RozemarijnOnline




Ruusbroec
Het geestelijke tabernakel

onderzoeksnota
1996



























Deze nota is geschreven in 1996 in het kader van het onderzoekscollege ‘Het geestelijke tabernakel. Ruusbroecs kritiek op het geestelijke leven van zijn tijd’ onder begeleiding van prof.dr. Th. Mertens (Letteren, Ufsia, Universiteit Antwerpen).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De Génestet
- De brulocht
- Doctoraalscriptie
  Hadewijch en
  Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde







De bouw van het tabernakel
en de geestelijke afstamming van de mens


De betekenis van de bouwmeesters
in Het geestelijke tabernakel van Jan van Ruusbroec.

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1996)



 



Cultuur-historische context




1. Het oudtestamentische tabernakel


De Joodse benaming van de bijbel is de Tenach, dit is afgeleid van de beginletters van de drie onderdelen Tora (leer, onderricht), Nebiim (Profeten) en Chetoebim (Geschriften). De Tora bevat vijf boeken met voorschriften met betrekking tot het maatschappelijk en godsdienstig leven. De Griekse benaming luidt: Pentateuch, wat letterlijk ‘vijf boeken’ betekent. De vijf boeken van de Pentateuch zijn achtereenvolgens: Genesis (de ontstaansgeschiedenis van de wereld en het volk Israel), Exodus (de uittocht uit Egypte onder leiding van Mozes), Leviticus (de wet voor de zonen van Levi (priesters), Numeri (de telling van de Israelieten) en Deuteronomium (de hernieuwing van de wet).

De algemene thematiek van de Tora of Pentateuch is als volgt te omschrijven: er is een goddelijk heilsplan, het eindpunt hiervan is het ontstaan van het Israelische volk als theocratische natie met Palestina als land en de wet als handvest. De vijf boeken zijn niet letterlijk ‘historische boeken’, maar eerder een heilshistorische duiding van het verleden (die gebaseerd is op historische feiten). De Tora heeft een normerende waarde; de teksten worden opgevat als openbaring: de bekendmaking van Gods wil.

Het boek Exodus heeft globaal de volgende indeling: het wegtrekken van het Joodse volk uit Egypte onder leiding van Mozes (1-15); de tocht door de woestijn (15-18); Jahweh verschijnt op de Sinaï en gaat een verbond aan (19-40). Bij de ontmoeting van Mozes met Jahweh op de Sinaï ontvangt hij de tien geboden op stenen tafelen. God gebiedt dat het volk een tabernakel bouwt, zodat Hij in hun midden kan wonen.

Mozes krijgt een gedetailleerde beschrijving hoe dit tabernakel er uit moet komen te zien. De tent wordt omgeven door een voorhof waarin zich een brandofferaltaar en een wasbekken bevinden. De tent zelf bestaat uit twee delen. Vooraan, aan de oostkant, bevindt zich het Heilige, of het tabernakel in enge zin. De bevat drie voorwerpen, namelijk een kandelaar, een reukofferaltaar en de tafel der toonbroden. Achter het Heilige bevindt zich het Heilige der heiligen: hierin staat de ark des verbonds waarin de stenen tafelen zijn opgeborgen.

Het tabernakel is een bevestiging van het verbond tussen het Joodse volk en Jahweh en is in opdracht van God Zelf gebouwd.


Gebruikte literatuur:

- De bijbel. Uit de grondtekst vertaald. Willibrord-vertaling van de Katholiek Bijbelstichting. Boxtel, 1981. Hieruit: ‘Inleiding op de Pentateuch’.
- Bijbel. Dit is de ganse Heilige Schrift bevattende al de canonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament. Nederlands Bijbelgenootschap. Haarlem, 1992.
- E. van’t Hof, Van Adam tot Zevende Hemel. Bijbelwijzer. Groningen, 1990. Hieruit: ‘Ontstaangeschiedenis van de bijbel’ (blz. 11-22) en ‘Exodus’ (blz. 36-41).



