RozemarijnOnline




Hadewijch en Ruusbroec

“Dat donkere verlichte alle dinc”

doctoraalscriptie
1996































Doctoraalscriptie Vakgroep Nederlandse taal- en letterkunde

Faculteit der Letteren, Universiteit Utrecht

Onder begeleiding van prof.dr. W.P. Gerritsen, 1996




Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De Génestet
- De brulocht
- Het tabernakel

klik hiervoor op: Historische letterkunde






‘Dat donkere verlichte alle dinc’

Lichtthematiek en de daarmee samenhangende donker- en warmtethematiek in de teksten van de middeleeuwse mystici Hadewijch en Jan van Ruusbroec.

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1996)



 



Hoofdstuk 3

Lichtthematiek in de Brulocht van Ruusbroec



Anders dan bij de teksten van Hadewijch het geval was (zie par. 2.1.2 en 2.2.2), zal bij het bestuderen van de lichtthematiek in de Brulocht niet per term een analyse worden gegeven. De Brulocht leent zich niet voor zo'n aanpak, gezien de grote hoeveelheid vindplaatsen van licht- en aanverwante termen.

Aangezien de Brulocht niet alleen als geheel stevig gestructureerd is, maar ook binnen de drie afzonderlijke levens een duidelijke inhoudelijke opbouw vertoont, kan de tekst als het ware 'langs worden gelopen'. Op deze manier is ook vat te krijgen op de manier waarop Ruusbroec zijn gebruik van lichtthematiek uitbouwt.

De driedeling die Ruusbroec in de Brulocht heeft aangebracht, zal bij de analyse worden aangehouden: in paragraaf 3.2 komt het Werkende leven aan de orde, in paragraaf 3.3 het Innige leven en in paragraaf 3.4 het Godschouwende leven. Binnen deze paragrafen is ook weer Ruusbroecs onderverdeling van deze drie levens volgens het leidmotief 'Ziet / de Bruidegom komt / gaat uit / om Hem te ontmoeten' aangehouden.

Eerst volgt nu, om een overzicht te krijgen van de licht- en aanverwante termen die Ruusbroec gebruikt, een inventarisatie van de terminologie. Zie voor een volledige opsomming van alle termen in de volgorde waarin ze voorkomen, de bijlagen 3, 4 en 5.



3.1 Inventarisatie


De inventarisatie van licht-, donker- en warmteterminologie in deze paragraaf is gebaseerd op de woordenlijst in de Opera omnia-uitgave van de Brulocht: 'Vocabulary', blz. 637-684.

De termen zijn in vijf groepen ondergebracht: licht-, warmte-, vuur-, donker- en kouterminologie. Bij sommige termen was de keus tussen licht- of vuurterminologie en warmte- of vuurterminologie moeilijk te maken. Het contextonderzoek kan wellicht uitwijzen dat bepaalde termen beter in een andere categorie kunnen worden ondergebracht.

Bij de verdeling van de verschillende termen over de drie levens (het Werkende -a-, het Innige -b- en het Godschouwende leven -c-) moet niet uit het oog worden verloren dat de drie delen zeer ongelijk van lengte zijn. Het gaat achtereenvolgens om 1022, 2584 en 259 regels.



3.1.a Schematisch overzicht lichtterminologie


Ruusbroec put uit een zeer gevarieerde woordenschat als hij in de Brulocht rechtstreeks licht wil aanduiden. In de hier volgende inventarisatie zijn maar liefst negentien woorden opgenomen. Hieronder zijn zeven zelfstandige naamwoorden, acht werkwoorden, drie adjectieven en een bijwoord. Slechts vijf van deze negentien termen komen in het Godschouwende leven voor: 'claerheit', 'licht', 'verclaren', 'schinen' en 'dorescinen'.

De lijst zou kunnen worden uitgebreid met woorden die niet direct licht benoemen, maar die wel een er aan grenzende betekenis hebben, zoals: 'dach', 'dageraet', 'lampte' en 'lanterne'. Ook woorden die nu in de vuurterminologie-lijst zijn opgenomen grenzen soms dicht aan de lichtterminologie, omdat ze misschien niet licht benoemen, maar wel (de aanwezigheid van) licht suggereren: 'brant', 'vlamme', 'vonke' en 'vuur'.

Hier volgt het schematische overzicht van de inventarisatie van lichtterminologie in de Brulocht. De vindplaatsen zijn onderverdeeld in A (Werkende leven), B (Innige leven) en C (Godschouwende leven).


Termen   Aantal   In A   In B   In C
bescinen (v)   1   1   0   0
dorescinen (v)   9   0   8   1
inlichten (v)   3   0   3   0
inscijn (n)   1   0   1   0
inscinen (v)   6   0   6   0
claer (adj)   13   1   12   0
claerheit (n)   68   0   51   17
clare (adv)   4   1   3   0
licht (n)   99   23   54   22
lichten (v)   7   2   5   0
raey (n)   8   1   7   0
schijn (n)   16   2   14   0
schinen (v)   22   2   15   5
sonne (n)   39   5   34   0
sonnescijn (n)   1   0   1   0
verclaert (part. adj)   14   0   14   0
verclaren (v)   38   7   26   5
verlicht (part. adj)   20   0   20   0
verlichten (v)   14   4   10   0
               
    383            



3.1.b Schematisch overzicht warmteterminologie


Het woordveld dat op warmte betrokken is, is wat bescheidener dan dat van licht. Van de zes verschillende woorden (een zelfstandig naamwoord, twee werkwoorden, twee adjectieven en een adverb) hangen er vier samen met 'heet' of 'hitte'.

De twee andere termen, 'gloeiende' en 'ontvonken', hangen beide al weer nauw samen met vuurterminologie. Opvallend is het vrijwel ontbreken van warmtetermen in het derde leven.

Hier volgt de inventarisatie van warmte-terminologie. De vindplaatsen zijn onderverdeeld in A (Werkende leven), B (Innige leven) en C (Godschouwende leven).


Termen   Aantal   In A   In B   In C
gloeiende (part. adj)   2   0   1   1
heet (adj)   10   1   9   0
heete (adv)   1   0   1   0
hitte (n)   24   0   24   0
ontvonken (v)   20   0   20   0
verhitten (v)   5   2   3   0
               
    62            



3.1.c Schematisch overzicht vuurterminologie


De vuurterminologie hangt heel nauw samen met de hiervoor genoemde licht- en warmte-terminologie. De aanwezigheid van vuur houdt automatisch de aanwezigheid van zowel licht als warmte in. Sommige termen, zoals hiervoor al is gebleken, zijn moeilijk eenduidig in een van de rijtjes onder te brengen.

Net als bij de warmtetermen valt hier op dat in het derde leven nauwelijks gebruik wordt gemaakt van de termen die naar vuur verwijzen. Van de negen woorden (vier zelfstandige naamwoorden, drie werkwoorden en twee adjectieven) komt slechts een keer het nomen 'vuur' in het Godschouwende leven voor.

Hier volgt het schematische overzicht van de inventarisatie. De vindplaatsen zijn onderverdeeld in A (Werkende leven), B (Innige leven) en C (Godschouwende leven).


Termen   Aantal   In A   In B   In C
bernen (v)   6   1   5   0
berren (v)   9   0   9   0
brant (n)   2   1   1   0
invurich (adj)   2   0   2   0
verbernen (v)   3   0   3   0
vlamme (n)   3   0   3   0
vonke (n)   1   1   0   0
vurich (adj)   1   0   1   0
vuur (n)   15   0   14   1
               
    42            



3.1.d Schematisch overzicht donkerterminologie


Net als Hadewijch gebruikt Ruusbroec verschillende woorden om donker mee aan te duiden: 'donkerheit', 'deemsterheit' en 'duusternesse'. Kan hij hiermee betekenisverschillen aangeven en zoja, doet hij dit op dezelfde manier als Hadewijch?

Naast deze drie zelfstandige naamwoorden zijn er vier adjectieven in het schematische overzicht opgenomen. Heel opvallend is het relatief veelvuldig voorkomen van donkerterminologie in het Godschouwende leven.

Hier volgt de inventarisatie. De vindplaatsen zijn onderverdeeld in A (Werkende leven), B (Innige leven) en C (Godschouwende leven).


Termen   Aantal   In A   In B   In C
deemsterheit (n)   2   0   0   2
donker (adj)   2   0   1   1
donkerheit (n)   3   0   3   0
duuster (adj)   2   0   1   1
duusternesse (n)   10   0   7   3
onverclaert (part. adj)   1   0   1   0
onverlicht (part. adj)   2   0   2   0
               
    2            



3.1.e Schematisch overzicht kouterminologie


Als tegendeel van warmte kan de kouterminologie worden bekeken. Wellicht worden bepaalde termen als duidelijke tegenstelling gebruikt of worden termen tegen elkaar afgezet. Ruusbroec maakt in de Brulocht maar summier gebruik van termen die naar kou verwijzen. Van de vier gebruikte termen (een zelfstandig naamwoord, twee werkwoorden en een adjectief) zijn er twee afgeleid van 'kou' en twee van 'koel'.

Hier volgt het schematische overzicht. De vindplaatsen zijn onderverdeeld in A (Werkende leven), B (Innige leven) en C (Godschouwende leven).


Termen   Aantal   In A   In B   In C
coelen (v)   1   0   1   0
coude (n)   7   3   4   0
cout (adj)   2   1   1   0
vercoelen (v)   3   0   3   0
vercoutheit (n)   1   0   1   0
               
    14            



3.2 Het Werkende leven


In het eerste boek van de Brulocht, het Werkende leven, zijn de lichttermen zeer gelijkmatig over de tekst verspreid (zie hiervoor bijlage 3). Een opeenhoping van licht- en aanverwante termen is te constateren bij r. 342-372. Het gaat om de passage waarin het schijnen van de zon in een vallei als vergelijking wordt gebruikt.

Hier volgt de analyse van vindplaatsen van lichtterminologie. Aanverwante termen, uit de warmte-, vuur-, donker- en kouterminologie, worden hierbij betrokken voor zover ze relevant zijn voor het beter begrijpen van de manier waarop Ruusbroec lichtthematiek gebruikt.



3.2.a Analyse


Ziet

In het eerste onderdeel van het Werkende leven, begint Ruusbroec met het maken van onderscheid tussen lichamelijk en geestelijk zien, waaraan hij twee soorten licht koppelt:

'sal die mensche lijflijcke sien van buyten, soe moet hi hebben uutwendich licht des hemels ochte ander materilijc licht, dat dat middel, dat es de locht, verclaert werde daermen doer sien sal' (r. a61-63).

Deze manier van zien, lichamelijk zien door middel van uitwendig, stoffelijk licht, laat Ruusbroec verder buiten beschouwing. Hij gaat over op 'eenen gheestelijcken, overnatuerlijcken siene' (r. a69-70), waarvoor 'licht der gracien gods' (r. a72) nodig is. Zoals er stoffelijk licht voor de mens nodig is om met zijn lichamelijke ogen te kunnen zien, is er blijkbaar licht van Gods genade nodig om geestelijk te kunnen zien.

God geeft zijn gratie op twee manieren. Enerzijds als voorlopende genade; deze bezit ieder mens van nature:

'Hier omme es god een ghemeyne schijn ende een ghemeyne licht dat verlichtet hemelrijcke ende eertrijcke, ende yeghewelcken na sine noot nede na sine weerde' (r. a86-88).

Opmerkelijk in dit citaat is, dat Ruusbroec niet schrijft dat God algemeen en aan allen licht gééft, maar dat Hij licht ìs en ieder mens verlicht.

Verwerkelijkt de mens de voorkomende genade in zijn leven, door uit vrijheid zijn wil tot God te keren en zijn geweten te zuiveren, dan is hij gereed om de tweede soort genade te ontvangen, namelijk de verdienende genade, waarmee men het eeuwige leven kan verkrijgen. Bij deze overgang van voorlopende naar verdienende genade, gaat Ruusbroec moeiteloos van 'licht' op 'gracie' over, alsof het equivalenten zijn:

'Soe comt een hogher licht der gracien gods rechte als een blic der zonnen, ende werdet ghestort inde ziele, onverdient ende ombegheert na weerdicheyt. Want in desen lichte ghevet hem god van vrijer gueden ende meldicheiden, dien gheene creature verdienden en mach eer sine hevet. Ende dit es een heymelijc inwercken gods inder zielen boven tijt, ende beweecht die ziele met al haren crachten. Hier indet die vorecomende gracie ende hier begint die ander, dat es dit overnatuerlijc licht' (r. a138-145).

Hier nuanceert Ruusbroec de betekenis die hij aan licht toekent opnieuw. Het concept van het licht van Gods genade dat de ziel ontvangt, verdiept hij door te stellen dat God Zelf licht ìs en in het laatste citaat wordt dit nog weer verder uitgebreid: in het 'hogher' of 'overnatuerlijc' licht van Gods genade geeft God Zichzelf. Door dit inwerken van God worden de ziel en al haar vermogens bewogen.

De mens kan de verdienende genade in zijn leven verwerkelijken door een vrije toekeer van zijn wil tot God, waaruit onmiddellijk en onlosmakelijk caritas in de vereniging van God en de ziel voortkomt, die als minneband werkt. Uit de liefde ontstaan een 'hete wil' (r. a170) en zuivering van het geweten, door waarachtig berouw en volkomen leedwezen.

Zo kan de mens dus geestelijk ziende worden: door de voorkomende genade in zijn leven te verwerkelijken, waartoe de naar God gekeerde wil en zuivering van het geweten behoren en door de verdienende genade te verwerkelijken, waar naast de tot God gekeerde wil en zuivering van het geweten ook onlosmakelijk de

minneband toe behoort. Zowel de voorkomende als de verdienende genade wordt omschreven als licht: achtereenvolgens 'licht van Gods genade' en 'hoger' of 'bovennatuurlijk' licht van God.



