RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici
 • Bijlagen en vgv

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Bijeenkomst 3/7.  Het leven van Hadewijch

Onderwerpen dit uur:
  • Biografische gegevens Hadewijch
  • Het armoede-ideaal van de 12de eeuw
  • De begijnen
  • Hadewijch als begijn
  • Inquisitie en brandstapel



Inleiding


We gaan het vandaag, en ook volgende week voor de pauze, hebben over het leven van Hadewijch. Wie was Hadewijch, wanneer leefde zij, in wat voor omstandigheden leefde zij en voor wie schreef ze haar teksten?

Ik heb in de allereerste bijeenkomst al gezegd dat Hadewijch een zeer uitzonderlijke figuur is in onze geschiedenis: een opmerkelijke vrouw, schrijfster, religieuze, mystica. Er een heleboel vragen zijn rond haar: hoe kwam het dat zij als vrouw ging schrijven en nog wel over religieuze onderwerpen in de volkstaal? Voor wie schreef zij? Hoe kwamen haar teksten in dure perkamenten boeken terecht? Was zij in een klooster ingetreden? Wie was Hadewijch eigenlijk?

Helaas is er in middeleeuwse handschriften of archieven nooit een spoor van haar bestaan teruggevonden. Eigenlijk weten we helemaal niets zeker over Hadewijchs leven: er is geen snippertje biografie van haar overgeleverd. Het enige wat we hebben zijn enkele perkamenten handschriften uit de Middeleeuwen, met een spirituele, visionaire, mystieke inhoud, met haar naam.

We zullen in dit uur toch een poging doen om een glimp op te vangen van haar leven, haar leefwereld, haar afkomst, haar plek in de maatschappij, en haar streven om haar idealen vorm te geven.



De twee teksten die Hadewijch noemen


In de hele Middeleeuwen heeft er twee keer iemand iets over Hadewijch opgeschreven, maar in die beide tekstjes worden (helaas) geen biografische gegevens over Hadewijch vermeld. Deze twee teksten heb ik voorin in de Bloemlezing opgenomen.

Het eerste fragment is van de hand van Jan van Leeuwen (overl. 1378). Hij was in de 14de eeuw kok in het klooster van Groenendaal, het klooster van Jan van Ruusbroec. Hij was dus eigenlijk de kok van Ruusbroec. Maar hij was niet alleen kok, want hij heeft ook enkele religieuze teksten geschreven en in één van die teksten looft hij Hadewijch als een 'heilig glorieus wijf' ('wijf'=vrouw, spreek uit: wief). Laten we even lezen wat Jan van Leeuwen over Hadewijch heeft opgeschreven in de 14de eeuw.


Aldus sprect oec een heylich glorieus wijf / heet hadewijch / een ghewareghe lereesse / ; want hadewijchs boeke / die sijn seker goet ende gherecht // uut gode gheboren ende gheoppenbaert / . Want haywighen boeken / die sijn voer doeghen gods gheprueft / ende overmids ons here ihesum cristum gheexamineert / ende oec inden heileghen gheest / daer sise goet ende ghewarich vonden / wel concorderende ende overeendraghende met aller heiligher schrijft / .

Oec bekinnic haywighen leeringhen / alsoe ghewarich als ic mijns heren sinte pauwels leeringhe doe / . Mer niet alsoe orberlijc, om dat vele menschen haywighen leeringhen niet verstaen en connen, die welke haer inwendeghe oghen te doncker hebben / ende hen niet ontploken en sijn overmidse ghebrukelike aenclevende bloete stille minne gods / . Want haywighen leeringhe es in vele steden alle menschen te edele ende te subtijlijc verborghen / die in den bloeten aenschijn der godliker minnen niet en gheraken.


Jan van Leeuwen.


 


 


Zo spreekt ook een heilige, roemrijke/voortreffelijke vrouw, met de naam Hadewijch, een waarachtige lerares. Want Hadewijchs boeken, die zijn zeker goed en waarachtig, uit God geboren en geopenbaard. Want Hadewijchs boeken, die zijn voor Gods ogen gekeurd en door onze Heer Jezus Christus getoetst en ook in de Heilige Geest, waar zij goed en waarachtig werden bevonden, overeenstemmend en overeenkomend met alle Heilige Schrift.

Ook acht ik Hadewijchs leringen net zo waar als ik de leer van de heilige heer Paulus acht. Maar niet zo bruikbaar/vruchtbaar, omdat veel mensen Hadewijchs leer niet kunnen begrijpen, van wie de inwendige ogen te donker zijn en niet geopend door middel van de genietende, hechte, zuivere, stille minne van God. Want de leer van Hadewijch is op veel plaatsen te hoogstaand en te fijnzinnig verborgen voor alle mensen, die niet geraken tot het zuivere aanschijn van de goddelijke minne.


Jan van Leeuwen.


Hadewijch is dus een waarachtige lerares en haar boeken zijn uit God geboren. Jan van Leeuwen acht haar leer net zo waar / waardevol als de leer van de apostel Paulus. Alleen, zegt hij, is de leer van Hadewijch heel moeilijk te begrijpen voor mensen bij wie de inwendige ogen nog duister zijn en die de stille minne van God niet zelf hebben ervaren (we zijn gewaarschuwd...).

Jan van Leeuwen uit hier dus zijn bewondering voor Hadewijch, hij noemt haar een heilige vrouw (hoewel zij nooit officieel zalig of heilig is verklaard), maar hij vertelt ons niets over haar leven.

Dat geldt ook voor het andere fragment: dat is afkomstig uit een Duits handschrift uit de 14de eeuw, dat ook enkele brieven van Hadewijch bevat. Hadewijchs naam is in het Oud-Duits verbasterd tot 'Adelwip' en net als bij Jan van Leeuwen wordt ze heilig genoemd: 'sinte adelwip, een grote heilige'.


Dis ist gar ein nutze lere die sante adelwip lerte die do ist ein grosze heilige in dem ewigen lebende; von der lere sunderlich alle gottes frunde in brabant von hundert jaren zuo dem aller vollekomenesten lebende komen sint, und von der gnaden gottes durch su erluhtet.


Duits handschrift (14e eeuw).


 


 


Dat is een zeer nuttige leer die de heilige Hadewijch onderwees, die daar een grote heilige is die in de eeuwigheid leeft. Alle godsvrienden in Brabant zijn sinds honderd jaar tot een volmaakt leven gekomen door deze uitzonderlijke leer, en dankzij haar door Gods genade verlicht.


Duits handschrift (14e eeuw).


Uit deze Duitse tekst spreekt eveneens bewondering voor Hadewijchs werken. Het is een 'uitzonderlijke leer', die leidt tot een 'volmaakt leven' en Hadewijch wordt een 'grote heilige' genoemd, dankzij haar raken mensen 'door Gods genade verlicht'.