2. Ruusbroecs Van den geesteliken tabernakel


In de geestelijke literatuur van de middeleeuwen zijn niet alle onderdelen van de bijbel van even groot belang. Tot de bijbelboeken die de meeste invloed hebben doen gelden, behoren in ieder geval: het Hooglied, de Psalmen, de passies uit de evangelies en de brieven van Paulus.

De beschrijving van het tabernakel uit Exodus is, wat betreft de invloed op de middeleeuwse literatuur, duidelijk niet van groot belang. Het is dus een niet voor de hand liggende keus van Ruusbroec geweest, om juist deze passage uit de bijbel te nemen als basis voor zijn tekst.

Ruusbroec heeft in het totaal elf werken geschreven, waarvan Van den geesteliken tabernakel (hierna steeds afgekort als Tabernakel) het omvangrijkste werk is. Opvallend is dat van dit tractaat de meeste handschriften zijn overgeleverd. Het is een allegorische tekst, waarbij het oudtestamentische tabernakel het beeld is voor de woonplaats die ieder mens in zijn ziel voor God moet maken.

Het tabernakel is onderverdeeld in zeven hoofdpunten. Het eerste punt behandelt het verbond dat God in de woestijn sloot met het volk Israel. Het tweede punt beschrijft de bouw van het voorhof en in het derde punt zet Ruusbroec de betekenis van het brandofferaltaar uiteen. Het vierde en vijfde punt, die samen het grootste deel van het tractaat uitmaken, beschrijven achtereenvolgens het Heilige en de voorwerpen die zich in het Heilige bevinden. De korte punten zes en zeven behandelen het Heilige der Heiligen, in het bijzonder de ark des verbonds.

Er is een opbouw (je zou kunnen zeggen een ‘crescendo’) te vinden in deze hoofdpunten. Het eerste punt is overkoepelend: alle volgende punten zitten er al in besloten. De volgende punten zijn te groeperen, waarbij twee en drie bij elkaar horen en vier en vijf eveneens. Punt twee en drie zou je onder de noemer ‘zintuigelijkheid’ kunnen onderbrengen en vier en vijf onder ‘hogere vermogens’. Bij punt zes zijn vervolgens de deugden volbracht en punt zeven bevat de rust als hoge vorm van mystiek.

De opbouw van de punten is duidelijk van laag tot hoog, van buiten tot binnen; maar in íeder van de hoofdpunten wordt God gevonden en bezeten.

In de proloog van het Tabernakel neemt Ruusbroec als leidmotief of thema een vers uit 1Kor: ‘Loept alsoe dat ghi begripen moegt’ (loop zo dat je de prijs behaalt). Behalve in de proloog komt deze zin in het hele tractaat niet voor, behalve in de laatste regels ervan. Het oudtestamentische tabernakel neemt Ruusbroec als het figuur of het symbool van deze loop. Ben je op de wereld gericht, dan zul je de prijs zeker mislopen. Richt je je daarentegen op God, zul je zeker winnen. De loop is dus je geestelijke levenswandel en het beeld van een góede levenswandel is het tabernakel.

Het beeld van het tabernakel en de verbondsark interpreteert Ruusbroec op allegorische wijze. Aan de ene kant is er het beeld of de figuur. Dit is iets vergankelijks en het heeft als eigenschap dat het iets anders prefigureert of symboliseert. Dat is het verbeelde: het verbeelde wordt waarheid genoemd en is iets eeuwigs. De waarheid vervult of volbrengt de figuur. Bijvoorbeeld de vergankelijke ark van Mozes (de figuur) prefigureert Christus. Christus als eeuwige ark (de waarheid) vervult de figuur.

Ruusbroec heeft waarschijnlijk verschillende werken gebruikt om zijn interpretaties van de verschillende onderdelen van het tabernakel op te baseren. Een naslagwerk waarvan zeker is dat Ruusbroec het voor het schrijven van het Tabernakel heeft geraadpleegd, is Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant. Daarnaast is heeft hij zijn vrijheid van interpretatie ingeperkt door een gesloten systeem te maken van de allegorie; hij geeft vaak argumenten voor de lezer om een uitleg aannemelijk te maken.

