RozemarijnOnline




Hadewijch en Ruusbroec

“Dat donkere verlichte alle dinc”

doctoraalscriptie
1996































Doctoraalscriptie Vakgroep Nederlandse taal- en letterkunde

Faculteit der Letteren, Universiteit Utrecht

Onder begeleiding van prof.dr. W.P. Gerritsen, 1996




Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De Génestet
- De brulocht
- Het tabernakel

klik hiervoor op: Historische letterkunde






‘Dat donkere verlichte alle dinc’

Lichtthematiek en de daarmee samenhangende donker- en warmtethematiek in de teksten van de middeleeuwse mystici Hadewijch en Jan van Ruusbroec.

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1996)



 



Inleiding


  In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op de afgrond; en de Geest Gods zweefde over de wateren. En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht. En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.
Genesis 1:1-4.


In de eerste regels van het bijbelboek Genesis, wat letterlijk ‘oorsprong’ [1] betekent, wordt het begin van de schepping verhaald. De begintoestand wordt gekenmerkt door woestheid, ledigheid en duisternis. Dan spreekt God en in Zijn woorden ligt scheppingskracht besloten. Het eerste wat God zegt in de bijbel, het eerste wat zich volgens Zijn Woord manifesteert, is licht. Vanuit de ledigheid en de duisternis in de afgrond spreekt God en schept daarmee het licht. Hij scheidt het licht van de al bestaande duisternis en hiermee heeft de schepping een aanvang genomen.

Het christendom is niet de enige godsdienst waarin het licht een rol van betekenis speelt: nagenoeg alle religies in de wereld hebben ‘in hun beschouwingen omtrent het ’hogere’ aan het lumineuze een plaats van betekenis toegekend’. [2] Reynaert stelt in zijn artikel over de licht- en donkerthematiek bij Hadewijch, dat het licht een vrijwel universele symboliek van goddelijke aanwezigheid, werking of genade kent.

Direct waarschuwt hij er voor dit niet als absoluut te beschouwen: ‘door de mystici wordt de gelijkstelling van licht en godheid heel wat minder als een absolute evidentie gepresenteerd dan in de plastische kunsten veelal het geval is’. [3] In vergelijking met de picturale kunst, is de traditie van lichtthematiek in de literatuur veel complexer door gebruikmaking van metaforische en filosofische aspecten: ‘bij een individueel auteur kunnen dan ook talrijke en soms tegenstrijdige elementen uit die traditie naast elkaar aan het werk zijn’. [4]



1. Vragen omtrent lichtthematiek bij Hadewijch en Ruusbroec


Deze eeuwenoude lichtthematiek uit de religieuze, filosofische en mystieke literatuur, die volgens Reynaert ‘uiteindelijk terugreikt tot de oorsprong van de menselijke cultuur’ [5], is ook terug te vinden in het werk van de middeleeuwse mystici Hadewijch (13de eeuw) en Jan van Ruusbroec (1293-1381). Hoe gaan deze twee auteurs, die als de grootste mystieke schrijvers van het Nederlandse taalgebied worden beschouwd, met deze lichtthematiek om? In hoeverre maken zij op hun eigen manier gebruik van deze thematiek en geven zij er hun eigen specifieke betekenis aan?

Beide auteurs schreven in het Middelnederlands, beide beschreven de opgang van de ziel tot God en de mystieke ervaring, en een voor de hand liggende vraag is in hoeverre hun benadering van de lichtthematiek overeenkomt. Anderzijds is de vraag in hoeverre hun benadering verschilt minstens even interessant: er ligt ongeveer een eeuw tussen beide auteurs, daarbij functioneerden hun teksten in een ander milieu, waren voor een andere doelgroep geschreven.

Hadewijch kan worden gesitueerd in de vroege begijnenbeweging: individueel in de wereld levende godsvruchtige vrouwen, die zich in de loop van de 12de eeuw beginnen te organiseren tot groepen, waarbij Hadewijch waarschijnlijk een leidinggevende rol speelde. [6] Ruusbroec daarentegen behoort tot de clerici; hij is op 24-jarige leeftijd tot priester gewijd en wordt op latere leeftijd een reguliere kanunnik. [7]

Tot slot is het de vraag of invloed van Hadewijch op Ruusbroec aannemelijk te maken is aan de hand van het gebruik van lichtthematiek. Hoewel Ruusbroec het nergens expliciet aangeeft, is het waarschijnlijk dat hij de teksten van Hadewijch heeft gekend. [8]



2. De met het licht samenhangende donker- en warmtethematiek


Hadewijch maakt slechts sporadisch gebruik van lichtthematiek. Ruusbroec daarentegen gebruikt het zeer consequent: in zijn hoofdwerk Die geestelike brulocht komen in elk van de vier onderdelen van de drie levens (of drie boeken) waarin de Brulocht is onderverdeeld, lichttermen voor. Blijkbaar acht Ruusbroec in ieder stadium van de mystieke opgang van de ziel naar God het gebruik ervan zinvol of noodzakelijk. Kennelijk is het licht op een bepaalde manier functioneel of adequaat voor het beschrijven van mystiek gedachtengoed: de relatie of opgang van de ziel tot God, eigenschappen van de ziel of kenmerken van God.