Er wordt hier gesteld dat al honderd jaar lang alle godsvrienden in Brabant een volmaakt leven hebben bereikt dankzij de leer van Hadewijch. Het kan bijna niet anders dan dat ook de leefgemeenschap van Groenendaal, waar Ruusbroec bij behoorde, met deze godsvrienden wordt bedoeld. We weten dat Hadewijchs teksten bij hun bekend waren. Jan van Leeuwen, de kok, zagen we net, heeft over haar geschreven.

Hadewijchs teksten bleven dus bekend en gewaardeerd in de eerste honderd jaar na haar leven, zowel in Brabant als in Duitsland, maar over haar leven is niets opgeschreven, althans: niet overgeleverd.



Biografische gegevens


Het enige wat we zeker weten, is dat Hadewijch in de Middeleeuwen drie teksten heeft geschreven: Visioenen, Brieven en Gedichten. Het gaat om 14 visioenen, 31 brieven (+16 rijmbrieven) en 45 strofische gedichten.

Er zijn drie middeleeuwse handschriften met haar teksten bewaard gebleven. Deze stammen alledrie uit de veertiende eeuw, een eeuw na Hadewijch, dus, en ze omvatten elk haar complete oeuvre (wat uniek is voor de 13de-eeuwse literatuur). Ze liggen tegenwoordig in de Koninklijke Bibliotheek van Brussel (hs. A en B) en de universiteitsbibliotheek van Gent (hs. C). Maar handschrift A en B komen oorspronkelijk uit het Rooklooster bij Brussel (A is mogelijk te dateren rond 1325-1350; B is rond 1380 overgeschreven van A, en komt uit de inboedel van de Brusselse boekbinder Godevaert de Bloc) en C komt uit de priorij Bethlehem bij Leuven.

Dit zijn dus niet de oorspronkelijke handschriften die Hadewijch zelf schreef - maar afschriften. Hadewijch zelf schreef op wastafeltjes, die tekst werd dan overgeschreven op perkament en wat wij hebben zijn afschriften daarvan, of zelfs afschriften van afschriften van afschriften.


middeleeuwse ptolemeische wereldbeeld aarde middelpunt

Houten wasbordje of wastafeltje, 15e eeuw
(Hogenelst, Handgeschreven wereld, 1995).
-klik voor vergroting-


Hier zie je een voorbeeld van een wastafeltje dat bewaard is gebleven uit de Middeleeuwen: een houten plankje dat met was is bestreken. Hierop kon je schrijven met een scherp gesneden houten stiftje, een schrijfstiftje. Als je de tekst niet meer nodig had, of de tekst was overgeschreven op perkament, dan kon je de was weer gladstrijken en opnieuw gebruiken. Op zulk soort wastafeltjes schreef Hadewijch dus.

Je ziet hoe vergankelijk en beperkt zo'n tekst in was is. Haar teksten moeten nog tijdens haar leven zijn overgeschreven op perkament. En in de Bloemlezing zie je een bladzij uit één van de (14de-eeuwse) perkamenten handschriften met Hadewijchs teksten (hs. C, Gent). De tekst in de rechter kolom is van het eerste strofische gedicht: 'Ay, al es nu die winter cout / Cort die daghe ende die nachte langhe'.

Je ziet dat dit een zeer verzorgd handschrift is, enigszins versierd in een kleur, en zoals jullie je zullen herinneren van de eerste bijeenkomst, waren perkamenten handschriften peperduur om te maken. Dat gebeurde eigenlijk alleen in de rijke kloosters (in het Latijn) en vanaf de 12de eeuw ook bij de universiteiten (eveneens Latijn) en met mondjesmaat bij de adel (in de volkstaal; maar dat waren meer teksten als ridderromans en liedteksten). De vraag is hoe Hadewijch het voor elkaar heeft gekregen om haar Middelnederlandse religieuze teksten van die vergankelijke wastafeltjes in prijzige boeken in veilige kloosterbibliotheken te krijgen, waar ze eeuwen konden worden bewaard. Sterker, zij is de eerste Nederlandstalige schrijver van wie een verzameld werk in één band is overgeleverd.


hadewijch strofische gedichten eerste gedicht 1

Hadewijch, eerste strofische gedicht
'Ay al es nu die winter cout'
(Handschrift Gent UB 941, ca. 1350).
-klik voor vergroting-


Hadewijch, het 'heilige glorieuze wijf' Hadewijch, heeft zelf ook geen biografische gegevens opgeschreven, maar toch is uit haar teksten wel het een en ander af te leiden. Ik zal vier feiten over haar leven noemen die we uit haar teksten kunnen opmaken. Ik volg bij deze punten dit boek dat ik hier ter inzage heb liggen, Hadewijch. Schrijfster, begijn, mystica van prof.dr. Mommaers.


(1). Goede opleiding, waarschijnlijk van adel

Op de eerste plaats moet Hadewijch een zeer ontwikkelde vrouw zijn geweest. Zij weet zich zeer goed uit te drukken in de volkstaal, zij schrijft prachtig; en ze beheerst allerlei verschillende genres; óók hoogstaande literaire kunstvormen als de lyriek. Hadewijch was ook zeer goed thuis in het Frans, bijvoorbeeld in de Franse lyriek, en het Latijn, ze heeft zelfs enkele passages uit een theologisch Latijns geschrift naar het Middelnederlands vertaald.

Men vermoedt dat Hadewijch uit een adellijk milieu kwam, dat is de enige omgeving waarin zij kans had op enige opleiding (denk aan Hildegard, die het achtste kind was een een lagere Duitse graaf, een eeuw eerder, en die al haar werken in het Latijn schreef). Het zou kunnen dat Hadewijch in een klooster is onderwezen: soms werden adellijke meisjes een paar jaar naar een (nonnen-)klooster gestuurd om te leren lezen en schrijven. Maar ze is beter ontwikkeld dan de gemiddelde kloosterzuster in de Middeleeuwen. Het zou ook kunnen dat zij thuis privé-onderwijs heeft kunnen bijwonen: soms kregen de zoons in een adellijk gezin thuis privé-onderwijs van een klerk, en mochten de dochters, als ze blijk gaven van enige intelligentie, bij dat privé-onderwijs aanwezig zijn; dus wie weet heeft Hadewijch wel het geluk gehad dat zij een broer had. Hoe dan ook, ze moet een goede opleiding hebben gehad.