De Bruidegom komt

In het onderdeel 'De Bruidegom komt' in het Werkende leven, beschrijft Ruusbroec drie verschillende komsten van Christus:

'Inde eerste toecomst es hi mensce worden om des menschen wille, van minnen. Die andere toecomst die es daghelijcs dicke ende menichwerven in elcke minnende herte, met nuwer gracien, met nuwen gaven, na dats de mensche ontfanclijc es. Inden derden merctmen die toecomst ten oordeele ofte in die ure der doot' (r. a184-188).

De lichtthematiek is geconcentreerd in de beschrijving van de tweede, dagelijkse komst van Christus in de ziel. Deze kenmerkt zich door vermeerdering van genade, gaven en deugden.

Ruusbroec gebruikt het beeld van de zon in een dal om deze komst te verduidelijken. Een vallei tussen twee bergen wordt meer verlicht, meer verhit en vruchtbaarder in vergelijking met een effen vlakte. De vallei stelt het dal van de ootmoedigheid voor van een mens die zijn kleinheid en Gods grootheid beseft.

Christus is de zon der gerechtigheid en barmhartigheid, de twee bergen zijn twee begeertes die God rechtstreeks raken, namelijk: om God te dienen en te loven en om deugden te verwerven.

De ootmoedige ziel is dan geschikt en ontvankelijk voor meer gaven en deugden en hij ontvangt dan drie dingen:

'het wert meer verclaert ende verlicht met gracien, ende meer verhit in karitaten, ende vrochtbaerre in volcomenen doechden ende in goede werken' (r. a369-371).

In deze slotzin van deze passage worden de drie begrippen 'verlicht', 'verhit' en 'vruchtbaar' in één adem genoemd en afzonderlijk gekoppeld aan verschillende gaven die de ziel ontvangt. Verlichting hangt samen met genade, verhitting met (naasten)liefde en vruchtbaarheid met deugden en goede werken.

Waar deze verlichting en verhitting zich precies in de ziel afspeelt, wordt niet gespecificeerd. Ruusbroec legt de verschillende niveaus van de ziel pas uit aan het begin van het tweede boek, het Innige leven, waar de ziel in het mystieke stadium aankomt. In dit pré-mystieke stadium, wat het Werkende leven is, wordt dit onderscheid nog niet gemaakt en zal het derhalve nog niet relevant zijn.

Wel is een juiste geesteshouding van belang: ootmoedigheid wordt als voorwaarde gesteld.


Samenhang tussen licht en genade is hiervoor al enkele keren geconstateerd. In deze passage wordt licht in verband gebracht met verhitting en vruchtbaarheid. De vraag is hoe deze drie met elkaar in verband staan en of het predikaat dat de verschillende gaven (achtereenvolgens gratie, karitate en deugden) krijgen willekeurig is.

Is er een dwingende reden waarom genade verlicht en karitate verhit en niet andersom? Wellicht dat hierover bij de analyse van volgende passages meer duidelijkheid kan worden verkregen.


In de eerste van de drie komsten van Christus, namelijk de menswording, is de lichtthematiek volledig afwezig. Er wordt wel kouterminologie gebruikt om Zijn lijden te beschrijven; dit staat dus geheel los van lichtthematiek of van warmtethematiek. Ook voor het uitwerken van de derde komst, namelijk het laatste oordeel, gebruikt Ruusbroec geen lichttermen om die te verduidelijken.

Hieruit is de gevolgtrekking te maken dat Ruusbroec niet willekeurig her en der lichtterminologie gebruikt, maar dat hij deze weloverwogen toepast in passages waar het functioneel is. In de passage waarin hij de tweede komst uiteenzet is de lichtthematiek functioneel voor de beschrijving (namelijk om de verhouding van God tot de ziel weer te geven); in de beschrijving van de twee andere komsten is dit niet het geval en ontbreekt dan ook iedere lichtterm.



Gaat uit

Het derde onderdeel van het Werkende leven is 'Gaat uit'. Het beschrijft het uitgaan van de ziel door middel van een tiental uit elkaar voortvloeiende deugden, die uiteindelijk ootmoed als grondslag hebben. Ruusbroec maakt zeer weinig gebruik van lichttermen bij het beschrijven van deze deugden.

Hij begint met uiteen te zetten waaruit de ootmoed, de grondslag van alle verdere deugden bestaat; namelijk uit liefde en gerechtigheid. Gerechtigheid vindt haar oorsprong in de liefde en deze vindt haar oorsprong in God Zelf. De liefde houdt de mens de grondeloze goedheid van God voor, de gerechtigheid houdt de mens Gods eeuwige waarheid voor, opdat hij er voor open staat en er door 'verclaert werde' (r. a491).

Bij de deugd van goedertierenheid komt een korte vergelijking voor waarin Ruusbroec lichttermen gebruikt. Het hart dat vol is van goedertierenheid, is als een lamp vol olie: het verlicht de zondaar, het geneest de bedroefden en 'bernet ende licht clare' (r. a610-611) de deugdzamen 'in brande der karitaten' (r. a611-612).

De derde plaats in de reeks van deugden waar Ruusbroec lichttermen gebruikt, is ruim honderd regels later bij de soberheid en matigheid. Ruusbroec behandelt hier de onvatbaarheid van God voor het verstand:

'Want al dat die creatuere begripet, dat es creatuere. Ende al ghescapen begrijp es te inge hem te begripene. Maer sal de creatuere god begripen ende verstaen ende smaken, soe moet si ghetrocken sijn boven haer selven in gode ende begripen god met gode. Die dan weten woude wat god ware, ende daer na studeren, dat es ongheorlooft: hi soude verwoeden. Siet, aldus faelliert al ghescapen licht in wetene wat god es: die watheit gods onthoghet alle creatueren. Maer dat hi es, dat tuyghet natuere ende screftuere ende alle creatueren' (r. a722-730).

Al het geschapen begrip is te eng om God te vatten. Wie probeert te begrijpen wàt God is, raakt buiten zinnen. Al het geschapen licht schiet tekort in het weten wat God is.

Dit is een nieuw predikaat bij licht. Hiervoor zijn al gebruikt: stoffelijk of materieel licht, licht van Gods genade en hoger of bovennatuurlijk licht van Gods genade. Bij het volgende onderdeel, 'Om Hem te ontmoeten', wordt er teruggekomen op het verschijnsel 'geschapen licht' en het verband met de andere te onderscheiden lichtsoorten.


De laatste vindplaats in 'Gaat uit' komt voor in de slotpassage van dit onderdeel. Hier wordt de ziel vergeleken met een koninkrijk, waarbij een samenhang tussen licht en rede wordt geschetst. De koning, te weten de vrije wil van de ziel, moet raadsheren kiezen en wel

'die wijste vanden lande. Dat selen sijn .ij. godlijcke doechde: const ende besceedenheit, verclaert met lichte der gracien gods. Dese zullen wonen naest den coninc, in een paleys dat hetet die redelijcke cracht der zielen' (r. a859-862).




Om Hem te ontmoeten

In het laatste onderdeel van het Werkende leven komt deze samenhang tussen licht en rede terug. Dit onderdeel 'Om Hem te ontmoeten' is onderverdeeld in drie wegen waarop de ziel (die ziende is geworden, acht heeft geslagen op de drievoudige komst van Christus en uit is gegaan in deugden) Christus kan ontmoeten: God bedoelen in alles, niets anders bedoelen dan God en in God rusten.

De eerste weg bestaat uit het 'meynen' van God en dit betekent 'gheestelijcke gode sien. Tot deser meyninghen behoret oec minne ende liefde' (r. a918-919). Als de mens voort gaat in het 'lichte des gheloefs' (r. a930) zal hij Christus danken en loven en zijn geloof en deugdbeoefening zal sterker worden.

Wil hij de werken van deugd sterker ontwikkelen, dan zal hij Christus tegemoet moeten gaan met zelfverloochening en bescheidenheid. Het is opmerkelijk waar deze houding toe leidt:

'Dan werdet sine redene verclaert, ende karitate ghemeerrent, ende hi werdet devoter ende ghereeder tot allen duechden' (r. a942-944).

Dit herinnert sterk aan de laatste zin van de passage over de zon in de vallei, uit het onderdeel 'De Bruidegom komt', die hierboven is besproken. In het hier aangehaalde citaat wordt specifiek de rede genoemd die wordt verlicht, bij karitate wordt de verhitting niet genoemd en de vruchtbaarheid is bij de deugden impliciet, maar de overeenkomst is opvallend.

Naast de samenhang tussen licht en genade, zoals die bij de 'zon in de vallei' passage werd opgemerkt, lijkt er ook sprake te zijn van een samenhang tussen licht en rede.


Bij de behandeling van de derde weg, het rusten in God, gebruikt Ruusbroec één maal de term 'licht', met een predikaat dat hij nog niet eerder gebruikt heeft. Als wij Christus op deze manier ontmoeten, dan zullen wij hem ontmoeten 'in die ure onser doot in lichte der glorien' (r. a960).

Nadat Ruusbroec de behandeling van de drie wegen heeft afgerond, beëindigt hij het eerste boek met een kort overzicht tot waar de mens is gekomen als hij zich het werkende leven heeft eigen gemaakt.

In deze slotpassage maakt hij veelvuldig gebruik van lichttermen, waarbij ook weer nieuwe predikaten aan de lichtthematiek worden toegevoegd. Aan het einde van het werkende leven gekomen, ontstaat het verlangen in de mens om

'Cristum sinen brudegom te siene ende te kinnen, wie hi is in hem selven: al kint hine in sinen werken, dat en dunct hem niet ghenoech' (r. a981-983).

Hiertoe moet deze mens in de 'boom des gheloofs' klimmen 'die wast van boven nederweert, want sine wortele es inder godheit' (r. a987-988). Het onderste deel van deze ondersteboven groeiende boom beduidt de mensheid van god, het bovenste gedeelte de godheid in zijn drieheid en eenheid. Christus zal deze mens dan toespreken 'in lichte des gheloofs' (r. a995):

'dat hi na sire godheit onghemeten is, ende ombegripelijc, ende ontoeganclijc, ende afgrondich, ende onthoghende allen ghescapenen lichte ende allen ghemetenen begripe. Dit es dat hoochste kinnisse gods dat de mensche hebben mach in werkende levene: dat hi dat bekinne in lichte dies gheloofs, dat god ombegripelijc ende ombekinlijc is' (r. a995-1000).

In 'desen lichte' (r. a1000) nodigt Christus de mens uit om met begeerte en minne in de afgrond van de godheid af te dalen

'dat gheen verstaen in ghescapenen lichte ghereyken en kan. Maer daer verstannisse buyten blivet, daer gheet begheerte ende minne in' (r. a1004-1006).

In de afgrond van de godheid schiet het geschapen licht tekort, maar waar het verstand buiten blijft, daar nemen de begeerte en minne het over. Blijkbaar behoort tot het verstand het licht dat te benoemen is met het predikaat 'geschapen'. Ruusbroec gaat in de er op volgende regels verder in op de te onderscheiden soorten licht:

'Daer die ziele haer aldus neyghet met minnen ende met meyninghen in gode boven al dat si versteet, hier met rustet si ende woent in gode, ende god in hare. Daer die ziele met begheerten opclemt boven menichfoldicheit der creatueren ende boven werc der zenne, ende boven licht der natueren, daer ontmoetse Cristum in lichte des gheloofs. Ende si wert verclaert, ende si bekint dat god ombekinlijc ende ombegripelijc es. Daer si hare met begheerten tot dien ombegripelijcken god neyghet, daer ontmoet si Cristum ende wert vervult van sinen gaven. Daer si mint ende rust boven alle gaven ende boven haer selven ende boven alle creatueren, daer woent si in gode ende god in hare' (r. a1006-1016).




3.2.b Gevolgtrekkingen


Wat vanaf de eerste bladzij van het Werkende leven opvalt, is dat Ruusbroec verschillende soorten licht van elkaar onderscheidt en specificeert door middel van adjectieven. Om hier greep op te krijgen, zullen deze verschillende adjectieven worden langsgelopen met de bedoeling er een structuur in aan te brengen.

Hoe onderscheiden deze soorten licht zich van elkaar, hoe verhouden ze zich ten opzichte van elkaar en wat kan Ruusbroec met elk afzonderlijk beschrijven?


Het eerste grote onderscheid dat meteen aan het begin van het Werkende leven wordt gemaakt, hangt samen met twee soorten zien waartoe de mens in staat is, namelijk lichamelijk en geestelijk zien.

Voor het eerste is uitwendig, stoffelijk licht nodig. Daarentegen is voor geestelijk, bovennatuurlijk zien licht van Gods genade nodig. Dit wordt in een volgend stadium (als de verdienende genade is bereikt) nader gespecificeerd als hoger licht van Gods genade of bovennatuurlijk licht, waarbij licht als equivalent van genade fungeert.

Dit is het meest basale onderscheid dat Ruusbroec maakt: stoffelijk licht tegenover (met een overkoepelende term) geestelijk licht.


Ruusbroec kondigt letterlijk aan dat hij verder over het stoffelijke zien niet meer zal spreken, de lezer moet er dus op bedacht zijn dat hij in de rest van het boek geestelijk licht zal bedoelen wanneer hij lichttermen gebruikt.

Wat houdt dit geestelijke licht precies in? Ruusbroec kan het afzetten tegen licht dat hij specificeert als uitwendig en stoffelijk en dat met onze lichamelijke ogen is waar te nemen. Het geestelijke licht is daarentegen niet met onze lichamelijke ogen, maar alleen met onze geestelijke ogen waar te nemen; wellicht zou je uit de tegenstelling kunnen afleiden dat het niet alleen geestelijk licht is, maar (als oppositie van uitwendig) tevens innerlijk licht.

