bij de nomina 'deemster' en 'doncker'.

In de eerste vindplaats, vrij in het begin van het eerste visioen, komt 'donker' voor in samenhang met het adjectief 'claer' (zie de analyse aldaar). Het gaat in dit geval om een ontwikkeling van de ziel.

De tweede keer dat de term 'doncker' wordt gebruikt, is halverwege het eerste visioen in een beschrijving van de godheid (zie voor deze passage de analyse van het adjectief 'claer'). De diepe, donkere wieling wordt hier gedefinieerd als de goddelijke genieting. In dit geval wordt het adjectief op dezelfde manier en in dezelfde betekenis gebruikt als het zelfstandige naamwoord 'doncker'.

Aan het begin van het twaalfde visioen komt dit adjectief twee maal voor, één keer in de overtreffende trap. Opnieuw gaat het om een beschrijving van de godheid en wel, zoals we al eerder hebben gezien, om de diepe wieling. Een bijzonder aspect van deze beschrijving is dat het donkerste deel van de draaiende kolk wordt vergeleken met vlammen:

'ende in die donckerste side daerse so vreselike liep. daer wasse ghelijc vreseliken vlammen' (Vis. XII, 14-16).

Dit is wel het laatste wat je je voorstelt bij het begrip 'donker'. Toch komt het niet zomaar uit het niets vallen, want in het elfde visioen komt een soortgelijke beschijving voor: het donker van de wieling verlicht alles. Blijkbaar komt uit de draaiende kolk, in het bijzonder het gedeelte waar de wieling het krachtigst beweegt, licht voort.

Dit geeft een nieuwe kijk op het verschijnsel licht dat uit het donker voortkomt. Het licht ontstaat niet zomaar, het kan ontstaan door de beweging. Blijkbaar bevindt zich in het donker een kracht die in beweging kan komen en zich dan kenmerkt door licht.

Het onderscheid tussen de termen 'deemster' en 'doncker' dat bij de nomina werd gemaakt, is niet terug te vinden bij het adjectief om donker mee weer te geven. Beide betekenissen komen voor, maar worden steeds weergegeven met het ene adjectief 'doncker'. Dit kan zowel naar een ontwikkelingstoestand van de ziel, als naar een goddelijk donker verwijzen.


Overdoncker (adj) (XI, 3-4)

Tot slot een passage die ook al bij de bespreking van de lichtterminologie aan bod is geweest (zie het werkwoord 'verlicht') en ook hiervoor bij het adjectief 'doncker' nog is genoemd. De term 'overdoncker' wordt gebruikt in het beschrijven van de wieling en wijkt dus in gebruik niet af van 'doncker'. Wat het betekenisaspect betreft, lijkt het slechts de donkerte sterker te benadrukken.



Slotsom donkerterminologie


In de drie verschillende nomina die naar donker verwijzen, kunnen duidelijk twee betekenisaspecten worden onderscheiden.

Enerzijds duiden 'demsternessen' en 'deemsterheid' naar een toestand waarin de ziel kan verkeren, namelijk het moeten missen van Gods aanwezigheid. Deze situatie wordt opvallend genoeg positief beoordeeld: mystiek gezien schenkt de ziel God genoegen door hierin te verkeren en daarbij kan de ziel hier aan ontgroeien. Uiteindelijk leidt het doorleven van deze situatie het diepst in God.


Anderzijds wordt het begrip 'donker' gebruikt om er een bepaald aspect van de godheid mee te beschrijven. Ging het bij 'deemster' duidelijk om de afwezigheid van licht, hier ligt de samenhang veel genuanceerder. 'Donker' is geen term waarmee het afwezig zijn van licht wordt beschreven, het gaat veeleer om een 'voorlichtelijk', goddelijk donker. In dit donker kan beweging ontstaan, waaruit licht voorkomt.

Hoewel het in de visioenen nergens expliciet wordt uiteengezet, lijkt er in de beschijvingen van de godheid een verband te worden gesuggereerd tussen donker - kracht - beweging - licht (of wellicht hangt zelfs rust met donker samen en gaat het om een kracht die in rust kan zijn -en zich dan kenmerkt door donker- en in beweging kan zijn -en zich dan kenmerkt door licht-).


Er wordt maar één adjectief als donkerterm in de visioenen gebruikt (op een variant met het voorvoegsel 'over-' na). Dit adjectief 'donker' kan niet alleen in dezelfde betekenis van het nomen 'donker' voorkomen, maar ook in de betekenis waarin 'deemster' wordt gebruikt.

Naar beide betekenissen (zowel de ontwikkelingstoestand van de ziel als naar het goddelijke donker) kan dus met eenzelfde adjectief worden verwezen; het maken van onderscheid door middel van verschillende termen is hierbij weggevallen.




2.2 DE BRIEVEN


2.2.1 Inventarisatie

Deze inventarisatie is gebaseerd op de 'Woordenlijst' in de uitgave van de brieven van Van Mierlo: Hadewijch. Brieven. Opnieuw uitgegeven door Dr. J. van Mierlo, S.J. Antwerpen, enz., z.j., 2 dln. Dl. 1, blz. 283-348. Ik heb gezocht op woorden in de licht-, donker-, warmte-, kou- en vuurterminologie.

In de warmtecategorie heb ik geen termen gevonden, in de kou-categorie slechts één (te weten: vriesen (v), (24, 41). Hieronder zijn alleen de lichtterminologie en de donkerterminologie uitgewerkt.

In de verantwoording voorafgaand aan de 'Woordenlijst' wordt vermeld dat 'alle in de brieven voorkomende woorden en uitdrukkingen' er in zijn opgenomen (blz. 283). Echter niet in ieder geval zijn alle vindplaatsen vermeld. Deze inventarisatie is enkel gebaseerd op de vermelde vindplaatsen. Het is dus zeer goed mogelijk dat woorden vaker, ook in hier onvermelde brieven, voorkomen.


Het gaat om in het totaal 31 brieven die samen 3631 regels beslaan. Twee brieven springen er uit wat betreft de grote hoeveelheid gebruikte termen uit de hier uitgewerkte categorieën: brief I (16 lichttermen en 2 donkertermen) en brief XXII (11 lichttermen en 4 donker-termen).

