RozemarijnOnline




Hadewijch en Ruusbroec

“Dat donkere verlichte alle dinc”

doctoraalscriptie
1996































Doctoraalscriptie Vakgroep Nederlandse taal- en letterkunde

Faculteit der Letteren, Universiteit Utrecht

Onder begeleiding van prof.dr. W.P. Gerritsen, 1996




Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De Génestet
- De brulocht
- Het tabernakel

klik hiervoor op: Historische letterkunde






‘Dat donkere verlichte alle dinc’

Lichtthematiek en de daarmee samenhangende donker- en warmtethematiek in de teksten van de middeleeuwse mystici Hadewijch en Jan van Ruusbroec.

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1996)



 



Synthese



In hoofdstuk 2 en 3 heb ik voor Hadewijch en Ruusbroec afzonderlijk onderzoek gedaan naar de in de ‘Inleiding’ gestelde vragen betreffende het gebruik en de betekenis van lichtthematiek.

In beide hoofdstukken heb ik in de paragrafen ‘Gevolgtrekkingen’ en ‘Slotsom’ [1] mijn bevindingen geformuleerd omtrent wat licht en donker bij Hadewijch betekenen, hoe de thematieken functioneren en hoe ze samenhangen; wat licht, donker en warmte bij Ruusbroec betekenen, hoe de thematieken functioneren en hoe ze samenhangen; in hoeverre er sprake is van een uitbouw van deze thematieken in de Brulocht; en in hoeverre er sprake is van betekenisverschillen bij de verschillende licht- of donkertermen. [2]

In deze ‘Synthese’ wil ik deze resultaten die mijn onderzoek naar Hadewijch en Ruusbroec heeft opgeleverd naast elkaar leggen en vergelijken en in de context plaatsen van de literaire traditie zoals ik die in het eerste hoofdstuk heb geschetst.


Enkele overeenkomsten tussen Hadewijch en Ruusbroec in het gebruik van licht zijn makkelijk te constateren. Bij beiden gaat het om niet-stoffelijk, geestelijk licht (dat alleen door geestelijk zien is waar te nemen of dat consequent een kenmerk is van geestelijke entiteiten).

Beiden gebruiken het voor het beschrijven van specifiek mystiek gedachtengoed: bijvoorbeeld de groei of ontwikkeling van de ziel of kenmerken van God. Beiden betrekken licht op het rationele aspect van de menselijke geest. Bij beiden kan de (intellectuele) verhouding tussen mens en God of tussen geestelijke entiteiten door licht worden aangeduid.

Zo veralgemeniseerd zijn deze basale kenmerken goed terug te vinden in de literaire traditie, bijvoorbeeld bij Augustinus.

Aan de andere kant zijn er duidelijk verschillen in de manier waarop Hadewijch en Ruusbroec met lichtthematiek omgaan (overigens zijn bij alle individuele auteurs verschillen in gebruik en uitwerking te constateren). Een groot verschil tussen beiden is alleen al hun geheel eigen manier van het beschrijven van of schrijven over mystiek(e ervaringen).

Ruusbroec is te typeren met de termen ‘systematisch’ en ‘veralgemeniserend’, Hadewijch schrijft veel beeldender (vooral in haar visioenen) en ‘persoonlijker’ en dit heeft invloed op hun gebruik van lichtthematiek.

Ik zal achtereenvolgens licht, licht en donker en licht en warmte langsgaan.


Bij Hadewijch kan het gebruik van licht globaal in twee categorieën worden onderverdeeld: de beschrijving van de (zowel persoonlijke als onpersoonlijke) godheid en de ontwikkelingstoestand van de menselijke ziel.

Bij de eerste toepassing heeft licht een tweeledige werking: het leidt tot een ruimer waarnemingsvermogen en het geeft de ziel zelfkennis (inzicht in de eigen verhouding tot God) en Godskennis. Daarbij is licht een dynamisch verschijnsel bij Hadewijch; verschillende geestelijke entiteiten bezitten het en kunnen het doorgeven of tot ontwikkeling brengen.