In een van haar teksten (de 'Lijst van volmaakten', een bijlage bij haar laatste visioen) vermeldt Hadewijch dat zij contact had met een zekere heer Hendrik van Breda. Deze is voor haar een kluizenares gaan opzoeken in Duitsland. De heren van Breda behoorden tot de hoge adel in Brabant, hun gebied strekte zich uit van Breda tot Schoten (bij Antwerpen). Dit is een sterke aanwijzing dat Hadewijch tot de adellijke kringen behoorde.

Hoewel er uitgebreid is gezocht in archieven in de stambomen van deze en aanverwante adellijke Brabantse families, is hier nooit een Hadewijch aangetroffen van wie met zekerheid kon worden vastgesteld dat het om de mystica moest gaan. De mogelijke verklaring hiervoor is dat 'Hadewijch' niet haar doopnaam was, maar een later aangenomen religieuze naam (de naam betekent zoveel als 'strijdster' of 'strijd der strijden'). In dat geval zal het onmogelijk zijn om ooit met zekerheid haar historische identiteit vast te stellen.


(2). Brabant

Ten tweede: Hadewijch heeft waarschijnlijk in het hertogdom Brabant geleefd, alledrie de handschriften die bewaard zijn gebleven, zijn geschreven in een Brabants dialect. Brabant omvatte indertijd onder meer steden als 's-Hertogenbosch, Breda, Antwerpen, Leuven en Brussel.

In de 15de eeuw (dus drie eeuwen later) heeft iemand op een van die handschriften geschreven dat Hadewijch uit Antwerpen kwam. Of dit werkelijk zo is weten we niet (drie eeuwen is nogal een lange overleveringstijd), maar Antwerpen ligt wel in Brabant. Het contact dat ik net noemde met heer Hendrik van Breda wijst op contacten of zelfs verwantschappen in het gebied Breda-Schoten (Schoten ligt bij Antwerpen).

Haar overgeleverde geschriften zijn echter meer rond Brussel te situeren (in het Rooklooster bij Brussel en in het klooster Bethlehem bij Leuven). Tot slot is er literaire invloed aan te wijzen van meerdere schrijvers uit Atrecht, dat toen in het zuiden van het graafschap Vlaanderen lag -nu Arras in noord-Frankrijk-. Op deze invloed kom ik volgende week terug.


kaartje middelnederlandse dialecten streektalen in de lage landen middeleeuwen

Brabant is hier lichtgroen
(plattegrond Lage Landen in de Middeleeuwen)
-klik voor vergroting-.


(3). Midden 13de eeuw

Ten derde: uit enkele tijdgenoten en omstandigheden die Hadewijch noemt, is af te leiden dat zij haar teksten hoogstwaarschijnlijk heeft geschreven rond het midden van de dertiende eeuw, rond 1240.

Zij noemt bijvoorbeeld (in haar 'Lijst van volmaakten') de beruchte Dominicaanse inquisiteur Robert le Bougre, die in de jaren 1232-1239 in Frankrijk en Vlaanderen honderden ketters liet verbranden; deze tekst moet dus na die periode zijn geschreven. Verder meldt Hadewijch, in diezelfde lijst, dat er kluizenaars wonen op de stadsmuur van Jeruzalem. Omdat deze stad in 1244 in handen viel van de Saracenen, moet deze tekst vóór dat jaar zijn opgeschreven. Kortom: deze lijst is van na 1239 en van voor 1244.

Als datering van haar teksten wordt daarom wel heel globaal 'rond 1240' aangehouden - maar hoeveel (tientallen) jaren ervoor en erna haar schrijverschap heeft beslagen, is niet bekend. We zagen al dat de Duitse tekst uit de 14de eeuw vemeldt dat Hadewijch op dat moment 'in de eeuwigheid leeft' (dus overleden is, in de hemel is) en dat haar teksten de godsvrienden in Brabant al honderd jaar beïnvloeden (wat duidelijk terugverwijst naar de 13de eeuw). Ook bij de literaire banden met Atrecht gaat het om teksten uit de jaren rond het midden van de dertiende eeuw (1225-1270), daarover dus volgende week meer.


hadewijch lijst van volmaakten

Linker kolom, net boven het midden:
'Een beghine die meester robbaert doodde om hare gherechte minne'
-klik voor vergroting-.


(4). Begijnen

Op de vierde plaats blijkt uit haar teksten dat zij géén kloosterlinge was. Zij was niet gebonden aan een regel en ze heeft verschillende woonplaatsen gehad; ze vermeldt zelfs dat ze 'door het land heeft gezworven'. Waarschijnlijk is Hadewijch te situeren bij de begijnenbeweging.

Hierbij moet je niet denken aan de begijnenhofjes, die tegenwoordig een bezienswaardigheid zijn in vele steden in Nederland en België. Pas aan het einde van de dertiende eeuw gaan grotere groepen begijnen zich organiseren en stichten ze conventen of hofjes met een eigen kerk. Maar zover was het in Hadewijchs tijd nog niet. Waar moeten we dan wel aan denken bij de vroege 'begijnenbeweging'?



12de eeuw: Het armoede-ideaal en Cisterciënzers


De begijnenbeweging ontstaat aan het einde van de 12de eeuw, maar die komt natuurlijk niet zomaar uit de lucht vallen. In de 12de eeuw (dus een eeuw vóór Hadewijch) doen zich namelijk een groot aantal veranderingen voor, zowel op maatschappelijk als op religieus gebied. Om een goed beeld te krijgen van die vroege begijnenbeweging waar Hadewijch hoogstwaarschijnlijk toe behoorde, zal ik in het kort iets zeggen over de nieuwe spiritualiteit die opkomt in de 12de eeuw.

De 12de eeuw is een eeuw van grote bloei, op economisch gebied, op literair gebied en ook op religieus gebied. In de 12de eeuw krijgt de paus steeds meer macht, ook wereldlijke macht, en de kloosters worden steeds rijker. Deze ontwikkelingen leiden tot het ontstaan van tegenbewegingen, namelijk de zogenaamde armoedebeweging of het armoede-ideaal.


In de 12de eeuw komt er heel sterk een armoede-ideaal op en ik zal drie belangrijke kenmerken van die nieuwe spiritualiteit noemen:

* Op de eerste plaats wil men gaan leven zoals Christus en de apostelen, en zoals de allereerste christenen leefden; dat wil zeggen: zonder bezit en zonder institutionele hiërarchie. Men wijst de macht en de rijkdom van de kerk af. Er komt veel meer aandacht voor het Nieuwe Testament: de Evangeliën over het leven van Jezus; de Handelingen van de apostelen; de brieven aan de vroege christengemeenschappen en de Openbaring van Johannes.

* Ten tweede willen deze mensen zelf de boodschap van Christus gaan uitdragen. Er is onvrede over dat dat alleen is voorbehouden aan die kleine groep clerici (geleerden, priesters) binnen de kerk.