In ieder geval is het van God afkomstig licht: de door Ruusbroec het meest gebruikte term voor dit geestelijke licht is immers 'licht der gratie Gods'. Onder gratie of genade van God wordt over het algemeen verstaan een gave van God, het toeneigen van God naar de mens.

Ruusbroec zelf stelt dat God dit licht is en dat dit licht ieder mens verlicht. Genade is blijkbaar te omschrijven als geestelijk licht; dit licht is God Zelf; het wordt in de ziel gestort waarbij God Zichzelf geeft en de ziel en haar vermogens beweegt.

Op het laatste moment haalt Ruusbroec er nog een ander aspect bij als voorwaarde om geestelijk ziende te worden: de liefde behoort hier onlosmakelijk toe, wat resulteert in een verhitte wil.


Tot zover ontstaat er een heel consistent beeld wat betreft het functioneren en de betekenis van licht. In het tweede onderdeel van het Werkende leven komen nieuwe aspecten wat betreft de lichtthematiek naar voren. Bij het slot van de beschrijving van de verdienende genade was al terloops het aspect van de minne en de verhitting van de wil aan de orde gekomen. In het onderdeel 'De Bruidegom komt' wordt dat veel meer uitgewerkt, hoewel het precieze verband met de lichtthematiek nog niet duidelijk wordt.

Uit de vergelijking met de zon in de vallei blijkt dat er een samenhang is tussen licht, verhitting en vruchtbaarheid. De ootmoedige ziel wordt door de dagelijkse komst van Christus verlicht met genade, verhit in karitate en vruchtbaar in deugden en goede werken. Blijkbaar kan Ruusbroec het dagelijkse inwerken van Christus in de ziel uitdrukken in termen van licht en warmte, die achtereenvolgens samenhangen met genade en karitate.

Het geheel resulteert in een heel concrete ontwikkeling van de ziel; deze wordt deugdzamer en het aantal goede werken in zijn leven vermeerdert. De inwerking heeft dus een concreet en ethisch effect op het leven van de ootmoedige mens. Hoe genade precies met warmte samenhangt en warmte op haar beurt met karitate, is aan de hand van deze ene passage niet vast te stellen.


In het derde onderdeel van het eerste boek wordt er weer een nieuw predikaat aan licht toegevoegd, namelijk 'geschapen'. Ruusbroec gebruikt het om het licht dat zich in de rede van de mens bevindt te benoemen. Het geschapen begrip of het geschapen licht faalt in het begrijpen wat God is. Toch wordt de rede hoog aangeslagen en specifiek genoemd als plaats in de ziel die door het licht van Gods genade wordt verlicht.


Het verband tussen licht en karitate komt terug in het vierde onderdeel, in een passage die sterk doet denken aan de vallei-passage: de rede van de mens die zichzelf verloochent en bescheiden is, wordt verlicht, zijn karitate vermeerderd en hij wordt devoter en deugdzamer. Het verband wordt er echter nog niet duidelijker op.

Wel noemt Ruusbroec nu de rede als verlichtingsplaats, zoals hiervoor al duidelijk werd. Ook het falende geschapen licht in het verstand komt terug in dit onderdeel. Hierbij wordt weer de minne genoemd, die het van het te kort schietende geschapen licht overneemt.


Twee adjectieven die Ruusbroec bij licht gebruikt zijn nog niet aan de orde geweest. Eén maal komt 'licht der glorie' voor, dat op één lijn kan worden gesteld met het licht der gratie, maar geldt voor de mens die is gestorven. Een veel voorkomend predikaat is 'licht des geloofs': dit beschrijft de verhouding, de relatie (wellicht: het vertrouwen) tussen Christus en de ziel en omgekeerd.


De volgende conclusie kan worden getrokken naar aanleiding van de bevindingen met betrekking tot het gebruik van licht in het Werkende leven.

Ruusbroec maakt zeer consistent gebruik van lichtthematiek en bouwt het in de loop van het eerste boek geleidelijk aan steeds meer uit. Geestelijk licht komt als genade in de ziel die de juiste geestesgesteldheid heeft (hiernaast kan de ziel ook verhit worden). In dit licht geeft God Zichzelf.

Het belang voor de menselijke ziel is tweevoudig. Enerzijds is het een voorwaarde om geestelijk ziende te worden, anderzijds werkt het door in de rede. Licht wordt dus zowel betrokken op het waarnemingsvermogen van de ziel, als op het redelijke vermogen.

Dit laatste wordt als invalsplaats van het geestelijke licht, dat God Zelf is, genoemd. Het licht dat zich in de rede bevindt, wordt gekarakteriseerd als geschapen licht.



3.3 Het Innige leven


Het aantal vindplaatsen van lichttermen en ook van de aanverwante termen (warmte, vuur, donker en kou) in het Innige leven is zo groot (zie het overzicht in bijlage 4), dat het niet mogelijk is om ze één voor één af te gaan en te analyseren. Vanuit de basisinzichten die bij de bestudering van het Werkende leven zijn opgedaan, zal de tekst van het tweede boek worden langsgelopen, waarbij passages met aanvullingen, nuances of wellicht tegensprekende feiten expliciet zullen worden besproken.

Twee passages zullen in ieder geval uitgebreid aan de orde komen om een beeld te krijgen van het functioneren van lichtthematiek in het tweede boek, te weten de passage over de bron met drie rivieren in het onderdeel 'De Bruidegom komt / Gaat uit' en de bespreking van de zesde gave van de Heilige Geest in het onderdeel 'Om Hem te ontmoeten', die de eerst genoemde passage verduidelijkt en aanvult.



3.3.a Analyse


Ziet

Het tweede boek van de Brulocht heeft Ruusbroec in dezelfde onderdelen verdeeld als het Werkende leven. De ziel doorloopt als het ware hetzelfde proces in een hogere fase. In het Innige leven is het de bedoeling dat de mens ziende wordt doordat 'onse verstannesse verclaert si met overnatuerlijcker claerheit' (r. b15-16) en dat Christus inwendig in de ziel komt, de mens geestelijk uitgaat en er een ontmoeting ontstaat in genietende eenheid der godheid.

Ruusbroec begint bij het onderdeel 'Ziet' met het uiteenzetten van de drie eenheden van de ziel: het wezen (waarmee de menselijke ziel als het ware in God hangt en voortdurend door Hem in stand wordt gehouden), de eenheid van geest (dat feitelijk een aspect is van het wezen, namelijk het werkende, dynamische aspect; hier hebben de drie geestelijke vermogens hun oorsprong op werkelijke wijze) en de eenheid van het hart (waarmee het lichaam wordt bezield en waaruit de vijf zintuigen voortvloeien).

Samen vormen de drie eenheden één leven, één rijk. Uit het wezen, waarmee de ziel onlosmakelijk en zonder middel met God is verenigd 'vloeyt gracie ende alle gaven' (r. b108) en van hieruit spreekt Christus, 'die dat licht der waerheit es', het woord 'siet' (r. b111). Ruusbroec legt de betekenis van het spreken van dit woord als volgt uit:

'Want overmids hem werden wij siende, want hi is dat licht des vaders, ende zonder hem en is gheen licht in hemel noch in eerde. Dit spreken Cristi in ons en es anders niet dan een invloeyen sijns lichts ende sire gracien. Dese gracie valt in ons in die eenicheit onser overster crachten ende ons gheests, daer die hoochste crachten ute vloeyen werkelijcke in allen doechden overmids cracht der gracien, ende weder inkeeren in dat selve, in bande van minnen' (r. b111-118).

Enkele regels later stelt hij dat de kracht (zie laatst aangehaalde citaat, waar ook 'cracht der gracien' in voorkomt) en de rijkdom van de genade de mens aanzetten tot deugdenbeoefening en hij vervolgt:

'Want hi ghevet gracie omme werken, ende hem selven boven alle gracie omme ghebruyken ende omme rusten' (r. b124-125).

In één van de laatste bladzijden van het tweede boek noemt Ruusbroec de genade nogmaals een kracht van God die tot activiteit aanzet:

'Maer de creatueren hebben hare eyghen werken overmids de cracht gods, inder natueren ende inder gracien ende oec inder glorien' (r. b2535-2536), waarna hij de verhouding tussen genade en glorie verduidelijkt: 'Ende alse de werke hier inden inder gracien, soe duerense eewelijc inder glorien' (r. b2536-2538).

Kort gezegd is gratie een kracht van God die de mens tot werkzaamheid aanzet.


Vervolgens stelt Ruusbroec dat de genade van binnenuit de ziel invloeit, niet van buitenaf, aangezien God ons meer inwendig is dan wij zelf zijn. Hij vergelijkt dan het inlichten van de genade Gods in de ziel met een kaars in een lantaarn:

'Die gracie gods inder zielen es ghelijc der keersen inder lanternen ochte in eenen glasenen vate; want si verhit ende verclaert ende doer-schijnt dat vat, dat es den goeden mensche. Ende si openbaert hare den mensche diese binnen hevet, op dat hi innich es in merkene hem selven; ende si openbaert hare oec anderen menschen dore hem, in duechden ende in goeden exempelen (r. b141-146).

Volgens de gegevens uit dit eerste onderdeel van het Innige leven, blijkt genade zich voor te doen als een kracht van God, die wordt gekenmerkt door geestelijk licht en warmte. Het vloeit van binnenuit de ziel in, van het wezen naar de geest, en zet daar de mens aan tot werkzaamheid, wat resulteert in innigheid naar binnen toe en deugdenbeoefening naar buiten toe.



De Bruidegom komt, gaat uit

De onderdelen 'De Bruidegom komt' en 'Gaat uit' zijn in het Innige leven niet gesplitst, maar Ruusbroec behandelt ze samen. Blijkbaar hangen de komst van Christus en de reactie daarop van de mens zo nauw samen, dat deze niet van elkaar te scheiden zijn.

Globaal is dit onderdeel in drieën verdeeld: drie verschillende inwendige komsten van Christus worden achtereenvolgens beschreven. Deze vinden plaats op verschillende niveaus in de ziel, die Ruusbroec in het onderdeel 'Ziet' uiteen heeft gezet. De eerste komst vindt plaats in de eenheid van het hart (r. b212-971), de tweede in de hogere vermogens (r. b972-1404) en de derde in de eenheid van de geest (r. b1405-1602).

Gezien de structuur van de ziel, wordt de komst van Christus in het Innige leven dus ervaren op het laagste (hart) en het middelste (geest en vermogens) niveau van de ziel.


Ruusbroec heeft twee van de drie komsten afzonderlijk weer ingedeeld. De eerste komst in het hart bestaat uit vier wijzen, de tweede komst in de geestelijke vermogens beschrijft hij als drie rivieren. Nu is het opmerkelijk dat in èlk van de drie komsten en zelfs in èlk onderdeel binnen die komsten lichtterminologie wordt gebruikt.

De eerste wijze van de komst van Christus in het hart, verduidelijkt Ruusbroec aan de hand van het beeld van de zon. De Heilige Geest oefent aandrang uit op het hart om deugden te beoefenen, zoals

'den schine ende der cracht der sonnen, die in eenen oghenblicke, van daer si opgheet, verlicht ende doerschijnt ende verhit alle die werelt' (r. b214-216).

Op deze manier 'verlicht ende ontfunct' (r. b218) de zon Christus het laagste deel van de mens die een zuivere mening bezit en zich op deugden toelegt en hierdoor 'goeder vruchte der duechden' (r. b231) voortbrengt.

In de rest van de beschrijving ligt de nadruk op verhitting van de mens; het is overwegend vuurterminologie waarmee Ruusbroec de eerste wijze beschrijft. De hitte die door de komst van Christus in het hart ontstaat, veroorzaakt 'eenicheit des herten' (r. b249): 'Want wij en mogen niet ghewarigher eenicheit vercrighen, en si dat die gheest gods sijn vier ontfuncke in onser herten' (r. b249-251).

Ruusbroec gaat hier in op de eenmakende, gelijk-makende eigenschap van vuur. Uit de eenheid komt innigheid voort, dit is 'een ghevoelijc vier van minnen, dat die gheest gods ontfunct heeft ende bernen doet' (r. b262-263). Hieruit komt liefde voort, die het hart en de begeerlijke kracht van de ziel doordringt. Hieruit ontstaat op zijn beurt devotie tot God, als het 'vier der minnen ende der liefde sine vlamme der begherten op ghevet te hemele' (r. b279-280). Vervolgens ontstaat dankbaarheid; onder meer om het feit dat God 'sine gracie ende sine minne in onse ziele gestort hevet' (r. b297).

Ruusbroec besluit de beschrijving van de eerste wijze met twee vergelijkingen, namelijk die van het kokende water en die van de stijgende lentezon. Het inwendige vuur van de Heilige Geest werkt op het hart van de mens als kokend water. De geest Gods brandt altijd in het hart, zodat het 'vier der minnen' (r. b343) immer brandt.


Ook de tweede wijze waarop Christus inwendig in de eenheid van het hart komt, wordt door Ruusbroec vergeleken met inwerking van de zon. Door de hitte van de zon verdampt er water, dat vervolgens als regen neervalt, wat grotere vruchtbaarheid tot gevolg heeft. Zo kan, op een hogere wijze dan de vorige komst, Christus in het hart komen met 'inwindichs troosts ende hemelschen dau godlijcker soeticheit' (r. b378-379).

