RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici
 • Bijlagen en vgv

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Bijeenkomst 1b.  Wat is mystiek?

Onderwerpen dit uur:
  • Kenmerken van de mystieke ervaring:
    fragmenten van Hadewijch, Simone Weil, Teresia van Avila, Hildegard van Bingen, Bernardus van Clairvaux, e.a.
  • Ordening van alle kenmerken:
    • het 'zijn' en de werkzaamheid van God
    • de kenmerken van de mystieke ervaring



Wat is mystiek?


Aan de hand van zes mystieke fragmenten door de eeuwen heen zullen we kijken naar de vraag: wat is mystiek? Wat zijn de kenmerken van de mystieke ervaring?

Het zijn fragmenten van Hadewijch, Simone Weil, Teresia van Avila, Hildegard van Bingen, een anonieme karmelietes en Bernardus van Clairvaux. Elk fragment voegt stukjes aan het antwoord toe en aan het eind zal ik de kenmerken groeperen in bij elkaar horende rijtjes.

Ten eerste een fragment van Hadewijch.



Fragment Hadewijch: mystiek is een godsontmoeting of godservaring


Voor de pauze heb ik verteld dat Hadewijch in de volkstaal schreef over religie. Daarin wijkt zij dus ontzettend af van de normale gang van zaken, waarbij geleerde, mannelijke monniken in het Latijn over religie schreven. Deze heren schreven theologische tractaten, discussieerden met elkaar over theologische kwesties, schreven commentaren bij bijbelteksten of teksten van kerkvaders, of zetten de preken die ze hielden op papier. En precies over al deze onderwerpen schrijft Hadewijch niet. Ook in haar onderwerpkeuze wijkt zij af van wat gangbaar was in het (mannelijke, kerkelijke) religieuze leven.

Hadewijch schrijft over haar persoonlijke belevingen op het religieuze vlak. Zij schrijft over haar liefde voor God, hoe God haar heeft geraakt, en hoe zij God mist als zij Zijn aanwezigheid niet ervaart. Ook schrijft ze bemoedigend aan haar vriendinnen, over verlangen, eenzaamheid, de groei tot geestelijke volwassenheid hier op aarde en de ware godsliefde. In haar teksten, vooral in de visioenen die zij optekende, schrijft ze beeldend dat God voor haar aanwezig is, waarneembaar is, ontmoetbaar is.

Zelf zegt Hadewijch hierover in haar 22ste brief:


Wie God wil begrijpen en weten wat Hij is in zijn naam en zijn wezen, die moet God helemaal zijn. (...) Wie God wil vinden en te weten wil komen wat Hij in zichzelf is, die verlieze zichzelf.

Mijn weten van God is klein, ik kan maar een klein deel van Hem ontraadselen, want God kan men met menselijke begrippen niet duiden. Maar wie in de ziel door God wordt aangeraakt, die kan van Hem iets duiden voor hen die het in de ziel zouden begrijpen.


Hadewijch, brief 22 (r. 1-16).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 22 (Mnl. en hertaling).


Het gaat dus niet om nadenken of theoretiseren, maar over 'in de ziel door God aangeraakt' worden: overtuigd zijn van het ervaren van een goddelijke aanwezigheid. En die religieuze ervaring leidt tot 'iets van God begrijpen', godskennis door ervaring dus, niet door Bijbelkennis of door theoretische theologie.

En hoewel Hadewijch hier aangeeft hoe verschrikkelijk moeilijk het is om in onze menselijke taal iets over God te zeggen en met ons menselijke verstand God te begrijpen ('God kan men met menselijke begrippen niet duiden'), probeert zij enkele regels later toch aan te geven hoe zij God ervaart:


God is boven alles, maar niet verheven. God is onder alles, maar niet verdrukt. God is binnen alles, maar niet ingesloten. God is buiten alles, maar helemaal omgrepen.


Hadewijch, brief 22 (r. 17-24).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 22 (Mnl. en hertaling).


Dit soort teksten, waarin over God wordt geschreven vanuit een overtuigd zijn van een ervaren van de aanwezigheid van God, 'aangeraakt worden in de ziel' noemt Hadewijch het hier, en waarin men vanuit die ervaring tot godskennis komt, worden mystieke teksten genoemd.

Het woord 'mystiek' gaat terug op het oud-Griekse muein (het sluiten van lippen en ogen, stil worden, je afsluiten, je inkeren) en hangt samen met mustikos/mustès (mysterie, verborgen, geheim, ingewijde). Mystiek zou je, in het kader van de christelijke, middeleeuwse mystieke teksten, kunnen vertalen als 'godsontmoeting' of 'godservaring'.

In de hand-out zijn een aantal definities opgenomen van wat mystiek nou eigenlijk is, en één ervan zou ik er even bij willen pakken, die van Oliver Davies. Hij zegt het als volgt:


Mystiek [is te] omschrijven als een ervaring van God. In de mystiek is het goddelijke niet een idee of de basis van een theologisch systeem, evenmin een beeld dat men zelf ontworpen of uit de traditie ontvangen heeft. Neen, in de mystiek gaat het om een gevoelen binnenin de menselijke persoon dat een transcendent en goddelijk wezen onbemiddeld aanwezig is voor die persoon.

Oliver Davies.