* Ten derde komt er meer aandacht voor de historische Jezus, de mens Jezus, voor zijn leven, zijn lijden en sterven.

  • armoede-ideaal 12e eeuw
    • leefwijze eerste christenen
    • zelf boodschap uitdragen
    • lijden en sterven v.d. mens Jezus
Dit armoede-ideaal, deze nieuwe religiositeit vanaf de 12de eeuw, vind je vooral bij enkele nieuwe orden; bijvoorbeeld bij de ridderorden, die werden opgericht door ridders die terugkeren van kruistochten naar het Heilige Land. En ook bij de franciscanen en de dominicanen (twee bedelorden die in de 12de eeuw werden opgericht). En je vindt die nieuwe religiositeit, dat armoede-ideaal, ook heel sterk bij de noord-Franse Cisterciënzerkloosters.

Een heel beroemde en invloedrijke Cisterciënzer is Bernardus van Clairvaux (1090-1153) - we hebben in de eerste bijeenkomst al een fragment van hem gelezen. Zijn uitgangspunten worden wel de Bernardijnse spiritualiteit genoemd. Hij stelt heel sterk de menselijkheid van Christus centraal, de verinnerlijking van het geloof en de affectie, oftewel de liefde voor Christus en voor God. Verinnerlijking, zelfkennis en affectie komen dan in het middelpunt van het geloof.

  • ridderorden
  • franciscanen, dominicanen
  • cisterciënzers
    • verinnerlijking, liefde
Bernardus is niet geïnteresseerd in logica, in theorieën, maar in persoonlijke groei. Je zou kunnen zeggen dat hij aan het begin staat van een subjectief beleefde godsdienst. Kennis wordt, volgens hem, niet opgedaan door studie, maar door ervaring, door een liefdes-beleving. Dat is een heel nieuw uitgangspunt. De ware godskennis ligt in die liefdes-beleving, en die stelt Bernardus voor als een geestelijk huwelijk tussen Christus als bruidegom en de ziel als bruid.

Probeer je voor te stellen, dat dit iets volkómen nieuws is in die tijd. Naast religieuze teksten met intellectuele theologie of nederige vroomheid, ontstaan er in deze stroming teksten over diepe liefde voor Christus; Christus als Geliefde, en een geliefde zijn voor Christus (een gelijkwaardige relatie i.p.v. een nederige); over een geestelijk huwelijk aangaan met de goddelijke Bruidegom.

Ten tijde van de opkomst van dit armoede-ideaal (leven in armoede, zelf de boodschap uitdragen, persoonlijke en affectief beleefde religie) vermenigvuldigen de vrouwenkloosters zich ongelooflijk snel. In de 12de eeuw, zou je kunnen zeggen, schieten de de vrouwenkloosters als paddestoelen uit de grond.

Je kunt natuurlijk aannemen dat veel vrouwen zich aangetrokken voelden tot het nieuwe religieuze ideaal, maar de oorzaak van het grote aandeel van vrouwen hierbij wordt voor een belangrijk deel gelegd bij veranderende maatschappelijke omstandigheden van die tijd (maar daar kom ik volgende week op terug).

Maar niet alleen het aantal vrouwen binnen kloosters groeit, er gaan in de loop van de 12de eeuw ook vrouwen buiten de gevestigde kloosters een religieus leven leiden in de sfeer van de nieuwe religiositeit: en dat zijn de begijnen.



De begijnen


Wat zijn nu precies begijnen? Begijnen zijn religieuze vrouwen die individueel in de wereld leven. De eerste begijnen vind je aan het einde van de 12de eeuw. Je kunt dan niet over een begijnenbeweging spreken, want de begijnen zijn, zeker in de eerste decennia, niet georganiseerd. Het zijn vrouwen die alleen of in kleine groepjes ìn de maatschappij een religieus leven leiden. En dit is een heel bijzonder kenmerk van deze beweging: deze vrouwen treden níet in een klooster in! Zij binden zich niet, zoals kloosterlingen, door een publieke, eeuwige gelofte. Zij beloven alleen in het privé dat ze in armoede zullen leven, dat ze kuis zullen leven en gehoorzaam zullen zijn aan hun biechtvader.

Zij hechten er waarde aan om niet vanuit een gelofte religieus te leven, in een klooster; maar daar iedere dag opnieuw, vanuit vrijheid, voor te kiezen, terwijl ze ìn de maatschappij blijven leven. De allereerste begijnen voorzien in hun levensonderhoud door bedelen, maar al snel gaan de begijnen leven van handarbeid (spinnen, weven, ziekenzorg). Alles wat zij méér verdienen dan ze nodig hebben, geven ze weg, geheel volgens het armoede-ideaal.


elisabeth van thuringen uitdelen voedsel armenzorg middeleeuwen             elisabeth van thuringen uitdelen kleding armenzorg middeleeuwen

Armenzorg:
het uitdelen van voedsel (l) en kleding (r).


Deze religieuze vrouwen die individueel in de wereld blijven leven, worden mulieres religiosae genoemd, godsvruchtige vrouwen. In de volksmond 'begijnen', maar deze naam heeft in die tijd waarschijnlijk een ketterse of spottende bijklank gehad. Die vroege begijnen leefden òf alleen, òf in kleine groepjes in één huis. Daar zijn ook beschrijvingen van overgeleverd. Bijvoorbeeld Jacob van Vitry, een Franse kanunnik, schrijft in de 13de eeuw over deze vroege begijnen:


Zij leven in een en hetzelfde huis (...). En onder leiding van één van hen, die de anderen in deugd en wijsheid overtreft, worden zij zowel door het goede voorbeeld als door geschriften onderwezen in het waken en het bidden, in het vasten en in allerlei verstervingen, in de handenarbeid en de armoede, in de nederigheid en de zelfverloochening.


Jacob van Vitry (13e eeuw).


Voor ons, aan het begin van de 21ste eeuw, acht eeuwen later, lijkt dat misschien niet zo opzienbarend. Een aantal vrouwen in de streken Brabant, Vlaanderen, Frankrijk en Duitsland gaan ìn de maatschappij een religieus leven leiden. Maar in de Middeleeuwen is dit revolutionair. Op verschillende manieren gedragen zij zich niet zoals er van hen verwacht wordt. Ik zal nu een aantal aspecten langs gaan waarin begijnen zo vernieuwend zijn.

Nu, het eerste aspect is: de maatschappelijke orde. Ik heb het in de eerste bijeenkomst over die maatschappelijke orde gehad: je had drie standen - de geestelijken, de adel en de boeren/burgerij. De begijnen doorbreken die middeleeuwse maatschappelijke orde radikaal. Zij vallen onder geen enkele van die drie standen.