Hoewel de frequentie waarmee het licht door Hadewijch en Ruusbroec in hun teksten wordt gebruikt sterk verschilt, valt bij beiden op dat het licht niet op zichzelf staat. Het hangt nauw samen met enkele andere, ermee samenhangende begrippen of thematieken.

Bij beiden kent het een verband met donker. Dit ligt voor de hand, aangezien er in mystieke teksten veel gebruik wordt gemaakt van tegenstellingen en paradoxen. Daarnaast komt licht bij Ruusbroec opvallend vaak voor in combinatie met hitte. Het lijkt mij zinvol, zo niet zelfs noodzakelijk, om bij een onderzoek naar licht ook de thematiek van het donker en de warmte er bij te betrekken om uiteindelijk tot een juist en volledig begrip van de lichtthematiek te kunnen komen.

De vragen die hierboven al zijn gesteld, kunnen op basis van deze constateringen worden aangevuld. Hoe hangt het licht samen met donker en hitte? Zijn deze samenhangen van gelijke aard of juist verschillend? Op welke manier verschilt het gebruik van donker- en hittethematiek bij Hadewijch van dat bij Ruusbroec?



3. Tekstinhoudelijk onderzoek bij Hadewijch


Naar lichtthematiek in het werk van Hadewijch is al verschillende keren onderzoek gedaan door prof.dr. J. Reynaert. [9] Ik heb er voor gekozen om niet alleen af te gaan op zijn bevindingen, maar ook zelf grondig de teksten van Hadewijch te onderzoeken op het gebruik van licht.

Dit op de eerste plaats om deze thematiek vanuit de bron zelf te leren kennen en te begrijpen. Alleen door de bestudering van de oorspronkelijke Middelnederlandse teksten is mijns inziens een puur beeld te krijgen van de inhoud ervan, zonder interpretaties, benadrukkingen of kleuring door latere onderzoekers ervan. Op de tweede plaats krijg je door de teksten zelf te bestuderen een goed beeld van de context waarin de thematiek functioneert.

Ik heb twee soorten teksten van Hadewijch onderzocht, te weten haar visioenen en haar brieven. Vooral de visioenen zijn teksten waarin de godsontmoeting uitgebreid wordt beschreven en zijn daarom het meest interessant om het functioneren van licht in een mystieke tekst te bekijken.

De brieven zijn minder beeldend en zijn reflectiever dan de visioenen, maar hierin zet Hadewijch, soms in tractaatvorm, uitgebreid haar mystieke gedachtengoed uiteen. Hierom lijken ook deze teksten mij onmisbaar bij de studie van lichtthematiek.

De gedichten, zowel de strofische als de mengeldichten, heb ik bij mijn eigen onderzoek buiten beschouwing gelaten, maar deze komen in de paragraaf waarin de studies van Reynaert worden besproken (par. 1.3.1) wel aan de orde.



4. Gebruikte tekstedities Hadewijch


Voor mijn onderzoek naar de visioenen heb ik gebruik gemaakt van de meest recente uitgave ervan, namelijk de tweedelige uitgave van Mommaers: De visioenen van Hadewijch. Vert. en van komm. voorz. door P. Mommaers. Nijmegen, 1979 (2 dln). Deel 15 van de reeks Spiritualiteit.

Ook voor de brieven heb ik gebruik gemaakt van Mommaers’ uitgave: De brieven van Hadewijch. P. Mommaers. Averbode/Kampen, 1990. De regelnummers bij citaten verwijzen dan ook naar deze uitgaven.



5. Tekstinhoudelijk onderzoek bij Ruusbroec


Aan lichtthematiek in het werk van Ruusbroec is tot nu toe in de literatuur weinig aandacht geschonken. Ik heb mijn onderzoek geheel en al op de primaire tekst gebaseerd. Hierbij heb ik Ruusbroecs werk Die geestelike brulocht (hierna steeds afgekort als Brulocht) als onderzoeksmateriaal genomen, aangezien dit beschouwd mag worden als zijn ‘hoofdwerk’: het boek dat de meest uitgebouwde synthese van zijn mystieke leer bevat.