Er zit gelaagdheid in zijn beeld en interpretatie: het figuur de ark prefigureert Christus; Christus is een eeuwige ark en dit stelt de kerk voor; de kerk vervolgens wordt gevormd door alle goede mensen.

Uit deze gelaagdheid is ook het thema van Van den geesteliken tabernakel op te maken. De kerk bestaat uit de goede mensen: richt de mens zijn leven goed in, dan bouwt hij aan de kerk. De kerk is (het mystieke lichaam van) Christus. Het tractaat heeft als uiteindelijk doel om te laten zien dat de kerk Christus is en dat de kerk bestaat uit alle goede mensen.

Van den geesteliken tabernakel is een instructief werk. Ruusbroec zelf komt er niet in voor: als hij al een het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’ gebruikt, is het steeds in een context van leraarschap. Wat Ruusbroec heeft meegemaakt en ervaren kom je uit zijn werken niet te weten. Hij vermeldt ook niet wat hij met het tractaat beoogt.

Waar Ruusbroec nadruk op legt is het bij jezelf te rade gaan. In feite heeft zijn tractaat een spiegelfunctie; de lezer moet zichzelf aan de tekst meten. Ruusbroec schrijft objectief, in een precieze structuur en past begrippen weloverwogen toe. Het is, gezien de bovenstaande feiten, aannemelijk dat Ruusbroec niet schreef om zijn mystieke ervaringen te verduidelijken en met zichzelf in het reine te komen.


Gebruikte literatuur:

- Jan van Ruusbroec, Het geestelijk tabernakel. Of Gods waarachtige inwoning in de kerk en in de ziel. Ingel. en hertaald door L. Moereels S.J. Tielt/Bussum, 1983. Hieruit: ‘Inleiding’, blz. XIX-XXXIII.
- Jan van Ruusbroec, Werken. Tielt, 1944-48. Band II: Van den gheesteliken tabernakel. Bewerkt door D.A. Stracke.
- Jacob van Maerlant, Het boek der natuur. Samenst. en vert. P. Burger. Amsterdam, 1989.



3. Mystiek


Als basisdefinitie van mystiek geldt: mystiek is een godservaring. Hieromheen worden allerlei bredere definities gebruikt, bijvoorbeeld door Borchert: ‘Uit ervaring weten, dat alles op een of andere wijze samenhangt, dat alles in oorsprong één is’ (blz. 9). Met zo’n brede definitie kan Borchert er zelfs toe komen om te stellen dat iedereen wel eens een mystiek ervaring heeft gehad. Bij zowel de strikte als de brede definitie komt tot uitdrukking dat twee aspecten in ieder geval tot de mystiek behoren: ervaring en kennis.

De mystieke ervaring is waarschijnlijk beter te begrijpen als je de topervaring zoals die door Maslow worden beschreven begrijpt. Vanuit de humanistische psychologie onderzoekt hij topervaringen als een typisch menselijk, eigenlijk alledaags verschijnsel. Hij stelt: ‘Nagenoeg alles wat bij de topervaringen gebeurt, hoe natuurlijk ze ook zijn, zou kunnen worden opgenomen onder het hoofd religieuze gebeurtenissen. Ze zijn in het verleden inderdaad als louter religieuze ervaringen beschouwd’ (blz. 61).

Maslow somt vervolgens in 25 punten kenmerken van topervaringen op die religieus kunnen worden opgevat. Hieronder vallen onder andere:
  • het heelal wordt als één geheel ervaren, waarbij de mens er deel van uitmaakt
  • in het kennen is sprake van een ongekende concentratie, die zich niet-vergelijkend en niet-oordelend voordoet
  • de topervaring is te omschrijven als een doelervaring, die het gevoel geven dat het leven zinvol is; er treedt desoriëntatie van tijd en ruimte op
  • er ontstaan gevoelens van verwondering, ontzag, eerbied, nederigheid, overgave, verering, begenadigd zijn en dankbaarheid
  • de ervaring heeft uitwerking of nawerking op de persoon die het meemaakt