  • Begijnen zijn vernieuwend
    • maatschappelijk
Veel begijnen zijn vrouwen uit de kringen van adel en de gegoede burgerij en deze vrouwen behoorden op een gegeven moment te trouwen (je moet je voorstellen: als je op de 18de of 19de nog niet was getrouwd, dan was je, naar middeleeuwse maatstaven, een 'oude vrijster'!). Als een vrouw niet wil trouwen, kan ze maar één ding doen, en dat is het klooster in gaan. Andere maatschappelijke mogelijkheden zijn er niet. Je hebt als vrouw dus de keus: of je trouwt en je blijft in de maatschappelijke stand van de adel danwel burgerij, of je treedt in een klooster in, en dan ga je dus naar de stand van de geestelijkheid.

Begijnen kiezen béide mogelijkheden niet: zij trouwen niet, maar gaan ook niet in het klooster. Zij kiezen niet voor de veiligheid en de economische zekerheid van het huwelijk en óók niet voor het maatschappelijk geaccepteerde kloosterleven. Zij brengen een geweldige culturele verschuiving teweeg door een religieus leven te gaan leiden, terwijl ze gewoon ìn de maatschappij blijven. Hiermee doorbreken zij dus dat vaste patroon van die drie standen: zij behoren niet langer tot de adel of burgerij, maar treden ook niet toe tot de geestelijkheid; in feite zijn zij dus een soort tussenstand. Wij noemen dit tegenwoordig wel: 'semi-religieuzen': wèl een religieus leven leiden, maar niet binnen de bestaande ordes.

  • Begijnen zijn vernieuwend
    • maatschappelijke tussenstand: semi-religieuzen
Dat begijnen als een tussenstand werden ervaren, vinden we terug in verschillende teksten uit de 13de eeuw. Ik heb een fragment daarover in de Bloemlezing opgenomen. Gilbert van Doornik, een Franciscaan, schrijft in 1273:


En bij ons zijn nog andere vrouwen van wie we niet weten of we hen seculares of moniales moeten noemen. Ze volgen namelijk gedeeltelijk de seculiere [wereldlijke] levenswijze en gedeeltelijk ook de reguliere [die van het klooster].


Gilbert van Doornik (13e eeuw).


Begijnen vormen dus in de middeleeuwse maatschappij een tussenstand.

Doordat begijnen niet in een klooster intreden, maar in de maatschappij blijven leven, hoeven zij geen eeuwige geloften af te leggen. Begijnen doen alleen privé enkele persoonlijke beloften. Hiermee combineren begijnen devotie en vrijheid en dat is in de 12de en 13de eeuw echt origineel.

  • Begijnen zijn vernieuwend
    • maatschappelijke tussenstand: semi-religieuzen
    • devotie en vrijheid



Hadewijch als begijn


Ook Hadewijch heeft er bewust voor gekozen om niet in een klooster in te treden en geen eeuwige beloften te doen en niet volgens een regel te gaan leven. Zij zegt daarover in haar vierde brief:


Door een regel te onderhouden bekommert men zich om veel dingen waarvan men vrij zou kunnen zijn, en dat is een dwaling van de rede. Een geest die van goede wil is, leeft inwendig op een manier die schoner is dan wat alle regels samen zouden kunnen uitdenken.


Hadewijch, brief 4 (r. 64).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 4 (Mnl. en hertaling).


Het gaat erom, bij de begijnen, om vanuit je vrije wil religieus te leven, om je vanuit je vrije wil je tot God te richten.

In de brieven van Hadewijchs krijg je ook een indruk van haar leefwijze. Bijvoorbeeld in de 29ste brief:


Toch heb ik met de mensen geleefd, hen in alles dienend met mijn werken. Ze hebben me dan ook uitgerust bevonden met een kracht die gereed is voor al hun noden. Iets waaraan tegen mijn wil openbaarheid is gegeven.

Ik ben ook in alles met hen geweest: vanaf het ogenblik dat God mij voor het eerst aangeraakt heeft met de heelheid van de minne, voelde ik de nood van elke mens aan, naargelang van wat hij in waarheid was. Met zijn naastenliefde voelde ik die nood aan en ik gaf elkeen de genegenheid die hij nodig had.

Met zijn wijsheid voelde ik zijn genadigheid aan, en waarom men een mens zo veel moet vergeven. En ik voelde aan hoe de mens valt en opstaat en hoe God geeft en terugneemt, slaat en heelt en daarbij zichzelf geeft - voor niets.

Met zijn hoogheid voelde ik wat al degenen misdaan hebben die ik in dit leven horen noemen en gezien heb. En sindsdien heb ik daarover steeds met God al de gerechte vonnissen geveld volgens de grond van zijn waarheid, en dat betreffende ons allen, wie we ook mogen zijn.

Met zijn eenheid, die in de minne gelegen is, gevoelde ik sinds die tijd het verloren-zijn door het genieten in de minne en het lijden wegens het ontbreken van dat genieten. En ik gevoelde de gerechte wegen die de minne in alles gaat en hoe zij handelt tegenover God en al de mensen.


Hadewijch, brief 29 (r. 61-84).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 29 (Mnl. en hertaling).


Je kunt je voorstellen dat Hadewijch bijvoorbeeld zieken heeft verzorgd. Maar ze beschrijft het niet als een baan om financiële redenen, puur voor haar levensonderhoud, nee, ze schrijft dat ze het doet vanuit liefde, naastenliefde, en vanuit wijsheid. Vanuit liefde en wijsheid probeert zij met haar medemensen om te gaan.


ziekenzorg gasthuis middeleeuwen

Ziekenzorg door religieuze vrouwen
in een gasthuis.


Toch houdt Hadewijch ook een beetje afstand tot de mensen en de maatschappij; eerder in diezelfde brief schrijft ze:


Bovendien heb ik zeer weinig meegedaan met de mensen wat betreft eten, drinken en slapen. Ik heb me evenmin gesierd met hun klederen, kleuren of opschik. En nooit is mij één blijdschap ten deel gevallen van al datgene waarin een mensenhart zich verblijden kan of die het kan verkrijgen of ontvangen, tenzij dan bij momenten de blijdschap van de minne te voelen, en dat overtreft alles.


Hadewijch, brief 29 (r. 30-35).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 29 (Mnl. en hertaling).


Hadewijch leeft dus wel in de maatschappij, ìn de wereld, maar niet 'werelds' (denk aan: maatschappelijke tussenstand). En zij leeft vanuit vrijheid, niet volgens een vaste regel, maar ze probeert wel vanuit de naastenliefde en vanuit wijsheid te leven.