Ruusbroec heeft dit boek zeer gedetailleerd, stap voor stap uitgewerkt en dit maakt het uitermate geschikt om vat te krijgen op de uitbouw van zijn mystieke leer. In het artikel van De Baere over de ontplooiing van mystieke terminologie bij Ruusbroec, stelt deze het volgende:

‘in de keuze en de creatie van zijn termen is hij ongemeen trefzeker. Om deze beoordeling te toetsen is de Brulocht een uitstekend terrein. Van alle werken vertoont dit traktaat de meest systematische en omvattende opbouw. De hele opgang in het mystieke leven wordt er vanaf de aanvang tot de voltooiing nauwkeurig beschreven’. [10]

Van Ruusbroecs werkwijze in de Brulocht is bekend dat hij in de loop van verschillende fasen van de mystieke opgang, zijn mystieke terminologie steeds meer uitdiept: in iedere volgende fase kan de betekenis van een term steeds verder ontplooid, uitgebouwd worden, waarbij de eerdere, nog beperkte betekenis steeds in de latere besloten zit. Moereels noemt dit ‘concentrische behandeling’ en zegt er het volgende over:

‘wij willen de lezer nog attent maken op een particulariteit van Ruusbroecs methode, die alleen uit het grondig bezit van zijn volledige geestelijke visie kan verklaard worden: nl. hoe hij reeds vooraf zekere termen en begrippen aanwendt, die pas geleidelijk tot hun volheid zullen blijken en aanspreken. Het is zijn concentrisch componeren’. [11]

Hij geeft als voorbeelden het geleidelijke uitdiepen van de inlichting van Gods genade, de eenvuldige zuivere mening en de zeven gaven van de Heilige Geest.

Door nauwgezet de tekst van de Brulocht te volgen, zou moeten blijken of en op welke manier Ruusbroec zijn lichtthematiek uitbouwt. Bij mijn uitwerking hiervan zal ik steeds de tekst inhoudelijk blijven volgen, om de lichtthematiek in de context van Ruusbroecs mystieke gedachtengang te kunnen plaatsen en van daar uit de betekenis en het functioneren ervan te kunnen begrijpen.



6. Gebruikte tekstedities Ruusbroec


Voor mijn onderzoek heb ik gebruik gemaakt van de recente wetenschappelijke uitgave: Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht. Tielt/Turnhout, 1988. Dl. 3 van de reeks Opera Omnia.

De regelnummers bij citaten verwijzen dan ook steeds naar deze uitgave, waarbij de ‘a’ verwijst naar het eerste boek (het Werkende leven), de ‘b’ naar het tweede boek (het Innige leven) en de ‘c’ naar het derde boek van de Brulocht (het Godschouwende leven). Bijvoorbeeld: ‘r. b2126’ verwijst naar regelnummer 2126 van het tweede boek.

Daarnaast heb ik voor de interpretatie van de tekst regelmatig gebruik gemaakt van de hertaling van de Brulocht door Moereels: Jan van Ruusbroec, De verhevenheid van de geestelijke bruiloft, of de innige ontmoeting met Christus. Oorspronkelijke tekst met juxta-hertaling door L. Moereels S.J. Tielt, 1989. Naar deze uitgave heb ik in deze scriptie geen enkele keer verwezen, alle citaten komen uit de Opera Omnia-uitgave.



7. Terminologie als invalshoek


Als uitgangspunt om de lichtthematiek in de teksten van Hadewijch en Ruusbroec te bestuderen, heb ik de lichtterminologie die in de verschillende teksten voorkomt genomen. Aan de hand van een inventarisatie van deze terminologie kan een duidelijk beeld worden gekregen van de spreiding van licht over de tekst.

Bovendien zijn op deze manier eventuele betekenisverschillen van de verschillende termen goed op te merken. Het voorkomen van de term ‘claerheit’ naast ‘licht’ en de term ‘deemster’ naast ‘doncker’ roept de vraag op of deze wat betreft betekenis duidelijk van elkaar te scheiden zijn of dat ze door elkaar gebruikt kunnen worden.

Bij Hadewijch was deze aanpak verder noodzakelijk, omdat er geen lijn zit in haar gebruik van lichtthematiek. Hier en daar komt een passage voor waarin zij hiervan gebruik maakt en door de terminologie als invalshoek te nemen had ik een solide basis om systematisch onderzoek te kunnen doen.

Om de lichtterminologie van de brieven te inventariseren heb ik gebruik gemaakt van de ‘Woordenlijst’ achterin de uitgave van Van Mierlo. [12] De woordenlijst bij de visioenen in Van Mierlo’s uitgave bleek te onvolledig om onderzoek op te kunnen baseren. De inventarisatie van de lichtterminologie in de visioenen heb ik op de teksten zelf gebaseerd.

Wat betreft de Brulocht kon ik gebruik maken van de volledige woordenlijst in de Opera Omnia-uitgave (‘Vocabulary’, blz. 639-684).



