RozemarijnOnline




Gastenboek van RozemarijnOnline






















Gastenboek literaire website RozemarijnOnline

Vraag en antwoord

home           gastenboek




Onderwerp: Gedicht van Weemoedt
(16 juni 2021)


Beste mevrouw Van Leeuwen,

Ik moet voor school een gedicht analyseren van Levi Weemoedt en ik kom hier totaal niet uit. Het gaat om het gedicht 'Grijze wolf'.

Ik moet in het kort wat zeggen per strofe en aangeven wat het metrum, rijm en beeldspraken zijn. Ook begrijp ik niet wat de betekenis is.

Het zou mij heel erg helpen als u hier naar zou kunnen kijken. Alvast heel erg bedankt! En hoop snel iets te horen.

Met vriendelijke groet,

Juliette.

---

GRIJZE WOLF


Ik sjok als vreemdeling door 't leven
want ik ben Droefheids onderdaan,
voorgoed uit 't land der Zon verdreven,
als Spanjaard, Turk of Marokkaan.           4

O, ik kan mij maar zo moeilijk schikken
naar 't nijvere Holland: míjn cultuur
bestaat uit: zitten, zuchten, snikken.
Dat schept verwijdering op den duur.         8

Nu kan men mij wel subsidiëren
of omscholen tot vrolijkheid,
door welzijnswerkers lachen leren:
het blijft een trieste minderheid.             12

Zelf voel ik 't meest voor reservaten
waar ik, verkleed tot indiaan,
in een barak van golfplaten
hier nog een wijle mag bestaan.             16

Waar ik in godsnaam niet hoef práten!
Alleen maar: "Oef...!" En dan een traan.         18


Levi Weemoedt.





Antwoord    (22 juni 2021)


Dag Juliette,

De gedichten van Levi Weemoedt (echte naam: Isaack van Wijk, geb. 1948) worden wel tot de 'light verse' (luchtige gedichten) gerekend en bevatten vaak veel formele kenmerken, zoals rijm en een vast metrum.

Weemoedt schrijft meestal verhalen en gedichten die tragikomisch zijn. Tragikomisch wil eigenlijk zeggen, dat een gedicht gaat over iets dat eigenlijk treurig of zielig is (tragisch), maar dat op zo'n manier wordt verteld, dat je er ook wel weer om kunt lachen (komisch).

Hij overdrijft bijvoorbeeld graag enorm (hyperbool) en schrijft vaak ironisch (schijnbaar ernstig, maar spottend bedoeld). De personages in zijn gedichten zijn vaak mislukte, ongelukkige, neerslachtige, eenzame, lelijke of afgewezen tobbers.

In Weemoedts teksten gaan droefheid en humor altijd samen, waardoor het voor de lezer vaak opbeurende gedichten zijn - kijk, dat is iemand met wie het nog véél slechter gaat dan met mijzelf - en die er nog om kan lachen ook.

Een bekend, heel kort voorbeeldje van zo'n tragikomisch tekstje van zijn hand is:
"Mijn tweede vrouw is zo snel weggelopen, dat ze de eerste heeft ingehaald" (iets dat eigenlijk treurig is, met een grapje beschrijven).



Inhoud


Het gedicht 'Grijze wolf' gaat over een 'ik-figuur'. Deze 'ik' wordt in de eerste regel een 'vreemdeling' genoemd. Maar er zijn meer woorden die iets zeggen over deze 'ik', die opvallend zijn: 'droefheid' (r.2), hij zit te 'zitten, zuchten, snikken' (r.7), 'triest' (r.12) en 'traan' (r.18).

Deze woorden roepen een treurig en triest beeld op. Wat is er aan de hand met de ik-figuur en wat wil hij?

Ik zal de inhoud van het gedicht per strofe langslopen.

Strofe 1. De 'ik' sjokt 'als een vreemdeling door het leven'. Hij voelt zich dus niet thuis in het alledaagse leven. Waarom niet? Dat staat uitgelegd in de regel erna: de 'ik' is onderdaan van de 'droefheid'. Hij voelt zich niet meer horen bij de zon, het licht, de vrolijkheid, maar bij de droefheid (denk aan zijn andere personages, die vaak neerslachtig en ongelukkig zijn). Deze 'ik' voelt zich niet thuis in het leven, zoals een immigrant, die uit een zonnig land afkomstig is, zich niet thuis kan voelen in een ander land.