Er zijn 15 brieven waar één of meerdere lichttermen in voorkomen (Br. I, IV, VI, VIII, XI, XII, XIV, XVII, XVIII, XIX, XXII, XXVIII, XXIX en XXX), 7 brieven waar één of meerdere donkertermen in voorkomen (Br. I, IV, VI, X, XVII, XVIII, XX, XXII en XXVII) en 5 brieven waar minstens één lichtterm èn minstens één donkerterm in voorkomt (Br. I, IV, VI, XVII, XVIII en XXII). In maar liefst 14 brieven wordt uit geen van beide categorieën een term gebruikt.

Hier volgt een schematisch overzicht van de lichtterminologie (2.2.1.a) en van de donkerterminologie (2.2.1.b)



2.2.1.a Schematisch overzicht lichtterminologie

Het woordveld van de in de brieven gebruikte lichttermen, komt grotendeels overeen met de in de visioenen gebruikte woorden. De woordenschat is iets uitgebreider dan in de visioenen, namelijk 'claerlike', 'claren' en 'verclaren' komen daar niet in voor. Bovendien wordt hier het werkwoord 'scinen' gebruikt, terwijl in de visioenen alleen de variant 'dorescinen' te vinden is.

Het totaal aantal keren dat er een lichtterm wordt gebruikt, ligt in de brieven veel hoger dan in de visioenen (55 tegenover 18 keer). Hieruit kan echter niet de conclusie worden getrokken dat Hadewijchs brieven over het algemeen 'lichter' zijn dan de visioenen.

Op de eerste plaats beslaan de visioenen bijna de helft minder regels dan de brieven (namelijk 1962 tegenover 3631 regels). Zelfs als alle 14 brieven waar geen enkele licht- of donkerterm in wordt aangetroffen buiten beschouwing worden gelaten, telt de onderzochte tekst van de brieven nog zo'n duizend regels meer (namelijk 2802 regels).

Op de tweede plaats drijven de twee 'lichtbrieven', brief I en XXII, het totaal behoorlijk op. Deze twee bevatten samen 27 van de 55 lichttermen. Dit betekent dat er zich 28 lichttermen in de overige brieven bevinden, verspreid over 13 verschillende brieven.

Hier volgt het schematische overzicht van de lichtterminologie in de brieven van Hadewijch:


Termen   Aantal   Vindplaatsen
claerheit (n)   11   I 5, 8, 11, 14; XII 126; XXII 56, 275, 313; XXVIII 1, 11, 36
licht (n)   6   XXII 275, 304, 306; XIX 67; XXX 152, 155
claer (adj)   4   I 1, 5, 48; XXII 106
claerlike (adj)   2   I 23; XVII 109
claren (v)   1   VIII 21
dorelichten (v)   1   XII 115
lichten (v)   2   IV 10; XIV 61
schinen (v)   3   I 49; XXVIII 199; XXIX 40
verclaren (v)   10   I 2, 4, 47, 51; VI 294, 355; XVII 108; XXII 312, 315; XXVIII 35
verlichten (v)   15   I 3, 4, 39; II 82; VI 313; XI 17, 41; XII 111; XVIII 95; XXII, 17, 138; XXIX 38, 40; XXX 116, 165
       
    55    




2.2.1.b Schematisch overzicht donkerterminologie

De donkerterminologie, zowel wat betreft woordenschat als wat betreft frequentie van het gebruik, is in de brieven bescheidener dan de lichtterminologie. Hetzelfde verschijnsel doet zich voor in de visioenen (zie par. 2.1.1). De zes verschillende termen, in het totaal 12 keer gebruikt, zijn verspreid over zeven verschillende brieven.

Zoals hiervoor twee brieven als duidelijke 'lichtbrieven' bestempeld konden worden, is hier geen sprake van een uitgesproken 'donkerbrief'. In vier brieven komt minstens twee maal een donkerterm voor: brief I (2x), XVII (2x), XX (2x) en XXII (4x).


Opvallend is dat de gebruikte terminologie behoorlijk afwijkt van die in de visioenen. Er wordt slecht één nomen gebruikt, dat slechts één maal voorkomt.

Met de adjectieven wordt, in tegenstelling tot de visioenen, in de brieven wèl gevarieerd: naast 'doncker' komt hier 'deemster' en 'onverlicht' voor. De vraag is of hier bij de adjectieven hetzelfde onderscheid terug te vinden is dat in de visioenen bij de nomina wordt gemaakt.

Werkwoorden die direct naar donker verwijzen, ontbreken in de visioenen geheel, maar zijn in de brieven wel te vinden. Ook hier is het de vraag of de variatie wijst op betekenisverschillen.

Voordat daar inhoudelijk naar wordt gekeken, volgt hier nu eerst een schematisch overzicht van de donkerterminologie:


Termen   Aantal   Vindplaatsen
donckerheit (n)   1   XX 49
deemster (adj)   3   I 67; XXII 104, 310
doncker (adj)   4   XVII 7, 30; XX 38; XXII 366
onverlicht (adj)   1   VI 249
deemsteren (v)   1   I 40
verdonkeren (v)   2   IV 7; XXII 398
       
    12    



2.2.2 Functie- en betekenisbepaling aan de hand van de context.


2.2.2.a Lichtterminologie

Gezien de enorme concentratie van lichttermen in brief I en XXII, is het niet zo'n zinvolle aanpak om de verschillende termen één voor één te bekijken. Het ligt hier meer voor de hand om deze twee teksten in hun geheel te analyseren op lichtthematiek en pas daarna de afzonderlijke termen te bespreken, waarbij dan alle andere vindplaatsen kunnen worden betrokken.

De opzet van deze paragraaf zal er dus als volgt uit zien: eerst worden brief I en XXII geanalyseerd en vervolgens komen de tien afzonderlijke lichttermen aan bod. Hierbij is steeds gebruik gemaakt van de uitgave van Mommaers (1990).


Brief I

De eerste van Hadewijchs brieven kan ontegenzeggelijk als 'lichtbrief' worden bestempeld. De vrij korte tekst, die 82 regels beslaat, bevat volgens de 'Woordenlijst' van Van Mierlo 16 lichttermen. Het gaat om de begrippen 'claer' (3x), 'claerheit' (4x), 'claerlike' (1x), 'scinen' (1x), 'verclaren' (4x) en 'verlichten' (3x).