Dit resulteert in groei en verdubbeling van de deugden. De mens moet oppassen niet gehinderd te worden door nevel, waarmee bedoeld wordt het gevaar om op de inwendige troost en zoete gevoelens te blijven rusten. Dit kan 'de locht der redenen doncker' maken (r. b434) en de vermogens verliezen dan de kennis van de waarheid.


Bij de derde wijze van Christus' komst in de eenheid van het hart blijft Ruusbroec vasthouden aan de vergelijking met de zon. Het moment is bereikt dat de zon op haar hoogste punt staat, dat wil zeggen dat de goddelijke zon Christus 'is ghehoghet in dat hoochste onser herten, ende wilt alle dinc in hem trecken, dat sijn al onse crachte' (r. b472-473). Het hart opent zich, raakt verwond en het licht van Christus schijnt erin en eist eenheid.

Door het inschijnen van de goddelijke stralen in het gewonde hart ontstaat 'orewoet' van minne in de mens; de gevoelige hitte wordt meer dan ooit beleefd en de 'vrucht der duechden' (r. b526) rijpt sneller dan voorheen. De mens die in zo'n staat verkeert, is ontvankelijk voor ingevingen en visioenen; soms kan God een mens een 'corte blicke inden gheeste' schenken, 'rechte als die blixeme dies hemels' (r. b566-567). Dit laatste houdt in dat er in een flits

'eenre zonderlingher claerheit [comt] ende die schijnt ute eere eenvoldigher bloetheit, ende soe wert die gheest verhaven boven hem selven in eenen oghen blicke, ende te hans es dat licht leden ende de mensche comt te hem selven. Dit werket god selve, ende het is seere edel, want dit werden dicwile verlichte menschen' (r. b568-572).

Blijkbaar kan een mens die zich in de toestand van orewoet bevindt, in een kort moment door God verlicht raken. Nu kan voor een mens die zich in zo'n ongedurige toestand bevindt, het stralen van het goddelijke licht te heet worden voor zijn affectie en begeerte; hier kan hij zelfs aan sterven.

Een tweede gevaar waar Ruusbroec op wijst is 'eenrande licht dat de viant werket' (r. b630); door dit van de duivel afkomstige licht, waarin allerlei beelden kunnen worden ge-toond, kan de mens op een dwaalspoor raken.

Tot slot behandelt Ruusbroec bij de komst van Christus in het hart, de vierde, hoogste, wijze, die 'den mensch hoghet ende volmaket in innigher oefeneinghen na den nedersten deele tsmenschen' (r. b669-670). Aangezien hij tot nu toe de wijzen van de inwendige komst heeft verduidelijkt aan de hand van het schijnen en de kracht van de zon, wil Ruusbroec de vergelijking in deze laatste wijze voortzetten.

Stond de zon bij de derde wijze op haar hoogtepunt, nu begint hij te dalen:

'Also ghelijckerwijs, alse die gloriose zonne Cristus in tsmenschen herte ghehoghet is ten alre hoochsten alsoe ic leerde in die derde maniere, ende hi dan beghint te dalene ende dat inschinen sire godlijcker rayen te berghene, ende den mensche te latene, soe beghint die hitte ende dat ongheduer van minnen te menderene' (r. b684-689).


De vierde wijze bestaat er uit dat Christus de inschijn 'sijns lichts ende sire hitte' (r. b690) aan de mens onttrekt. Het ongeduur van de minne wordt bekoeld, de mens vindt zich ellendig en verlaten en raakt in vertwijfeling.

Ruusbroec citeert dan uit Job om de mens berusting en overgave aan God voor te houden. Door deze houding aan te nemen, blijft de mens in evenwicht. Deze 'duecht der gelatenheit' (r. b767) brengt de mens tot grote volmaaktheid.

Ruusbroec eindigt met een waarschuwing, waarbij hij onder meer twee soorten koorts als vergelijking neemt: 'die een comt van ongheoordender hitten, ende die ander van couden' (r. b832-833). De mens die aan de eerste soort lijdt, is ongestadig en moet leren in God te rusten. Degene die lijdt aan de tweede soort, ontbreekt het aan 'hitte der karitaten' (r. b861).

Na Christus, die de vier wijzen op een volmaakte manier bezit, als voorbeeld te hebben gesteld, besluit Ruusbroec zijn beschrijving van de eerste inwendige komst van Christus in de eenheid van het hart, het eerste niveau van de ziel, met een korte reprise van de vier wijzen.


Hoewel Ruusbroec veelvuldig gebruik maakt van lichttermen bij het beschrijven van deze komst en door de verschillende wijzen heen steeds de vergelijking met de zon volhoudt, zijn er uit dit onderdeel van het Innige leven niet veel nieuwe feiten aan Ruusbroecs gebruik van de lichtthematiek in de Brulocht toe te voegen.

In dit onderdeel speelde de verhitting van de mens een belangrijke rol. Dit hangt samen met karitate of minne en met orewoet; allemaal gevoelstoestanden van de mens. Geheel nieuw was het voorkomen van het van de duivel afkomstige licht; blijkbaar hoeft geestelijk licht niet per definitie Christus of God als bron te hebben. Door de consequent volgehouden vergelijking met de zon, kwam zeer veelvuldig hitte naast licht voor. Beide komen uit dezelfde bron en hebben de eigenschap dat ze kunnen inwerken in de ziel.


Ruusbroec vervolgt het onderdeel 'De Brudegom komt / Gaat uit' met de tweede komst van Christus in de ziel. Deze vindt plaats in de drie geestelijke vermogens, de rede, de wil en de memorie, die hun oorsprong hebben in de eenheid van de geest (het tweede niveau van de ziel). Ruusbroec gebruikt het beeld van een bron met drie rivieren om deze komst te verduidelijken. De bron is

'de volheit der gracien gods in eenicheit ons gheests. Daer houdet hare die gracie weselijcke, na den inblivene, alse eene volle fonteyne; werkelijcke, na den ute vloeyene met rivieren, in elcke cracht der zielen na hare behoeven' (r. b976-980).

De bron, die zich in de eenheid van de geest bevindt, vloeit uit in drie rivieren, waarmee God invloed uitoefent of inwerkt 'overmids middel der gracien' (r. b981-982) op de geestelijke vermogens.

v De eerste rivier doorstroomt alle hogere en lagere vermogens van de ziel en zorgt voor eenvuldigheid, eenheid in de geest. De tweede rivier waar de genade van God in uitstroomt is geestelijke klaarheid; deze stroomt in het verstand en verlicht het. De derde rivier werkt in op de wil; het ontvonkt dit geestelijke vermogen en wekt minne op.

Aangezien de rivieren uitvloeiingen van Gods genade zijn, kan, gezien de bevindingen in de vorige paragraaf (zie bijvoorbeeld de gevolgtrekkingen in 3.2.b), worden verwacht dat het licht ook in deze passage een rol zal spelen.

Dit blijkt ook zo te zijn. Al in de eerste zin waarmee de bespreking van de eerste rivier begint, valt het woord 'licht': deze rivier die als een eenvuldigheid vloeit 'die lichtet inden gheeste zonder onderscheet' (984-985). Alle krachten van de ziel worden doorvloeid en verheven boven menigvuldigheid. Door de eenvuldigheid en de inwendige band die deze rivier veroorzaakt, wordt de mens verheven in zijn memorie:

'ende verhefse boven alle menichfuldicheit ende onledicheit, ende maect inden mensche eenvoldecheit, ende toent ende ghevet hem inwindighen bant in sijns gheests eenicheit. Aldus wert die mensche verhaven nader meemorien, ende ontslaghen van vremden invalle ende van onghestadicheiden' (r. b987-991).

In dit licht eist Christus van de mens een uitgaan 'na de wise des lichts ende deser toecomst' (r. b992-993). Vanuit de eenheid die de mens in zijn geest heeft verwerkelijkt, ontstaat een 'eewich minlijc neygen' (r. b1004) naar de eenheid van de Vader en de Zoon, die door de band van de Heilige Geest verenigd zijn.

De tweede rivier ontspringt enerzijds door de bij de eerste rivier gerealiseerde liefde en het minnelijke toeneigen en anderzijds door de trouw van God. Zij ontspringt uit de volheid der genade en doet zich voor als een

'gheestelijcke claerheit die vloeyt ende licht inden verstaene, met ondersceede in menigher wisen. Want dat licht toent ende ghevet inder waerheit ondersceet in allen duechden' (r. b1010-1012).

Hoewel de menselijke ziel dit licht altijd bezit, is God degene die er over beslist; het behoort Hem en Hij werkt in dit licht zoals Hij wil. Ook bij deze rivier wordt er van de mens verlangd dat hij zal

'ute gaen, ende merken sinen staet ende sijn leven van binnen ende van buten, ochte hi een volcomen ghelijc draghet Cristi, na sire menscheyt ende oec na der godheyt. Want wij sijn ghescapen toe den beelde ende toe den ghelijcke gods' (r. b1026-1029).

De mens moet zichzelf onderzoeken en beoordelen en hiertoe met zijn verlichte ogen Gods verheven natuur en grondeloze eigenschappen beschouwen.


In de bladzijden die hierop volgen zet Ruusbroec uiteen wàt de ziel moet overwegen met betrekking tot zijn beeld en gelijkenis met God en Gods grondeloze eigenschappen: de grondeloosheid van God, de almacht van de Vader, de wijsheid en de waarheid van het Woord, de (vurige vlam van de) eenheid en de liefde van de Heilige Geest, de drie Personen met één enkelvoudige natuur.

Bij de beschrijving van de grondeloosheid van God, gebruikt Ruusbroec onder meer het begrip 'duystere stille'. De mens raakt in verwondering en hieruit ontstaat vreugde en vertrouwen. Bij deze rivier, die in het verstand vloeit, is dus inzicht voor de ziel van belang, zowel in zichzelf als in de drie-eenheid van God.

De derde rivier van goddelijke genade

'ontfunct de wille ghelijc den viere, ende verslindet ende verteret alle dinc in eenicheit, ende overvloeyt ende dorevloeyt alle de crachte der zielen met rijcken gaven ende met zonderlingher edelheit, ende si maket inden wille eene subtile gheestelijcke minne zonder aerbeit' (r. b1113-1117).

Ontvonken als een vuur suggereert warmte en dat wordt enkele regels later ook bevestigd: de 'berrende' rivier wordt letterlijk een 'inghegheeste hitte' genoemd, waardoor de wil in minne ontvonkt (r. b1125). Gezien de term 'inghegheest' kan worden verondersteld dat het gaat om een geestelijke warmte, zoals het bij het licht dat in de ziel werkt ook gaat om geestelijk licht.


Bij het onderdeel 'Ziet' van het Innige leven was al duidelijk geworden dat genade zich naast licht ook kenmerkt door warmte. Hier worden de invalsplaatsen van het licht en de warmte onderscheiden: met de tweede rivier komt er licht in de rede, met de derde rivier komt er hitte in de wil. De wil ontvonkt hierdoor in minne.

Ook het verband tussen hitte en minne of karitate zijn we al vaker tegengekomen, ondermeer bij de passage van de zon in de vallei, in het eerste boek. Daar was het precieze verband nog niet duidelijk. Ondertussen is er al veel meer over te zeggen: de genade wordt in de wil gekenmerkt door geestelijke warmte en wekt minne op. In de wil als geestelijk vermogen van de mens ontwikkelt zich dus het vermogen om lief te hebben, de mogelijkheid om een gevoelshouding aan te nemen.

Ruusbroec beschrijft deze rivier in eerste instantie als een vuur en naast het feit dat deze warmte brengt, brengt het vuur ook licht met zich mee èn bezit het een eenmakende eigenschap (het verslindt en verteert alles in eenheid). Dit doet denken aan de tweede (licht) en de eerste (eenheid) rivier en het suggereert een nauwe samenhang tussen de drie rivieren, de drie uitvloeiingen uit de bron van Gods genade.


Ruusbroec besluit het onderdeel 'De Bruidegom komt / Gaat uit' van het Innige leven met de derde komst van Christus, die plaats vindt in de eenheid van de geest. Hier begint hij met te stellen dat de eenheid van de goddelijke natuur, zoals in het eerste boek al naar voren was gekomen, elk begrip, elk schepsel in geschapen licht te boven gaat. Hij beschrijft vervolgens de drie-eenheid en Gods toeneigen naar ieder schepsel:

'Ute desen ondersiene dies vaders ende dies soens in eenre eewigher claerheit, vloeyt een eewich wel behaghen, eene grondeloose minne, ende dat es de heilige gheest. Ende overmids den heilighen gheest ende die eewighe wijsheit neyghet hem god tote elcker creatueren met onderscheede, ende gavet ende ontfunct in minnen elcken na sine edelheit, ende na sinen staet daer hi in gheset es ende vercoren overmids duechde ende die eewighe voersienicheit gods' (r. b1414-1420).

De Zoon wordt hier verbonden met klaarheid en wijsheid, de Heilige Geest met minne. God neigt zich naar ieder mens afzonderlijk en beweegt, vanuit het wezen, de eenheid van de geest met zijn kracht. Dit bewegen van God is de eerste oorzaak van alle deugden. God bezit zodoende het wezen van de ziel, is werkzaam in de eenheid van de geest en vloeit uit in de geestelijke vermogens.

Keert de mens hierop in met al zijn vermogens, of vloeit de mens naar God terug, dan wordt de innigste oefening in geschapen licht bereikt, namelijk het passief ervaren van het 'gherinen', het aanroeren of inwerken van God. Dit vindt plaats in de bron van Gods genade die in de eenheid van de geest is gesitueerd: het is als het ware de ader die de bron voedt. Het gerinen gebeurt boven alle werkzaamheid en onderscheidenheid van de vermogens:

'In eenicheit des gheests, daer dese adere walt, es men boven werken ende boven redene, maer niet sonder redene; want die verlichte redene en can niet begripen noch verstaen wise noch maniere, hoe ochte wie dit gherinen si. Want dit es een godlijc werc ende oerspronc ende inval alre gracien ende alre gaven, ende dat leste middel tuschen gode ende de creatuere' (r. b1481-1487).

