RozemarijnOnline




Ruusbroec
Het geestelijke tabernakel

onderzoeksnota
1996



























Deze nota is geschreven in 1996 in het kader van het onderzoekscollege ‘Het geestelijke tabernakel. Ruusbroecs kritiek op het geestelijke leven van zijn tijd’ onder begeleiding van prof.dr. Th. Mertens (Letteren, Ufsia, Universiteit Antwerpen).



Er staan nog vijf nota’s met historisch letterkundig onderzoek integraal op deze site:

- Katharyne Lescailje
- Tristan en Isolde
- De Génestet
- De brulocht
- Doctoraalscriptie
  Hadewijch en
  Ruusbroec

klik hiervoor op: Historische letterkunde







De bouw van het tabernakel
en de geestelijke afstamming van de mens


De betekenis van de bouwmeesters
in Het geestelijke tabernakel van Jan van Ruusbroec.

door Rozemarijn van Leeuwen
(© 1996)



 



Synthese en slotsom



De drie generaties van de beide bouwmeesters uit Exodus gebruikt Ruusbroec om de drie fasen of ‘momenten’ in de verhouding van mens tot God aan te geven. De eerste generatie geeft de vier basiskenmerken van God weer, die de oorsprong zijn van het ontstaan van de mens. De tweede generatie, die uit de eerste voortkomt, geeft de genade weer. Deze bestaat uit vier gaven, vier aspecten, waarmee God op de mens kan inwerken. De vier gaven komen rechtstreeks voort uit, of zijn uitstralingen van de vier goddelijke kenmerken.

De mens wordt ontvankelijk voor deze gave door vrije toekeer tot God (het moment van toekeer is cruciaal in Ruusbroecs opvattingen). Met zijn verstand kan hij zich afkeren (uitgekeerde instelling) of toekeren (ingekeerde instelling) tot het licht van de genade en tot de opening in zijn wezen naar het ‘overwezen’. Met zijn wil kan hij Christus volgen en zich verenigen met God.

Dit alles beschrijft Ruusbroec op verschillende niveaus. Ten eerste onderscheidt hij het psychische niveau, enerzijds van de intertrinitaire goddelijke verhoudingen (de Personen) en anderzijds van de geestelijke vermogens van de mens.

Ten tweede kan hij op geestelijk niveau deze onderdelen beschrijven met geestelijke kenmerken, bijvoorbeeld in termen van licht. Ten derde is hier op concreet niveau een concrete betekenis aan te geven.

Zo ontstaat naar aanleiding van de ‘figuur’ van de drie generaties een zeer gelaagd, rijk geschakeerd en sterk samenhangend betekenisveld. Leg je de schema’s van paragraaf 2 en 3 naast elkaar, dan is de volgende samenhang te constateren:


‘Psyche’ God Geestelijk niveau Concreet niveau Psyche mens

Zoon
Heilige Geest
Vader (eenheid)
licht
vuur
verbranden
waarheid/wijsheid
liefde
eenheid
verstand
minnende kracht (wil)
eenheid (memorie)



[Om de tabellen op deze pagina in de juiste lay-out te zien, is het van belang dat de resolutie van je beeldscherm op 1024x768 of hoger staat.]


Zo is de gelijkenis van de mens aan God en de inwerking van de genade van God in de mens in verschillende lagen èn op verschillende niveaus voor te stellen. De Zoon wordt geestelijk gezien gekenmerkt door licht, dat voor waarheid of wijsheid staat. Met dit licht kan God inwerken in het verstand van de mens en zo de rede laten oplichten tot grotere wijsheid.

De Heilige Geest wordt geestelijk gezien gekenmerkt door vuur, dat voor liefde staat. Hiermee kan God inwerken op het minnende vermogen van de mens en zo de wil verhitten tot grotere liefde. Extreem gesteld zou je kunnen stellen dat de Zoon en de Heilige Geest niet zozeer Personen binnen de drie-eenheid zijn, maar veeleer de verschillende vermogens van God voorstellen, in overeenstemming waarmee de mens is geschapen.