Mystiek is dus geen theorie of idee, maar beschrijft een ervaring. Dit staat daar nu zo makkelijk: mystiek is een godservaring. Maar dat is eigenlijk iets heel uitzonderlijks. Voor de gemiddelde mens, gelovige christen, is God niet te zien, niet te ervaren, niet tastbaar, niet hier en nu aanwezig. Gelovigen baseren hun geloof in het bestaan van God gewoonlijk op iets ànders, bijvoorbeeld op de Bijbel. Als je de Bijbel leest kun je je een voorstelling vormen wat en wie God is, en sommigen concluderen dan, wat hier geschreven staat hecht ik waarde aan, daar geloof ik in.
Maar dan zijn daar dan die mystici die zeggen dat voor hen God ontmoetbaar is. Dat er contact mogelijk is tussen mens en God, al hier op aarde.

Wat zeggen zij dan te ervaren? Wat is dat, een mystieke ervaring, wat gebeurt er, wat ervaart een mysticus precies? We zullen nog vijf fragmenten van christelijke mystici uit verschillende eeuwen gaan bekijken om te proberen een beetje zicht te krijgen op de kenmerken van de mystieke ervaring: wàt ervaart een mysticus, wat zeggen mystici naar aanleiding van hun ervaring over God; en hóe ervaart hij het, hoe gaat zo'n mystieke ervaring in zijn werk?

Voordat ik naar de fragmenten ga, wil ik nog één kanttekening maken bij die definitie 'mystiek is een godservaring'. Deze definitie is bruikbaar als we, zoals in deze cursus, het hebben over christelijke, theïstische mystiek. Maar mystiek, het overtuigd zijn van iets wat jou overstijgt, komt voor in alle culturen en in alle tijden van de geschiedenis van de mensheid: joden, islamieten, boeddhisten en allerlei andere culturen (soefies) kennen het voorkomen van mystieke ervaringen. Zij brengen het allemaal op hun eigen manier onder woorden, spreken over bijvoorbeeld het 'transcendente' dat wordt ervaren, of het 'Al-Ene', of het 'nirvana' of 'verlichting'. Dat laat ik allemaal terzijde. Wij gaan nu bekijken hoe de mystieke ervaring in de Westerse, christelijke wereld onder woorden wordt gebracht.

Voor alle duidelijkheid: in deze cursus komt niet de vraag aan de orde: bestaat de mystieke ervaring wel echt of zijn het verzinsels of waanvoorstellingen of literaire fictie; moet ik hierin geloven of niet? We lezen deze teksten vanuit een cultuur-historische context, dus de vraag is enkel of de auteur zelf, of het toenmalige publiek, of de middeleeuwer geloofde of dit een echte religieuze ervaring was of niet. Dat is deze hele cursus door het uitgangspunt, en ik zal die vraag komende week ook beantwoorden.

Om nu zicht te krijgen op het verschijnsel mystiek, lezen we de komende vijf fragmenten met het oog om de kenmerken ervan op een rijtje te krijgen, los van de vraag of dit echt of waar is. Teksten met het overtuigd zijn van die goddelijke ervaring bestaan in ieder geval, met name in de Middeleeuwen, en we gaan proberen grip op dat verschijnsel te krijgen.


hadewijch visioenen handschrift c klooster bethlehem leuven

Hadewijch, Visioenen,
Handschrift C, 14e eeuw (klooster Bethlehem, Leuven)
-klik voor vergroting-
.




Fragment Simone Weil: liefde, on-middellijk, een ander


Het tweede fragment dat we gaan lezen is van Simone Weil, een Franse filosofe. Zij leefde in de eerste helft van de 20ste eeuw (1909-1943). Zij was zeer gelovig, maar is nooit tot de katholieke kerk toegetreden, door allerlei fundamentele bezwaren die ze tegen de kerk had. Naast enkele filosofische werken heeft ze ook boeken over religie geschreven, haar bekendste boek is Wachten op God. Verder heeft ze brieven geschreven aan een goede vriend van haar, een monnik, en die zijn gebundeld onder de titel Brieven aan een kloosterling. Dit fragment komt uit één van die brieven.

Ze schrijft dat ze op een gegeven moment, in 1938, een weekje in retraite is gegaan en dat ze een gedicht van Herbert uit haar hoofd heeft geleerd, met de titel 'Love'. Ze beschrijft dan dat ze weer een van haar migraine-aanvallen krijgt en dat ze besluit om haar aandacht niet op de pijn te richten, maar op het gedicht.


Ik heb me er dikwijls, op het hoogtepunt van de geweldige crisissen van hoofdpijn, op toegelegd om het op te zeggen, met heel mijn aandacht erbij en met heel mijn ziel de tederheid aanhangend die er in besloten is. Ik dacht dat ik het alleen maar opzei als een mooi gedicht, maar zonder dat ik het wist had dit opzeggen de kracht van een gebed. Terwijl ik het zo eens opzei, zoals ik u geschreven heb, is Christus zelf neergedaald en heeft mij opgenomen.

In mijn redeneringen over de onoplosbaarheid van het Godsprobleem had ik de mogelijkheid daarvan niet voorzien, van een reëel contact namelijk, van persoon tot persoon, hier op aarde, tussen een menselijk wezen en God. Ik had wel vaagweg horen spreken over dingen van die aard, maar ik had er nooit in geloofd. De verhalen over verschijningen in de Fioretti stootten me eerder af, net zoals de mirakelen in het evangelie. Trouwens, in dit plotse beslag leggen door Christus op mij, hebben noch de zintuigen noch de verbeelding enig aandeel gehad; ik heb alleen maar, door de pijn heen, de aanwezigheid gevoeld van een liefde analoog aan die welke men leest in de glimlach van een geliefd gelaat.

Ik had nooit mystici gelezen, omdat ik nooit iets gevoeld had wat me aanzette hen te lezen (...). God had me, in zijn barmhartigheid, verhinderd de mystici te lezen, opdat het voor mij evident zou zijn dat ik dit contact, dat volkomen onverwacht was, niet verzonnen had. Toch heb ik nog ten halve geweigerd, niet mijn liefde, maar mijn verstand.