Veel kenmerken van mystiek komen hiermee overeen of zijn hieraan te relateren. De overeenkomst van de hierboven opgesomde kenmerken van de topervaring met de enge definitie van mystiek waarvan Borchert kenmerken opsomt (blz. 13) is opvallend. De ervaring zelf is ‘kortstondig’, maar grijpt ‘diep in het leven’ in en werkt lang na. Er is sprake van een eeuwigheidsbesef. De ervaring is onmiddellijk, ‘zonder beelden, woorden, maar ook zonder iets tussen het ik en die andere werkelijkheid’. Hierbij ervaart het eigen ik iets/iemand anders. De mystieke ervaring is ‘allesomvattend’, het omvat ‘alles wat is’, waarbij alles als één wordt ervaren.

De mystieke ervaring is nog meer toe te spitsen door er een niet-mystieke beperking aan toe te voegen: de christelijke mystieke ervaring. Dit is een mystieke ervaring die niet afwijkt van de christelijke geloofsbelijdenis. De ervaring (die uit zowel gevoel als kennis bestaat) van de aanwezigheid van een ander. Sinds Augustinus worden er drie geestelijke vermogens onderscheiden, waarmee gevoel en kennis worden verbonden: achtereenvolgens de wil en het verstand.

Twee belangrijke kenmerken van de mystieke ervaring zijn: directheid en passiviteit (zie hiervoor Mommaers 1977 en Mommaers en Van Bragt 1995). Deze twee hangen heel nauw samen. Met passiviteit wordt niet bedoeld dat je niet werkzaam zou zijn (integendeel), maar dat je de ervaring niet zelf kunt oproepen, sturen of rekken: het overkomt je. Met directheid wordt gedoeld op het niet-reflexieve aspect van de gewaarwording, het behoeft geen bewustwording om het te ervaren. De vermogens worden één, werken niet meer afzonderlijk naast elkaar en alle voorstellingen verdwijnen (ontbeelding). Begrippen over God schieten uiteindelijk altijd te kort.

Een mystieke ervaring maakt iemand nog niet meteen tot een ‘mysticus’. Je kunt geen gehoor geven aan de ervaring, het weigeren. Het is een roeping (een ‘talent’), je moet er naar gaan leven. Een mysticus heeft over het algemeen meerdere ervaringen gehad en deze hebben ingegrepen op zijn leven, hebben richting gegeven aan zijn leven.

Een belangrijk uitgangspunt om de mystiek van Ruusbroec te kunnen begrijpen, is dat de mens naar beeld en gelijkenis van God is geschapen (zie Gen. 1, 26). Het is de basis van het geestelijke leven. De twee begrippen worden in de middeleeuwen niet als synoniemen opgevat. Naar het beeld van God legt Ruusbroec uit als ‘volgens Gods beeld’, als oorsprong van de mens. Door het beeld is ieder mens, onverbrekelijk, in een blijvende relatie met God. Naar de gelijkenis van God interpreteert Ruusbroec als ‘tot of in de richting van God’, als doel van de mens. Door naar de gelijkenis met God te streven kan de mens het beeld van God in zichzelf verwerkelijken.

Hèt cruciale moment is volgens Ruusbroec het moment van de toekeer tot God. Deze moet plaats vinden uit vrije wil. De toekeer is in de doop gegeven en is na eventuele zonden door de biecht te herwinnen. Alles wat na de toekeer plaats vindt is uitwerking ervan. Het tegenovergestelde van toekeer is afkeer, wat per defenitie doodzonde betekent.

In zijn tractaat Van den blinkenden steen (r.8-28) zet Ruusbroec uiteen wat tot een goed mens behoort: een zuiver geweten, gehoorzaamheid aan God, aan de kerk en aan je eigen oordeel/inzicht en God op het oog hebben (meynen). Op hetzelfde moment dat de mens deze drie punten in zichzelf volbrengt, wordt hij een goed mens en is hij ontvankelijk voor Gods genade:

‘Ende soe wien dat eenich poent ghebreect van desen drien, die en es niet goet noch inder gracien gods. Maer wanneer dat eenich mensche dese drie poente in sijn herte begrijpt te volbringhene, hoe quaet hi vore gheweest heeft, inden selven oghenblicke wert hi goet ende es gode ontfanclijc ende vol der gracien gods’ (r. 24-28).