Maar er zijn nog een aantal manieren waarop de begijnen vernieuwend zijn in de 12de en 13de eeuwse maatschappij: deze vrouwen gaan namelijk studeren, de bijbel lezen, elkaar onderwijzen over religieuze zaken, onder elkaar hun spiritualiteit uitdragen, geestelijke leiding geven in kleine kringen, en schrijven.

  • Begijnen zijn vernieuwend
    • maatschappelijke tussenstand: semi-religieuzen
    • devotie en vrijheid
    • studeren, onderwijzen, leiding geven, schrijven

Van de eerste bijeenkomst zullen jullie je zeker herinneren dat het normaal gesproken de stand van de geestelijken is die studeert en die schrijft, in het Latijn. Zij, de geleerde clerici, de gewijde priesters, de monniken, mogen preken, zielzorg verlenen en geestelijke leiding geven. Nu gaan, bìnnen die groepen begijnen, de vrouwen dat zelf doen. We hebben dat net al gezien, ik ga nog even terug naar dat citaatje:


Zij leven in een en hetzelfde huis (...). En onder leiding van één van hen, die de anderen in deugd en wijsheid overtreft, worden zij zowel door het goede voorbeeld als door geschriften onderwezen (...).


Jacob van Vitry (13e eeuw).


Hadewijch is hoogstwaarschijnlijk ook zo'n leidster van een groepje begijnen geweest. Het duidelijkst vind je dat terug in haar brieven, die gericht zijn aan haar vriendinnen, onder andere Sara, Emma en Margriete. Zij schrijft hen bijvoorbeeld in de 25ste brief:


Groet ook Sara van mij (...). Zeg aan Margriet dat ze zich hoedt voor hoovaardigheid en dat ze verstandiger wordt en dat ze zich elke dag tot God keert en dat ze zich tot volmaaktheid optrekt. Zeg haar dat ze zich erop voorbereid om bij ons te komen wonen, daar waar wij samen gaan leven.


Hadewijch, brief 25 (r. 1, 24-28).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 25 (Mnl. en hertaling).


Er zijn duidelijk plannen om met een groepje vrouwen samen te gaan wonen. Of dit er ooit van is gekomen, is onbekend. Ook zie je al in deze korte passage dat Hadewijch deze vriendinnen in haar brieven instrueert en raad geeft.

Ook in één visioen, het veertiende, het laatste, spreekt Hadewijch een vriendin aan - op een sterk vriendschappelijke, liefdevolle wijze. Het laat een glimp zien van een aanleiding om zo'n visioen op te schrijven en de beoogde doelgroep. Midden in de visionaire tekst zegt zij:


En jou beminde ik zozeer. Ik kon en kan je geen ogenblik vergeten. Dat ik jouw dood en jouw ongenade in de minne zo met je meevoelde in ons stormachtig verlangen naar God dat ik daardoor samen met jou nog dichter bij God was - dat alles bezwaarde me zeer. Omdat jij zowel kind als mens was, precies daarom was die last nog zwaarder voor mij. Ook omdat ik voorheen zo machtig in de minne was en die minne mij vervolgens in de steek liet, zoals ze dat ook nu deed, daarom kreeg ik die hoge troon te zien, nieuw en transparant en juist versierd zoals passend is bij de grote Minnaar die Schepper en het ware wezen van de minne is.

(...)

Ik maak het te lang, omdat jij graag hoort in wat voor omstandigheden iets zo mooi was (...) en door andere vormen van verschijningen in visioenen, waarover ik je laatst schreef en al eerder heb geschreven. En door nog veel meer, waarover ik je niet heb geschreven. Wat me trouwens spijt, omdat ik graag voldoe aan jouw wens. Juist omdat jij graag alles van me zou willen weten, spijt het me zeer dat je niet alles weet wat je weten wil.


Hadewijch, visioen XIV (r. 57-70, 110-124).

Hertaling: P. Mommaers, xxx (19xx). Bron volgt.


Dit lijkt erop te wijzen dat zij in ieder geval dit visioen voor deze andere vrouw opschreef, schijnbaar op haar verzoek of aandringen, en haar ook al andere teksten stuurde. Zij probeert hiermee duidelijk een vriendin te steunen, die naar de minne verlangt maar zich verlaten voelt. Met haar visioenen geeft zij gelijkgezinden in haar kring hoop en vertrouwen in de bereikbaarheid van het minne-ideaal.

In de brieven vinden we ook aanwijzingen dat Hadewijch, als leidster van een groep begijnen, de vrouwen om haar heen ook stimuleert om te lezen, te leren, te studeren. Zij schrijft hen in haar 24ste brief:


Laat uit wrevel niet na te vragen naar enige kennis die u ontgaat: gij zijt verplicht aan God al het goede te weten te komen dat ge kunt leren kennen door te werken, door vragen te stellen, door te studeren, door te volharden.


Hadewijch, brief 24 (r. 16-21).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 24 (Mnl. en hertaling).


En verderop in deze brief schrijft ze:


Al de woorden die gij over God hoort in de Schrift en die gij zèlf leest en die ik u heb gezegd en die iemand anders u zegt in Diets of Latijn, laat die in uw hart gaan. En let erop en doe uw best dat ge leeft zoals Hij dat waardig is. Leg u dan ook toe op alles wat ik u gezegd heb.

Want men kan niemand de minne leren, maar de deugden leiden de mens helemaal tot de minne.


Hadewijch, brief 24 (r. 104-111).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 24 (Mnl. en hertaling).


Vrouwen gaan vanaf die 12e eeuw dus studeren, weliswaar niet aan de kloosterscholen of aan de kersverse universiteiten, maar in de vorm van een soort van zelfstudie, zelf de bijbel lezen, elkaar onderwijzen. En aangezien ze weinig Latijn kennen, en ook de vrouwen voor wie ze schrijven weinig Latijn kennen, gebruiken ze de volkstaal.

  • Vrouwen
    • schrijven in de volkstaal over religie
Dat vrouwen zich intellectueel ontwikkelen; dat er in de volkstaal over religie wordt gelezen en geschreven; dat vrouwen elkaar onderwijzen en geestelijke leiding geven: dit is allemaal revolutionair in de 12de en 13de eeuw.

vrouw dame in vlaanderen eind 13e eeuw

Twee personen in Vlaanderen, 13de eeuw
met rijk geborduurde kleren, een mantel
(teken van adel) (l) en gouden broche (r).
(Lausanne U964).


De Franciscaan Gilbert van Doornik schrijft aan het einde van de 13de eeuw:


Bij ons zijn er vrouwen die begijnen genoemd worden. Een aantal onder hen zijn sterk in spitsvondigheden en hebben plezier in nieuwigheden. Zij interpreteren de mysteries van de Schrift en hebben ze in gewoon Frans [dus in de volkstaal] omgezet. Zij lezen die samen, zonder eerbied, op een gedurfde wijze en dat in conventikels, in werkhuizen, op straat.