Simone Weil, Brieven aan een kloosterling (1951).


In dit fragment zie je, net als bij het fragment van Hadewijch, heel duidelijk hoe moeilijk het is om zo'n ervaring, zo'n plotselinge ervaring, onder woorden te brengen. Simone Weil zegt: 'Christus is neergedaald en heeft mij opgenomen'. Ze benadrukt dat ze het heeft ervaren als een 'reëel contact'. Maar als ze precies wil gaan omschrijven wàt ze heeft ervaren, kan ze eerst alleen maar zeggen wat het niet was: ze heeft niets gezien, zich geen beelden of voorstellingen gevormd, 'de zintuigen en de verbeelding hebben geen aandeel gehad in de ervaring'; maar zij vóelde de aanwezigheid van liefde, liefde zoals de glimlach op een bemind gelaat.

Het gaat dus om een opgenomen zijn, een voelen, liefde. De ervaring komt niet via je zintuigen; dit is een heel bekend aspect van de mystieke ervaring en wordt aangeduid met 'on-middellijk': zonder middel. Het contact is rechtstreeks, er zit geen gewaarwording, beeld of verwoording als middel tussen, de mysticus voelt aanwezigheid van God zonder middel, direct, on-middellijk. Je moet je voorstellen: het is geen beeld, geen idee, maar een gevoel, van binnenuit eigenlijk.

Waar ik ook nog op wil wijzen, het lijkt een detail, is dat Simone Weil zegt 'van persoon tot persoon'. Dit is een heel specifiek kenmerk van Westerse, christelijke mystiek. Datgene dat wordt ervaren, die aanwezigheid, die transcendentie, die andere werkelijkheid, die liefde, wordt ervaren als een persoon, als een Ander, een goddelijke Ander. Volgende week, als we Hadewijchs visioenen gaan lezen, zullen we dat aspect ook heel duidelijk tegen komen. In de christelijke mystiek wordt God beschreven als een persoonlijke God.

Deze ervaring komt voor haar volkomen onverwacht, ze was er niet mee bezig, ze had er geen enkele rekening mee gehouden dat haar zoiets zou kunnen overkomen en geloofde zelfs niet in het bestaan van religieuze ervaringen. Dit schrijf ik als laatste, zeer kenmerkend element bij het rijtje op het bord: het overkomt je.


Rijtje kenmerken:
  • liefde, on-middellijk, een Ander, het overkomt je



Fragment Teresia van Avila: eenheid, immanent en transcendent


We gaan verder terug in de tijd, naar de 16de eeuw, naar een fragment van Teresia van Ávila (1515-1582). Zij heeft een nieuwe orde gesticht, de orde van de ongeschoeide karmelieten. Zij heeft verschillende werken geschreven, waaronder een autobiografie.

Echt lezenswaard, ze schrijft heel -hoe moet ik het zeggen- direct, heel aansprekend: ze beschrijft haar leven, maar dwaalt voortdurend af, laat haar gedachten de vrije loop, ze verwijst naar allerlei dagelijkse dingen. In de tweede helft van haar leven krijgt zij voortdurend allerlei visioenen, ze ziet Christus, Maria, engelen, maar ook afschuwelijke duivels (ja, het is heel meeslepende lectuur!).


theresia van avila portret 1576

Theresia van Ávila,
gebaseerd op schilderij uit 1576
(toen ze 61 jaar was)
-klik voor vergroting-
.


Dit citaat stamt uit de tijd dat zij voor het eerst geestelijke ervaringen krijgt en ze weet nog niet goed wat ze er van moet vinden.


In het begin overkwam het mij dat ik onwetend was: ik wist niet dat God in alle dingen tegenwoordig was. En waar het mij dan voorkwam dat hij zo ècht aanwezig was, meende ik dat zoiets onmogelijk moest zijn. Toch kon ik niet anders dan geloven dat Hij daar was, want het leek mij praktisch evident dat ik gevoeld had dat Hij daar Zelf tegenwoordig was (zijn eigen tegenwoordigheid daar was).

Onwetende mensen zeiden mij dat Hij er alleen was door zijn genade; ik kon dat niet aannemen, omdat - zoals ik al zei - het mij voorkwam dat Hijzelf aanwezig was. En op die manier zat ik in moeilijkheden. Een groot geleerde van de Orde van sint Domínicus verloste mij van deze twijfel: hij zei me dat God tegenwoordig was en hoe Hij zich aan ons meedeelde. Dat was een echte opluchting voor mij.

Er is inwendige vrede, en genoegen of ongenoegen vermogen niet veel om me deze tegenwoordigheid van de drie Personen te ontnemen, zolang ze wil duren. Deze tegenwoordigheid is van dien aard, dat er niet aan kan getwijfeld worden: het lijkt evident dat men beleeft wat sint Jan zegt: 'Hij komt wonen in de ziel'; en dit niet alleen door genade, maar doordat Hij deze tegenwoordigheid zelf laat voelen. Dit brengt zoveel goeds mee dat het onzegbaar is, en met name dit ene: dat het niet meer nodig is op zoek te gaan naar allerlei beschouwingen om te weten dat God er ìs.


Teresia van Ávila.


Hier aan het einde van het citaat komt datzelfde 'voelen' weer naar voren, wat we net ook al bij Simone Weil zagen. Het gaat om voelen, ervaren, niet om bedenken of om theorieën; het is zelfs niet meer nodig om op zoek te gaan naar allerlei beschouwingen om te weten dat God er ìs.

