RozemarijnOnline




Ruusbroec
Het geestelijke tabernakel

onderzoeksnota
1996



























Deze nota is geschreven in 1996 in het kader van het onderzoekscollege ‘Het geestelijke tabernakel. Ruusbroecs kritiek op het geestelijke leven van zijn tijd’ onder begeleiding van prof.dr. Th. Mertens (Letteren, Ufsia, Universiteit Antwerpen).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De Génestet
- De brulocht
- Doctoraalscriptie
  Hadewijch en
  Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde







De bouw van het tabernakel
en de geestelijke afstamming van de mens


De betekenis van de bouwmeesters
in Het geestelijke tabernakel van Jan van Ruusbroec.

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1996)



 



(3). Beseleël en Oliab:
de geestelijke vermogens van de mens



Bij de bespreking van Uri en Achisamech zijn hun beider zoons al kort genoemd. Uit Uri, de ‘liefde tot de gerechtigheid’, waar vuur en verbranden onder vallen, wordt Beseleël geboren: een gehoorzame vrije wil. Uit Achisamech, de ‘kennis van alle waarheid’, waar licht en opening onder vallen, wordt Oliab geboren: een klaar verstand. Met deze betekenis van Beseleël en Oliab was de paragraaf over de bouwmeesters ook begonnen:

‘Ende hieromme, eest, dat wi willen Gode maken .j. ewech tabernakel in ons, soe moten wi sijn Beseleel ende Oliab. Hier mede verstaen wi: onsen vrien Wille, ende onse Verstendecheit’ (31, 9-11).

Is de mens met deze twee vermogens aan God gehoorzaam, dan wordt hij met goddelijke gaven vervuld (zie hiervoor Uri en Achisamech; de genade).

Ruusbroec bespreekt aan het einde van de bouwmeesterpassage de betekenis van de namen Beseleël en Oliab. Hij begint met de laatste:

‘Oliab es alsoe vele gheseget alse: crankende sinen vader; ochte: bescermende sinen vader’ (38, 29-31).

De naam Oliab heeft dus twee betekenissen. Op de eerste plaats ‘die zijn vader verzwakt’: het klare verstand kan zich naar beneden keren in aandacht voor de menigvuldigheid van deugden en goede werken. Hierdoor wordt de hoge gedachte in het klare schouwen van de waarheid gehinderd en verzwakt.

Anderzijds betekent de naam ‘die zijn vader beschermt’: het klare verstand kan zich naar binnen keren, zonder afleiding van de zinnelijkheid. Op deze manier wordt de waarheid beschermd en vastgehouden.

Het verstand van de mens kan zich dus in twee toestanden bevinden: uitgekeerd zijn en ingekeerd zijn. De uitgekeerde instelling leidt de mens af van de ‘kennis van de waarheid’, die in de vorm van licht en opening als genade van God in de mens komt (Achisamech). De ingekeerde instelling versterkt deze gave juist. Zoals Oliab bouwmeester is van het tabernakel, zo moet het verstand van de mens een meester zijn en het innerlijk beschouwen en ordenen en aankleden met geestelijke werken en een zuivere mening bezitten en innerlijke oefeningen doen en alle deugden ordenen.

Op deze manier heeft de mens Oliab in zichzelf verwerkelijkt en bezit hij het tabernakel in een juist oordeel.

Vervolgens gaat Ruusbroec over op de naam Beseleël. Hieronder verstaat hij, zoals al is gezegd, een gehoorzame vrije wil, die uit de ‘liefde tot de gerechtigheid’ (Uri) wordt geboren en als toepasselijke (volgens Ruusbroec) betekenis heeft:

‘een scadue Goeds; ocht: een godlec ommescaduen’ (40, 12-13).

Na al het licht en vuur is dit, 'een schaduw', een opmerkelijke betekenis en Ruusbroec gaat deze uitgebreid uitleggen. Hij begint met uiteen te zetten wat een schaduw precies is: een figuur of gelijkenis van een voorwerp dat zich tussen de schaduw en de lichtbron bevindt. Om schaduw te verkrijgen zijn er drie dingen nodig: licht, een voorwerp waarop licht valt en een ondergrond of ding waar de schaduw zich op aftekent (deze laatste twee moeten ondoorschijnend zijn).

Vervolgens gaat Ruusbroec de betekenis hiervan verklaren. Het licht is Christus naar zijn Godheid, het voorwerp is Christus’ mensheid volgens de genade en verdiensten en de ondergrond, die beschaduwd wordt, is de menselijke wil. De wil nu moet vast en stevig zijn, dat wil zeggen vrijwillig naar het licht gekeerd (en niet doorschijnbaar; bijvoorbeeld als lucht door hovaardigheid of als vuur door ongeordende liefde). Is de menselijke wil vrijwillig naar het licht gekeerd, dan heeft de mens Beseleël oftewel de ‘schaduw Gods’ in zichzelf verwerkelijkt. Want op het moment dat de mens zijn wil naar God toekeert, wordt hij beschenen door en verenigd met Gods licht.