De rede en het geschapen licht schieten te kort om dit gerinen, dat veroorzaakt wordt door goddelijke klaarheid, te begrijpen; alle pogingen hiertoe falen en de rede moet erkennen dat ze niet weet wat het is. En wat al enkele keren eerder aan de orde is geweest, is ook hier het geval: de minne neemt het over waar de rede faalt:

'Maer die gheest die dit ghevoelt in sinen gronde, al eest dat redene ende verstannesse failliert jeghen die godlijcke claerheit ende buten vore die porte blivet, die minnende cracht wilt nochtan voert; want si es gheeyschet ende ghenodet ghelijc den verstane, ende si es blent, ende wilt ghebruken; ende ghebruken leghet meer in smaken ende in ghevoelen dan in verstane' (r. b1521-1526).

De minnende kracht en de geschapen geest hunkeren naar een 'onghescapen goet' (r. b1530). Dit is de eerste keer, naast de vele malen dat het adjectief 'geschapen' bij 'licht' voorkomt, dat het adjectief 'ongeschapen' wordt gebruikt. Wat dit goed precies inhoudt, wordt niet geëxpliciteerd; de goddelijke klaarheid van enkele regels eerder komt in aanmerking (r. b1523), maar ook de goddelijke minne die aan het einde van de passage genoemd wordt (r. b1553).

In ieder geval besluit Ruusbroec dit onderdeel 'De Bruidegom komt / Gaat uit' met te stellen dat hetgeen hij hiervoor heeft beschreven het hoogste is dat in geschapen licht kan worden bereikt:

'Ende dit es de innichtse oefeninge diemen pleghen mach in ghescapenen lichte, in hemel ende in eerde; ende boven dit en es niet dan een godscouwende leven in godlijcken lichte ende na der wise gods' (r. b1597-1599).




Om Hem te ontmoeten

Hiermee is Ruusbroec bij het laatste onderdeel van het Innige leven aangekomen, 'Om Hem te ontmoeten'. Dit onderdeel komt wat minder gestructureerd over, waarschijnlijk omdat hij hierin probeert ook het tweede boek als geheel af te ronden.

Hij begint met het behandelen van verschillende soorten verenigingen met God, vervolgens gaat hij over op de zeven gaven van de Heilige Geest (wat als korte reprise van het eerste en tweede boek functioneert) en tot slot zet hij de juiste beleving en de verkeerde beleving van de vereniging uiteen.


Zeer opmerkelijk is dat Ruusbroec bij het beschrijven van de verschillende soorten verenigingen nauwelijks gebruik maakt van lichttermen. Het globale onderscheid dat Ruusbroec kan maken met betrekking tot het geestelijk ontmoeten van Christus, is de vereniging met middel en zonder middel. De eenheid van geest verhoudt zich op twee manieren tot God, namelijk 'weselijc ende werkelijc' (r. b1627).

Bij de behandeling van de structuur van de ziel aan het begin van het tweede boek, was al duidelijk geworden dat er niet een echt onderscheid te maken is tussen het wezen en de eenheid van de geest. Ze vormen beiden veeleer een aspect van de ziel, namelijk achtereenvolgens het wezenlijke of het rustende en het werkelijke of het dynamische aspect. De geest 'na weselijcken sine' (r. b1628) ontvangt Christus 'sonder middel ende sonder onderlaet' (r. b1629). Dit leven dat wij 'in gode sijn in onsen eewighen beelde' (r. b1630) is zonder middel en zonder onderscheid verenigd met het leven en het wezenlijke zijn in onszelf.

Hierom ontvangt de geest een

'indruc sijns eewichs beelds ende godlijcker claerheit, sonder onderlaet' (r. b1633-1634).

In het wezen bevindt zich het beeld van God in de ziel, hier is God eeuwig aanwezig en komt Hij voortdurend met een vernieuwde komst 'ende met nuwen inschine nuwer claerheit' (r. b1636). De klaarheid van God is in het wezen te ontvangen zonder middel en door de klaarheid van het eeuwige beeld kan de mens aan zichzelf in de godheid ontzinken en weer terugvloeien met het uitgaan van de Zoon.

De wezenlijke eenheid van de geest bestaat niet op zichzelf, maar is onlosmakelijk verbonden met God; zij kan niet van Hem scheiden, want dan zou zij tot niets vervallen.


Op een heel andere wijze verhoudt het werkelijke aspect van de eenheid van de geest zich tot God. Hier bestaat de mens op zichzelf en hier begint zijn eigen werkzaamheid, 'alles creatuerlijcs wercs' (r. b1676), die gerealiseerd kan worden met behulp van de geestelijke vermogens. In deze eenheid kan de mens God gelijkend zijn door gratie en deugden, of niet gelijkend zijn door doodzonde.

Deze werkelijke eenheid verschilt dus nogal van de wezenlijke eenheid:

'Want dan nu de mensche ghemaect es toe den ghelijckenisse gods, dat es toe der gracien gods - want si es een godformich licht die ons dore schijnt ende ghelijc maket, ende sonder dit licht dat ons ghelijc maket en moghe wij niet vereenighen overnatuerlijcke -, al en moghe wij dat beelde niet verliesen noch die natuerlijcke eenicheit met gode: eest dat wij dat ghelijcke verliesen, dat es de gracie gods, soe werde wij verdoemt' (r. b1683-1689).

Verliest de mens zijn wezenlijke eenheid, het beeld van God, dan blijft er niets van hem over; de voortdurende instandhouding van de mens door God valt dan als het ware weg. Verliest de mens zijn gelijkenis met God, dan betekent dat dat hij in doodzonde en in verdoemenis is gevallen.

In het bovenstaande fragment staat, al is het tussen streepjes geplaatst, heel belangrijke informatie om het functioneren van licht te kunnen begrijpen: gratie is een godvormig licht, dat de ziel doorschijnt en aan God gelijk maakt; zonder dit licht zou de mens zich niet met God kunnen verenigen. Is de mens door middel van de juiste geestesgesteldheid geschikt om genade te ontvangen en richt hij zijn wil tot God, dan maakt Hij de mens aan Zich gelijk door Zijn gaven.


Er is dus sprake van enerzijds gelijk zijn aan God; dit noemt Ruusbroec het beeld van God, wat psychologisch gezien op het niveau van het wezen wordt gesitueerd. Anderzijds is er sprake van gelijk worden aan God; dit noemt Ruusbroec de gelijkenis, in liefde en deugden, met God en wordt op het niveau van de eenheid van de geest gesitueerd. De mens die streeft naar gelijkworden aan God, verwezenlijkt dus als het ware het beeld dat hij in het wezen al bezit.

Door middel van het licht der genade kan de mens meer aan God gelijk worden, wat een voorwaarde is om de Godsvereniging te kunnen bereiken. De genade is als het ware een weg, waarlangs de mens wordt binnengeleid in 'rasten in die weselijcke eenicheit' (r. b1733), in de rust van de wezenlijke eenheid. Wie de genade van God ontbreekt, zoals de zondaar, verkeert in duisternis; de zonde fungeert als een soort scherm van 'duysternisse ende onghelijcheit' (r. b1740-1741) tussen de geest en Gods beeld in zijn wezen.


Halverwege het onderdeel 'Om Hem te ontmoeten' geeft Ruusbroec een samenvatting en een kort overzicht van alles wat hij tot nu toe heeft behandeld in het Werkende en het Innige leven, aan de hand van de zeven gaven van de Heilige Geest.

De eerste drie gaven omvatten het Werkende leven; opvallend is dat bij de uitwerking hiervan geen lichttermen worden gebruikt. De volgende vier gaven beslaan het Innige leven. De vierde gave is de 'geest van sterkte', waardoor de geest zich los kan maken van alle beslommeringen en zich innig tot God kan richten. Hierbij gebruikt Ruusbroec nog steeds geen lichttermen.

Dit is wel het geval bij de beschrijving van de laatste drie gaven. De vijfde is de 'gave van raad', door deze gave werkt de drie-eenheid in op de mens. De zesde gave, de 'geest van verstand', omvat drie aspecten, net als de bron met drie rivieren uit 'De Bruidegom komt / Gaat uit'. Ruusbroec bespreekt deze gave dan ook in drie punten, die precies overeenkomen met de drie rivieren, oftewel de drie komsten van Christus. De zevende gave wordt de 'geest van de smakende wijsheid' genoemd.

Het belang van deze zeven gaven expliciteert Ruusbroec aan het begin van zijn beschrijving ervan:

'hoe dat wij gode ontmoeten selen in ghelijcheide, soe moghen wij met hem rasten in eenicheiden' (r. b1819-1820).

Dit komt overeen en verduidelijkt wat hierboven naar voren kwam bij de rol van het licht der genade in verband met de gelijkenis en eenwording met God: naarmate de ziel gelijkvormiger is aan God, is eenheid met Hem, in genietende rust, vollediger mogelijk. De laatste drie gaven van de zeven gaven van de Heilige Geest zullen nu achtereenvolgens worden besproken.


Door de vijfde gave, de gave van 'raad', trekt de Vader de mens van binnen aan en eist eenheid. De Zoon spreekt geestelijk in de mens en de Heilige Geest doet het hart opengaan en ontvonken in brandende minne. Hier komen verbanden terug die we al eerder zijn tegengeko-men: de Vader wordt in verband gebracht met eenheid, de Zoon met waarnemen en de Heilige Geest met minne.

Dit alles wordt heel direct betrokken op de mens; deze moet de dingen waartoe de drieheid hem aanspoort in zichzelf verwerkelijken.


De zesde gave, de 'gheest der verstendicheit',

'hebbe wij vore ghelijcket eere fonteynen met drie rivieren; want si stadecht onsen gheest in eenicheit, ende si oppenbaert die waerheit, ende si maect eene wide minne in ghemeynheiden' (r. b1952-1954).

Ruusbroec begint zijn uiteenzetting over deze gave met een vergelijking met zonneschijn. De zon vervult de lucht met eenvuldige klaarheid, verlicht en toont onderscheid en haar hitte is algemeen, nuttig en zorgt voor vruchtbaarheid; 'ende hiermet ghevet si te bekinne hare eyghene macht' (r. b1958).

De kracht die eigen is aan de zon kan worden gekend aan licht en warmte; deze verlicht de lucht en verhit de wereld en resulteert in eenvuldige klaarheid en vruchtbaarheid. Ruusbroec behandelt de drievoudige werking van deze zesde gave achtereenvolgens in drie punten.

De eerste werking grijpt terug op de eerste rivier van de bron met de drie rivieren in de eenheid van de geest. De eerste straal van de zesde gave bewerkstelligt eenvuldigheid in de geest en deze wordt doorschenen met klaarheid, net als de lucht wordt doorschenen door de zon. Dit is opmerkelijk; in het Innige leven was Ruusbroec er toe gekomen om een specifiek vermogen van de geest te benoemen als invalsplaats van het licht, nu wordt de geest als geheel genoemd. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het eenvuldig zijn van de geest.

Ook bij de behandeling van de eerste rivier kwam dit zo voor: deze vloeide als een eenvuldigheid die lichtte in de geest zonder onderscheid. De vermogens werden boven menigvuldigheid verheven. Blijkbaar kan er zo'n toestand van eenheid ontstaan in de geest, dat licht niet meer op een te specificeren plaats voorkomt, maar in de eenheid mee wordt opgenomen en zo alles verlicht.

Er is onderscheid te maken tussen de vermogens en tussen de niveau's van de ziel, maar uiteindelijk is de mens één leven, één eenheid. Toch specificeert Ruusbroec in de volgende zin alweer:

'Want die gracie gods die een fondament es alre gaven, die houdet hare weselijc alse een eenvuldich licht in onsen moghelijcken verstane' (r. b1962-1964).

Genade bevindt zich wezenlijk in het verstand als eenvuldig licht. De mens is in de eenvuldige en verlichte eenheid van de geest gelijkvormig aan God door genade en goddelijke minne: 'hier es hi ghelijc gode overmids gracie ende godlijcke minne' (r. b1966-1967).

Ruusbroec gaat hierna nader in op de gelijkvormigheid van de mens met God. Duidelijk is dat er twee dingen nodig zijn: genade en karitate. Genade is een middel of een weg die de mens naar God leidt (als het schijnsel van de zon) en het maakt de ziel godgelijk, waarna eenwording mogelijk is; karitate maakt de mens één met God. Toch behoudt de mens eeuwig zijn gelijkenis met God in het licht van de genade of van de glorie in werkzaamheid en daarnaast zijn eenheid met God in de 'bloetheit ons gheest in godlijcken lichte' (r. b1983) boven werkzaamheid, in rust.

Dit gelijkvormig zijn aan God in werkzaamheid en dit eenzijn met God in rust, is gelijk de goddelijke natuur waarnaar de mens is geschapen:

'want god in sire hogher natueren daer wij een ghelijc af draghen, die houdet hem ghebrukelijc in eewigher rasten na der weselijcker eenheit, ende werkelijc in eewighen werkene nader driheit, ende ieghelijc es des anders volcomenheit, want raste leghet in eenheit, ende werken in drihiet. Ende aldus blivet beyde inder eewicheit' (r. b1998-2002).

De uiteenzetting van de tweede werking van de zesde gave, begint ook met een vergelijking met de zon. De eenvuldigheid en de verlichting van het verstand door de zesde gave leidt tot dieper inzicht in God, in de achterliggende eigenschappen van Zijn werken.