8. Afbakening terminologie


Het terminologische onderzoek naar de teksten van Hadewijch heb ik beperkt tot licht- en donkertermen. In de inventarisatie heb ik alleen termen opgenomen die direct licht dan wel donker benoemen. De eraan verwante termen, zoals ‘dag’, ‘nacht’, ‘blindheid’ enzovoort komen bij de analyse aan de orde als ze in de directe context van een licht- of donkerterm fungeren.

Hitteterminologie komt bij Hadewijch als zodanig niet voor, vuurterminologie daarentegen behoorlijk vaak. Voor de betekenis van deze vuurthematiek ga ik af op de studie van Reynaert (zie hiervoor de paragraaf waarin de studies van Reynaert worden besproken, 1.3.1). Zie voor een overzicht van de licht- en donkertermen in de volgorde waarin ze in de tekst voorkomen, de bijlagen 1 en 2.

De inventarisatie van Ruusbroecs tekst is veel uitgebreider. Naast licht- en donkertermen heb ik ook de voorkomende vuurtermen, warmtetermen en (als tegenstelling van warmte) koutermen geïnventariseerd. De vuur- en koutermen worden alleen betrokken bij de analyse van de tekst als ze in de directe context van een licht- of warmteterm voorkomen en er inhoudelijk mee samen hangen. Zie voor een overzicht van de licht-, warmte-, vuur-, donker- en kouterminologie, de bijlagen 3, 4 en 5.



9. Verslaglegging van het onderzoek


Het onderzoek begint met een inventarisatie van de verschillende terminologieën, wat duidelijk maakt waar de term voorkomt, hoe frequent de term voorkomt en waar hij niet voorkomt. De volgende stap is contextonderzoek, waar uit moet blijken in welke context(en) de term en de thematiek als geheel voorkomt, hoe het daarin functioneert en waarmee het samenhangt.

Een overzicht hiervan leidt tot betekenisbepaling: wat is de betekenis van verschillende begrippen en van de thematiek als geheel, waarnaar verwijst het, heeft het meerdere betekenissen, verandert de betekenis in de loop van een werk of in verschillende werken, in hoeverre is de thematiek functioneel om iets te beschrijven en wordt de thematiek logisch en systematisch aangewend? Vervolgens kunnen de samenhangen tussen de verschillende thematieken worden bepaald: hoe hangen licht-, donker-, warme- en vuurthematiek samen, hoe zijn ze verbonden met elkaar en vormen ze wellicht een tegenstelling?

Tot slot leidt dit tot beter tekstbegrip. Het kan duidelijk maken hoe de thematieken worden gebruikt om iets te beschrijven of te verklaren en op welke manier ze functioneel zijn.

Het eerste hoofdstuk dat nu volgt bevat een cultuur-historisch kader en de stand van het onderzoek naar licht in de teksten van Hadewijch en Ruusbroec tot nu toe. In hoofdstuk 2 is de verslaglegging te vinden van mijn onderzoek naar lichtthematiek in de teksten van Hadewijch, hoofdstuk 3 behelst de verslaglegging van mijn onderzoek naar de Brulocht van Jan van Ruusbroec.

In deze hoofdstukken eindigen de paragrafen steeds met gevolgtrekkingen en ze sluiten allebei af met een slotsom, waarin de conclusies van het desbetreffende hoofdstuk worden gegeven. In de ‘Synthese’ die het geheel afsluit, zullen de bevindingen van beide hoofdstukken naast elkaar worden gelegd, met elkaar worden vergeleken en zo mogelijk worden verklaard.



Noten:

1 Van ’t Hof (1990), blz. 24
2 Reynaert (1989), blz. 169
3 Reynaert (1989), blz. 169
4 Reynaert (1989), blz. 171
5 Reynaert (1989), blz. 169
6 Mommaers (1989), hfst. 3 en 4
7 Burger (1993), blz. 31-34
8 Axters (1964), Reynaert (1981b)
9 Reynaert (1981a), hfst. 2; Reynaert (1989); Reynaert (1991)
10 De Baere (1995), blz. 21
11 Moereels (1989), blz. 28
12 Van Mierlo (1947), dl. 1, blz. 283-348




[einde van de Inleiding]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘‘Dat donkere verlichte alle dinc’. Lichtthematiek en de daarmee samenhangende donker- en warmtethematiek in de teksten van de middeleeuwse mystici Hadewijch en Jan van Ruusbroec’ (doctoraalscriptie, 1996). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Scriptie Hadewijch en Ruusbroec
  Woord vooraf
  Inhoudsopgave
  Inleiding   ↑
  H1 - De lichte middeleeuwen
  H2 - Lichtthematiek bij Hadewijch
  H3 - Lichtthematiek bij Ruusbroec
  Synthese
  Literatuur
  Bijlagen: Overzicht terminologie