De Vader of de memorie wijkt af van de andere vermogens en geeft de mogelijkheid van eenheid binnen de psyche aan.

Het vierde kenmerk van God en van de genade, de opening, is in bovenstaand overzicht niet opgenomen. Het verwijst naar de mogelijkheid van eenwording door overschrijding van het wesen naar het ‘overwezen’. Het ‘overwezen’ is geopend naar het wezen toe en het wezen is geopend naar het ‘overwezen’. Dit beschrijft Ruusbroec ook al in de Brulocht (aan het begin van het tweede boek): het wezen van de mens is niet afgesloten, maar in de grond eindeloos open naar het ‘overwezen’ van God.

Worden Beseleël en Oliab er bij betrokken, dan levert dat een ingewikkelder overzicht op. Doordat de vier kenmerken in tweeën worden gesplitst, verandert de volgorde. De vraag bij dit schema is natuurlijk: wat betekent de van de goddelijke kenmerken afkomstige genade voor de geestelijke vermogens van de mens?

Tussen de schema’s uit paragraaf 2 en 3, de goddelijke kenmerken en de genade, bleek het duidelijk mogelijk te zijn de lijnen door te trekken. Waar ‘leiden’ deze lijnen toe bij de geestelijke vermogens van de mens? Lopen ze daar consequent en logisch in door?

Hier volgt eerst een overzicht met in het linker rijtje in steekwoorden de kenmerken van God en de genade zoals die in het vorige overzicht waren opgenomen. Daarnaast de overkoepelende term waaronder Ruusbroec de twee ‘koppels’ van samenhangende kenmerken onderbrengt. Deze verwijzen elk naar een geestelijk vermogen van de mens (Beseleël en Oliab). Deze vallen ieder, zie de meest rechtse kolom, in twee punten uiteen.


God en genade samenhang vermogens kenmerken

• H. G. - vuur - minne
• Vader - verbranden - eenheid
liefde tot de gerechtigheid gehoorz. vrije wil - Chr. gelijken
- een-zijn

• Zoon - licht - verstand
• overwezen - opening - eenwording
kennis van alle waarheid
klaar verstand
- uitkeren
- inkeren


Het bovenste gedeelte in dit overzicht is de geestelijke afstamming van Beseleël, de onderste rij die van Oliab.

Beseleël wordt geboren uit de ‘liefde tot de gerechtigheid’ die bestaat uit minne en eenheid. De doorlopende lijn vanaf de bovenste rij in de eerste kolom is niet moeilijk te onderkennen (zie de eerste rij in het hier bovenstaande overzicht).

Minder duidelijk is waarom de gehoorzame wil uit de eenheid (de Vader) voortkomt. Ook van de twee punten waar de gehoorzame wil door wordt gekenmerkt (meest rechtse kolom) is het de vraag of deze wel logisch en noodzakelijk uit de hele rij ervoor voortvloeien. Een-zijn heeft een overeenstemming met de eenheid van God (de Vader) en daarnaast is minne in mystieke teksten een belangrijk aspect of zelfs een voorwaarde voor eenwording. Maar dat de rij die eindigt met Christus gelijken begint met de Heilige Geest is minder met elkaar te rijmen. Het is ook de vraag of de laatste twee aspecten, Christus gelijken en een-zijn, niet voor de menselijke geest als geheel gelden in plaats van specifiek voor de wil.

Het onderste gedeelte in het overzicht is de geestelijke afstemming van Oliab. Deze wordt geboren uit ‘kennis van alle waarheid’, die uit verstand en eenwording bestaat.

De eerste pijler geeft een duidelijk samenhangende reeks: Zoon, licht, verstand, kennis, verstand. De samenhang met het overwezen en de eenwording is weer minder duidelijk. De twee toestanden waarin het verstand zich kan bevinden (uitgekeerd gericht op deugden en goede werken of ingekeerd gericht op de waarheid) lijken mij niet causaal voort te vloeien uit de pijlers waar het klare verstand op rust.