Ruusbroecs mystieke gedachtengoed is niet goed te begrijpen zonder kennis van zijn opvattingen over de menselijke psyche. De mens bestaat uit lichaam en geest; de geest is onderverdeeld in twee ‘niveau’s’, te weten de ‘eenicheit des geest’ en de ‘eenicheit des herten’.

De eerste eenheid is het domein van de geestelijke vermogens (memorie, verstand en wil), de tweede van de lichamelijke vermogens (het zintuigelijk niveau, het bezielt het lichaam). De ‘eenicheit des geest’ is op zijn beurt weer in te delen in de ‘wesenlijcke eenicheit’ (het wezen, waarmee de mens in god hangt en door Hem in stand wordt gehouden) en de ‘werkelijke eenicheit’ (oorsprong van de activiteit).

In het ‘wezen’ nu, bevindt zich Gods beeld in de mens. Het is als het ware het contactpunt van mens en God, de menselijke geest is hier geheel en eindeloos open.

In het onderdeel het Innige leven in het tractaat Die geestelike brulocht van Ruusbroec, worden verschillende soorten verenigingen van de ziel met God behandeld. Het grote onderscheid dat Ruusbroec maakt, is tussen de vereniging in het ‘wezen’ en de vereniging in het werkelijke deel van de ‘eenheid van de geest’.

Hij begint met de vereniging in het ‘wezen’ in regel b1627. Het ‘wezen’ van de ziel, oftewel het wezenlijke deel van de ‘eenheid van de geest’, is zonder middel en voortdurend met God verenigd. Het beeld van God is zonder middel en zonder onderbreking in het ‘wezen’. De ‘eenheid van de geest’ ontvangt volgens het hoogste niveau ervan (dat is het ‘wezen’) een indruk van zijn eeuwige beeld en van de goddelijke klaarheid; het ‘wezen’ is een eeuwige woning van God. God bezit dit eeuwig en komt hier steeds opnieuw; en al waar hij in is, dat is in hem en zo leeft de geest in God en God in de geest. Het ‘wezen’ is in staat de klaarheid van God te ontvangen zonder middel. En door deze klaarheid van het eeuwige beeld (dat wezenlijk en persoonlijk in hem licht), ontzinkt de geest aan zichzelf in het goddelijke wezen. Het bezit daar blijvend zijn eeuwige zaligheid en vloeit opnieuw uit met alle schepselen, volgens de eeuwige geboorte van de Zoon en wordt in zijn geschapen wezen geplaatst volgens de vrije wil van de drie-eenheid. En hier bestaat hij gelijk het beeld van de drieheid en de eenheid waartoe hij geschapen is. Als schepsel ondergaat hij onophoudelijk de indruk van zijn eeuwige beeld, als een onbesmette spiegel. Deze wezenlijke eenheid van de ‘eenheid van de geest’ (oftewel het ‘wezen’) met God, bestaat niet op zichzelf, maar blijft in God, vloeit uit God, hangt in God, keert weer in God terug en scheidt nooit van God. Zou het ‘wezen’ van God scheiden, dan verviel het tot niets. In het wezen is de mens natuurlijk verenigd met God. Dit maakt de mens noch heilig, noch zalig, ieder mens bezit deze vereniging van nature, maar het is wel het beginsel van heiligheid en zaligheid.