Bij Ruusbroec functioneert het licht veel meer binnen een systeem: dat van de goddelijke genade. Hierbij is het ook een kenmerk van geestelijke entiteiten (God, de Zoon, de menselijke geest, de rede) en kan het ook de verhouding of inwerking van de een op de ander uitdrukken. Alleen het doorgeven van licht van de ziel aan anderen (bijvoorbeeld nog in de duisternis verkerende zielen) is bij Ruusbroec niet als zodanig te vinden.

Wel leidt de inwerking van de genade bij hem tot deugdenbeoefening naar buiten toe en heeft het als zodanig een ethisch effect op het handelen naar de medemens; dit laatste wordt echter niet in termen van licht beschreven door Ruusbroec.


Bij Hadewijch zijn twee verschillende soorten donker of twee soorten samenhangen tussen licht en donker te onderscheiden. De eerste houdt verband met de eerste categorie die hierboven is genoemd bij de toepassingen van licht. Naast licht wordt de godheid gekenmerkt door donker. Uit dit donker komt het licht voort; het is een ‘voorlichtelijk’ donker. Dit licht ontstaat niet zomaar: het komt voort uit beweging die plaatsvindt in de diepte van de godheid.

De tweede samenhang tussen licht en donker houdt verband met de tweede categorie die hierboven bij licht is genoemd. Donker komt dan voor in tegenstelling met licht of beschrijft de afwezigheid van (het goddelijke) licht of de afwezigheidheid van God. De eerste vorm van donker benoemt Hadewijch over het algemeen met het nomen ‘donker’, bij de tweede vorm heeft ze een voorkeur voor het nomen ‘deemster’ (bij de adjectieven maakt ze geen strikt onderscheid).

Deze laatste tegenstelling tussen licht en donker speelt in de Brulocht bijna geen rol. Ruusbroec noemt wel de zonde die als een scherm tussen God en de mens fungeert, waardoor de ziel in duisternis verkeert.

De samenhang tussen licht en donker als kenmerk van de godheid komt bij Ruusbroec wel heel duidelijk naar voren. Hij betrekt dit op de drie-eenheid van God, waarbij de Zoon en de Heilige Geest worden gekenmerkt door activiteit en licht of warmte en de Vader (of de eenheid van God) wordt gekenmerkt door rust en donker.

Hoewel dit donker bij Ruusbroec niet direct als een kracht (hoewel de Vader wel de scheppende oorsprong is) wordt aangeduid, komt ook bij hem het licht uit dit goddelijke donker voort. Ruusbroec gebruikt niet een vaste donkerterm om de twee soorten donker te benoemen.


Tot zover komen de principes van de lichtthematiek en de donkerthematiek bij Hadewijch en Ruusbroec duidelijk overeen. Hun uitwerking is heel anders, maar de uitgangspunten zijn, schematisch weergegeven, overeenkomend.

Anders wordt dat bij de samenhang tussen licht en warmte. Woorden die direct warmte benoemen komen bij Hadewijch in het geheel niet voor; bij Ruusbroec daarentegen is de warmte in nauwe samenhang met licht opgenomen in het ‘systeem’ van de genade. Wel maakt Hadewijch gebruik van vuurthematiek. Dit gebruikt zij op twee manieren: het is een kenmerk van de Vader en kan als zodanig de eenwording van God en mens uitdrukken; daarnaast kan zij er de wil of de volitieve en affectieve aspecten van de ziel mee beschrijven.

Dit komt sterk overeen met de manier waarop Ruusbroec warmte gebruikt. Op de eerste plaats is warmte bij hem een kenmerk van de genade: samen met licht kan God hiermee inwerken op de mens en wel met het licht op de rede en met de warmte op de wil. Bij hem is het echter niet de Vader, maar de Heilige Geest waarmee de warmte wordt verbonden.


Een belangrijke vraag is waar Ruusbroec het concept van met licht samenhangende warmte vandaan haalt. Niet alleen komt warmte bij Hadewijch niet voor; over het algemeen is dit in de religieuze en filosofische traditie niet terug te vinden. Er wordt wel veel gebruik gemaakt van lichtthematiek (die, op verschillende manieren, kan worden verbonden met donker-thematiek), maar deze wordt nooit verbonden met warmtethematiek.