Opvallend is dat de eerste oorzaak die Ruusbroec geeft voor het inzicht in God, is dat deze gave aanzet tot zelfinzicht. Door deze gave beseft de mens de eenheid die hij bezit in God en zijn gelijkvormigheid met God die hij heeft in zichzelf. Door het licht van deze gave verkrijgt de mens zodoende tweeërlei inzicht.

Naarmate dit inzicht in zichzelf en in de goddelijke waarheid groeit, wordt ook de wil, de minnende kracht of het vermogen tot liefhebben, verhit. Hoe meer de ziel God gelijkvormig is in eenvuldigheid, klaarheid in zijn verstand en uitvloeiende liefde, hoe inniger hij met Hem is verenigd.

Opnieuw blijkt hoe meer de mens aan God gelijk is geworden, hoe vollediger de eenwording kan zijn. En hoe verlichter zijn verstand is en hoe verhitter zijn wil of liefde, hoe meer de mens aan God gelijk is geworden:

'Want hi is eenvuldicheit in sinen wesene, claerheit in sinen verstane, ende eene uutvloeyende ghemeyne minne in sinen werkene. Ende soe wij gode in desen drien ghelijckere sijn, soe wij met hem meer vereenicht sijn. Ende hier omme selen wij in onsen gronde eenvuldich bliven, ende met verlichter redenen alle dinc merken, ende met ghemeynre minne alle dinc dore vloeyen; also alse die sonne des hemels blivet in haer selven dat si es, eenvuldich ende onverwandelt, nochtan es haer claerheit ende haer hitte ghemeyne in alle die werelt' (r. b2058-2065).

Dat de mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, houdt in dat God een 'voor-beeld' is voor de manier waarop de menselijke ziel geschapen is en in elkaar zit. Voor de menselijke ziel bij wie het verstand is opgelicht en de wil of het gevoel is verhit tot het niveau van het licht en de warmte van God Zelf, is de meest optimale eenwording met God mogelijk.


De laatste, zevende gave van de Heilige Geest is de 'geest van smakende wijsheid'. Hier zegt Ruusbroec iets wat interessant is in het kader van de lichtthematiek. Indien de mens als afsluiting van de zesde gave in minne inkeert tot de genietende eenheid van God, dan ervaart hij deze als

'een duysternisse ende alse een onwise, ende alse eene ombegripelijcheit' (r. b2101-2102).

De eenheid van God wordt hier voorgesteld als een duisternis, een on-wijze; het is voor de ziel niet te begrijpen. Al eerder hebben we gezien dat de eenheid van God voor het geschapen licht in het verstand niet begrijpelijk was, maar nog niet eerder werd de eenheid verbonden met duisternis, of de onbegrijpelijkheid met duisternis.

De inkeer tot God kan tweevoudig geschieden: werkelijk door deugden en genietend boven alle deugden. Het werkelijke inkeren grijpt terug naar het gerinen, het goddelijke aanroeren van de ziel in de eenheid van de geest. Het schepselijke werk faalt tegen dit 'ombegripelijcken lichts' (r. b2126-2127); de mens moet het lijdzaam ondergaan.

Door het falen ontstaat een hunkeren; ontmoet de mens God dan is de klaarheid en de hitte zo groot dat de geest versmelt in minne:

'Ende inden ontmoete gods es de claerheit ende de hitte soe groot ende onghemeten, dat alle gheeste failleren haers werkes, ende versmelten ende verswinen in ghevoelijcker minnen in die eenicheit haers gheests. Ende hier moeten si lijden dat inwerken gods alse puere creatueren, ende hier es onse gheest ende de gracie gods ende alle onse doechde eene ghevoelijcke minne sonder werc; want onse gheest hevet hem ute ghewracht ende es selve minne' (r. b2145-2152).

Het ongemeten inlichten van God met onbegrijpelijke klaarheid is de oorzaak van alle gaven en deugden. Anderzijds kan ditzelfde licht op een on-wijze de genietende neiging van de geest doordringen en dat kan leiden tot genietende rust door ontzinking aan zichzelf. De rust of de genietende minne is grondeloos.

De wezenlijke klaarheid van God doet de mens, samen met de grondeloze minne, zichzelf verliezen in de

'duysternisse der godheit. Ende alsoe vereenicht, zonder middel ende metten gheeste gods, soe moghen wij gode met gode ontmoeten ende met hem ende in hem blijflijcke besitten onse eewige zalicheyt' (r. b2173-2176).

Tot besluit van het onderdeel 'Om Hem te ontmoeten' van het Innige leven behandelt Ruusbroec juiste en verkeerde belevingen van dit leven. Ook hierbij gebruikt hij het beeld van de duisternis van de godheid. De juiste beleving omvat twee aspecten die elkaar aanvullen en die uiteindelijk samengaan:

'god comt zonder onderlaet in ons met middele ende sonder middel, ende eyschet ons ghebruken ende werken, ende dat dat een vanden anderen onghehindert blive, maer altoes ghesterket werde. Ende hier omme best die innighe mensce sijn leven in desen twee wisen, dat es in rastene ende in werkene' (r. b2244-2248).

Het eerst aspect is de vereniging zonder middel, boven werkzaamheid en deugden, in rust. Uit de eenheid van God schijnt een eenvuldig licht, dat zich vertoont als een duisternis en een niets. De mens wordt door de duisternis omvangen en vervalt in on-wijze, hij verliest het begrip en onderscheid van alle dingen. In het niets schiet alle werkzaamheid te kort en hij wordt één geest met God, hij ervaart grondeloze minne en wordt onbeweeglijk van binnen.

Er lijkt een verband te bestaan tussen duisternis en onwerkzaamheid of rust en dit lijkt samen te hangen met de eenheid van de godheid.

Het tweede aspect is de vereniging met middel, in werkzaamheid en met deugdenbeoefening. Deze twee aspecten versterken elkaar en gaan uiteindelijk samen, immers 'in elcken es hi al ende onghedeilt, want hi es al in gode daer hi ghebrukelijcke rast, ende hi is al in hem selven daer hi werkelijcke mint' (r. b2248-2250).

De mensen die het rusten en werken ineen bezitten, hebben de hoogste graad van het Innige leven bereikt.


Ruusbroec besluit het tweede boek met een waarschuwing voor de verkeerde beleving van de ontmoeting en eenwording met God.

Hieronder valt onder andere de mens die onverlicht is door God; deze kan wel rust vinden, maar alleen in zichzelf, buiten Gods genade om. Deze natuurlijke rust leidt er toe dat 'si worden verblindet ende vermiddelt vanden eewighen lichte, ende vielen in dusternissen ende in eewighe onraste' (r. b2352-2353).

Een groot gevaar van de natuurlijke rust is dat het leidt tot ledigheid, waarbij de mens de deugdenbeoefening afwijst. Zoals hiervoor de eenheid van God kon worden gekarakteriseerd met de term 'duister', wordt hier het afgeschermd zijn van het eeuwige licht van God omschreven met precies dezelfde term.



3.3.b Gevolgtrekkingen


In het tweede boek worden verschillende aspecten wat betreft lichtthematiek die we in het eerste boek waren tegengekomen, aangevuld en uitgebouwd en daarnaast komen er ook nieuwe aspecten naar voren.

In het eerste onderdeel van het Innige leven geeft Ruusbroec een uitbreiding van zijn visie op genade. Deze doet zich voor als een kracht van God, die zich kenmerkt door geestelijk licht en (zoals later blijkt) geestelijke warmte. Het vloeit van binnenuit de ziel in, van het wezen naar de geest, en zet daar de mens aan tot werkzaamheid, wat resulteert in innigheid naar binnen toe en deugdenbeoefening naar buiten toe.


Opvallend in het tweede onderdeel van het tweede boek is de hoge frequentie waarmee licht samen met warmte voorkomt. Beide kunnen inwerken op de ziel, waarbij de warmte consequent samenhangt met minne of karitate.

Bij de passage over de bron met drie rivieren (waarbij de rivieren inwerkingen zijn van God door middel van genade op de geestelijke vermogens van de mens) wordt naast de invalsplaats van licht, ook die van warmte gespecificeerd: met de tweede rivier komt er licht in de rede, met de derde rivier komt er hitte in de wil.

De memorie wijkt af van de andere twee geestelijke vermogens: de mens kan verheven worden in zijn memorie als er eenvuldigheid heerst in zijn geest.

Over het licht wordt expliciet gezegd dat, hoewel het God behoort en Hij er over beslist, de mens dit altijd al bezit. Dit licht maakt het de mens mogelijk om geestelijk waar te nemen, te zien, God te beschouwen en inzicht te krijgen in God en in zijn eigen gelijkenis met God. De vraag ligt voor de hand of de mens ook de geestelijke warmte niet al altijd bezit. Hoewel het de wil is die wordt verhit, resulteert dit in een bepaalde gevoelsgesteldheid, namelijk liefde.


Zoals God Zich met licht en warmte tot de mens (achtereenvolgens tot zijn rede en zijn wil) kan richten, kan de mens op zijn beurt zich tot God richten. Ook dit kan Ruusbroec beschrijven met termen van licht en warmte, waarbij hij echter duidelijker een 'hiërarchie' onderscheidt.

Het licht dat zich in het verstand bevindt, het geschapen licht, schiet te kort om God te begrijpen. Maar waar de rede faalt, neemt de minne, die blind is, het over. Ruusbroec noemt hier alleen de minne, maar hiervoor is al zo duidelijk aan de orde geweest dat minne samenhangt met hitte, dat er vanuit gegaan mag worden dat de mens zich door middel van zowel licht (rede) als warmte (minne) tot God kan richten. Daarbij is het licht de weg die de mens tot God leidt en is het de warmte die de mens één maakt met God.

Wat betreft de eenwording geldt: naarmate de ziel gelijkvormiger is aan God, is eenheid met Hem vollediger mogelijk. Hoe meer de mens verlichting van zijn verstand, verhitting van zijn wil en liefde, en eenvuldigheid van zijn geest realiseert, hoe meer hij God gelijkt. Voor de menselijke ziel bij wie het verstand is opgelicht en de wil of het gevoel is verhit tot het niveau van het goddelijke licht en de goddelijke warmte, is de meest optimale eenwording mogelijk.


Zoals nu bij de menselijke ziel te differentiëren is waar licht en waar warmte gesitueerd worden, is dat ook het geval bij de drie-eenheid die God is.

De Vader staat voor de eenheid, de Zoon vertegenwoordigt het waarnemen en de rede en de Heilige Geest de minne. Nu is opmerkelijk dat bij het uitdrukken van dit onderscheid in licht- en warmteterminologie, de Heilige Geest in verband staat met ontvonken en branden (hitte), de Zoon met het licht (tot zover voldoet het aan de verwachting) en dat de eenheid in verband staat met donker.

Zoals de genade (die zich door licht èn warmte kenmerkt) voortdurend stond voor werkzaamheid, zowel naar binnen als naar buiten gericht, staat de duisternis voor rust, in on-wijze zijn en genieten.


De lezer van de Brulocht moet er op bedacht blijven dat Ruusbroec zijn inzichten in de drie-eenheid, in de verhouding mens-God, in de vermogens van de ziel en de samenhangen binnen en tussen al deze dingen, die hij allemaal met licht en warmte kan beschrijven, niet in een keurslijf heeft geperst.

Er is een globaal systeem in te ontdekken, maar dit wordt nergens zo dwingend dat Ruusbroec hier voortdurend binnen moet blijven; of wellicht is het, hoewel hij vanuit dit systeem heeft gewerkt, niet volledig en/of bewust uitgewerkt binnen de Brulocht. Deze veronderstellingen worden gesteund door het feit dat Ruusbroec, hoewel hij voortdurend werkt met het 'licht- en warmtesysteem', dit nergens expliciet uiteenzet.

Er zijn verschillende voorbeelden te geven van (schijnbare) inconsequenties. Hoewel Ruusbroec uitgebreid uiteen heeft gezet dat genade wordt gekenmerkt door licht in de rede en warmte in de wil, die hierdoor in minne ontvonkt, kan hij toch op vele plaatsen genade en minne nevengeschikt gebruiken. Blijkbaar valt minne niet zo ondubbelzinnig onder de genade dat deze ongenoemd kan blijven.

Een ander voorbeeld is dat de Zoon de rede vertegenwoordigt en vele malen expliciet wordt gekarakteriseerd met licht en dat de Heilige Geest de minne vertegenwoordigt, maar vrijwel niet met warmte wordt benoemd. De Heillige Geest wordt daarnaast veelvuldig in verband gebracht met eenmaking (binnen de drie-eenheid), terwijl juist eenheid als kenmerk duidelijk wordt toegekend aan de Vader, die met donkertermen wordt beschreven en absoluut nergens met warmte.


Toch is er duidelijk een structuur te onderscheiden wat betreft licht-, warmte- en donker-thematiek en maakt Ruusbroec hier over het algemeen consequent genoeg gebruik van om deze uit zijn tekst te kunnen destilleren. De bevindingen verkregen door de analyse van het tweede boek, het Innige leven, zijn nergens in tegenspraak met de gevolgtrekkingen en conclusie in paragraaf 3.2.b, bij het Werkende leven.

Wel kan de conclusie worden uitgebreid naar aanleiding van wat er bij deze analyse is geconstateerd. De genade van God is een kracht die zich, naast geestelijk licht, kenmerkt door geestelijke warmte. Zoals licht samenhangt met het waarnemen en de rede, wordt ook de warmte op tweeërlei wijze betrokken op de ziel, namelijk op de wil als geestelijk vermogen en op de gevoelsgesteldheid of gevoelstoestand (de liefde) van de ziel (de memorie wordt buiten beschouwing gelaten binnen deze thematiek, deze staat voor eenheid).