Hier steekt de onvolledigheid van Van Mierlo's 'Woordenlijst' meteen al de kop op: zelf tel ik 22 lichttermen in deze brief, als volgt verdeeld: 'claer' (4x), 'claerheit' (9x), 'claerlike' (1x), 'scinen' (1x), 'verclaren' (4x) en 'verlichten' (3x).

De grootste concentratie van termen zit meteen in de eerste twee alinea's, de aanhef van de brief. Aangezien de hierin naar voren gebrachte thematiek later in de brief verder wordt uitgewerkt, lijkt het zinvol eerst te kijken naar de inhoud van Brief I als geheel, om van daaruit de eerste passages te interpreteren.


De brief behandelt de klaarheid, die men in zijn leven kan verwerkelijken door 'werken van gherechticheden' (r. 8-17). Naast handelen uit gerechtigheid is het ook van belang dat men alles volbrengt in waarheid, ter wille van de klaarheid van de minne die God is.

Hadewijch vervolgt haar brief met een verhandeling over het aanschouwen van God met de ogen van het hart. Zij beschrijft dan de drie-heid èn de 'gheheelheit' van God (r. 25-32 en 46-55). De mens kan, als reactie op de macht, de wil, de klare waarheid en de almachtige minne van God, zich voorbereiden op het 'groten ghebrukene' van 'ons alte suets gods' door enerzijds klaarheid in het eigen wezen te brengen door deugden en gerechte werken en door anderzijds zijn geestelijke vermogens door middel van hoge verlangens te verruimen (r. 46-55).


De eerste passage nu, die enigszins cryptisch is verwoord,[1]  behelst een wens aan de geadresseerde om verlicht te worden door God. Voorafgaand aan deze wens, wordt het verlichten al in verband gebracht met God:

'God die de clare minne die onbekint was verclaerde bi siere doghet daer hi alle doghet bi verlichte in siere claerheit der minnen (...)' (Br. I, 1-7).

God heeft de klare minne, die onbekend was, verlicht of verhelderd. Mommaers vertaalt met: 'doen verschijnen', maar deze betekenis wordt bij transitief gebruik niet gegeven door het MNW (wel 'zich vertonen, verschijnen' bij wederkerend gebruik en 'zich vertonen, verschijnen, aanbreken' bij intransitief gebruik. (MNW VIII, 1908-1915)).

Hoe heeft Hij de minne verlicht? Door 'siere doghet', wat Mommaers vertaalt met 'zijn leven op aarde'. Deze betekenis geeft het MNW niet, wel: deugd of deugdzaamheid, goedheid, gunstbetoon of genade (MNW II, 264-268).

In de vertaling die Mommaers geeft, wordt dus heel direct gerefereerd aan de menswording van God op aarde: door Gods aardse leven heeft Hij de onbekende minne op aarde doen verschijnen en zo heeft Hij met Zijn leven alle leven verlicht. Deze interpretatie wordt echter niet ondersteund door het MNW.

Een meer letterlijke vertaling levert de volgende interpretatie op: God verlichtte de onbekende klare minne door Zijn deugd, waarmee Hij alle deugd verlichtte. De tekst verwijst zo minder concreet naar de menswording van God, hoewel deze interpretatie niet wordt uitgesloten: met deugd kan heel goed naar de deugdzaamheid van Christus' aardse leven worden verwezen.


In het licht van de strekking van de gehele brief ligt de meer letterlijke interpretatie meer voor de hand. De brief handelt om God als drieheid en eenheid, om het genieten van God door de mens en de voorbereiding daarop door deugden en het openstellen van de geestelijke vermogens. Niet het aspect van het navolgen van het concrete leven van Christus staat hier op de voorgrond, maar geestelijke gerichtheid op de drie-ene God.

Er wordt voor ieder mens een verband gesuggereerd tussen klaarheid en deugden:

'verclaert v wesen ende chiert v met doechden ende met gherechten werken' (Br. I, 46-55).

Zoals de goddelijke deugdzaamheid de klare minne verlicht, zo kan de mens door deugdzaamheid en gerechte werken zijn eigen wezen verlichten en zich zo voorbereiden op de genieting van Gods minne.

Het gaat dus niet, zoals de vertaling van Mommaers (en overigens ook die van Bladel en Spaapen) suggereert, om het leven van Christus in het algemeen, maar om de goddelijke deugd die in dat leven tot uitdrukking kwam.


Hoe functioneren nu de lichttermen en de lichtthematiek als geheel in deze brief? In de eerste passage (r. 1-7) is het God die de minne, de deugd of de ziel kan verlichten door Zijn deugd en door Zijn klare klaarheid, waarmee Hij voor zichzelf klaar is. Daarnaast wordt klaarheid twee maal betrokken op 'minne'. Blijkbaar kan de minne worden gespecificeerd met het adjectief 'claer'.

In de volgende alinea (r. 8-17) wordt er een verband gelegd tussen God, de minne en klaarheid: 'claerheit der edelre minnen die god es'. Voor de mens die op aarde leeft, is de grootste klaarheid te bereiken door in waarachtigheid en in waarheid alles te doen. Dit doet denken aan het beoefenen van deugden, die in de eerste alinea aan de orde waren.

De mens kan de ogen van zijn hart 'claerlike' openen en zo in God kijken (r. 18-24). De liefde binnen de drie-eenheid wordt beschreven, waarbij 'gebrukeleke' samenhangt met 'glorilecheiden' en 'toenleke' met 'claerheiden' (r. 33-40). Dit 'tonen in klaarheid' wordt uitgewerkt: 'alle dinc Te verlichtene Ende te demsterne na hare wesen'. In de drie-eenheid is dus sprake van een genietend aspect, in heerlijkheid (dit duidt hoogstwaarschijnlijk op de eenheid).

Hoewel het hier niet wordt gezegd, doet dit denken aan dat aspect van de godheid dat Hadewijch in de visioenen kan beschrijven met het begrip 'donker' (het 'voorlichtelijke', goddelijke donker). Daarnaast is er sprake van een 'werkend' aspect, waarbij dingen getoond kunnen worden en alles kan worden verlicht en verduisterd. Gods macht kan in de mens 'verclaert' worden, Zijn klare waarheid kan in de ziel schijnen (r. 46-55) en de ziel zelf kan klaarheid in zijn eigen wezen brengen door middel van deugden en gerechte werken (zie ook r. 8-17).