Strofe 2. De 'ik' voelt zich niet thuis in de Nederlandse cultuur, die hij 'nijver' noemt (een cultuur van hard werken dus). Zijn leven draait om 'zitten, zuchten en snikken', waardoor hij verwijdering voelt van andere mensen. Ieder mens zal begrijpen dat een leven nooit alleen maar kan bestaan uit 'zitten, zuchten en snikken', het is een overdrijving (hyperbool) - het is wel zielig als iemand zit te snikken, maar je kunt hem als lezer door deze overdrijving niet helemaal serieus nemen.

Strofe 3. De buitenwereld kan hem wel proberen te helpen, bijvoorbeeld door hem geld te geven, een uitkering of een beurs (subsidieren), of door hem 'vrolijkheid' aan te leren of door hem te leren lachen - maar hij blijft zich bij een minderheid voelen horen, bij de trieste mensen.

Strofe 4. Nu komt hij met een oplossing: misschien zou hij kunnen leven in een reservaat. Ook hier weer, weet je als lezer meteen weer dat dit volkomen over de top is: je kunt natuurlijk niet alle bedroefde en trieste mensen onder brengen in een afgesloten gebied, een reservaat. Het wordt helemaal ongeloofwaardig als hij zich voorstelt, dat hij zich als 'indiaan' zou kunnen verkleden (een bestaande minderheid, die wel degelijk in reservaten wonen) - hij overdrijft het beeld dus nog wat verder door.

Strofe 5. Hij hoopt daar niet meer te hoeven praten (misschien doet hij ook op praten met de hulpverleners in strofe 3). Hij hoeft daar alleen nog te zuchten en een traantje te laten. Deze laatste regel komt natuurlijk overeen met r.7: 'zitten, zuchten, snikken'. In dit fictieve 'reservaat' kan hij dus volkomen zichzelf zijn, hij kan precies zijn zoals hij zich voelt.


Voorbeelden van het stijlfiguur hyperbool (overdrijving) zijn bijv: een cultuur die enkel bestaat uit 'zitten, zuchten, snikken' (r. 6-7); reservaten maken voor bedroefde mensen (r. 13); je daar als indiaan verkleden (r. 14); en nooit meer praten, alleen nog zuchten en huilen (r.18). Dit is allemaal zo overdreven, dat je het niet meer serieus kunt nemen, zodat je erom kunt lachen.


Kortom: in het gedicht 'Grijze wolf' schetst Levi Weemoedt een 'ik' die bedroefd en triest is, misschien wat depressief. Hij voelt zich niet thuis in de normale wereld, hij voelt zich een 'vreemdeling', want hij behoort toe aan de 'droefheid'. Andere mensen in dit land zijn nijver, terwijl de ik-figuur alleen maar wil 'zitten, zuchten en snikken'. Daardoor behoort hij tot een minderheid die 'triest' is.

De oplossing die hij voor ogen heeft, is een reservaat, waar hij volkomen zichzelf mag zijn en alleen maar hoeft te zuchten en te snikken. Een plek waar droeve en trieste mensen zich thuis zullen voelen, dus. Deze oplossing is zo onwaarschijnlijk, dat de lezer meteen begrijpt dat hij dat niet serieus kan bedoelen, in de werkelijkheid kan zoiets natuurlijk niet.



De titel


Dan naar de titel van het gedicht. Waarom heet dit gedicht 'grijze wolf'? Er komt geen enkele wolf voor in dit gedicht. Het gaat over een droef mens, niet over een wolf.

Als je dan iets leest over grijze wolven (bijv. op de online encyclopedie Wikipedia), dan staat daar dat grijze wolven in heel kleine groepen samenleven op een duidelijk afgebakend territorium - zij hebben dus een eigen leefgebied, eigenlijk zoals het 'reservaat' in r.13.

Kenmerkend is dat ze veel huilen naar elkaar. En ook dat zagen we al in het gedicht (r.7 en 18). Net als grijze wolven, wil ook de 'ik' een eigen gebied, een eigen reservaat, waar hij niet meer hoeft te praten, alleen nog te huilen.

Er zijn dus duidelijke overeenkomsten tussen deze ik-figuur en de grijze wolf.


Maar dan is er nog een tweede reden, waarom dit gedicht deze titel kan hebben gekregen. Je wordt op dat spoor gezet, door het woord 'indiaan' in r.14.

Misschien heb je wel eens een (kinder)boek gelezen over indianen, of de Donald Duck, waarin de indiaan Hiawatha voorkomt, met zijn familieleden. Opvallend is, dat veel indanen een naam van een dier hebben, zoals: Grote Bizon of Snelle Zilverslang. Dit zijn vaak namen die iets zeggen over hun uiterlijk of hun karakter.