God ìs er, maar waar is Hij? En dan zegt Teresia: in de ziel. Zij doet dat heel voorzichtig, ze beroept zich meteen op een bijbelcitaat van Johannes, want het is ook nogal wat wat ze zegt. God is niet ergens ver weg, bovenin de hemel, onbereikbaar voor de mens hier op aarde; nee, Hij is ìn de ziel. Dit aspect wordt meestal aangeduid met 'eenheid', 'een-zijn', God is in de ziel, of de ziel is één met God.

Ook wordt er wel gesproken van 'immanentie' bij mystieke ervaringen; God is ìn de ziel, God is immanent - in tegenstelling tot transcendent: God overstijgt alles. Eigenlijk hebben we dit net ook al bij Hadewijch gezien, in haar 22ste brief, als zij schrijft: 'God is binnen alles, maar niet ingesloten. God is buiten alles, maar helemaal omgrepen'. Op een prachtige manier, in paradoxen, zegt zij daar dat God immanent èn transcendent is.

Ruusbroec legt in Die geestelike brulocht heel nauwkeurig uit hoe God in de ziel is, op wat voor manier de mens met God verbonden is. Dat zullen we gaan zien als we in de vijfde bijeenkomst in de Brulocht gaan lezen.


Rijtje kenmerken:
  • liefde, on-middellijk, een Ander, het overkomt je, eenheid (een-zijn), immanent, transcendent



Fragment Hildegard van Bingen: mannelijk en vrouwelijk, licht en warmte, inzicht


We gaan naar het vierde citaat, nog weer verder terug in de tijd, van Hildegard van Bingen (1098-1179). Hildegard was de dochter van een Duitse graaf en was een benedictijnse abdis. Zij leefde in de 12de eeuw, een eeuw vóór Hadewijch dus, en zij is erg beroemd geworden met haar visioenen, die zij door een monnik heeft laten tekenen. Zij schreef over uiteenlopende onderwerpen als muziek, plantenkunde, taalkunde, kosmologie en filosofie - steeds in het Latijn. Haar bekendste visioenenboeken zijn de Scivias('ken de wegen van God', ± 1151) en Liber Divinorum Operum ('boek van goddelijke werken', ± 1173).

In de Bloemlezing staat één van deze visioenen afgebeeld, het visioen van 'God en de schepping'. Ze heeft visioenen laten afbeelden over onder meer: de engelen-koren, de kosmos, het opstijgen van de ziel na het overlijden, en God die zij enerzijds zag als mannelijk (levend) licht en anderzijds als vrouwelijke (warme) liefde.

Op dit visioen is dat ook te zien: God is afgebeeld als een cirkel, en helemaal bovenaan zie je een mannenhoofd en een vrouwenhoofd. En uit die vrouwelijke kant van God komt een rode cirkel voort, die alles omhult, en die Hildegard aanduidt als de 'moederliefde van God' - Gods liefde omhult alles.

hildegard liber divinorum operum visioen 2 god en schepping

Hildegard van Bingen, 'God en de schepping'
tweede visioen in Liber divinorum operum
-klik voor vergroting-
.


Dit mannelijke en vrouwelijke principe van God zijn hier afgebeeld als een mannen- en een vrouwenhoofd. Maar Hildegard schrijft hierbij in haar commentaar, dat zij eigenlijk maar één hoofd zag, mannelijk en vrouwelijk tegelijk, door elkaar heen. Dat kon zij echter niet uitbeelden, vandaar dat zij twee hoofden boven elkaar heeft laten tekenen. Maar ze heeft hier een gouden ring laten afbeelden, als teken van volkomen verbondenheid van deze twee hoofden.

Het vrouwelijke principe van God, of de vrouwelijke kant van God, geeft Hildegard aan met een rode kleur en ze beschrijft het als 'warme liefde'; de mannelijke kant van God geeft ze met een grijs-blauwe kleur aan (de binnenste cirkel) en die beschrijft ze als het 'levende licht'. Volgende week zal ik nog een paar visioenen van Hildegard van Bingen laten zien.

Er zijn nog meer mystici die God als vrouwelijk beschrijven, of als androgyn, mannelijk èn vrouwelijk - afwijkend dus van de leer van de kerk, die God voorstelt als exclusief mannelijk, een Heer, een Vader. Julian van Norwich bijvoorbeeld, een Engelse zieneres van rond 1400, spreekt voortdurend over God als onze moeder en over de moederliefde van Christus. Hadewijch en Jan van Ruusbroec spreken hier niet over, zij duiden God aan als 'hij', maar ik schrijft het toch bij de mogelijke kenmerken van de godservaring.

Dit naar aanleiding van het hier afgebeelde visioen, ik wil nu naar het fragment. Hildegard is niet een uitgesproken mystica, zij is meer een zieneres: door middel van die visioenen krijgt zij inzichten in de schepping, de mens en in God, maar er is meestal geen sprake van direct contact met God, een godservaring. Hier volgt één van de weinige plaatsen waar Hildegard wèl duidelijk innerlijk wordt aangeraakt.


In het jaar 1141 na de menswording van God, toen ik tweeënveertig jaar en zeven maanden oud was, barstte de hemel open in een vurig licht. Het doorstroomde heel mijn geest en het doorgloeide mijn hart als een vlam die niet echt brandde maar alleen verwarmde, zoals ook de zon iets waarop zij haar stralen richt, verwarmt.

En plotseling ontsloot zich voor mij de betekenis van de psalmen, van de evangeliën en van de overige boeken uit het oude en nieuwe testament.