In deze eerste brief functioneert de lichtterminologie op drieërlei wijze: deze wordt betrokken op God, op de ziel en op de minne. Deze drie hangen nauw met elkaar samen: God is minne; God verlicht de minne door deugden; God verlicht de mens; de mens kan zijn eigen wezen verlichten door deugden en gerechte werken. Klaarheid wordt direct in verband gebracht met zien en tonen: het waarnemen van de godheid.


Brief XXII

Net als brief I bevat brief XXII een groot aantal lichttermen. Deze komen echter niet zo geconcentreerd in de tekst voor als in de eerste brief het geval was. De termen zijn meer verspreid en daarbij telt de tekst aanzienlijk meer regels, namelijk 406.

Volgens de 'Woordenlijst' van Van Mierlo bevat de tweeëntwintigste brief 11 lichttermen en 4 donkertermen. Het gaat om de volgende lichttermen: 'claer' (1x), 'claerheit' (3x), 'licht' (3x), 'verclaren' (2x) en 'verlichten' (2x). Zelf tel ik er 16, namelijk als volgt verdeeld: 'claer' (2x), 'claerheit' (5x), 'licht' (5x), 'verclaren' (2x) en 'verlichten' (2x).


In dit lange tractaat behandelt Hadewijch vier paradoxale eigenschappen die zij aan God toekent. Zij begint de brief met een uiteenzetting over het kennen van God (r. 1-24).

'Die gode wilt verstaen ende kennen wat hi es in sinen name Ende in sijn wesen, hi moet gode al gheheel sijn, Ja also gheheel dat hi hem al si ende sonder hem seluen [...] men mach gode niet tonen met menschen sinnen. Mer die metter zielen gherenen ware van gode, hi soudere yet af moghen toenen den ghenen diet metter zielen verstonden' (Br. XXII, 1-16).

Het gaat blijkbaar om een heel bijzondere vorm van kennen als Hadewijch het over het kennen van God heeft. Zij voegt er aan toe dat de 'verlichte redene' (r. 17-24) iets van God toont aan de innerlijke vermogens. Datgene wat de mens van God kan weten geeft ze in deze brief weer in vier paradoxen.

De eerste paradoxale eigenschap van God is: God is boven alles, maar niet verheven. Dit is enerzijds omdat Hij zelf is wat Hij verheft en zo niet-verheven blijft en anderzijds omdat de mens Hem wel opeist, maar Hem niet kan verheffen, omdat Hij alleen uit zichzelf beweegt. De tweede paradox is: God is onder alles, maar niet verdrukt. Zijn diepste diepte gaat even ver als Zijn hoogste hoogte.

De derde paradox, God is binnen alles maar niet ingesloten, werkt Hadewijch zeer breed uit. God is de eeuwige genieting van zichzelf: in de 'deemstere cracht' van de Vader, in de 'minne' die Hij zelf is en in de 'clare ouervloedeghe vloede' van de Heilige Geest (r. 102-115). Hier wordt de drie-eenheid binnen één beschrijving weergegeven in termen van licht en donker, waarbij de duisternis samenhangt met kracht en het licht met het uitvloeien naar buiten toe.

Dat Hij niet ingesloten is, blijkt uit vier wegen waarin Hij naar de mens neigt en zichzelf meedeelt in de drie Personen. Deze vier wegen behandelt Hadewijch uitgebreid, alle vier komen ze drie maal terug. De eerste, hoogste weg is de minne; de tweede is Zijn natuur in ons (met de drie geestelijke vermogens zijn de drie Personen te beminnen); de derde weg is het feit dat Hij Zijn lichaam gaf uit liefde; en de vierde weg is dat Hij de tijd op ons afstemt wat betekent dat Hij zich voor de mens openstelt.

Deze wegen worden nauwelijks in termen van licht beschreven. Eén keer valt het adjectief 'verlicht': met 'verlichter redenen' is de Vader te beminnen.

Bij de behandeling van de vierde paradox komen de meeste lichttermen voor. God is buiten alles, maar helemaal omgrepen: Hij rust in niets dan in Zijn eigen natuur, Hij vloeit uit naar ieder in de mate die hem toekomt en aangezien ieder omvat wat hem toekomt, is God ook helemaal omgrepen.

Bij het uitvloeien heeft elk van de drie Personen Zijn naam uitgegoten, waarbij ze elkaar manen tot een-zijn en drie-zijn. De Vader heeft Zijn naam uitgestort in krachtige werken, de Zoon in brandende genegenheid, waarachtige rede en tekenen van minne en de Heilige Geest 'in groeter claerheit sijns gheest ende sijns lichts'.

Opmerkelijk is, dat wanneer Hadewijch deze drie uitstortingen achtereenvolgens gaat toelichten, zij bij de Heilige Geest geen lichttermen meer gebruikt, maar bij de Zoon maar liefst negen. De Zoon stortte Zijn naam op vier manieren uit. Op de eerste plaats toen Hij als Jezus geboren werd en vervolgens toen Hij gedoopt werd. Op de derde plaats goot Hij Zijn naam uit

'doe hi met siere doet leuen Ende licht voerde ter hellen, die doch doet es sonder leuen. Daer voerde hi leuen ende licht, daer gheen licht wesen en sal. Daer haelde sijn name sine gheminde in claren lichte Ende in volre vetheit. Die selue name berrede die daer bleuen metten eweleken viere der deemster doet. Ay hoe deemster es die doet Daer men sinen name niet en kint!' (Br. XXII, 285-327).

Met Zijn dood bracht Jezus licht en leven in de hel, die normaal dood en duister is. Zielen die Zijn naam niet kennen, verkeren in een toestand van duistere dood. Voor het begrijpen van dit fragment kan gebruik worden gemaakt van de baanbrekende interpretatie van Hadewijchs visioenen door Vekeman.[2]  De begrippen 'hel' en 'dood' hebben bij Hadewijch volgens hem een tweeledige betekenis, namelijk de gangbare (orthodoxe) betekenis en een mystieke betekenis, die naar een fase in de mystieke opgang verwijst.