Bäumker, die onderzoek heeft gedaan naar lichtthematiek tot en met de dertiende eeuw, stelt dan ook dat warmte op een ander niveau functioneert dan licht. Warmte staat op zintuigelijk niveau, licht plaatst Bäumker op geestelijk niveau. Dit is bij Ruusbroec, een eeuw later, beslist anders.

Licht en warmte staan op één lijn: beide maken deel uit van de genade. Of met andere woorden: de kracht van God die Ruusbroec met ‘genade’ benoemt, wordt op geestelijk niveau gekenmerkt door licht èn warmte, die beide op de geestelijke vermogens van de mens in kunnen werken (achtereenvolgens de rede en de wil).

Het blijft de vraag waar Ruusbroec deze nauwe samenhang tussen licht en warmte vandaan haalt. Een voor de hand liggende mogelijkheid is dat hij het als het ware uit de vuur-thematiek heeft gedestilleerd: naast een licht-aspect bevat vuur ook een warmteaspect. Is dit een ‘verfijning’ van de vuurthematiek die in de veertiende eeuw op komt? Of is dit een geheel eigen vinding van Ruusbroec, die wellicht voortkomt uit het hem zo kenmerkende systematische denken en schrijven over mystiek?

Deze laatste hypothese wordt ondersteund door Mommaers’ vaststelling omtrent het gebruik van het beeld van de zon (zie citaat in par. 1.3.2): ‘Maar hij [Ruusbroec] heeft ook zijn eigen bedoeling’, naast licht geeft de zon in het werk van Ruusbroec ook warmte. Ook Mommaers vindt het warmte-aspect blijkbaar niet terug in de literaire traditie en beschouwt het als iets karakteristieks voor Ruusbroec.

Als het scheiden van vuur in licht en warmte werkelijk een eigen vinding van Ruusbroec is geweest, dan is het verbazingwekkend dat hij dit meteen heeft weten op te nemen in een sluitend systeem van gelijkenis tussen God en mens, inwerking van mens op God (in een tweedeling van de genade op geestelijk niveau) en groei van de ziel en eenwording.

Een onderzoek naar het eventuele voorkomen van deze samenhang van licht en warmte in de literaire traditie direct ná Ruusbroec (bijvoorbeeld bij Jan van Leeuwen) zou wellicht interessante gegevens kunnen opleveren. Werd het door ‘navolgers’ overgenomen, op dezelfde manier toegepast en wellicht ervaren als iets ‘nieuws’?


Uit deze vergelijking is moeilijk met zekerheid vast te stellen of Ruusbroec door Hadewijch is beïnvloed. Bijvoorbeeld de twee soorten donker die bij beiden te constateren zijn (het goddelijke donker waar het licht uit voortkomt en donker als de afwezigheid van licht) zijn beide vaker in de literaire traditie te vinden.

De tegenstelling licht - donker is in de bijbel al veelvuldig te vinden. Het goddelijke donker komt bij Dionysius voor en ook bij Johannes Scotus Eriugena (het verschijnsel dat hier licht uit ontstaat, is veel minder duidelijk terug te vinden).

In de bijbel is wellicht de enige grond voor het uit het donker voortkomende licht het begin van Genesis: vanuit de duistere begintoestand schept God licht. Johannes Scotus heeft deze plaats dan ook becommentarieerd, waarbij hij het donker de oorzaak en het licht de werking noemde.


Ook vanuit de gebruikte terminologie kan directe invloed van Hadewijch op Ruusbroec niet worden afgeleid. Hadewijch gebruikt meestal ‘claerheit’ om de godheid mee te beschrijven en ‘licht’ voor de ontwikkelingstoestand van de ziel. Ruusbroec heeft een lichte voorkeur voor het nomen ‘claerheit’ bij het beschrijven van God en gebruikt ‘licht’ eerder voor licht buiten de godheid, bijvoorbeeld ‘licht der genade’ of het ‘geschapen licht’ in het verstand (dit doet denken aan het onderscheid ‘lux’ en ‘lumen’). Maar bij beiden kan slechts van een voorkeur voor bepaalde termen worden gesproken.