In deze samenhang wordt de licht- en donkerthematiek ook betrokken op de drie-eenheid: de Zoon vertegenwoordigt de rede en het schouwen en wordt gekenmerkt door licht; de Heilige Geest vertegenwoordigt de minne (of de minnende kracht, de wil) en wordt gekenmerkt door warmte; de Vader vertegenwoordigt de eenheid en wordt gekenmerkt door duisternis. Het licht en de warmte staan voor werkzaamheid, de duisternis voor genietende rust.

Zo is het beeld en de gelijkenis waarmee de mens naar God is geschapen te concretiseren en de groei naar grotere gelijkenis te definiëren en de zin en noodzaak ervan te verklaren: hoe meer de mens gelijk wordt aan God, in eenheid van zijn geest, in verlichting van zijn verstand en schouwen en in verhitting van zijn wil en vermogen tot liefhebben, hoe optimaler eenwording met God mogelijk is.



3.4 Het Godschouwende leven


Het derde boek van de Brulocht is opvallend veel korter dan het eerste en tweede boek: het telt slechts 259 versregels. Toch heeft Ruusbroec het precies zo onderverdeeld als de eerste twee boeken, in vier onderdelen volgens het leidmotief 'Ziet, de Bruidegom komt, gaat uit om Hem te ontmoeten'.

Opvallend is (zie bijlage 5) dat in ieder onderdeel lichttermen zijn gebruikt. Wat daarnaast opvalt (zie hiervoor het schematische overzicht in par. 3.1) is het relatief veelvuldige voorkomen van donkerterminologie.

In het Innige leven was al duidelijk geworden dat Ruusbroec de eenheid van de godheid met donkertermen kan beschrijven; wellicht dat dat de donker-terminologie in het Godschouwende leven, de hoogst bereikbare mystieke fase, zal kunnen verklaren.



3.4.a Analyse


Ziet

Geen mens kan de Godschouwende fase in het mystieke leven op eigen kracht bereiken; hij kan er alleen toe verkozen en tot verheven worden door God Zelf. Hiertoe behoort op de eerste plaats: 'eenen overweselijcken scouwene in godlijcken lichte ende na die wise gods' (r. c7-8). Met het verstand of met welke oefening ook is het niet te bereiken, 'maer die god in sinen gheeste vereenighen wilt ende met hem selven verclaren, hi mach gode bescouwen ende niemen meer' (r. c12-14).

Ruusbroec herhaalt hier de drie-eenheid van de godheid: 'Die verborghene godlijcke natuere die es eewich werkelijc, scouwende ende minnende na wise der persone, ende altoes ghebrukende in eenen omvanghe der persone in eenicheit des wesens' (r. c14-17).

Binnen de drieheid wijkt de Vader af van de andere twee Personen: de Vader is de oorsprong en het begin van al het werk.

De hemelse Vader wil dat de mens geestelijk ziende wordt, want Hij is de Vader van het licht:

'Want die hemelsche vader wilt dat wij siende sijn, want hi es een vader des lichts. Ende hieromme spreect hi eewelijcke, sonder middel ende sonder onderlaet, in die verborghenheit ons gheests een eenich grondeloes woort ende niet meer. Ende in desen worde spreect hi hem selven ende alle dinc. Ende dit woort en ludet anders niet dan: "Siet"; ende dit es die uutganc ende die gheboert des soens des eewichs lichts, daermen alle salicheit in bekint ende siet' (r. c46-52).

Het woordt 'ziet' dat God spreekt in de verborgenheid van de geest, is de geboorte en het uitgaan van de Zoon, het eeuwige licht. Al in de hierop volgende zin wordt dit licht genoemd 'godlijcken lichte' (r. c53-54). In dit goddelijke licht kan de geest zonder middel God met Gode beschouwen.

Hiertoe moet hij deugdzaam zijn, zonder tegelijkertijd hierdoor te worden gehinderd, hij moet God inwendig menen en (als een gloeiend vuur) beminnen, en hij 'moet hem selven verloren hebben in een onwise ende in een duysternisse daer alle scouwende men-schen ghebrukelijcke in verdoelt sijn' (r. c64-66).

Hier zal Ruusbroec doelen op de eenheid van de godheid, die hij in het Innige leven al enkele keren heeft beschreven als een duisternis. In de 'afgront deser duysternissen' (r. c67) begint de openbaring van God. In deze duisternis schijnt en wordt geboren een 'ombegripelijc licht, dat es de sone gods' (r. c70) en in dit licht wordt men ziende.

Dit goddelijke licht krijgt nergens het predikaat 'geschapen' mee, zoals hiervoor vaak werd gebruikt met betrekking tot het licht in het verstand. Dit is het Woord dat wordt geboren uit de duisternis, waarin God Zichzelf en alle dingen uitspreekt. Het heeft nog een bijzondere eigenschap, die we hiervoor nog niet zijn tegengekomen: dit goddelijke licht wordt gegeven in de eenvuldigheid van de geest, deze klaarheid is in feite God Zelf en de mens 'hi wert die claerheit selve sonder onderlaet die hi ontfeet' (r. c76-77).

Op dit niveau van mystieke ontwikkeling wòrdt de mens de klaarheid die hij ziet. Ruusbroec herhaalt het nog eens: de klaarheid is zo groot dat de 'minnende scouwere' niets ziet of voelt dan het onbegrijpelijke licht en zo 'vint hi ende ghevoelt dat selve licht daer hi met siet, ende niet anders' (r. 81-82). Hier zal Ruusbroec in het onderdeel 'Gaat uit' nogmaals op in gaan.



De Bruidegom komt

De komst in het Godschouwende leven is een nieuwe geboorte van het Woord en een nieuwe, onophoudelijke verlichting. De grond waar de klaarheid uit schijnt en die zelf de klaarheid is, is levend en vruchtbaar en hierdoor wordt de openbaring van het eeuwige licht in de verborgenheid van de geest voortdurend vernieuwd.

Tot nu toe zette het licht de mens altijd aan tot werkzaamheid, maar in dit stadium moet al het schepselijke werk en alle deugdenbeoefening achter-wege blijven: 'hier werket god hem selven alleene' (r. c93-94). Voor de mens rest niets anders dan

'een eewich scouwen ende staren dat licht metten lichte ende inden lichte' (r. c95-96).

Uiteindelijk brengt de Bruidegom in zijn onophoudelijke komst Zichzelf en door het voortdurend blijven schouwen en het volledige openstaan, wordt de geest zelf de wijdheid die hij omvat.



Gaat uit

Door de minne is de mens in staat de rijkdom die God van nature is, te bezitten; door de minne is hij

'uutghegaen in minlijcker ontvlotentheit in onwisen ende in demsterheiden. Daer es de gheest in eenen omvanghe der heiligher drivuldicheit, eewelijcke inblivende in die overweselijcke eenicheit in rastene ende in ghebrukelijcheiden' (r. c118-121).

Door middel van de minne kan de mens tot eenheid met de goddelijke drie-eenheid geraken en genietend in de liefdeseenheid mee worden opgenomen. De eenheid van de godheid kenmerkt zich door duisternis en heeft op de mens een uitwerking van genietende rust.

In de goddelijke eenheid ontstaat een begin zonder begin. De almachtige Vader is vruchtbaar en vanuit Hem is de Zoon uitgegaan, die het eeuwige Woord van de Vader is. Met Zijn uitgaan, zijn alle schepselen uitgegaan:

'Soe heefse god aenghesien ende bekint in hem selven, met ondersceede in levenden redenen, ende in eere anderheit sijns selfs; doch niet een ander in alre wijs: want al dat in god es, dat es god' (r. c132-135).

Dit verklaart hetgeen hierboven aan de orde kwam, dat de mens de goddelijke klaarheid wordt die hij ziet. Met de geboorte van de Zoon zijn alle schepselen uitgegaan. Elk als een ander dan God Zelf, maar niet in alle opzichten een ander, want al wat in God is, is God. Door het wezenlijke eenzijn van de ziel met God en het uitvloeien tot een anderheid met de Zoon, is de mens zozeer aan God gelijk dat

'hi hem sonder onderlaet bekint ende herbeelt in deser ghelijcheit na wesene ende na personen' (r. c144-145).

De mens is gemaakt naar het beeld en de gelijkenis van de drie-eenheid en God wil van de mens dat deze uitgaat in het 'godlijcken lichte' (r. c156). De grond van dit eeuwige beeld is in duisterheid en zonder wijze, maar hieruit schijnt ongemeten klaarheid, die de verborgenheid van God in wijzen openbaart.

En vervolgens herhaalt Ruusbroec wat hij hierboven bij het onderdeel 'Siet' al heeft beweerd: alle schouwende mensen 'die sijn een met deser godlijcker claerheit, ende si sijn die claerheit selve' (r. c172-173). Door één te worden met het goddelijke licht, bereikt de schouwende mens zijn eeuwige Beeld, waartoe elk mens geschapen is:

'soe werden si ghetransformeert ende een met dien selven lichte daer si met sien ende dat si sien. Ende alsoe hervolgen die scouwende mensche hare eewighe beelde daer si toe ghemaect sijn, ende bescouwen gode ende alle dinc sonder ondersceet in eenen eenvuldighen siene in godlijcker claerheit' (r. c181-185).

Deze mens is dan verlicht met goddelijke waarheid en gaat uit in goddelijk schouwen.



Om Hem te ontmoeten

Ruusbroec herhaalt kort op welk punt de mens is gekomen in het Schouwende leven, waarmee hij toe is aan de ontmoeting op het hoogste niveau:

'Alse die innighe scouwende mensche aldus vervolcht hevet sijn eewich beelde, ende in deser luterheit, overmids den sone, beseten hevet den scoot des vader, soe es hi verclaert met godlijcker waerheit. Ende hi ontfeet die eewighe ghebort alle uren nuwe, ende hi gheet ute na wise des lichts in een godlijc scouwen. Ende hier ontsprinct dat vierde poent ende dat leste, dat es een minlijc ontmoet, daer onse hoochste salicheit bovenal in gheleghen es' (r. c205-211).

Tot nu toe heeft in het derde boek het licht sterk op de voorgrond gestaan; de warmte is in het Godschouwende leven onderbelicht gebleven. Toch is er meer dan de Zoon, het licht, de waarheid en het schouwen: in het laatste onderdeel benadrukt Ruusbroec sterk de liefde.

Het uitgaan van de schouwende mens omvat niet alleen het goddelijke schouwen in goddelijk licht, maar moet ook gebeuren in liefde. Dit is zelfs heel belangrijk, want alleen door de minne kan de mens zijn geschapenheid overstijgen en de weelde van God smaken:

'Dit uutgaen des scouwenden menschen es oec minlijc. Want overmids ghebrukelijcke minne lidet hi sine ghescapenheit, ende vendet ende ghesmaect die rijcheit ende die welde die god selve es ende vloeyen dooet sonder onderlaet in die verborghenheit des gheests, daer hi steet ghelijc der eedelheit gods' (r. c199-204).

Uit de ontmoeting tussen de Vader (de oorsprong of de levende grond) en de Zoon (de wijsheid), ontspringt de Heilige Geest, hun beider minne. Deze minne omvat en doordringt 'werkelijc ende ghebrukelijc' de Vader en de Zoon en al wat in hen beiden leeft. In de inleiding van het Godschouwende leven had Ruusbroec de drie-eenheid als volgt beschreven:

'Die verborghene godlijcke natuere, die es eewich werkelijc, scouwende ende minnende na wise der persone, ende altoes ghebrukende in eenen omvanghe der persone in eenicheit des wesens (r. c14-17).

De drie Personen zijn werkend in schouwen en minnen, en genietend in eenzijn. Duidelijk is dat de minne 'werkend' kan voorkomen in de drie Personen, in het bijzonder gesitueerd in de Heilige Geest, en dat het 'gebrukelijk' kan voorkomen in de genietende eenheid. Deze eenheid is steeds omschreven met het begrip duister, waardoor het volgende beeld van de minne ontstaat.

Enerzijds is de minne onderdeel van de activiteit van de drievuldigheid; deze wordt dan gesitueerd in de Heilige Geest en komt voort uit het ontmoeten van Vader en Zoon. De minne heeft een eenmakende werking binnen de drie-eenheid.

Anderzijds hangt de minne in de eenheid samen met rust, genieten en duisternis. Deze duisternis hangt echter weer nauw samen met het licht: hieruit wordt het licht, het woord geboren.

Dit beeld komt overeen met wat er voor de minne van de mens geldt: waar het geschapen licht tekort schiet, neemt de minne het over; en licht is de weg tot God en de minne maakt de mens één met God.

Ruusbroec stelt duidelijk dat het onderscheid tussen werken en gebruken niet zo strikt is; in feite zijn het twee aspecten van één en dezelfde ontmoeting:

'Nu es dit werckelijc ontmoet ende dit minlijcke omhelsen in sinen gronde ghebrukelijc ende sonder wise' (r. c237-238).

Deze grond van God is duister en zonder wijzen; hier rest alleen nog het genieten boven alle wijzen in eenheid, waarbij alle dingen in een grondeloze wieling worden omvat. De Personen en al wat in God leeft moeten hier wijken, de grond zelf blijft eeuwig onomgrepen en er is niets anders dan eeuwige rust in een genietende omhelzing in minne. Dit is de donkere stilte.

Ruusbroec besluit:

'Dat wij ghebrukelijcke besitten moeten die weselijcke eenicheit, ende eenheit claerlijke beschouwen in drieheit, dat gheve ons die godlijcke minne' (r. c256-258).




3.4.b Gevolgtrekkingen


Ruusbroec komt in het Godschouwende leven uitgebreid terug op de drie-eenheid, de verhoudingen van de Personen daarbinnen en de verhouding tot de mens, die naar beeld en gelijkenis ervan is geschapen.