Hier kan de passage worden uitgelegd in die tweede betekenis: aan zielen die in de toestand van de dood en het duister van de mystieke hel verkeren, wordt door Jezus licht en leven gebracht.

Op de derde plaats goot de Zoon Zijn naam uit, toen Hij sprak: 'vader, verclaert mi met diere claerheit die ic hadde bi di, eer de werelt was'. Hadewijch voegt hier aan toe:

'Niet dat hem die claerheit ye vre ghebrac, Mer hi woudse met hem verclaren, doe hi met hem alle dinc ghetrect hadde, Alsoe hi doe seide: Jc wille, vader, dat si alsoe een sijn in ons alsoe du, vader, in mi ende ic in di. Dit was dat liefleecste dat god ye openbare seide, datmen inder scrift leset' (Br. XXII, 285-327).

In deze brief gebruikt Hadewijch de lichtterminologie voor het beschrijven van de drie-eenheid en de verhouding van God tot mens.

Een heel opmerkelijke passage is r. 102-115, waarin de drie-eenheid wordt beschreven in licht- en donkertermen. Het donker hangt samen met de Vader en met kracht, het licht met de Heilige Geest en met uitvloeien. Later in deze brief brengt Hadewijch de Heilige Geest nogmaals in verband met licht (r. 264-278).

Opvallend genoeg keert de lichtthematiek bij de uitwerking niet terug, terwijl bij de toelichting op de kenmerken van de Zoon de lichtterminologie overvloedig aanwezig is. Blijkbaar kunnen zowel (het uitvloeien van) de Zoon als de Heilige Geest in termen van licht worden beschreven. Het gaat bij het uitvloeien van de Zoon in het bijzonder om zielen die in de dood en het duister verkeren, tot licht en leven te brengen. Het gaat hier dus om een geestestoestand waaraan de ziel kan worden onttrokken of ontgroeien met behulp van de toeneiging van de Zoon, die klaarheid bezit.

Tenslotte wordt het begrip 'verlicht' enkele malen gebruikt als adjectief bij 'rede': met de verlichte rede kan de mens iets van God kennen en met dit vermogen is de drie-eenheid te beminnen.


Claerheit (n) (I, 5; I, 8; I, 11, I, 14; XII, 126; XXII, 56; XXII, 275; XXII, 313; XXVIII, 1; XXVIII, 11; XXVIII, 36)

Van Mierlo onderscheidt bij dit begrip drie betekenisnuances: klaarheid, helderheid en heerlijkheid, als eigenschappen van God in verband met de Zoon, die Waarheid is, maar vooral met de Heilige Geest, die Licht en heiligheid is (1,5; 1, 11; 1, 14; 22, 56; 22, 275; 22, 313; 28, 1; 28, 11; 28, 36); in de mens (passief), heerlijkheid en schoonheid, in gelijkvormigheid met de Zoon (1, 8); der Minne, heerlijkheid, zuiverheid (12, 126). De eerste betekenis heeft verreweg de meeste vindplaatsen, verdeeld over drie teksten, achtereenvolgens Br. I, XXII en XXVIII.

In de eerste brief wordt de term zowel gebruikt om God, als ook de Minne, en de ziel te beschrijven. Het is een dynamisch begrip: God kan de minne 'verclaren' en ook klaarheid brengen in het wezen van de mens. De mens kan klaarheid in zichzelf brengen door deugden en gerechte werken.

In brief XXII wordt dit begrip in alle gevallen toegepast op de drie-eenheid, waarbij het soms specifiek om de Heilige Geest, soms om de Zoon gaat. Aan het einde van de brief komt het een maal voor als predikaat bij de ziel: de wijze ziel zal alles van zich afwerpen wat de klaarheid van haar geest kan verdonkeren.

In de achtentwintigste brief komt 'claerheit' ook voor als eigenschap van de Heilige Geest of van (ongespecificeerd) God (XXVII, 1-9 en 10-29). God kan de ziel klaarheid schenken en dit maakt het de ziel mogelijk de godheid te aanschouwen (XXVIII, 10-29 en 30-47).

In brief XII is 'claerheit' een eigenschap van de minne, die weggenomen kan worden als de minne wordt gehinderd door ongerechtigheden zoals slechte eigenschappen ('affectien').


Licht (n) (XXII, 275; XXII, 304; XXII, 306; XIX, 67; XXX, 152; XXX, 155)

In brief XXII kwam het vreemde verschijnsel voor dat licht eerst betrekking had op de Heilige Geest, maar vervolgens bij de toelichting werd gebruikt bij de Zoon (zie hierboven). Het begrip 'licht' komt in de beschrijving van de Heilige Geest naast 'claerheit' voor: 'licht' nevengeschikt aan 'geest', 'claerheit' als bijwoord bij 'geest'. Dit is de enige maal dat het begrip 'licht' als predikaat bij een van de drie Personen van de drie-eenheid voorkomt.

Bij de tweede vindplaats in brief XXII wordt het begrip 'licht' gebruikt om een toestand van de ziel te beschrijven: zielen die in de toestand van de dood en het duister van de mystieke hel verkeren, kunnen hier aan worden onttrokken en in het licht en leven worden gebracht door toeneiging van Jezus.

Ook in de negentiende brief wordt de term gebruikt om bepaalde toestanden van de ziel, met betrekking tot 'twee halue zielen' en tot God (Br. XIX, 62-72) te beschrijven. Het begrip 'licht' wordt maar liefst vijf keer in deze ene passage gebruikt. Helaas is het een moeilijk interpreteerbare passage.[3] 

Ten slotte komt het begrip in de dertigste brief voor als predikaat bij minne.


Claer (adj) (I, 1; I, 5; I, 48; XXII, 106)

Dit komt in verschillende contexten voor: als adjectief bij minne (Br. I, 1), bij Gods klaarheid (Br. I, 5), bij Gods waarheid die in de mens schijnt (Br. I, 48) en bij de overvloedige vloed van de Heilige Geest (Br. XXII, 106).

Tweemaal komt de variant 'claerlike' voor. Eén keer om de manier te beschrijven waarop de ogen van het hart moeten worden geopend om in God te kunnen kijken. De tweede vindplaats is in brief XVII, waar Hadewijch een visioen beschrijft. Opgenomen in de Vader begrijpt en kent zij het wezen 'claerlikere' dan iets wat zij op aarde kent.