Uit deze vereniging wordt de volheid van de genade in de eenheid van de hogere vermogens geboren en hieruit ontstaat een gehoorzame wil, door Christus als het voorwerp waarop het licht valt. De schaduw heeft als eigenschap dat hij de beweging precies volgt van het voorwerp waardoor hij ontstaat. Zo volgt de mens met zijn gehoorzame wil enerzijds innerlijk de Geest van God en anderzijds uitwendig de leer van Jezus Christus.

Zo verwerkelijkt de mens Ur, Uri en Beseleël in zichzelf:

‘Ende aldus sijn wi Ur overmids enecheit met Gode; ende Uri overmids volheit der gracien; ende Beseleel (die scadue Goeds) overmids enen onderworpenen, ghehoersamen wille’ (41, 10-13).

Wat er dus in feite gebeurt door de vrije toekeer van de wil, is dat de mens op Christus gaat gelijken (hij wordt als het ware Christus’ schaduw). Met de gehoorzame wil die uit de vrij toegekeerde wil ontstaat, volgt de mens zowel innerlijk als uiterlijk de wil van God. Het lijkt of Ruusbroec hier heel beeldend en bondig de navolging van Chistus en het in jezelf verwerkelijken van deze navolging weergeeft.

Naast ‘schaduw Gods’ betekent Beseleël ook ‘goddelijke omschaduwing’. Deze eigenschap houdt in dat de gehoorzame wil zichzelf heeft overgegeven aan de vrijheid Gods en daarbij de vrijheid en de eenheid die God bezit ervaart. De mens wordt Gods omschaduwing en God de omschaduwing van de mens: God woont en rust in hem en hij in (de eenheid van) God.

Hier lijkt Ruusbroec de hoogste eenwording te beschrijven (die natuurlijk ook pas nu mogelijk is geworden, nu de mens Christus’ schaduw is geworden, nu hij geestelijk op zo’n hoog niveau staat dat hij Christus in zichzelf verwerkelijkt heeft. Dit komt ook overeen met de visie op eenwording die uit de Brulocht spreekt: hoe meer de mens geestelijk is gegroeid, hoe meer hij in overeenstemming met en op het niveau van het goddelijke is gekomen, hoe vollediger de eenwording kan zijn).

Wat bij de beschrijving van Beseleël duidelijk is geworden, is dat Ruusbroec met de bouwmeesters niet alleen verwijst naar de geestelijke vermogens van de mens (verstand en wil) en hun toestand (uitgekeerd en ingekeerd zijn), maar ook naar de verhouding van de mens tot Christus en God.

Op dit punt aangekomen kan de mens een tabernakel voor God bouwen, in wijsheid en gehoorzaamheid:

‘Ende iegewelc, die geleert was, die ontfinc wijsheit van Gode te werkene ane den tabernakel Goeds. Alsoe gelikerwijs iegewelke cracht in den minsche, die onder worpen es der edelre ghehoersamheit, die es geleert, ende hevet wijsheit ontfaen van Gode te werkene ewege werke ane den tabernakel Goeds. Siet, aldus hebdi die geboerte, ende hare bediedenisse, wie si sijn, die maken den tabernakel ons Heren; beide: na der figuren ende na der waerheit’ (42, 2-10).

Evenals bij Ur en Uri en Achisamech, volgt hier een schematisch overzicht van de betekenis van Beseleël en Oliab. Die vier kenmerken van God en van de genade zijn hier in tweeën gesplitst: uit ‘liefde tot de gerechtigheid’ (die de kenmerken vuur en verbranden omvat) komt Beseleël voort; uit ‘kennis van de waarheid’ (die de kenmerken licht en opening omvat) komt Oliab voort. Dit levert een zeer gelaagd geheel aan betekenissen op.


De betekenis van Beseleël en Oliab bij de geestelijke afstamming van de mens:


kenmerken vader betekenis zoon kenmerken zoon betekenis

Uri      →
liefde tot gercht.
- vuur
- verbranden
Beseleël
gehrz. vrije wil
    
 
- schaduw Gods
- gddl. omschaduwen
 
- Christus gelijken
- een-zijn

Achisamech    →
kennis v. waarh.
- licht
- opening
Oliab
klaar verstand
 
- verzwakking
- bescherming
 
- uitgekeerd
- ingekeerd



[Om bovenstaande tabel in de juiste lay-out te zien, is het van belang dat de resolutie van je beeldscherm op 1024x768 of hoger staat.]




[einde van Hoofdstuk 3]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘De bouw van het tabernakel en de geestelijke afstamming van de mens. De betekenis van de bouwmeesters in Het geestelijke tabernakel van Jan van Ruusbroec’ (onderzoeksnota, 1996). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Tabernakel Ruusbroec
  Inhoudsopgave
  Cultuur-historische context
  (1). Kenmerken van God
  (2). Inwerkingen van God op de mens
  (3). De geestelijke vermogens van de mens   ↑
  Synthese