Dit alles zag en hoorde ik, maar toch kon ik er niet toe komen het op te schrijven. Niet uit onwil, maar uit een twijfel, zo hevig dat Gods gesel mij op het ziekbed wierp. Eindelijk bracht ik daar, door grote pijnen neergeslagen, mijn hand tot schrijven. Toen keerden mijn krachten terug. Pas toen herstelde ik van mijn ziekte.


Hildegard van Bingen, Scivias (Proloog).

Vertaling: W. Lampen (volledige tekst proloog Scivias).


Er stroomt licht uit de hemel in Hildegards geest. Ze voelt zich verlicht en verwarmd. Dit is ook heel bekend uit andere mystieke teksten: verlichting. We zullen dat straks bij Ruusbroec zeker ook nog tegen komen, het verlicht worden en verwarmd worden: licht en warmte.

Wat doet dit licht met Hildegard? Zij werpt zich niet vol vrees op de grond ofzo, zoals je misschien zou verwachten, nee, zij krijgt inzicht. Heel veel mystici beschrijven dit, ook Hadewijch, dat zullen we volgende week zien, dat als ze door God worden geraakt, dat ze inzicht krijgen in God en dat ze zelfkennis verkrijgen: godskennis en zelfkennis. Vaak gaat een mystieke ervaring gepaard met inzicht en geestelijke groei.

Als je mystieke geschriften gaat lezen, dan kom je er ook al snel achter dat die niet alleen over de eigenlijke godservaring gaan, maar ook over de inzichten die de mysticus, vanuit die godservaring, heeft gekregen: over het leven van de mens op aarde, over de ziel of de psyche van de mens, over de verhouding mens - God, over geestelijke groei, en ga maar door. Dat zullen we ook bij Hadewijch en Ruusbroec gaan zien.


Rijtje kenmerken:
  • liefde, on-middellijk, een Ander, het overkomt je, eenheid (een-zijn), immanent, transcendent, mannelijk en vrouwelijk, licht, warmte, inzicht



Fragment van een karmelietes: bewustwording, persoonlijk/drieheid, a-persoonlijk/oneindigheid


Tot slot een citaat uit het dagboek van een non (overl. 1914), van wie wij de naam niet kennen, een karmelietes van rond 1900. In de ervaring van deze karmelietes komen heel veel van de kenmerken van mystieke ervaringen heel compact samen. Zij beschrijft dat ze aan het bidden is, zich inkeert tot zichzelf, en dan gebeurt er iets, overkomt haar iets.


Gedurende het gebed de derde dag 's avonds, ging ik binnen in mijn ziel en het kwam me voor dat ik afdaalde in de duizingwekkende diepten van een afgrond, waar ik de indruk had dat ik door een grenzeloze ruimte omgeven werd. Dan voelde ik de tegenwoordigheid van de heilige Drievuldigheid. Ik werd me bewust van mijn eigen niet-zijn. Ik verstond dit beter dan ooit te voren en deze kennis was zeer zoet. De goddelijke Oneindigheid waarin ik verzonken was en die mij vulde, was van eenzelfde zoetheid (...).

Zonder ook maar iets te zien, noch met de ogen van het lichaam, noch met die van de ziel, was ik mij ervan bewust dat God tegenwoordig was. Ik voelde hoe zijn blik op mij rustte, vol tederheid en genegenheid, en dat Hij vriendelijk naar mij glimlachte. Ik leek verzonken in God. Mijn verbeelding was bedwongen en roerde zich niet. Ik hoorde geen enkel van de geluiden die wellicht om mij waren. Mijn ziel keek vast in de blik die, onzichtbaar, op mij rustte en mijn hart herhaalde onvermoeibaar: 'Mijn God, ik heb U lief!


Een karmelietes.


Deze non gaat binnen in haar ziel en zij wordt zich daar bewust van twee dingen: in haar ziel blijkt een afgrond te zijn en in die afgrond is de oneindigheid ervaarbaar. Zij zegt niet dat er door het bidden ineens een afgrond ontstond ofzo, die afgrond was er altijd al, maar nú wordt zij zich er opeens van bewust. Hier komen we bij één van de belangrijkste kenmerken van de mystieke ervaring: bewustwording.

Dit geldt ook voor de tegenwoordigheid van God. Ook daar wordt zij zich van bewust. Hij komt niet naar haar toe, het is niet zo dat hij er eerst niet was en daarna wèl. Maar zij wordt zich bewust van zijn tegenwoordigheid. En dan schrijft zij iets wat wij bij de andere citaten ook zijn tegengekomen. Namelijk: zij vóelt dat God aanwezig is. Zij ziet hem niet en hoort niets, maar zij voelt zijn aanwezigheid (zijn tederheid, genegenheid, zelfs dat hij glimlacht). En dat is zo'n levensechte, 'werkelijke' ervaring voor haar, dat ze benadrukt dat ze zich het niet verbeeld, haar verbeelding is zelfs 'bedwongen', niet werkzaam (dat is weer dat aspect van de on-middellijkeheid, het is een directe ervaring, niet door middel van beelden); de ervaring is levensecht, werkelijk.

Op de hand-out is een citaat opgenomen van professor Mommaers, één van de leden van het Ruusbroecgenootschap in Antwerpen, en hij zegt hier ook dat veel mystici aangeven dat de mystieke ervaring veel werkelijker is, veel echter, intenser, dan wat men doorgaans ervaart in het dagelijkse leven:


Een mysticus is iemand die op overweldigende wijze de tegenwoordigheid ervaart van iets wat hemzelf overstijgt en wat veel werkelijker is dan al hetgeen men doorgaans voor werkelijk aanziet.