Verclaren (v) (I, 2; I, 4; I, 47; I, 51; VI, 294; VI, 355; XVII, 108; XXII, 312; XXII, 315; XXVIII, 35)

De vindplaatsen van de verschillende werkwoorden voegen geen nieuwe gegevens toe aan de manier waarop Hadewijch lichtthematiek in haar brieven gebruikt. Daarom wordt hier niet iedere vindplaats geanalyseerd, maar volgt een beknopt overzicht van het gebruik en de betekenis van de verschillende werkwoorden.

Het begrip 'verclaren' geeft steeds een relatie weer, van een subject dat een bepaald object 'verclaert'. Hier lijkt een hiërarchie in te zitten:[4]  God kan Zichzelf verklaren, Hij kan Zijn Zoon, de minne en de ziel verklaren. Op deze manier kan 'verclaren' nevengeschikt voorkomen met 'verlichten'.

De minne kan zichzelf en de ziel verklaren en de ziel kan zichzelf verklaren door deugden en gerechte werken.


Verlichten (v) (I, 3; I, 4; I, 39; II, 82; VI, 313; XI, 17; XI, 41; XII, 111; XVIII, 95; XXII, 17; XXII, 138; XXIX, 38; XXIX, 40; XXX, 116; XXX, 165)

Bij 'verlichten' is net als bij 'verclaren' een vaste verhouding waar te nemen tussen enerzijds het subject dat verlicht en anderzijds het object dat verlicht wordt. God kan de deugd, de ziel en de rede verlichten. De minne kan de ziel en de rede verlichten. Opvallend is het veelvuldige voor-komen van de bepaling 'verlicht' bij 'rede'. Dit was bij het begrip 'verclaren' niet het geval, maar voor het overige komt het gebruik van beide begrippen overeen.


De overige werkwoorden: claren (VIII, 21), dorelichten (XII, 115), lichten (IV, 10; XIV, 61) en schinen (I, 49; XXVIII, 199; XXIX, 40)

Ook deze lichttermen worden gebruikt om verhoudingen van God, minne, rede en ziel aan te geven. Enkele opmerkelijke passages zijn de volgende. In brief XXVIII wordt de verhouding God-mens globaal omschreven: de 'crachticheiden' van God schijnen in het hart van de mens die intiem met Hem is.

In de vierde brief wordt er in een passage over het dwalen van de rede een heel specifiek verband gelegd tussen de rede, wil en memorie:

'Alse dan redene verdonckert wort, soe wert die wille cranc Ende onmechtich, ende soe vernoyt hem aerbeits: Want hem redene niet en liechtet. Hier bi verliest die memorie hare hoghe ghedachte Ende hare yoieleke hoghe toeuerlaet ende hare menich nauwe keren dat hare toeuerlaet leert bi te verhoghene ellendich beiden na hare lief. Hier met wert verladen die edele ziele' (Br. IV, 1-17).

Wordt de rede verduisterd, dan wordt de wil zwak, omdat de rede hem niet meer verlicht. Hierdoor wordt ook de memorie beïnvloed en de ziel in haar geheel raakt teneergedrukt. Als de ziel echter standvastig is, dan zal God de rede licht [5]  geven.



Slotsom lichtterminologie

In de brieven van Hadewijch komen twee verschillende nomina om licht aan te duiden voor.

Het begrip 'claerheit' wordt gebruikt om God, de Heilige Geest, de Zoon, de minne en de mens mee te beschrijven. Het is een dynamisch begrip: het kan tot ontwikkeling worden gebracht in de mens die het nog niet bezit en het kan gegeven of geschonken worden door de ene entiteit aan de andere. Hierin zit een hiërachische ordening, waarbij de begrippen soms dicht bij elkaar liggen of elkaar overlappen (bijvoorbeeld: God is minne, de rede is een vermogen van de ziel, enz.).

Met 'claerheit' kunnen kenmerken van en verhoudingen tussen geestelijke entiteiten (variërend van God tot de minne of een geestelijk vermogen) worden beschreven. Het is geen statisch gegeven of kenmerk, maar het kan ontwikkeld (of in negatieve situaties verminderd) of doorgegeven worden.


Het tweede gebruikte nomen in de brieven dat direct licht aanduidt, is het begrip 'licht'. Een enkele maal wordt dit gebruikt als predikaat bij een bepaald object, namelijk een keer bij de Heilige Geest en een keer bij de minne. De voorkeur voor het gebruik van dit begrip ligt bij het beschrijven van een toestand van de ziel.

In de negentiende brief gaat het om een moeilijk te achterhalen toestand van eenwording van twee halve zielen. In brief XXII gaat het om zielen die in een toestand van dood en duister van de mystieke hel verkeren en naar het licht en leven kunnen worden gebracht door Christus' dood.


Het adjectief 'claer' kan in allerlei verschillende contexten voorkomen. Een opmerkelijke passage is de beschrijving van de drie-eenheid in brief XXII: deze wordt beschreven in termen van licht ('clare') en donker ('deemster'), waarbij de donkerterm de kracht van de Vader omschrijft en de lichtterm de uitvloeiing van de Heilige Geest.


De verschillende werkwoorden die licht aanduiden, lijken niet fundamenteel te verschillen in de manier waarop ze functioneren. Ze worden gebruikt om verhoudingen tussen God, de minne, de rede en de ziel aan te geven (zie hierboven bij 'claerheit'). In één geval worden ook de wil en de memorie in dit verband betrokken. Opvallend is het veelvuldig voorkomen van de vaste verbinding van 'verlicht' met 'rede'.



2.2.2.b Donkerterminologie


Donckerheit (n) (XX, 49)

In brief XX bespreekt Hadewijch twaalf uren die de natuur waar de gerechte minne uit voortkomt bezit en die de ziel in de natuur van de minne trekken. Het vijfde van deze uren houdt in dat de minne de ziel en het hart verlokt en doet opvaren uit zichzelf en uit de werking van de minne, tot in de natuur van de minne. Het gaat hier dus om een in contact komen met de kern in plaats van met de uitwerkselen.