Het gebruik van adjectieven, waarmee Ruusbroec soorten licht onderscheid (goddelijk, geschapen enzovoort), is bij Hadewijch niet terug te vinden.

Het onderscheid dat Hadewijch maakt bij de donkerterminologie is iets strikter dan bij licht, zeker wat de nomina betreft. Bij Ruusbroec is dit niet terug te vinden; wellicht is dit onderscheid naar betekenis in de loop van de eeuwen vervaagd en verloren gegaan, of was het Hadewijchs persoonlijke voorkeur voor het gebruik van deze twee nomina.


Resten de vragen waaròm lichtthematiek zo’n belangrijke rol speelt in mystieke teksten en waar het vandaan komt. Zowel Hadewijch als Ruusbroec gebruikt het om er mystiek gedachtengoed mee te verwoorden: om God mee te beschrijven, om de groei van de ziel en om inwerking van God (of de minne) op de ziel mee te beschrijven.

Daarbij is de lichtthematiek méér dan een ‘beschrijvend element’: het maakt een wezenlijk onderdeel uit van de mystieke ervaring. De mysticus ervaart het inwerken van het licht van de goddelijke genade op zijn vermogens; in de mystieke teksten wordt licht niet gebruikt als symboliek of als vergelijking, maar als reëel aspect van de mystieke beleving en de geestelijke werkelijkheid (zie ook Augustinus, par. 1.2.b).

De oorsprong van lichtthematiek in de literaire traditie zoeken, verschuift de vraag naar waar het gebruik van lichtthematiek in mystieke teksten vandaan komt alleen maar. De bijbel biedt slechts verklaring voor enkele aspecten (de goddelijke uitstraling als licht, de ziel van de gelovige als licht voor anderen en licht en donker als tegenstelling). Wellicht dat de verklaring van de herkomst in de ervaringswerkelijkheid van de mysticus kan worden gevonden; maar dit blijft voor iedere niet-mysticus een hypothese.

Het antwoord op de vraag waarom lichtthematiek zo’n belangrijke rol speelt, kan worden gezocht in een praktische oorzaak. Met licht (als eigenschap van de verschillende geestelijke entiteiten) is de verhouding, inwerking en verenigbaarheid van mens en God op adequate wijze uit te drukken en aanschouwelijk te maken. Maar natuurlijk zou ook hier de hypothese kunnen luiden dat licht, donker en warmte in de ervaring van de mysticus daadwerkelijk een grote rol spelen.



Noten:

[1] zie voor Hadewijch: ‘slotsom lichtterminologie’ onder par. 2.1.2.a, ‘slotsom donkerterminologie’ onder par. 2.1.2.b, ‘slotsom lichtterminologie’ onder par. 2.2.2.a, ‘slotsom donkerterminologie’ onder par. 2.2.2.b en ‘2.3 Slotsom’; en zie voor Ruusbroec: ‘3.2.b Gevolgtrekkingen’, ‘3.3.b Gevolgtrekkingen’, ‘3.4.b Gevolgtrekkingen’ en ‘3.5 Slotsom’
[2] zie voor deze vragen de ‘Inleiding’, met name par. 1, 2 en 5




[einde van de Synthese]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘‘Dat donkere verlichte alle dinc’. Lichtthematiek en de daarmee samenhangende donker- en warmtethematiek in de teksten van de middeleeuwse mystici Hadewijch en Jan van Ruusbroec’ (doctoraalscriptie, 1996). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Scriptie Hadewijch en Ruusbroec
  Woord vooraf
  Inhoudsopgave
  Inleiding
  H1 - De lichte middeleeuwen
  H2 - Lichtthematiek bij Hadewijch
  H3 - Lichtthematiek bij Ruusbroec
  Synthese   ↑
  Literatuur
  Bijlagen: Overzicht terminologie