P. Mommaers.


Terug naar de karmelietes. Hóe ervaart zij God? Eerst beschrijft zij God als een Drievuldigheid, drie Personen, dus persoonlijk, als een drie-heid. En vervolgens beschrijft zij God als een goddelijke Oneindigheid, dus als a-persoonlijk, niet-persoonlijk.

Er zit een heleboel in, in dit korte fragment. Deze karmelietes zit te bidden en wordt zich plotseling bewust van de aanwezigheid van God (bewustwording). En het is niet zo dat zij op een afstandje God ziet zitten, zij ziet geen stralende figuur op een troon ofzo - ze ziet zelfs helemaal niets; het ervaren van God gaat niet door middel van de zintuigen, het gaat zonder middel, on-middellijk (on-middellijk). On-middellijk en daardoor veel werkelijker, veel echter en indringender dan onze gewone dagelijkse ervaringen. Zij schrijft dat ze voelt dat ze verzonken is in God èn dat ze gevuld wordt door God. God is niet alleen om haar heen, transcendent, haar overstijgend; maar doorvloeit haar ziel of geest ook helemaal, immanent. God wordt dus niet alleen waargenomen búiten de mens, maar is ook aanwezig in de ziel, één met de ziel (een-zijn).


bernardus van clairvaux handschrift duinenabdij

Bernardus van Clairvaux,
handschrift Duinenabdij
-klik voor vergroting-
.


Ook bij iemand als Bernardus van Clairvaux (1090-1153) zie je deze elementen terug. Deze 12e-eeuwse Franse abt heeft, onder meer door zijn commentaren op het Hooglied, een grote invloed gehad op de spiritualiteit van de 12de en de 13de eeuw.

In onderstaand citaat, om alvast een klein beetje kennis te maken met Bernardus van Clairvaux, zie je verschillende aspecten die al aan de orde zijn geweest terug: bewustwording van wat er al is (God komt niet naar je toe, maar je wordt je bewust van zijn aanwezigheid); God is niet waarneembaar door middel van de zintuigen, God wordt on-middelijk gekend; en het aspect van het eenzijn.


Ik moet zeggen - ik spreek als een dwaas - dat het Woord mij bezocht heeft, en zelfs dikwijls. Maar hoewel Hij vaak bij mij binnengekomen is, toch ben ik dat binnenkomen zelf nooit gewaar geworden. Ik heb het gevoeld dat Hij aanwezig was, ik herinner me dat Hij bij me was; soms ben ik zelfs in staat geweest om een voorgevoel te hebben van zijn intrede - maar nooit kon ik die voelen, en zijn weggaan evenmin.

Hij kwam zeker niet binnen langs de ogen, want Hij heeft geen kleur; ook niet door de oren, want geluid maakt Hij niet; langs de neus al evenmin, want niet met lucht is Hij vermengd, maar met de geest. Waarlangs kwam Hij dan binnen? Of misschien is Hij niet eens binnengekomen, omdat Hij niet van buiten komt?

Hij is immers geen van al de dingen die buiten ons zijn. En zeker kwam Hij ook niet van binnen mij, want Hij is goed en ik weet dat er in mij niets goeds is. Ik steeg dan boven mijzelf, en zie, het Woord was nog hoger. Nieuwsgierig onderzocht ik wat beneden mij is, en toch, nog dieper vond ik Hem. Keek ik buiten mijzelf, en verder dan al wat buiten mij is, dan ontdekte ik dat Hij daar was; en als ik in mezelf keek, dan was Hij altijd inwendiger.

Zo leerde ik dan dat waar is wat ik gelezen had: 'In Hem leven wij, bewegen wij, zijn wij'.


Bernardus van Clairvaux (1090-1153).




Rijtje kenmerken:
  • liefde, on-middellijk, een Ander, het overkomt je, eenheid (een-zijn), immanent, transcendent, mannelijk en vrouwelijk, licht, warmte, inzicht, bewustwording, persoonlijk/drieheid, a-persoonlijk/oneindigheid

Kunnen we uit dit ratjetoe van termen nu grip krijgen op wat mystiek is en betekent?



Ordening kenmerken


Ik zal naar aanleiding van de besproken fragmenten nog vier vragen aan de orde stellen en zo alle kenmerken die we hebben gevonden in rijtjes ordenen.

Deze mystieke teksten zeggen de aanwezigheid van God te ervaren en hierdoor te weten, inzicht in God te krijgen, godskennis op te doen - een radikaal andere benadering van religie normaal gesproken (iets geloven, aannemen, theoretiseren). Voor deze mystici is God niet ver weg, hoog in de hemel, maar hier en nu aanwezig en ervaarbaar. De kortste definitie van mystiek is: mystiek is een godservaring.

Mijn eerste vraag is dan: (1) wáár is God ervaarbaar? Het antwoord, zagen we, is: in de ziel, in de kern, de levende kern van de mens. Dáár is God; en een mystieke ervaring wil niet zeggen dat Hij daar dan ineens komt, maar dat je je bewust wordt dat God daar ìs (bewustwording).

De tweede vraag: (2) wat is het 'object' van de mystieke ervaring, hoe wordt God ervaren, beschreven? Niet als een oude blanke man die je op een eerbiedig afstandje aanschouwt, niet als een strenge rechter, een Heer of een Heerser; maar als een glimlach, als liefde, als warmte, als licht, als een oneindige afgrond. Als in jezelf aanwezig, immanent; èn als een hoogte, een diepte, alles overstijgend, transcendent. Als persoonlijk, een persoon, een Ander, een goddelijke Ander; èn als niet-persoonlijk, oneindigheid, licht, liefde, een leven-gevende kracht.