Dit gedicht gaat over een 'ik' die graag in een reservaat zou willen wonen, zoals indianen. Dan zou hij zichzelf wellicht ook een naam kunnen geven, die iets zegt over zijn karakter, zoals indianen doen. En we zagen zojuist al, dat grijze wolven graag hun eigen leefgebied hebben, waarin ze huilen. 'Grijze Wolf' zou dus de naam kunnen zijn, die die 'ik zou kiezen, als hij als een indiaan in een reservaat zou wonen.


De titel zou zo dus wel degelijk verwijzen naar de 'ik' van dit gedicht. Deze 'ik' is als een grijze wolf. En als indiaan zou hij 'Grijze Wolf' kunnen heten.



Formele kenmerken


Het gedicht 'Grijze wolf' bestaat uit 18 regels, verdeeld in vier strofen van vier regels (kwatrijnen) en één strofe van twee regels (een distichon).


Door het hele gedicht is een metrum aangehouden (al loopt niet elke zin perfect). Het gaat om een jambe (zwak-sterk zwak-sterk enz). Bijvoorbeeld:

bestaat uit zitten, zuchten, snikken
of:
het blijft een trieste minderheid.

Soms staat er echter een onbeklemtoonde lettergreep teveel in. Om het metrum vol te houden, moet je die samentrekken (elisie). Bijvoorbeeld:

dat schept verwijd'ring op den duur

In r.15 komt het omgekeerde voor, er ontbreekt een onbeklemtoonde lettergreep. Die moet je als het ware zelf 'toevoegen', door het woord een beetje slordig uit te spreken:
in een barak van gol-lef-platen


Alle regels hebben een gelijke lengte. Ze bestaan uit vier beklemtoonde lettergrepen (oftewel vier versvoeten). Dat heet een vier-jambische versregel of viervoetige jambe.


Het rijmschema kun je vinden, door elke klank aan het einde van de regel een letter te geven. Dezelfde klanken, krijgen dezelfde letter.

De eerste strofe eindigt op de klanken: -even, -aan, -even, -aan.

De eerste eindklank (-even) krijgt dan de letter 'a';
de tweede eindklank (-aan) krijgt de letter 'b';
in de derde regel keert er een klank terug, namelijk -even: die krijgt dus weer een 'a';
en de laatste regel, -aan, hebben we al gezien in regel 2 en krijgt dus net al daar een 'b'.

De klanken zijn dus:
-even      a
-aan        b
-even      a
-aan        b

Dat levert het rijmschema op: abab. Dit wordt gekruist rijm genoemd.

In de volgende strofe zie je precies hetzelfde patroon (-ikken, -uur, -ikken, -uur) en dus weer: abab, weer gekruist rijm. Dat schema houdt de dichter in elke strofe aan.

Alleen de laatste strofe wijkt af, die telt immers maar 2 regels. Daarin houdt de dichter vast aan de rijmklanken van de strofe ervoor (-aten en -aan).

Dus in het hele gedicht is een vast rijmschema aangehouden; in elke strofe gaat het om gekruist rijm (en in de laatste, afwijkende, strofe, worden de laatste twee rijmklanken aangehouden).


De dichter maakt in dit gedicht niet veel gebruik van alliteratie (zelfde beginletters) of assonantie (zelfde klinkers). Kleine voorbeeldjes zijn: alliteratie: lachen-leren (r.11), en zitten-zuchten (r.7). En assonantie: vreem(deling)-leven (r.1), zitten-snikken (r.7).

Je ziet dat er in de korte opsomming in r.7 zowel alliteratie als assonantie zit: dit maakt het dus een korte zin met een heel sterke samenhang aan klank. Het benadrukt dat het een echt bij elkaar horend rijtje is.


Ik hoop dat je zo een aanzet hebt waarmee je je bespreking kan gaan schrijven. Het scheelt vaak al veel als je de inhoud per strofe duidelijk voor ogen hebt en een idee hebt waar de titel op zou kunnen slaan.

Veel succes ermee en vriendelijke groet,


Rozemarijn.


•  Kenmerken van poëzie

•  Alle gedichten met een bespreking

---

Artikelen

- https://www.hpdetijd.nl/2018-10-22/dichter-levi-weemoedt/
- http://www.poezie-leestafel.info/levi-weemoedt
- https://www.literairnederland.nl/2048/
- https://nl.wikipedia.org/wiki/Wolf
  (hierin m.n. 'Communicatie' en 'Huilen')





Antwoord    (23 juni 2021)


Beste Rozemarijn,

Hartelijk bedankt voor deze uitgebreide bespreking! Ik krijg weer een beetje hoop voor het schrijven van mijn analyse.

Met vriendelijke groet,

Juliette.








Poëziegeschiedenis

Kenmerken poëzie      Analyseren gedichten

Alle gedichten met bespreking






Home           Gastenboek