De oorsprong van de drie-eenheid is de Vader als scheppende kracht. Vanuit deze vruchtbare of levende grond ontstaat een begin zonder begin. De Vader spreekt één woord en dit is het uitgaan van het goddelijke licht, de geboorte van de Zoon. Dit licht wordt geboren en schijnt in de duisternis.

Uit de ontmoeting tussen Vader en Zoon ontspringt de Heilige Geest, de minne. Deze minne omvat en doordringt werkelijk en gebrukelijk de Vader, de Zoon en al wat in hen beiden leeft. De drievuldigheid is enerzijds werkelijk in schouwen en minnen (volgens de Personen) en anderzijds gebrukelijk in genietende rust (volgens de eenheid).


Met het uitgaan van de Zoon zijn alle schepselen uitgegaan; elk als een ander dan God Zelf, maar niet in alle opzichten een ander, want al wat in God is, is God. De mens is hierdoor zozeer aan God gelijk, zowel naar wezen als naar personen, dat de mens één kan worden met het goddelijke licht en zo het beeld waartoe hij is geschapen kan bereiken.

De Godschouwende mens wòrdt zelf de klaarheid en de wijdsheid die hij ziet; hij is dan verlicht met goddelijke waarheid en gaat uit in goddelijk schouwen.


Daarnaast moet het uitgaan van de mens gebeuren in liefde. Alleen door middel van de liefde kan de schouwende mens tot eenheid met de goddelijke drie-eenheid geraken. Door de liefde overstijgt hij zijn geschapenheid en kan hij de rijkheid en de weelde van God smaken.

Dit komt volledig overeen met wat uit het Innige leven was gebleken: het licht brengt de mens tot God, de liefde maakt de mens één met God.

Binnen de drie-eenheid komt liefde enerzijds werkelijk voor (in de Personen) en anderzijds gebrukelijk (in de eenheid). In tegenstelling tot het licht, dat altijd op activiteit duidt, kan minne dus ook een kenmerk zijn van rust en kan het zo worden verbonden met donker.



3.5 Slotsom


Met het hiervoor uitgewerkte onderzoek naar lichtthematiek in Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec kunnen enkele vragen worden beantwoord. Deze vragen zijn bij het onderzoek naar het werk van Hadewijch ook aan de orde gekomen.

Wat is de betekenis van de lichtthematiek die in de Brulocht voorkomt? Hoe functioneert deze thematiek? Hoe gebruikt Ruusbroek de verschillende termen en de thematiek als geheel en wat kan hij er mee beschrijven? In hoeverre wordt de thematiek gedurende het boek als geheel uitgebouwd?

Worden de gevolgtrekkingen die bij de analyse van de drie levens zijn gemaakt naast elkaar gelegd, dat ontstaat er een consistent beeld met een duidelijke opbouw van de lichtthematiek in de Brulocht. Ruusbroec lijkt geen onderscheid naar betekenis te maken tussen de verschillende termen die hij binnen deze thematiek gebruikt.


In het eerste boek gebruikt hij alleen het nomen 'licht' en kan hij de verschillende soorten licht die hij onderscheidt, specificeren met behulp van adjectieven. In het tweede en derde boek maakt hij naast 'licht' ongeveer even veelvuldig gebruik van het begrip 'claerheit'. Van strak gescheiden betekenisverschillen is mij niets gebleken. Ruusbroec kan dezelfde adjectieven aan beide begrippen verbinden (bijvoorbeeld 'goddelijk') en hij kan ook van het ene begrip in de volgende zin op het andere overstappen.

Wel lijkt hij in sommige gevallen een voorkeur te hebben voor een van de twee termen, hoewel er steeds ook uitzonderingen te vinden zijn. Ruusbroec lijkt een lichte voorkeur te hebben voor het begrip 'claerheit' in verband met de goddelijke grond. Enkele vaste verbindingen zijn 'licht der genade', 'licht des geloofs' en 'geschapen licht' in het verstand.

Bij de drie nomina die naar donker verwijzen is ook geen strikte scheiding te maken naar gebruik en betekenis. Het begrip 'duusternesse' komt zowel in het tweede als derde boek voor. In het derde boek wordt het alleen gebruikt om de duisternis van de godheid aan te geven en in deze betekenis komt het ook voor in het tweede boek. Maar daarnaast heeft het in het tweede boek verschillende keren de betekenis van afwezigheid van licht, het ontbreken van de genade.

Het adjectief 'duuster' verwijst de beide keren dat het wordt gebruikt naar de godheid. Het nomen 'deemsterheit', dat alleen in het derde boek twee keer voorkomt, benoemt steeds de grond of de eenheid van de godheid. Het is de vraag of Ruusbroec het bewust alleen in deze betekenis heeft gebruikt. Als hij vaker voor deze term had gekozen, was wellicht gebleken dat hij ook de negatieve lading aan het begrip had kunnen meegeven. De term komt nu te sporadisch voor om er harde conclusies op te baseren.

Het begrip 'donkerheit' lijkt op het eerste gezicht ook consequent gebruikt: de drie keer dat het in het tweede boek voorkomt is het steeds in oppositie met licht. Het adjectief 'donker' kan echter, de ene keer dat het in het derde boek voorkomt, wel degelijk verwijzen naar de goddelijke afgrond. Ook hier is het weer de vraag in hoeverre Ruusbroec er bewust voor heeft gekozen om 'donkerheit' alleen in het tweede boek en alleen in de negatieve betekenis te gebruiken.

Het lijkt mij dat bij het eventueel maken van onderscheid naar betekenis, er alleen kan worden gesproken over voorkeur en niet over een absoluut en consequent onderscheid.


Ruusbroec kan de verschillende soorten licht die hij gebruikt, onderscheiden door middel van adjectieven en hierin is hij heel consequent. Hierdoor ontstaat er een duidelijk uitgewerkte lichtthematiek, die in een vast verband staat met de er mee samenhangende hitte- en donkerthematieken. Samen fungeren deze op verschillende psychische en geestelijke niveaus.

Hoewel al eerder is opgemerkt dat het systeem van lichtthematiek niet dwingend is in het gebruik, kan er uit de tekst van de Brulocht toch een 'lichtsystematiek' worden gedestilleerd. Hoewel schematische overzichten vaak de werkelijkheid simplificeren, geven ze ook overzicht en houvast voor het begrijpen van een ingewikkeld systeem.


Op de eerste plaats de onderverdeling van het licht zelf. Hier lijken verschillende op elkaar volgende toestanden van één en hetzelfde (namelijk: van God afkomstig geestelijk) licht mee te kunnen worden weergegeven. Het licht dat zich in God bevindt, die de bron van het licht is, wordt goddelijk licht genoemd. Het van God naar de mens uitstralende licht heet het licht van Gods genade. Het licht dat zich in de rede bevindt, is geschapen licht.

Dit is geestelijk licht in tegenstelling tot het stoffelijke, uitwendige licht dat zich in de buitenwereld bevindt en met onze stoffelijke ogen waar te nemen is.



Schema




Dit simpele beginschema aan de hand van de te onderscheiden soorten licht, is op vier punten uit te werken wat betreft lichtthematiek. Op de eerste plaats is dit de manier waarop God Zich tot de mens richt door middel van genade (zie schema II). Op de tweede plaats kan ook de manier waarop de mens zich op zijn beurt tot God richt in licht (en aanverwante) termen worden beschreven (zie schema III).

Op de derde plaats kan het innerlijk van de mens, zijn psyche, worden gespecificeerd door middel van licht- en warmtetermen (zie schema III). En op de vierde plaats kunnen ook de innerlijk-trinitaire verhoudingen, het drie-ene goddelijke leven, met licht- en aanverwante termen worden beschreven en verduidelijkt (zie schema IV).

Deze vier punten hangen zeer nauw met elkaar samen en wellicht is het ene punt zonder het andere niet te begrijpen; de volgende drie schema's mogen dan ook niet los van elkaar worden gezien, maar verduidelijken elkaar en vullen elkaar aan.


God kan inwerken op de ziel als die de juiste geestesgesteldheid heeft; dit noemt Ruusbroec genade. De genade van God is een kracht, die zich kenmerkt door geestelijk licht en geestelijke warmte. Beide hebben een tweeledige werking op de ziel: licht werkt in op het waarnemen en de rede, warmte op de gevoelsgesteldheid en de wil.

Het waarnemen en de gevoelsgesteldheid ontbreken in het schema, omdat deze in de middeleeuwse visie geen op zichzelf staande geestelijke vermogens zijn; hoewel Ruusbroec ze voortdurend apart behandelt, vallen ze achtereenvolgens onder de rede en de wil.

De genade zet aan tot werkzaamheid (vruchtbaarheid) die naar binnen en naar buiten gekeerd kan zijn.



Schema




Bij de reactie van de mens noemt Ruusbroec niet zozeer de wil, maar heeft hij het consequent over 'minne'. Deze reactie is als het ware hiërarchisch: het geschapen licht van de rede streeft naar God, maar kan Hem niet bevatten. De minne neemt het van de rede over en maakt de mens één met God. Het licht is de weg naar God toe, maakt de mens gelijk aan God; de minne maakt één met God.



Schema




Dit licht (en deze warmte) in de mens kan tot een hoger niveau groeien; in het Godschouwende leven kan zelfs het niveau van het goddelijke licht worden bereikt. Hoe meer de mens God heeft benaderd, in verlichting van zijn verstand, verhitting van zijn wil en eenheid in zijn geest, hoe meer de mens God gelijkt en hoe optimaler eenwording met God mogelijk is.

Maar dit laatste kan nooit, zelfs in dit stadium niet, door het licht gebeuren: altijd is het de liefde die een maakt.


Binnen de goddelijke drie-eenheid zijn de Personen door middel van licht en warmte te differentiëren. Wat bij de psyche van de ziel nog niet aan de orde is geweest, wordt bij de godheid uitvoerig besproken: de eenheid kan worden beschreven in donkerterminologie en staat voor genietende rust.

Wat bij de mens wel naar voren is gekomen, is dat hij in zijn memorie kan worden verheven als er eenheid heerst in zijn geest. Deze eenheid wordt nergens met activiteit verbonden, dit begint pas bij de vermogens, maar Ruusbroec gebruikt geen donkertermen om de memorie mee te beschrijven. Integendeel, in de eenheid wordt het licht uit het verstand mee opgenomen als een eenvuldig licht.

Het innerlijk-trinitaire leven is naast licht- en warmtetermen te beschrijven met donkertermen.


De overeenkomst tussen het laatste en het voorlaatste schema is overduidelijk. Het is niet voor niets dat Ruusbroec het beeld en de gelijkenis waarnaar de mens is geschapen en het streven naar en het bereiken van het beeld in lichttermen kan uitdrukken.

In de geestelijke vermogens van de mens zijn de Personen van de goddelijke triniteit weerspiegeld. De Vader als levende grond en begin zonder begin ontbreekt (móet ontbreken) in de psyche van de mens. Dit is God als Schepper en dit is nu precies hetgeen een eeuwig onderscheid maakt tussen mens en God.

Op psychisch niveau is de rede naar het beeld van de Zoon en de wil naar het beeld van de Heilige Geest (en de memorie is naar de eenheid). De concrete invulling ervan is achtereenvolgens de waarheid of wijsheid en de liefde. Op geestelijk niveau kan Ruusbroec het achtereenvolgens weergeven met licht en warmte. En op mystiek niveau kan het licht van de mens het niveau van het goddelijke licht bereiken en kan de minne de mens vervolgens eenmaken met God.


Met deze vier niveaus, psychisch, geestelijk, concreet en mystiek, is heel genuanceerd over mystiek gedachtengoed te praten. Een voorbeeld van een toepassing is het verband dat Augustinus legt tussen de twee bijbelse uitspraken 'God is licht' en 'God is liefde' (zie het einde van par. 1.2.a). Hij stelt hierbij licht en liefde aan elkaar gelijk. Vanuit het systeem dat uit Ruusbroecs gebruik van licht en warmte te destilleren is, kun je tot een genuanceerdere interpretatie komen.

De werkzaamheid van God is enerzijds in de Zoon die geestelijk gezien door licht wordt gekenmerkt en anderzijds in de Heilige Geest die geestelijk gezien door warmte wordt gekenmerkt. De betekenis van licht is op concreet niveau wijsheid (of waarheid) en de betekenis van warmte is op concreet niveau liefde.

Naar aanleiding van de twee bijbelverzen is licht niet simpelweg aan liefde gelijk te stellen: het zijn twee verschillende kenmerken of uitvloeiingen van God die op een ander niveau benoemd zijn (de eerste namelijk op geestelijk, de tweede op concreet niveau). Wel komen beide voort uit of beter gezegd, zijn beide aspecten van een en dezelfde goddelijke kracht.

Hierbij moet worden aangetekend dat deze interpretatie nergens zo door Ruusbroec wordt gegeven. Het is een toepassing die is afgeleid van zijn gebruik van licht en warmte.




[einde van Hoofdstuk 3]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘‘Dat donkere verlichte alle dinc’. Lichtthematiek en de daarmee samenhangende donker- en warmtethematiek in de teksten van de middeleeuwse mystici Hadewijch en Jan van Ruusbroec’ (doctoraalscriptie, 1996). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Scriptie Hadewijch en Ruusbroec
  Woord vooraf
  Inhoudsopgave
  Inleiding
  H1 - De lichte middeleeuwen
  H2 - Lichtthematiek bij Hadewijch
  H3 - Lichtthematiek bij Ruusbroec   ↑
  Synthese
  Literatuur
  Bijlagen: Overzicht terminologie