Als je die opsomming bekijkt (hoe beschrijven mystici God), dan zou je het kunnen opsplitsen in twee soorten kenmerken, tegengestelde paren, tegenstellingen (paradoxen) die elkaar aanvullen.

•  God wordt ervaren als a-persoonlijk (een oneindigheid), maar tegelijk wordt God ervaren als persoonlijk (een Ander).
•  Aan de ene kant wordt God ervaren als transcendent (overstijgend), aan de andere kant als immanent (in de ziel, eenzijn).
•  God wordt beschreven als een Eenheid (dat kwam in deze vier fragmenten toevallig niet zo sterk naar voren, maar dat kennen we bijvoorbeeld ook uit de Bijbel), maar ook als een Drie-heid (en soms als tweeheid: mannelijk en vrouwelijk).
•  Ruusbroec, dat zullen we in de laatste bijeenkomst nog zien, maar daar loop ik nu alvast op vooruit, beschrijft God ook nog met de tegenstelling, een elkaar aanvullende tegenstelling: rust en werkzaamheid.

Kortom: God wordt zowel beschreven als een a-persoonlijke God, als als een persoonlijke God.

   Het 'zijn' van God:

a-persoonlijk, oneindig persoonlijk, Ander
transcendent immanent
Eenheid Drie-heid (of: mnl-vrl)
rust werkzaamheid

Mystici beschrijven God heel vaak in paradoxen, in tegengestelde paren, tegenstellingen die elkaar aanvullen. God is a-persoonlijk: een allesomvattende oneindigheid, volledig één en in rust (linker rijtje). En tegelijkertijd is God persoonlijk: een persoonlijke Ander, die werkzaam is (rechter rijtje).

Daarmee heb ik dus een heel aantal kenmerken uit het rijtje op het bord kunnen wegstrepen:

  • liefde, on-middellijk, een Ander, het overkomt je, eenheid (een-zijn), immanent, transcendent, mannelijk en vrouwelijk, licht, warmte, inzicht, bewustwording, persoonlijk/drieheid, a-persoonlijk/oneindigheid

(3) Hoe uit zich die werkzaamheid? (in het rechter rijtje). Er staan op het bord nog enkele termen waarmee God wordt omschreven, die ik nog niet in deze schema'tjes heb opgenomen, en dat zijn precies de termen die iets zeggen over de werkzaamheid van God, namelijk: licht, warmte, inzicht en liefde.

   De werkzaamheid van God:

licht warmte
inzicht liefde

In de bovenste tabel zie je dus, schematisch weergegeven, volgens deze mystieke teksten het 'zijn' van God. En in de onderste zie je schematisch de werkzaamheid van God. Daar zal ik bij Ruusbroec nog uitgebreid op terugkomen.

  • liefde, on-middellijk, een Ander, het overkomt je, eenheid (een-zijn), immanent, transcendent, mannelijk en vrouwelijk, licht, warmte, inzicht, bewustwording, persoonlijk/drieheid, a-persoonlijk/oneindigheid

Ik heb nu drie vragen beantwoord: waar wordt God ervaren, hoe wordt God ervaren en hoe is God werkzaam? Maar ik wil nog een vierde vraag stellen: (4) hoe gaat de mystieke ervaring in zijn werk? Wanneer kan God worden ervaren? Wanneer wordt de mysticus zich bewust van die goddelijke aanwezigheid? In alle fragmenten keert terug dat dat altijd plotseling gebeurt. De mystiek ervaring is altijd iets wat de mysticus overkomt. Het is niet op te roepen. Hij kan er naar streven, zich ervoor open stellen, de juiste geestesgesteldheid proberen te bereiken, maar hij kan het niet oproepen of afdwingen. Een mysticus kan zijn hand uitstrekken, maar die 'Ander' moet zijn hand pakken. Het gaat voorbij de grenzen van je eigen kunnen: het overkomt je.

De laatst overgebleven kenmerken op het bord zeggen allemaal iets over de vraag: hoe gaat de mystieke ervaring in zijn werk?

Kenmerken van de ervaring van de mysticus:
  • on-middellijk
  • bewustwording
  • het overkomt je
  • aanwezigheid in de ziel (immanent): een-zijn
  • alles overstijgend (transcendent): oneindigheid

Daarmee zijn alle kenmerken die we hadden gevonden in de fragmenten over mystieke ervaringen, die we vandaag hebben gelezen, uitgesplitst in: kenmerken van God; de werkzaamheid van God; en kenmerken van de mystieke ervaring zelf.

  • liefde, on-middellijk, een Ander, het overkomt je, eenheid (een-zijn), immanent, transcendent, mannelijk en vrouwelijk, licht, warmte, inzicht, bewustwording, persoonlijk/drieheid, a-persoonlijk/oneindigheid

Aan het slot van de allerlaatste bijeenkomst zullen we terugkomen deze kenmerken van de mystieke ervaring, die uit deze fragmenten naar voren zijn gekomen. Aan het eind van de cursus kunnen we de vraag 'Wat is mystiek' uitbreiden naar: wat is de mystieke ervaring volgens Hadewijch en Ruusbroec? Wat hebben we daar dan, na nog zes bijeenkomsten, over geleerd?



Tot slot: taal schiet tekort


Dan tot slot nog een waarschuwing: we lezen teksten van mystici, maar alle mystici waarschuwen er voor dat de mystieke ervaring eigenlijk niet te beschrijven is, niet onder woorden te brengen is. Onze taal verwijst naar onze alledaagse, aardse werkelijkheid en een mystieke ervaring overstijgt deze werkelijkheid, het is een ervaring op het niveau van de geest, een ervaring van een andere werkelijkheid, een goddelijke werkelijkheid.