Gilbert van Doornik (13e eeuw).


Vrouwen, die geen Latijn kennen, zijn zo de eersten die in de volkstaal over geloof, over spiritualiteit gaan schrijven. In de 13de eeuw hebben twee auteurs in het Nederlands, of het Diets, zoals Hadewijch het zelf noemt, over religie geschreven - dat zijn Hadewijch en de tweede is Beatrijs van Nazareth (1200-1268), ook een vrouw. Zij was geen begijn, maar (en dat zal jullie ook niet verbazen) een Cisterciënzer non, abdis van het klooster Nazareth in Brabant.

Door heel Europa vind je in de 13de eeuw vrouwen die over geloof en spiritualiteit schrijven in de volkstaal. In Duitsland heb je bijvoorbeeld de begijn Mechtild van Magdeburg (1212-1282), zij schrijft Dass fliesende licht der Gottheit. En in Frankrijk heb je bijvoorbeeld de begijn Maguerite Porete (overl. 1310), met haar werk Le miroir pour les aimes simples. Deze vrouwen schrijven in die sfeer van de nieuwe spiritualiteit, in de lijn van de armoede-beweging en in de lijn van Bernardus van Clairvaux; over hun persoonlijk beleefde geloof, over hun innerlijke ervaringen, over de geestelijke groei naar God, en sommigen ook over hun mystieke ontmoetingen met God.


mechtild van magdeburg             marguerite porete

Mechtild van Magdeburg (l) en Marguerite Porete (r),
(portretten uit latere eeuwen).


Zij schrijven niet alleen in de volkstaal, maar ook in hun eigen, persoonlijke, niet-theologische bewoordingen.

  • Vrouwen
    • schrijven in de volkstaal over religie
    • in eigen bewoordingen (niet-theologisch)
We zullen na de pauze en ook volgende week nog zien in dat Hadewijch zich bijvoorbeeld afzet tegen de traditionele omschrijving van het godsbeeld. Zij stelt zich daarmee tegenover de clerici, die geleerden, die zij verwijt dat zij alleen met hun verstànd proberen God te begrijpen. Hadewijch wijkt dan ook af van de geijkte theologische bewoordingen van haar tijd. Zij kiest zelfs een heel nieuw begrip om God mee aan te duiden en om haar spirituele ervaringen te verwoorden: minne. En daarmee is Hadewijch de eerste die dat woord 'minne' gebruikt in een religieuze context.


Er blijven heel veel vragen rond de bundeling, verspreiding en overlevering van Hadewijchs geschriften.

Hoe groot de verspreiding van Hadewijchs teksten onder haar gelijkgestemden (of een nog ruimere kring) was; of (naast kloosters en het hertogelijk hof) ook de hele Brusselse burgerij behoorde tot de mogelijke klantenkring van de Brusselse boekbinder/boekhandelaar Godevaert de Bloc; hoe haar werken zijn gebundeld en in perkamenten handschriften in kloosterbibliotheken zijn terechtgekomen - daar is allemaal weinig zicht op. Er zijn, zagen we al, nauwe (familie)banden tussen de adel en de geestelijkheid, dus de veronderstelling dat zij uit een adellijke familie kwam, zou deels een verklaring kunnen bieden.

Duidelijk is wel, dat er (in ieder geval in bepaalde kringen) een enorme bewondering bestond voor haar werk in de 13de en 14de eeuw. Dat men in de 14de eeuw in Duitsland nog enkele van haar brieven bezat en schrijft over de 'uitzonderlijke leer' van deze 'heilige Hadewijch', waardoor godsvrienden in Brabant al honderd jaar 'tot een volmaakt leven komen' en dankzij haar 'door Gods genade verlicht' worden - dat laat een glimp van die bewondering zien. Dat spreekt ook uit de tekst van Jan van Leeuwen. Hij noemt haar een 'waarachtige lerares' en haar boeken 'goed en waarachtig, uit God geboren en geopenbaard'.

Deze bewondering voor deze 'grote heilige' en haar 'uitzonderlijke leer', met een visioenenboek dat uniek is in het 13de-eeuwse Middelnederlands, biedt een verklaring voor het feit dat er veel tijd en geld is gestoken om haar teksten op te tekenen op duur perkament, om ze te bundelen, over te schrijven, te bewaren.



Inquisitie en brandstapel


Ik ga afronden. De begijnen zijn dus in bijna alle opzichten vernieuwend:
  • zij vormen in de middeleeuwse maatschappij een tussenstand
  • zij combineren devotie met vrijheid (wèl religieus leven, maar je niet binden aan een regel)
  • zij zijn de eerste vrouwen die op grotere schaal gaan studeren, zelf de bijbel gaan lezen, geestelijke leiding gaan verzorgen, anderen onderwijzen en zelf religieuze teksten gaan schrijven
  • en zij durven dat in hun eigen (moeder)taal en in hun eigen bewoordingen te doen
In al deze opzichten voegen zij zich dus niet naar de bestaande orde. Dat brengt hen ook in een moeilijke positie, een gevaarlijke positie zelfs. De vorige keer heb ik al verteld dat de kerk greep wil houden op religieuze bewegingen en sterk de orthodoxie controleert. En die 'ongeletterde' schrijvende vrouwen, die opeens geestelijke leiding gaan geven, wat natuurlijk uiterst dubieus is, die werden natuurlijk helemaal sterk in de gaten gehouden.

Er zijn heel wat begijnen op de brandstapel beland. Geen enkeling, geen tientallen, maar honderden begijnen. Wat niet geïnstitutionaliseerd kon worden, moest in die tijd blijkbaar dan maar worden vernietigd. De Franse begijn Marguerite Porete, die ik net al noemde, werd in 1310 om haar boek Le mirior pour les aimes simples levend verbrand. De Duitse begijn Mechtild van Magdeburg trad op 60-jarige leeftijd (in 1270) alsnog in een klooster in, omdat ze zich als begijn ècht niet meer veilig voelde.

Hadewijch schrijft over een begijn die zij persoonlijk kende en die door de inquisiteur Robbert le Bourgre rond 1238 ter dood werd gebracht om haar 'waarachtige liefde', 'hare gherechte minne'. En zelf heeft Hadewijch ook niet altijd een rustig leventje gehad. In haar 29ste brief schrijft ze:


Ach, kindlief, het spijt me dat ge bedroefd zijt, en neerslachtig en verdrietig. En daarom bid ik u ten zeerste en raad ik u aan (...) dat ge om mij zo weinig bedroefd zijt als ge kunt, hoe het ook met me gaat, of ik nu door het land dwaal of gevangen zit.