Vervolgens gaat Ruusbroec over op de tweede soort vereniging met God die hij onderscheidt, namelijk die volgens het werkelijke niveau van de ‘eenheid van de geest’ (r. b1670). Hier is de mens een op zichzelf staande persoonlijkheid, hier bevindt zich de oorsprong van de hogere vermogens en hier begint al het schepselijk werk. Deze eenheid werkt niet voor zover zij eenheid is, maar hierin ligt de kracht en de mogelijkheid voor de werkzaamheid van de geestelijke vermogens. In de ‘eenheid van de geest’ moet de mens gelijk zijn aan God, volgens de genade en de deugden; of ongelijk volgens de doodzonde. De mens is gemaakt naar Gods gelijkenis, dat is naar Gods genade (dit is een godvormig licht, dat ons doorschijnt en gelijk maakt, en zonder dit licht kan de mens zich niet bovennatuurlijk verenigen). We kunnen het beeld van God en de natuurlijke eenheid met God niet verliezen; zouden we de gelijkenis verliezen, dan werden wij verdoemd.

Heel vloeiend gaat Ruusbroec over op het onderscheid met middel en zonder middel (r. b1689). Wanneer God iets geschikts in ons vindt, bijvoorbeeld als wij ons uit vrije wil tot Hem keren, dan wil Hij ons aan hem gelijk maken door de genade. Christus komt in ons met en zonder middel; dat is met en boven alle gaven. En ook wij komen tot Hem en in Hem met en zonder middel; dat is met en boven alle deugden. Hij drukt Zijn beeld en Zijn gelijkenis in ons; dat is Hij Zelf en Zijn gaven. En Hij verlost ons van onze zonden, maakt ons vrij en gelijk aan Zichzelf. Hierbij ontzinkt de ‘geest’ aan zichzelf in genietende minne. Dan geschiedt een ontmoeting en vereniging die zonder middel en bovennatuurlijk is, waar onze hoogste zaligheid in is gelegen. Waren wij hiervoor vreemd en ongelijkend, nu verkrijgen wij gelijkenis en eenheid met God.

Deze ontmoeting en eenheid die de minnende ‘geest’ in God verkrijgt bezit zonder middel, geschiedt in wezenlijk begrijpen, diep verborgen in ons verstand, zij het niet het wezenlijk verstaan volgens de eenheid (van de ziel). In deze genietende eenheid zullen wij rusten boven onszelf en boven alles en hieruit vloeien alle gaven. Hier is niets dan God; in deze eenheid worden wij ontvangen door de Heilige Geest en de Vader en de Zoon en de gehele goddelijke natuur, want men kan God niet delen. Dit hebben alle goede mensen, maar het blijft hun het hele leven verborgen. Op het ogenblik dat de mens zich van zonden afkeert, wordt hij ontvangen door God in de ‘wezenlijke eenheid’ van de ziel, opdat hij altijd in God rust. Hij ontvangt genade en gelijkenis aan God in de grond van zijn geestelijke vermogens (oftewel in de ‘eenheid van de geest’), zodat hij altijd groeit en toeneemt in deugden. Zolang de gelijkenis blijft bestaan door liefde en deugden; zo bestaat de eenheid in rust. Dit kan niet verloren gaan, behalve door doodzonde.

Kort gezegd is de mens op drie manieren met God verbonden: zonder middel (dit is direct); met middel (dit is indirect); en zonder onderscheid. Zonder middel verwijst naar het beeld in het wezen; hier is de mens direct met God verbonden en àlle mensen bezitten dit. Met middel verwijst naar de gelijkenis op het niveau van de eenheid van de geest; hier is de mens indirect (middelijk, een verbinding die tegelijk ook een scheiding is) met God verbonden, dit bezitten alle goede mensen. Zonder onderscheid beduidt de ervaring van het transcendente aspect van God, het overwezen. De ontplooide mysticus is een ‘ghemeyne’ mens: geheel beschikbaar voor God en voor de medemensen. De drie te onderscheiden momenten van inkeer, uitkeer en rust, gaan bij de ontplooide mysticus samen.


Gebruikte literatuur:

- B. Borchert, Mystiek. Het verschijnsel, de geschiedenis, de nieuwe uitdaging. Haarlem, 1994.
- P. Mommaers, Wat is mystiek? Nijmegen, 1977.
- P. Mommaers en J. van Bragt, Ruusbroec in gesprek met het Oosten. Mystiek in boeddhisme en christendom. Kampen, 1995. Hieruit: blz. 67-101.
- Jan van Ruusbroec, Van den blinckenden steen. Of: het mystieke zoonschap. Vert. door L. Moereels. Tielt/Bussum, 1981.
- Jan van Ruusbroec, De verhevenheid van de geestelijke bruiloft. Of: de innige ontmoeting met Christus. Vert. door L. Moereels. Tielt, 1989.



4. De eeuw van Ruusbroec


Jan van Ruusbroec leefde van 1293 tot 1381. In 1317 wordt hij tot priester gewijd en krijgt een betrekking aan de Sint Goedele kerk te Brussel. Op 50-jarige leeftijd (in 1343) vertrekt hij naar Groenendaal, samen met Jan Hinckaert (zijn oom -of misschien zelfs zijn vader-) en Frank van den Coudenberg. Ze leven daar als priesters in een ongebonden levensvorm. Wanneer ze steeds meer bekendheid en meer aanloop krijgen, begint de bisschop druk uit te oefenen om een vaste orde aan te nemen. In 1350 kiezen ze voor Augustijner koorheren. Binnen deze orde is het goed mogelijk veel contacten te onderhouden, zoals ze dat hebben met onder meer Clarissen, Geert Grote en Godsvrienden uit Straatsburg.

In Nederlandse literatuur, een geschiedenis beschrijft Th. Mertens dat Jan van Ruusbroec omstreeks 1362 (hij is dan bijna 70 jaar oud) een driedaags bezoek brengt aan het kartuizerklooster in Herne. Broeder Gheraert van Herne heeft dit bezoek beschreven en deze tekst gaat vooraf aan zijn verzameling werken van Ruusbroec. Deze broeder Gheraert had Ruusbroec uitgenodigd om enkele moeilijke passages te komen toelichten, met name uit Dat rijcke der ghelieven.

Hij gaat ervan uit dat Ruusbroecs teksten zuiver in de leer zijn, maar soms gaat het zijn verstand te boven. Dit vat Gheraert op in de zin dat er blijkbaar ‘meer in de hemel en op aarde is dan ons verstand kan bevatten, maar toch ook dat er anderen zijn die er meer van begrijpen’ (blz. 58). Hoewel Gheraert dus uitgaat van ‘de didactische kracht van de onverstaanbaarheid’, wil hij blijkbaar toch graag toelichting van zo iemand die er meer van begrijpt.

Na dit bezoek aan Herne schrijft Ruusbroec het Boecsken der verclaringhe, waarin hij een toelichting geeft op lastige punten uit zijn mystieke leer, met name over de vraag op welke wijze de mysticus met God is verenigd. Volgens Ruusbroec zijn hierin drie graden te onderscheiden: met middel, zonder middel en zonder onderscheid. Deze laatste benaming vindt Gheraert te ver gaan; Ruusbroecs opvatting houdt hij wel voor juist, maar zijn terminologie vindt hij niet goed gekozen.

Deze gebeurtenis is kenmerkend voor de toenmalige spanning tussen ‘de verwoording van de mystieke ervaring en de officiële theologie, die wetenschappelijk en terminologisch consequent wil zijn’ (blz. 59). Mystieke teksten ‘spraken de taal der wetenschappelijke theologie niet, maar werden toch volgens de normen van die theologie beoordeeld - en vaak veroordeeld als ketters’ (blz. 59). Nu wilde Ruusbroec juist ketterijen bestrijden, vooral die verkondigden dat deugdenbeoefening, genade en de kerk niet meer nodig waren. Als mysticus doorzag hij dat ze bleven steken in onvolledige mystiek (namelijk slechts het ervaren van het eigen wezen) en als schrijver heeft hij er tegen gewaarschuwd. In het Boecsken der verclaringhe probeert hij het verschil met zijn mystieke opvattingen duidelijk te maken.