Wat er dan met de ziel gebeurt, beschrijft Hadewijch als drie negatieve reacties:

'dan verliest se dat wonderen vander cracht Ende de donkerheit vanden ordele, ende verghet der pinen vander Minnen. Ende dan en kintse de Minne niet in ghene nature dan slechts in Minnen' (Br. XX, 44-55).

Mommaers vertaalt hier met: 'het donkere van de oordelen Gods'. Hoewel God in de oorspronkelijke tekst niet explicitiet wordt genoemd, is deze vertaling wel verdedigbaar, aangezien het motief van het oordeel enkele regels later terugkomt. Bij het tiende uur beschijft Hadewijch namelijk dat de minne dan God de kracht ontneemt om te oordelen. De beschrijving van het vijfde uur gaat door op het ontbreken van kennis:

'Dat schijnt ene nederheit ende en es niet. Daer omme maghet wel heten ene onghenoemde vre: alse men alre naest soude kinnen, datmen dan der kennissen alre slechts es' (Br. XX, 44-55).

Er wordt in deze passage een verband gesuggereerd tussen kracht, donkerheid en het oordeel. In deze toestand van tot de kern gekomen zijn, houdt de verwondering van de ziel op en raakt zij ontdaan van kennis, wat in feite de meest vertrouwelijke manier van kennen is.


Deemster (adj) (I, 67; XXII, 104; XXII, 310)

In de eerste brief fungeert deze term in een passage over de afwezigheid van God, het ontberen van de genieting:

'Ende laet mi dus dolen buten dien ghebrukene, Ende laet mi emmer sere verladen met minnen onghebruken Ende laet mi demster van ghebruken alre yoyen die mi te guede souden werden' (Br. I, 56-68).

God laat haar dolen buiten de genieting, laat haar gebukt gaan onder het niet-genieten van de minne en laat haar 'demster van ghebruken'. Mommaers vertaalt dit gedeelte van de zin met 'Hij verduistert mij het genieten'. Binnen de opsomming is het duidelijk dat het doelt op het afwezig zijn van God en het ontbreken van het gebruken.


De eerste vindplaats in de tweeëntwintigste brief is hiervoor al aan de orde geweest bij de bespreking van het adjectief 'claer'. In deze beschrijving van de godheid hangt 'deemster' samen met de kracht van de Vader en 'claer' met het uitvloeien van de Heilige Geest.

Ook de tweede passage van brief XXII waarin de term 'deemster' voorkomt, is bij de lichtterminologie al aan de orde geweest. Het gaat om de beschrijving van de zielen die in een toestand van 'deemster doet' verkeren.


Hadewijch maakt in de brieven geen consequent gebruik van het begrip 'deemster'. Twee maal gebruikt zij dit om er een toestand van de ziel mee aan te geven, die het genieten of het goddelijke licht ontbeert. In één geval kan zij er de donkere kracht van de godheid mee beschrijven.


Doncker (adj) (XVII, 7; XVII, 30; XX, 38; XXII, 366)

In brief XX, de brief over de twaalf uren van de minne, komt het adjectief 'doncker' nevengeschikt aan 'diep' voor. De minne geeft de ziel haar geheime oordelen te smaken, die dieper en donkerder zijn dan afgronden. De ziel beseft dan hoe ellendig ze is zonder de minne.

In brief XXII komt het adjectief in eenzelfde context voor. Aan het slot van deze brief wordt beschreven dat de kracht van de Vader tot genietende eenheid maant. Hij omgrijpt de Zoon, de Heilige Geest en alle geesten die Hij met de geest doordrongen heeft. Zijn oordelen zijn 'diep ende doncker alse die afgronde' (Br. XXII, 345-375) en deze afgronden betekenen de gerechtigheid van de Vader en de jubel van Zijn Geest.

In de openingspassage van de zevenendertigste brief komt 'doncker' wederom voor in samenhang met de termen 'diep' en 'afgrond'. Hadewijch wenst de aangeschrevene toe dat God deze bekend mag maken met alle verborgen wegen en vervolgens ook met Zijn eigen natuur

'die soe diep es, ende soe ongrondeleec, Dat hi van wondere ende van onbekintheiden diepere ende donckerre es dan de afgront' (Br. XXVII, 1-11).

Later in de brief wordt 'doncker' gebruikt als bijwoord bij 'ellende'.

Het adjectief 'doncker' wordt in de brieven heel consequent gebruikt, in een vrij vaste context. Het beschrijft de afgrond waar de oordelen of de natuur van God of de minne mee vergeleken wordt. Het begrip hangt samen met de term 'diep', waarmee het nevengeschikt voorkomt.


Onverlicht (adj) (VI, 249)

Als de mens niet leeft zoals Christus leeft, dan blijven we

'onverlicht in onsen senne ende in al onse wesene onghestadich Ende in onser redenen ende in onsen verstane onghewarich' (Br. VI, 294-273).

Dit doet denken aan het functioneren van lichttermen, waarbij in ongunstige omstandigheden de ziel van licht verstoken blijft.


Deemsteren (v) (I, 40)

Alle dingen zijn te verlichten en te verduisteren volgens hun wezen, volgens de klaarheid van God (zie de bespreking van deze passage bij de term 'verlichten').


Verdonkeren (v) (IV, 7; XXII, 398)

De passage in brief IV, over de verdonkerde rede, is al besproken bij de term 'lichten'. De passage in brief XXII kwam al aan de orde bij de term 'claerheit': de ziel moet alles van zich afwerpen wat de klaarheid van haar geest kan verdonkeren. Dit illustreert weer het niet statisch zijn van het begrip: de ziel kan verdonkerd en weer verlicht worden en heeft dit proces zelf in de hand.



Slotsom donkerterminologie

Het enige in de brieven gebruikte nomen dat tot de donkerterminologie kan worden gerekend, is niet op een uitgesproken manier toegepast. Een werking van God wordt beschreven als 'donckerheit', namelijk Zijn oordelen.


De drie adjectieven komen in verschillende contexten voor. Het begrip 'deemster' wordt in de brieven niet consequent toegepast. Enerzijds kan het een toestand van de ziel aangeven, die het goddelijke licht of het genieten ontbeert, anderzijds kan de kracht van de godheid er mee worden getypeerd.