Het lijkt, gezien het laatste schema, dat Ruusbroec meer elementen wilde bespreken dan waar hij logischerwijs een plaats voor had. Het dwingende, causale systeem van drie generaties die uit elkaar geboren worden en drie fasen in de relatie van God tot mens die uit elkaar voort vloeien, gaat op enkele punten scheef.

De eerste vreemde stap die Ruusbroec maakt, is het overhevelen van twee van de vier kenmerken van Uri op Achisamech. Het tweede moment waarop de kenmerken die als uitgangspunt dienden niet meer consequent (kunnen) worden doorgetrokken, is bij het onderbrengen van twee betekenissen onder de gehoorzame wil en onder het klare verstand.

Ruusbroec had vier vaders, vier bouwmeesters en vier geestelijke vermogens nodig gehad om de vier goddelijke kenmerken consequent op de mens over te dragen. Daarnaast had hij een onderscheid moeten maken tussen enerzijds de goddelijke kenmerken en de geestelijke vermogens en anderzijds de mogelijkheid van eenwording en het daadwerkelijke eenzijn.

Nu wordt zijn compacte beschrijving tè compact en wordt de suggestie van uit elkaar voortvloeiende samenhang niet tot het einde toe waargemaakt.

Staande blijft dat het een indrukwekkende passage is die Ruusbroec hier neerzet. Moereels spreekt zijn lof uit in een voetnoot:

‘Deze bladzijde, waarin Ruusbroec bondig en beeldrijk zijn leer over God schetst, is een hoogtepunt in dit werk en vormt wellicht een der beste theologische samenvattingen uit al zijn tractaten. En dit zomaar n.a.v. de term Uri!’ [1]

Vele jaren daarvoor had Ampe in zijn studie De mystieke leer van Ruusbroec over den zieleopgang precies over deze passage in het Tabernakel al opgemerkt dat hierin in het kort de theologische leer van Ruusbroec is weergegeven, waarbij hij de nadruk legt op het licht-aspect dat uit deze passage spreekt:

‘Gans de leer van R. is gericht op het licht (vlg. T. II, 32-42). God is de overweselijcke claerheit, wier Beeld wij in het Woord, Die claerheit des vaders (in relatieven zin), schouwen. De Mensheid Christi is de lanterne, waarin ons Gods claerheit toegankelijk is. Zo zouden we kunnen spreken van een licht-theologie, die sterk door Ps.-Dionysius beïnvloed werd’. [2]

De fundamenten voor het tabernakel zijn gelegd. De mens is naar God toegekeerd, zodat de vierledige genade in de geestelijke vermogens kan stromen.

Hij heeft zijn verstand in overeenstemming gebracht met het licht van de Zoon en uitgekeerd en ingekeerd leren gebruiken. Hij heeft zijn wil in overeenstemming gebracht met het vuur van de Heilige Geest. Hij heeft Christus in zichzelf verwerkelijkt en is tot een-zijn met God gekomen.

Nu kan de bouw van het tabernakel, de woonplaats voor God in zijn geest, een aanvang nemen.



Noten:

[1] Moereels (1983), blz. 50, noot 15
[2] A. Ampe, Kernproblemen uit de leer van Ruusbroec. Tielt, 1950-57 (3 dln, 4 bnd). Studiën en tekstuitgaven van Ons geestelijk erf (dl. XI-XIII). Deel XIII, blz. 406, noot 1




[einde van de Synthese]



Rozemarijn van Leeuwen, ‘De bouw van het tabernakel en de geestelijke afstamming van de mens. De betekenis van de bouwmeesters in Het geestelijke tabernakel van Jan van Ruusbroec’ (onderzoeksnota, 1996). Op: www.rozemarijnonline.net/letterkunde.html.


© Het is alleen toegestaan
om gegevens uit deze nota over te nemen
met gebruikmaking van bovenstaande verwijzing.




  Nota Tabernakel Ruusbroec
  Inhoudsopgave
  Cultuur-historische context
  (1). Kenmerken van God
  (2). Inwerkingen van God op de mens
  (3). De geestelijke vermogens van de mens
  Synthese   ↑