Op twee manieren staat Ruusbroec ‘in het spanningsveld van orthodoxie en heterodoxie’ (blz. 60). Enerzijds staan zijn werken onder kritiek van de zijde van de theologie, anderzijds reageert hij juist op ketterse misvattingen en probeert ìn de volkstaal een zuivere leer tegenover afwijkende leren te stellen. Tot zover de Nederlandse literatuur, een geschiedenis.

In het Tabernakel bekritiseert Ruusbroec het geestelijke (dat wil zeggen de institutionele kant van het geestelijke) leven in het bijzonder in de passage over onreine dieren. In de veertiende eeuw vinden hierbinnen twee belangrijke ontwikkelingen plaats: centralisering (meer gezag bij de paus) en politisering (geestelijk leven krijgt een politiek perspectief). Ook binnen de kloosters speelden deze twee dingen, behalve bij de Kartuizers, die hun oude regels streng handhaven.

Vanaf de twaalfde eeuw komen er groeperingen op (vooral van vrouwelijke leken) die sterk de nadruk leggen op ervaring en persoonlijk contact met God; dit kan zelfs leiden tot het afwijzen van de kerk. Ruusbroec reageert op al deze ontwikkelingen. Hij bekritiseert de institutionele kant van het geestelijke leven sterk. Anderzijds legt hij de nadruk op een kerkelijk perspectief van het geestlijke leven: het moet binnen een kerkelijk verband blijven, ook de mystiek. De kerk vat hij op als mystiek (in de zin van ‘verborgen’) lichaam van Christus, waar alle goede mensen deel van uit maken; dit moet institutioneel vorm krijgen.

In de inleiding van het Tabernakel benadrukt Ruusbroec dat het eerste punt van de zeven waarin hij de loop onderverdeelt, alle andere punten omvat: ‘Metten ierste poente wert de mensche ontladen ende ghevrijt van allen sunden. Ende dit poent beslut alle dandere in hem; eest alsoe, dat den mensche tijt ghebrect’ (blz. 2, r. 22-25). Dit is te begrijpen vanuit de passage uit de Blinkenden steen, die hiervoor al is besproken (zie: 3. Mystiek). Zogauw de mens zich toekeert naar God, met een zuiver geweten, met gehoorzaamheid en door God te ‘meynen’, wordt hij ontvankelijk voor God en stroomt hij vol genade.

Dit is logisch vanuit Ruusbroecs opvattingen gezien; de verbinding met God is er voor ieder mens al, altijd en onophoudelijk. Zogauw de mens zich openstelt kan dan ook direct Gods genade binnenstromen. Deze onverbrekelijke verbinding met God bevindt zich psychologisch gezien op het niveau van het wezen (zie hiervoor: 3. Mystiek). In het begin van het tweede boek van de Brulocht, het Innige leven, zet Ruusbroec de structuur van de ziel uiteen (zie voor een uitgebreide uiteenzetting hierover: Mommaers en Van Bragt, 1995, blz. 147-149 e.v.). Het wezen (b44-48) is als het ware de instandhouding van de mens, een doorlopende schepping van God, hetgene in de mens waardoor hij leeft. Hoewel het een vorm van een-zijn met God is, is het iets natuurlijks, er hoeft nog geen genade aan te pas te komen en het maakt de mens niet goed of heilig; het is nodig voor het bestaan van de mens.


Gebruikte literatuur:

- Th. Mertens, ‘Omstreeks 1362: Jan van Ruusbroec bezoekt de kartuizers te Herne. De mysticus als schrijver’. In: Nederlandse literatuur: een geschiedenis. Red: M.A. Schenkeveld-van der Dussen. Groningen, 1993, blz. 58-61.



[einde van de Cultuur-historische context]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘De bouw van het tabernakel en de geestelijke afstamming van de mens. De betekenis van de bouwmeesters in Het geestelijke tabernakel van Jan van Ruusbroec’ (onderzoeksnota, 1996). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Tabernakel Ruusbroec
  Inhoudsopgave
  Cultuur-historische context   ↑
  (1). Kenmerken van God
  (2). Inwerkingen van God op de mens
  (3). De geestelijke vermogens van de mens
  Synthese