Het begrip 'doncker' wordt wel heel consequent gebruikt. Het hangt nauw samen met het begrip 'diep' en samen hiermee beschrijft het de afgrond waar de natuur van God of de oordelen van God of de minne mee worden vergeleken.

Met het begrip 'onverlicht' kan de toestand van de ziel worden aangeduid. Dit gebruik doet denken aan het tegendeel, namelijk 'verlicht', dat in een vaste verbinding als bijwoord bij rede voorkomt.


De werkwoorden 'deemsteren' en 'verdonkeren' kunnen beide een toestand van de ziel (een vermogen of het wezen ervan) weergeven. Beide werkwoorden illustreren duidelijk het dynamische aspect van het op de ziel betrokken licht.



2.3 SLOTSOM

Met het hiervoor uitgewerkte onderzoek naar licht- en donkerterminologie in de visioenen en brieven van Hadewijch, kunnen enkele vragen worden beantwoord.

Wat is de betekenis van de lichtthematiek die in het werk van Hadewijch voorkomt? Hoe functioneert deze thematiek? Hoe gebruikt zij de verschillende termen en de thematiek als geheel en wat kan zij er mee beschrijven? Verschillen in dit opzicht de brieven van de visioenen?


Hadewijch maakt in haar visioenen en brieven heel consistent gebruik van de lichtthematiek. In de visioenen is zij meer gedetailleerd dan in de brieven, maar het is aannemelijk dat dat is te verklaren vanuit kenmerken van de tekst van de visioenen in het algemeen: deze is meer beeldend en aanschouwelijk dan de brieven.

Het licht neemt in de teksten de volgende plaats in. Ten eerste gaat het om 'niet natuurlijk', 'geestelijk' licht. Hadewijch gebruikt het niet om licht te beschrijven zoals dat algemeen ervaren wordt (bijvoorbeeld van de sterren die aan de avondhemel schijnen); wel vergelíjkt zij het een enkele keer met het schijnen van de zon. Licht is bij Hadewijch een kenmerk van geestelijke entiteiten: God, de Zoon, de Heilige Geest, de ziel, de minne en de rede.

Doordat deze allen dit zelfde kenmerk bezitten, kan zij hiermee hun onderlinge verhoudingen en beïnvloeding uitdrukken. Licht is in dit verband een dynamisch begrip: het kan worden geschonken, door eigen kracht toenemen of in ongunstige omstandigheden afnemen. In het elkaar schenken van licht zit een vaste hiërarchie, zie hiervoor Reynaert (par. 1.3).


Het hiervoor uitgewerkte onderzoek heeft verschillende manieren waarop het licht functioneert naar voren gebracht: de beschrijving van de godheid (waarbij het licht samenhangt met Godskennis en zelfkennis), licht als kenmerk en dynamische eigenschap van geestelijke entiteiten of als ontwikkelingstoestand van de ziel. Deze toepassingen lijken niet aan een vast begrip te zijn te koppelen.

Wel heeft Hadewijch voorkeur voor het gebruik van bepaalde begrippen in bepaalde beschrijvingen. Bij het beschrijven van de godheid komt het begrip 'claerheit' relatief veel voor, bij het aangeven van een ontwikkelingstoestand van de ziel juist het begrip 'licht'.

Precies eenzelfde onderscheid is te maken met de begrippen 'donker' en 'deemster'. Het eerste wordt op de godheid betrokken en hangt samen met 'claerheit', het tweede staat in bijna alle gevallen in tegenstelling met 'licht' bij het beschrijven van de ontwikkelingstoestand van de ziel.


Hier blijkt al dat men bij het begrijpen van de lichtthematiek niet om de donkerthematiek heen kan. Licht hangt bij Hadewijch enerzijds samen met donker, anderzijds staat het er mee in tegenstelling. Vooral vanuit dat eerste geval, de samenhang, is tot een beter begrip van Hadewijchs lichtvisie te komen.

Uit enkele beschrijvingen van de godheid in de visioenen valt op te maken dat het licht van de godheid als het ware uit het donker voortkomt. Het donker hangt daarbij samen met kracht, het licht met beweging. In de brieven (Br. XXII) is iets soortgelijks terug te vinden: in de drie-eenheid hangt het donker samen met kracht, het licht met uitvloeien.

Hadewijchs visie op het licht en het ontstaan van licht uit het donker is onlosmakelijk verbonden met haar opvattingen over God als drie-heid en een-heid, als persoonlijk en onpersoonlijk; ze geeft hier echter zelf geen uiteenzetting over, haar opvattingen zijn alleen uit haar beschrijvingen te destilleren.


Tot slot heeft het licht een tweeledige functie voor de ziel. Enerzijds geeft het de ziel een ruimer waarnemingsvermogen, anderzijds geeft het inzicht en kennis. Het gaat in het bijzonder om Godskennis, zelfkennis, kennis van de minne en inzicht in de eigen verhouding tot of eenheid met God.



© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit dit artikel over te nemen
met gebruikmaking van de verwijzing onderaan deze pagina.



Noten

[1]  Zie ook de inleiding van Mommaers op deze brief: 'De manier waarop Hadewijch hier het thema van de goddelijke klaarheid behandelt, munt niet uit door helderheid' (blz. 10).
[2]  Vekeman (1978).
[3]  Zie Van Mierlo (1947), dl 1, blz. 162 en Reynaert (1981a), blz 81-88.
[4]  Zie ook het schema van Reynaert, zie hiervoor paragraaf 1.3.1.a.
[5]  Merk op: deze vindplaats van 'licht' komt niet in de 'Woordenlijst' van Van Mierlo voor en is hiervoor dan ook nog niet aan de orde geweest.




[einde van Hoofdstuk 2]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘‘Dat donkere verlichte alle dinc’. Lichtthematiek en de daarmee samenhangende donker- en warmtethematiek in de teksten van de middeleeuwse mystici Hadewijch en Jan van Ruusbroec’ (doctoraalscriptie, 1996). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Scriptie Hadewijch en Ruusbroec
  Woord vooraf
  Inhoudsopgave
  Inleiding
  H1 - De lichte middeleeuwen
  H2 - Lichtthematiek bij Hadewijch   ↑
  H3 - Lichtthematiek bij Ruusbroec
  Synthese
  Literatuur
  Bijlagen: Overzicht terminologie