Hadewijch, brief 29 (r. 5-13).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 29 (Mnl. en hertaling).


Het is voor ons (vanuit onze huidige rechtsstaat, met sociale voorzieningen als vangnet, onze vrijheid van meningsuiting, persoonlijke geloofsvrijheid, recht op afvalligheid, gezag dat je democratisch kunt wegstemmen, verzekeringen voor ziekte en rechtsbijstand, persvrijheid) nauwelijks meer voor te stellen, hoe moeilijk de omstandigheden voor deze vroege begijnen, voor Hadewijch, moeten zijn geweest.

Zij vielen buiten de economische veiligheid van huwelijk en monastiek leven, en moesten oppassen voor alles wat ze zeiden en opschreven - het 'gevangen zitten' wat Hadewijch hier noemt, is een reëel gevaar, het op de brandstapel belanden (zoals zij van dichtbij meemaakte met de begijn die zij persoonlijk kende) was een reëel gevaar. Hadewijch neemt alle ruimte die zij kan, in haar leefwijze en in haar religieuze idealen (mogelijk op de achtergrond gesteund door de macht van haar (of een) adellijke familie) en zij heeft daarbij duidelijk bewonderaars, gelijkgestemde vriendinnen en mensen met geld en contacten om zich heen. Maar zij leeft hoe dan ook in een onzekere, soms gevaarlijke positie ten opzichte van de maatschappij (tussenstand) en van de kerk (persoonlijk beleefde spriritualiteit).


We hebben in het afgelopen uur enkele achtergronden gezien, die maken dat Hadewijch in het Brabant van de dertiende eeuw een originele, vernieuwende en soms revolutionaire verschijning was.

Zij is, met abdis Beatrijs van Nazareth, de eerste vrouw van wie een oeuvre is overgeleverd in de Lage Landen. Zij schrijft in de volkstaal, in het Middelnederlands oftewel het Diets. Zij schrijft in die volkstaal (en niet in het Latijn) over religie. Zij is een religieuze, maar is niet in een klooster ingetreden. En zij stelt zich in haar brieven op als leidster, zij instrueert andere vrouwen, moedigt ze aan, en zet ze aan om te lezen, vragen te stellen, te studeren.

Op elk van deze punten is zij uniek in de dertiende eeuw, de eerste, een voorloopster in de literaire geschiedenis, de religieuze geschiedenis, de vrouwengeschiedenis. En zij doet dit op intelligente, ontwikkelde wijze, met een prachtige schrijfstijl, met eigen bewoordingen - vaak beeldend en hartstochtelijk; soms persoonlijk, aansprekend; soms ondoorgrondelijk, moeilijk, alleen door ingewijden te begrijpen; en soms rigide, haar opvattingen ver en misschien star doorvoerend, tot het uiterste doordrijvend. Maar zo'n gedreven persoonlijkheid was wellicht ook nodig in die heel vroege (waarschijnlijk vaak moeilijke, soms zelfs gevaarlijke) omstandigheden waarin je als vrouw kon gaan schrijven, je innerlijk religieus kon ontwikkelen en enige leiding kon geven, kon instrueren.

Hadewijch doet dit alles, zij kan dit doen, vanuit de achtergrond van die nieuwe spiritualiteit die in de 12de eeuw in noord-Frankrijk is opgekomen (armoede-ideaal, zelf de boodschap uitdragen, persoonlijk en affectief beleefd geloof); en de opkomst van de mulieres religiosae, de godsvruchtige vrouwen (vroege begijnen), die de vrijheid nemen om als maatschappelijke tussenstand (semi-religieuzen) in de maatschappij een religieus leven te leiden.

Volgende week gaan we nog uitgebreider naar de achtergronden van Hadewijchs leven kijken, bij het onderdeel 'vrouwen in de middeleeuwen'.

Voor wie meer over Hadewijch wil lezen, is het zeer informatieve en leesbare boek van prof.dr. Mommaers, dat ik zojuist al omhoog hield, een aanrader: Hadewijch. Schrijfster, begijn, mystica (1989). Zie hiervoor de Lijst met achtergrondliteratuur.



Afronding


Het afgelopen uur hebben we gekeken naar het leven van Hadewijch. Hoewel er geen biografische gegevens van haar overgeleverd, geven haar teksten enige aanwijzingen over haar leven.

•  Hadewijch heeft een goede opleiding gehad, was hoogstwaarschijnlijk van adel, is te plaatsen in het hertogdom Brabant, leefde rond het midden van de 13de eeuw en kan geschaard worden in de kringen van de mulieres religiosae, de vroege begijnen.

•  De vroege begijnen ontstaan tegen de achtergrond van het armoede-ideaal van de 12de eeuw: leven als de eerste christenen, zelf de boodschap uitdragen, gerichtheid op het lijden en sterven van de mens Jezus.

•  De begijnen zijn in meerdere opzichten vernieuwend of zelfs revolutionair: ze zijn een tussenstand (semi-religieuzen), combineren devotie en vrijheid, gaan zelf studeren, onderwijzen, leiding geven, schrijven, en doen dat in de volkstaal en in hun eigen bewoordingen.

•  Hadewijch was mogelijk de leidster van een groepje begijnen: zij meldt dat ze door het land heeft gezworven (wijst niet op kloosterleven); wil geen regel volgen, maar vanuit de vrije wil religieus leven; leeft in de wereld, maar niet werelds; ze vraagt Margriet om 'bij ons te komen wonen, daar waar wij samen gaan leven'; onderwijst gelijkgestemde vriendinnen in haar brieven; en ze schrijft in de volkstaal en in haar eigen bewoordingen (zoals het gebruik van 'minne').



Na de pauze


Na de pauze horen we meer van Hadewijch. We zullen dan enkele visioenen gaan lezen, met name over een aanvulling bij haar godsbeeld van vorige week, en over verschillende wegen die volgens haar visioenen naar God leiden.



Achtergrondinformatie


De cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen bestaat uit zeven bijeenkomsten. De mystieke teksten van Hadewijch en Ruusbroec worden hierin in een cultuur-historische context gelezen.

•  Over deze cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen: inhoud en opzet.

•  Achtergrondliteratuur bij deze cursus: over de Middeleeuwen, Hadewijch, Ruusbroec en middeleeuwse mystiek.

•  Over de docente Rozemarijn van Leeuwen.

•  Reacties lezen of zelf een reactie achterlaten.

•  Teksten van Hadewijch en Ruusbroec: fragmenten in het Middelnederlands en in hedendaagse hertaling.



Copyright


©  Bovenstaande tekst is een onderdeel van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

Het is niet toegestaan om deze tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen of mystiek
  3 Het leven van Hadewijch   ↑ Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: door het ghebreken
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >