RozemarijnOnline




Gastenboek van RozemarijnOnline






















Gastenboek literaire website RozemarijnOnline

Vraag en antwoord

home           gastenboek




Onderwerp: Betekenis 'Doornroosje'
(22 november 2019)


Beste mevrouw Van Leeuwen,

Op school doen wij een project over literatuur. Hierbij is het de bedoeling dat we allemaal een gedicht voor de klas bespreken en aan mij is het gedicht 'Doornroosje' van Gerrit Achterberg toegewezen.

Verschillende stijlfiguren etc. vinden lukt mij wel, maar de inhoud/ boodschap van het gedicht kan ik er niet echt uithalen.

Ik hoop dat u mij hiermee kan helpen, dat zou heel fijn zijn. Alvast bedankt!

Met vriendelijke groet,

Dirk.

---

Doornroosje

Houthakkers, die zich in het bosch verklikken.
Slooten, die op hun bodem staan te roesten.
Je eigen in de hoogte hooren hoesten.
Een edelhert met plotselinge schrikken.      (4)

Spechten, als zachte mitrailleuren, tikken
tegen de honderd jaar in eikenknoesten.
Dat wij elkander tegenkomen moesten
was te voorzien met langgeworden blikken.      (8)

Hier is het uur. Op deze ronde plek
heeft het tusschen ons plaats, een vuur,
dat niet verglaast. De groene diepte drinkt.      (11)

Terwijl de stilte verder openspringt,
met boomen van verbazing opgewekt,
omklemmen wij het eeuwig avontuur.      (14)


Gerrit Achterberg
In: Doornroosje (1947).





Antwoord    (26 november 2019)


Dag Dirk,

Als ik het goed heb, is het gedicht 'Doornroosje' het eerste gedicht in een bundel van Achterberg uit 1947 - die op zijn beurt ook Doornroosje heet. Dat wijst erop, dat Achterberg belang moet hebben gehecht aan dat begrip. Het staat overkoepelend, als titel, boven de bundel als geheel; èn is het beginpunt ervan als het eerste gedicht.

De benaming 'doornroosje' komt uit het gelijknamige sprookje, over een koningsdochter die honderd jaar slaapt (het is dus een literaire verwijzing). Waarom heeft Achterberg voor die benaming gekozen? Waarom heten zowel de bundel als het begingedicht 'Doornroosje'? Wat betekent dat woord voor Achterberg?

Om dat te proberen te begrijpen, kijk ik naar twee dingen: zijn belangrijkste thematiek; en het motto dat voorin in de bundel Doornroosje is opgenomen.


Het hoofdthema van Achterberg is het proberen te bereiken van een afwezige/gestorven geliefde (die meestal met 'u' of 'gij' wordt aangeduid). Deze geliefde is als het ware in moleculen uiteen gevallen en overal in verspreid geraakt. Zij is daardoor letterlijk overal in te vinden (van voorwerpen tot het heelal, van natuurkundige wetten tot energieën), maar nooit als complete, samenhangende persoon.

De enige manier om haar weer even op te roepen, heel te maken, tot leven te brengen, is in een gedicht, in taal. Hierdoor is taal voor Achterberg essentieel: tot leven brengend, scheppend. De dode geliefde weer aanwezig te laten zijn in het leven, kan alleen in een gedicht - en daardoor wordt dichten het allerbelangrijkste wat er is, de zin van het leven.

Een belangrijk motief dan daarbij, is de tijd. Als het lukt om de gestorven geliefde op te roepen, dan wil hij de tijd stilzetten, een bewegingloze toestand oproepen, zodat haar aanwezigheid zal voortduren. Ook dat kan alleen in taal, binnen de talige werkelijkheid van een gedicht. In feite is een gedicht zelf een gedachte die gestold is in taal, een gestold moment in de tijd.

Tot zover zijn belangrijkste thematiek. Dan heeft hij deze bundel ook nog twee motto's meegegeven. Dat kan je ook op het spoor zetten van wat de dichter wil of bedoelt met een bundel. De beide motto's (zie onderaan deze mail) zijn nogal ingewikkeld geformuleerd, maar gaan beide over het begrip 'leven'. Zijn er naast leven en niet-leven wellicht ook nog andere gradaties van 'leven' te onderscheiden? En zijn chemische verschijnselen en uitingen van leven samen niet eigenlijk één werkelijkheid?


Met deze twee dingen in ons achterhoofd (zijn belangrijkste thema en de motto's voorin deze bundel) dan naar het sprookje over Doornroosje. In dit sprookje prikt een koningsdochter zich aan een spintol en valt honderd jaar lang in een diepe slaap. Rond het kasteel groeit een betoverde haag (of: er is een betoverd bos), waardoor niemand naar binnen kan. Na honderd jaar wordt ze wakker gekust door een prins en ze trouwen.

Nu is er een opmerkelijk aspect aan dit sprookje. De honderd jaar dat het meisje slaapt, wordt zij niet ouder. Na honderd jaar is zij nog altijd dat jonge meisje van huwbare leeftijd (niet een ong. honderdtwintig jaar oude vrouw!). Ze slaapt dus niet alleen, voor haar heeft ook de tijd stilgestaan.

Dit sprookje sluit -op drie aspecten- duidelijk naadloos aan bij het motto van de bundel met de vraag: zijn er tussen leven en niet-leven nog gradaties van leven?

(1) Dit sprookje zegt duidelijk: ja. De diepe slaap van het meisje is een tussenvorm van leven. En als dat zo is, dan is er misschien nog wel een andere gradatie mogelijk: namelijk de gestorven geliefde van Achterberg, die niet meer leeft, maar nog wel kan worden opgeroepen in taal.

(2) En als de prins Doornroosje kan wakker kussen, weer tot leven kan wekken - dan moet Achterberg, de dichter, ook zijn geliefde weer tot leven kunnen wekken (al is het maar in taal, al is het maar in een andere gradatie van leven).

(3) En als voor Doornroosje de tijd honderd jaar lang heeft stilgestaan - dan moet Achterberg de tijd ook stil kunnen zetten voor de gestorven geliefde, als hij haar oproept in een gedicht.

Kortom: Doornroosje is wat deze drie aspecten betreft (een persoon in een andere gradatie van leven; de mogelijkheid voor de prins/de dichter deze weer tot leven te wekken; en de tijd stil laten staan voor een persoon) niet zozeer hetzelfde, maar wel vergelijkbaar met de gestorven geliefde van Achterberg.

Doornroosje wil dus zoveel zeggen als: wat ik probeer met mijn gestorven geliefde (in mijn literaire werkelijkheid), is mogelijk, kijk maar, het is al bewezen door Doornroosje. Doornroosje is als het ware het (literaire) bewijs voor de opgeroepen, weer tot leven gebrachte, gestorven geliefde.

En je zou nog een stap verder kunnen denken: de geliefde is enkel aanwezig in een gedicht, het gedicht is gestolde taal, een voorgoed onveranderlijk gedicht, in een soort slapende gradatie van leven, in een dichtgeslagen dichtbundel. Het is de lezer die haar - en ook het gedicht zelf - wekt, tot leven brengt, door het gedicht te lezen. De lezer brengt een gedicht weer tot leven. Zo bezien is elk gedicht een Doornroosje, en elke lezer een prins die het gedicht tot leven brengt.


Maar nu terug naar de betekenis van de titel (volgens Achterbergs thema en motto's), en daarmee naar de inhoud van het gedicht zelf.

De eerste twee strofen van het sonnet (het octaaf) beschrijven een bos - dat lijkt te verwijzen naar het betoverde bos rond het kasteel uit het sprookje. De eiken zijn 'honderd jaar' oud (r.6) - dat is een duidelijke verwijzing.

De houthakkers (regelmatig voorkomend in àndere sprookjes) 'verklikken' (verraden) hun aanwezigheid natuurlijk, door het lawaai dat zij maken (je hoort ze altijd al van verre). Er zijn sloten, herten, spechten (die tegen boomstammen tikken met hun snavel), alles lijkt onder de bomen te weerklinken (jezelf 'in de hoogte horen hoesten').

Dan is er sprake van een 'wij' (waarschijnlijk de dichter en de geliefde; die dus vergelijkbaar zijn met de prins en de koningsdochter).

In de laatste twee strofen, de terzetten, worden dit moment 'het uur' (r.9) en de eeuwigheid (r.14) tegenover elkaar gezet; waardoor een spanningsveld wordt gecreëerd (het thema van de tijd, het ene moment stilzetten, eeuwig laten duren).

Het vuur dat niet 'verglaast' (verglazen is een ander woord voor glazuren, poreus aardewerk van een hard glazuurlaagje voorzien) wil zoveel zeggen als: er is 'tussen ons' een vuur, maar het verwarmt ons en het 'verhardt' ons niet (r.10-11). De 'groene diepte' (r.11) zou een beeld kunnen zijn van bijv. een stroompje dat uitkomt in een (groenig) meertje. In ieder geval wijst 'drinken' op water, en dat vormt een tegenstelling met 'vuur' (vuur-water, verwarmen-verkoelen: spanningsveld in strofe).

De stilte wordt groter (in tegenstelling met de geluiden van de houthakkers en de spechten aan het begin). De bomen worden 'opgewekt' (r.13). Zoals Doornroosje werd 'opgewekt' door de prins en de dichter zijn geliefde probeert 'op te wekken' (en denk ook aan het beroemde christelijke verhaal van Jezus die Lazarus uit de dood 'opwekt') - zo raken hier, aan het begin van de dichtbundel, al wel de 'bomen' opgewekt door 'verbazing'. Dus door deze verbazing, raken zij in een andere gradatie van 'leven' (denk aan het motto).

De 'wij' vatten dan een 'eeuwig avontuur' aan - ze staan aan het begin van een gebeuren, waarvan ze hopen dat het eeuwig zal duren (oftewel: de dichter wil dat de geliefde eeuwig in leven blijft).

Het lijkt me betekenisvol dat dit beeld helemaal voorin de dichtbundel staat, als openingsgedicht dat de toon zet, als beginpunt van de bundel. Hier gaan de 'ik' en de 'gij' (de 'wij') aan een 'avontuur' beginnen - dat in ieder geval een bundel lang zal duren.


Tot slot nog iets over de vorm. Het gedicht is natuurlijk overduidelijk een sonnet, met een rijmschema dat uit zeer weinig rijmklanken bestaat. Het schema is:
abba / abba / cde / e'c'd.

Het hele gedicht bevat dus slechts vijf rijmklanken (-ikken, -oesten, -ek, -uur, en -inkt). Het is enorm knap, dat hij, binnen zulke strikte beperkingen, toch natuurlijke spreektaal en een samenhangende inhoud heeft weten te bereiken.

In het gedicht is grotendeels een jambe aangehouden (zwak-sterk), bijvoorbeeld:
'Terwijl de stilte verder openspringt'.
Al wijkt hij hier soms iets van af. De meeste regels bestaan uit 5 beklemtoonde lettergrepen (oftewel versvoeten) (dit heet een vijf-jambische versregel of vijfvoetige jambe), maar ook hier wijkt hij soms van af.


Ik hoop dat je zo weer een stap verder komt met je bespreking.

Met vriendelijke groet,

Rozemarijn.


•  Kenmerken van poëzie

•  Alle gedichten met een bespreking

---

Motto's voorin de bundel Doornroosje:


Zal het begrip leven wellicht een differentiatie moeten ondergaan, zó dat het kwaliteitsverschil tussen de verschillende hiërarchieën van leven niet geringer is, dan dat hetwelk tussen leven en niet-leven bestaat?

H.A. Kramers, Ensie I, blz. 145.


Gaan wij thans echter nog één stap verder... Welnu, dan kunnen wij ook Bohrs gedachte uitbreiden en vragen: zijn aan den eenen kant alle physisch-chemische verschijnselen en processen en aan den anderen kant de vele en velerlei verschijnselen, die uitingen zijn van hetgeen wij leven plegen te noemen, complementaire aspecten van één en dezelfde met reden veronderstelde realiteit?

Dr. J.H.F. Umbgrove, Leven en materie, blz. 122.








Poëziegeschiedenis

Kenmerken poëzie      Analyseren gedichten

Alle gedichten met bespreking






Home           Gastenboek