RozemarijnOnline




Gastenboek van RozemarijnOnline






















Gastenboek literaire website RozemarijnOnline

Vraag en antwoord

home           gastenboek




Onderwerp: Gedicht Claus
(4 maart 2019)


Hoi Rozemarijn,

Voor een poëzieproject van Nederlands moeten wij een gedicht analyseren. Ik vind dit toch nog vrij lastig en daarom vroeg ik me af of u mij hiermee misschien kunt helpen? Het gaat om 'De Regenkoning' van Hugo Claus.

We moeten aangeven waar het gedicht over gaat (betekenis van het gedicht per versregel, afwijkend taalgebruik, dubbelzinnigheid). En we moeten een aantal dingen benoemen, indien aanwezig (strofenbouw, metrum, klankverschijnselen, enjambementen, beeldspraak, stijlfiguren).

Ik ben hier wel vrij laat mee, want ik moet het over een week af hebben, dus begrijp als het u niet meer voor deze tijd lukt. Maar ik dacht ik vraag het alsnog.

Groetjes,

Loes.

---

De regenkoning


De regenkoning sprak (en gelovig waren mijn oren):
'Hier heb ik de vrouw: gevlamde anus,
Borstknop en navelachtige nachtschade,      3
Daar kan geen sterveling tegen.'
Toen brak
Het rijk der onderhuid aan splinters.      6

Regeerde deze Ram uitbundig en verrukt?
Niet vragen. Luister niet.
Het verhaal van zijn tanden drong        9
In alle vrouwen, dwingend
Als een zomerregen, een koperen lente, als een vroegtijdig
Onderaan in hun liezen begraven doorn.      12

Het regende zeventig dagen - de nachten waren gegolfd
En zout. Onthoofde raven vielen.
In alle daken spleet een oog.            15
En sedert woont in mij,
In mijn ontkroond geraamte,
Een regenkoning die vlammen wekt.      18


Hugo Claus (1929-2008)
In: Oostakkerse gedichten (1955).





Antwoord    (8 maart 2019)


Dag Loes,

Ik ben helaas niet zo thuis in de poëzie van Hugo Claus. Maar om een gedicht als dit te begrijpen, kan het heel erg helpen als je een beetje weet waar de bundel als geheel over gaat.

Zie hiervoor mijn uitgebreide toelichting (elders op deze website): 'Hugo Claus en de experimentele mythe', over de achterliggende wereld van de gedichten in de bundel Oostakkerse gedichten (Wildemeersch, 1955).

Het zou in deze bundel dus gaan om experimentele poëzie met een achterliggende mythe van de oorspronkelijke, primitieve oerstaat van de mens, een eenheidsbeleving van mens en wereld.


De gedichten uit deze bundel Oostakkerse gedichten werden indertijd als vernieuwende poëzie ervaren, met overwegend dierlijke en plantaardige beeldspraak, levenskracht (vitalisme) en verheerlijking van seksualiteit, mythische personages, familiebanden, religieuze motieven, vegetatiemythen en inwijdingsriten. Ook bevrijding uit het verstikkende katholiek-burgerlijke milieu met zijn taboes en onderdrukte seksualiteit speelt een rol.

Ook 'De regenkoning' is een vrij vers, dus zonder formele kenmerken als een metrum of een rijmschema (wel bestaan de drie strofen elk uit 6 verzen).

Zulke experimentele, vrije poezie is in feite niet heel geschikt om eenduidig te interpreteren - daar was de dichter immers niet op uit. Maar S. van Zuydam heeft een artikel over dit gedicht geschreven: 'De regenkoning van Hugo Claus' (Literator, 7-1, 1986). Als we dat volgen, is dat toch enigszins verhelderend.


Volgens Zuydam (die per regel ingaat op dit gedicht 'De regenkoning') gaat het gedicht over seksuele en mentale volwassenwording.

Strofe 1. Het woord 'regenkoning' suggereert vruchtbaarheid (regen maakt het land vruchtbaar). Deze regenkoning spreekt en de 'ik' 'gelooft' in wat hij zegt. De regenkoning spreekt, zeer fysiek en nogal plastisch, over 'de vrouw' (r.2-4), alsof zij zijn bezit is ('hier heb ik', r.2).

De borst verwijst niet alleen naar het vrouwelijke, maar ook naar voeding (vruchtbaarheid, leven geven) en de 'knop' naar het uitlopen en tot bloei komen van de natuur. De nachtschade is een plantensoort, waarvan verschillende soorten zeer giftig zijn (gevaarlijk beeld). De 'navel' van een plant, is de plek waar het zaad aan de zaadlijst heeft vastgezeten (ook hilum of oog genoemd). De vrouw wordt dus voorgesteld als vrouwelijk, vruchtbaar/levengevend, fysiek (haast dierlijk) en gevaarlijk / dodelijk (negatieve macht). Dus r. 3 lijkt een tegenstelling (levengevend versus gevaarlijk/dodelijk).

De vrouw wordt dus zowel positief als negatief voorgesteld, met in de kern haar seksualiteit en vermogen om voort te planten.

R. 4: geen sterveling kan tegen die eigenschappen van de vrouw (de mens wordt uitdrukkelijk als 'sterfelijk' voorgesteld). De sterveling kan geen weerstand bieden aan de vrouw, omdat vruchtbaarheid, seksualiteit en voortplanting de enige manier is om de dood te overwinnen, het leven in stand te houden. Dus de regenkoning, oftewel de vruchtbaarheid 'heeft' een vrouw en een sterveling kan daar geen weerstand aan bieden (oftewel: de vruchtbaarheid heerst over leven en sterfelijkheid).

R. 5-6. Nadat de regenkoning dit gezegd heeft 'breekt het rijk der onderhuid aan splinters'. Zuydam interpreteert dit als de huid van de 'ik'. In de onderhuid bevinden zich de zenuwpunten, hier zetelt het fysieke gevoel, wellicht symbool voor (mannelijke) seksualiteit. De woorden vernietigen een bepaalde vormende, intacte gemoedstoestand van de 'ik' en maken ruimte voor een nieuwe, gevaarlijke, vlammende drift.


Strofe 2. De dichter stelt hier ineens een vraag. Het is niet duidelijk wie 'deze Ram' is. Verwijst dit naar de regenkoning en wordt hij voorgesteld als een soort dierlijke godheid? Of noemt de 'ik' zichzelf 'deze Ram'? Pikant detail is, dat Hugo Claus zelf Ram als sterrenbeeld had. Dit sterrenbeeld Ram verwijst naar het mythologische verhaal van Poseidon en Theophane. Poseidon verandert Theophane in een schaap en zichzelf in een ram, ze hebben zo gemeenschap met elkaar en zij krijgt een Ram met een gouden vacht (beroemd van het verhaal het 'Gulden Vlies'). De ram verwijst zo opnieuw naar vruchtbaarheid, voortplanting.

In plaats van een antwoord, volgt er na de vraag een vermaning (r.8). Het 'verhaal van zijn tanden' (r.9) lijkt een metafoor voor seksualiteit of seksuele drift (met een machts-element, aggressief) - het 'dringt' in alle vrouwen, het is 'dwingend' (r.9-10). Dit beeld wordt meteen getemperd door meer esthetische beelden: een zommerregen, een koperen lente (r.11). De regen slaat terug op de 'regenkoning': een beeld van vruchtbaarheid. Ook de lente (koperen: zonnige? lente) verwijst naar het opbloeien van de natuur, vruchtbaarheid.

In r.12 versmelten mens- en natuur-beelden (een doorn in een lies). Dit lijkt te duiden op lantente, vroege, pijnlijke seksualiteit (ontmaagding?). Hoewel de vraag in r.7 werd omzeild, volgt er volgens Zuydam in de regels erna toch een antwoord: seksualiteit mag als een krachtige macht worden voorgesteld en kan een gevaarlijke kracht zijn.


Strofe 3. Het regent 70 dagen (r.13) - deze regen verbindt str. 3 met str. 2 ('regende' in r.13 en de zomerregen in r.11), zoals 'regeren' in str.2 teruggreep op 'rijk' in str. 1, en zo deze strofen inhoudelijk verbond.

De regen lijkt bijbelse proporties te hebben (denk aan 40 dagen regen tijdens de zondvloed). Het is overdaad - en het is niet duidelijk of deze langdurige regen terugverwijst naar het 'dringen' in 'alle vrouwen' (negatief) of naar het bevruchten van de aarde (positief, wellicht 'uitbundig en verrukt'). De zin verwijst vervolgens naar de zee (golven, zout), die in tegenstelling tot regen het land niet vruchtbaar maakt (de nachten waren onvruchtbaar?).

Raven (r.14) kunnen symbool staan voor de dood, de duivel, ziekte of geweld. Het beeld zou dan kunnen betekenen dat de dood is overwonnen. Er zijn echter ook heldenverhalen waarin de held een raaf bij zich heeft (dan zouden die helden sneuvelen door de duisternis/de nacht).

Als het 70 dagen regent 'splijt' op alle daken een 'oog' (r.15). Het oog kan verwijzen naar de navel in r.3, het splijten daarvan zou dan opnieuw vruchtbaarheid betekenen.

Dit alles zorgt voor een verandering in het leven van de 'ik' ('en sedert woont' r.16-18). De ik wordt zelf een woning, het hele gebeuren verinnerlijkt: een regenkoning woont nu in hem - een regenkoning die vlammen wekt (schijnbare tegenstelling / paradox), maar regen en vlammen zijn in deze mythische wereld inwisselbaar (zoals Wildemeersch betoogde bij de link die ik hierboven gaf).

Zuydam concludeert dan: doordat een regenkoning / de vruchtbaarheid in de 'ik' is komen wonen, is de dood overwonnen (regen, seksualiteit, vruchtbaarheid, voortplanting overwint de dood). De 'vlammen' zijn mogelijk brandende begeertes. De regenkoning is een metafoor voor de mens die wordt aangezet tot seksualiteit en daarmee vruchtbaarheid. De mens krijgt daarmee macht over leven en dood.


Paar details (niet volledig): het enjambement van r.5-6 ligt precies op een breekpunt (het visuele versterkt de inhoud): 'toen brak' (zin afgebroken). R8 is versbreking (punt midden in regel).


Ik hoop dat je zo verder komt met je analyse en je verslag. Het is een lastig gedicht dat je moet bespreken. Veel sterkte ermee,

Met vriendelijke groet,

Rozemarijn.


•  Kenmerken van poëzie

•  Alle gedichten met een bespreking

---

Gebruikt artikel:
S.W. van Zuydam, " 'De regenkoning' van Hugo Claus". In: Literator (7, 1), 1986.

Verder lezen:
Hugo Claus en de experimentele mythe in de bundel Oostakkerse gedichten (Wildemeersch, 1955).





Re:    (8 maart 2019)


Echt heel erg bedankt voor uw uitgebreide antwoord! Dit had ik er zelf allemaal nooit uitgehaald. Super bedankt!

Groetjes, Loes.








Poëziegeschiedenis

Kenmerken poëzie      Interpreteren gedichten

Alle gedichten met bespreking






Home           Gastenboek