Hadewijch zegt zelf in haar 17de brief:


De aarde is immers niet in staat de taal van de hemel te verstaan, want voor alles wat op aarde is kan men voldoende taal en Diets vinden, maar hiervoor weet ik geen Diets en geen taal. Ik heb verstand van alle vormen van zinvol spreken waarvan een mens verstand kan hebben; maar alles wat ik u heb verteld, kan ik niet in het Diets uitdrukken, want voor zover ik weet is er geen Diets dat daarbij hoort.


Hadewijch, brief 17 (r. 114-122).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 17 (Mnl. en hertaling).


God is niet in aardse woorden te vangen. Ieder woord is te klein voor God. Als je God met een woord zou kunnen beschrijven, zou God niet groter zijn dan dat woord! En we hebben het ook aan het begin van dit uur al gezien bij Hadewijch: 'God kan men met menselijke begrippen niet duiden. Maar wie in de ziel door God wordt aangeraakt, die kan van Hem iets duiden voor hen die het in de ziel zouden begrijpen'.

Ook Ruusbroec schrijft over de onvatbaarheid van God, de onmogelijkheid God in woorden te vatten of te be-vatten. Zogauw je het begrijpt, valt het onder geschapen begrip, en God is ongeschapen.

Je kunt, zegt hij hier, God alleen 'met gode' begrijpen.


De onbegrijpelijke natuur van God gaat alle schepselen in hemel en aarde te boven. Al wat het schepsel begrijpt, is schepsel. God echter is boven alle schepselen en buiten en binnen alle schepselen. En alle geschapen begrip is te eng om hem te vatten. Maar wil het schepsel God begrijpen en verstaan en smaken, dat moet het getrokken worden boven zichzelf in God, en God met god begrijpen.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Werkende leven, De onvatbaarheid van God.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 117.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


We zijn dus gewaarschuwd. Taal en zelfs het begrip schieten te kort om iets te zeggen over of te begrijpen van mystiek. Mystici proberen iets in taal te vatten, dat taal te boven gaat. Beschrijvingen en beelden in mystieke teksten, en mogelijk in zijn algemeenheid in religieuze teksten, zijn dus hooguit een manier van spreken, een poging iets op te roepen.

Voor wie meer over het verschijnsel (christelijke) mystiek in zijn algemeenheid wil lezen, is het inleidende en verhelderende boek van prof.dr. Mommaers een goed beginpunt: Wat is mystiek? (1977). Het ligt hier ter inzage. Zie hiervoor de Lijst met achtergrondliteratuur.

Volgende week gaan we enkele visioenen van Hadewijch lezen; zij is, zoals ze zegt, 'in de ziel door God aangeraakt' en we zullen gaan proberen er iets van te gaan begrijpen - voor zover het te 'bevatten' is. Dat doen we vanuit het middeleeuwse wereldbeeld, want dat kan een verhelderend licht werpen op het middeleeuwse denken over visioenen, over mystieke ervaringen, over de plek van de mens in de schepping en over de verhouding tussen mens en God.



Afronding


Het afgelopen uur ging over de definitie en de kenmerken van de mystieke ervaring (bij christelijke, theïstische mystiek).

•  Mystiek is een godsontmoeting of godservaring. De mysticus ervaart, naar eigen zeggen, de aanwezigheid van God.

•  Als kenmerken van de ervaring zelf worden genoemd: on-middellijk, bewustwording, het overkomt je; aanwezigheid in de ziel (immanentie) en eenheid; alles overstijgend (transcendentie) en oneindigheid.

•  Kenmerken van God (of het goddelijke), het 'zijn' van God, worden beschreven in tegenstellingen - God is a-persoonlijk èn persoonlijk:
  • a-persoonlijk:
    een oneindigheid in rust (transcendent; een oneindigheid; eenheid; in rust);
  • èn persoonlijk:
    een werkzame Ander (immanent; een drieheid of mannelijk en vrouwelijk; werkzaam).
In een schema wordt dat:

       Het 'zijn' van God:

a-persoonlijk, oneindig persoonlijk, Ander
transcendent immanent
Eenheid Drie-heid (of: mnl-vrl)
rust werkzaamheid

•  Als werkzaamheid van God worden genoemd: licht oftewel inzicht/waarheid/wijsheid; en warmte oftewel liefde.

       De werkzaamheid van God:

licht warmte
inzicht liefde



Volgende bijeenkomst


Volgende week dus de visioenen van Hadewijch. We lezen deze vanuit de context van het middeleeuwse wereldbeeld: hoe dacht de middeleeuwer over visioenen en mystiek?

Op de hand-out staat vermeld wat je kunt lezen als je je wilt voorbereiden. Bedankt voor jullie aandacht en tot volgende week.



Achtergrondinformatie


De cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen bestaat uit zeven bijeenkomsten. De mystieke teksten van Hadewijch en Ruusbroec worden hierin in een cultuur-historische context gelezen.

•  Over deze cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen: inhoud en opzet.

•  Achtergrondliteratuur bij deze cursus: over de Middeleeuwen, Hadewijch, Ruusbroec en middeleeuwse mystiek.

•  Over de docente Rozemarijn van Leeuwen.

•  Veel gestelde vragen, als: Wat betekenen mystieke teksten nog voor het geloof in onze tijd?

•  Reacties lezen of zelf een reactie achterlaten.

•  Teksten van Hadewijch en Ruusbroec: fragmenten in het Middelnederlands en in hedendaagse hertaling.



Copyright


©  Bovenstaande tekst is een onderdeel van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

Het is niet toegestaan om deze tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?   ↑
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen of mystiek
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: door het ghebreken
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >