RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Hadewijch, brief 17:  hiervoor weet ik geen Diets en geen taal



Teksten bij de cursus Middeleeuwse mystiek


In de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen lezen we delen uit Hadewijchs zeventiende brief.

De Middelnederlandse tekst is overgenomen uit de uitgave: Werken van zuster Hadewijch, editie J. Vercoullie. Deel 2, Proza (Gent, 1895). Diplomatische uitgave naar de handschriften A, B en C. Op dbnl.org.

De hertaling naar hedendaags Nederlands: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch, cahiers voor levensverdieping (Kampen, 1990).

De witregels staan niet in de oorspronkelijke tekst, maar zijn toegevoegd voor de leesbaarheid.



Inhoud van de zeventiende brief


Hadewijch geeft in deze brief drie verboden, die voortkomen uit de natuur van God.

Wees tot elke deugd genegen, maar laat je er verder niet mee in - dit verwijst naar achtereenvolgens de heilige Geest en de Vader. Schiet niet te kort, maar doe voor geen iets in het bijzonder - dit verwijst naar de kracht van de Vader en naar de diepe, donkere eenheid van God. Heb medelijden voor nood, maar neem niets in bescherming - dit verwijst naar de Zoon en de Vader.

In de eenheid van de godheid, is de minne met minne in volkomen ghebrukenesse. Deze eenheid houdt zich niet bezig met deugden, goede werken of nood; alleen met het genieten. Hadewijch zegt dat zij dat zo heeft ervaren, toen Christus haar tot de Vader bracht en zij in het goddelijke werd opgenomen - zij leerde het door deze ervaring kennen, klaarder dan door spreken of redeneren of zien.

Op aarde kan men immers niet de taal van de hemel verstaan, er is geen Diets te vinden om zo'n goddelijke ervaring mee uit te drukken.



Bespreking in cursusbijeenkomst


In de eerste bijeenkomst van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen worden fragmenten uit brief XVII besproken:
Bijeenkomst 1b. Wat is mystiek?.

Terug naar het overzicht met teksten bij de cursus:
Teksten van de middeleeuwse mystici Hadewijch en Ruusbroec.



©  Copyright onderstaande tekst


Het is niet toegestaan om onderstaande tekst over te nemen of een deeplink naar deze pagina aan te brengen. Zie toelichting bij 'copyright' onderaan deze pagina.





Hadewijch, brief 17:  hiervoor weet ik geen Diets en geen taal





Te alre doghtet wes onstech ende snel.
En onderwinter di niet el.
En ghebrecht in ghenen dinghen.
En werct te ghenen sonderlingen.
Te alre noet hebbet onste ende ontfermen,
Ende en nemt niet in u bescermen.
Dit hadde ic di gherne langhe gheseghet,
Want mi wel grote opt herte leghet.
God doe di kinnen wat ic mene,
Inder enegher minnen nature allene.

Dese dinghen waren mi van gode verboden, die ic u in dese woerden verbiede. Daer omme beghere icse u voert te verbiedene, om datse volmaecteleke ter volcomenheit van minnen behoren, Ende om dat se inder godheit volcomeleke ende geheelleke behoren. Die wesene die ic daer noeme, die sijn volcomeleke hare nature.

Want gheonstech ende snel, dat es de nature vanden heiligen geest; Daer met es hi proper persoen, ende niet sonderlinge te onderwindene, dat es de nature vanden vader; Daer met es hi enich vader. Dit ute gheven ende dit op houden, dit es pure godheit ende ghehele nature van minnen.
 
 



Wees tot elke deugd genegen en vaardig,
maar laat er u verder niet mee in.
Schiet niet te kort tegenover geen der dingen,
maar doe voor geen iets in 't bijzonder.
Heb voor elke nood genegenheid en medelijden,
maar neem zelf niets in bescherming.
Dit had ik u graag al lang gezegd,
want het ligt mij wel zwaar op het hart.
God doe u inzien wat ik bedoel,
in de éne natuur van de minne alleen.

(r. 10) Deze dingen, die ik u door middel van deze verzen verbied, werden mij door God verboden. En hierom verlang ik ze u op mijn beurt te verbieden, omdat deze verboden volstrekt vereist zijn tot de volkomenheid van de minne en dat ze volkomen en geheel bij de godheid horen. De zijnswijzen die ik daar noem, maken volkomen haar natuur uit.

'Genegen zijn en vaardig', dat is de natuur van de heilige Geest en daardoor is Hij een eigen persoon; 'zich met niets en in 't bijzonder inlaten', dat is de natuur van de Vader en daardoor is Hij de ene Vader. Dit uitgeven en dit inhouden, dat is de zuivere godheid en de gehele natuur van de minne.

Ende ghebrect te ghenen dinghe
ende en werct geen sonderlinghe.
Dat eerste woert es de cracht des vader, daer hi al mogende god met es. Dat ander woert es sijn gerechte willen, daer sine gherechtecheit hare ombekinde moghende werke met werct, Die diep ende donker sijn ende ombekint ende verborghen al den ghenen, die beneden deser gheenecheit vander godheit zijn, Aldus alsic segghe, ende die nochtan den persoenen properleke dienen Ende overscone.

Alse na die eerste worde, die ic seide, Te alre doghet onstech ende snel te sine, Ende in ghenen dinghen te ghebrekene, Ende te alre noet ontfermeleke onst te hebbene: Dit scijnt nochtan dat volmaecste leven, dat men hebben mach op erterike. Ende dit hoerdi altoes, dat ict altoes gheraden hebbe boven al; ende oec levede ict boven al, ende diende daer inne ende wrachte over scone tote dien daghe, dat mi verboden wert.

Die drie andere worde die ie segghe, die enecheit ende minne volcomen maken, Ende na gherechtecheit haers selves pleghen in enen persoen al ene minne ende el niet, Ay deus, wat vreseleker wesene es dat, dat selc haten ende selke caritate in i. verslent.
 
 

'Schiet niet te kort tegenover geen der dingen
maar doe er geen in 't bijzonder.
Het eerste vers betekent de kracht van de Vader, waardoor Hij de almachtige God is. Het tweede vers betekent zijn gerechte willen, waardoor zijn gerechtigheid haar onbegrijpelijke machtige werken werkt, die diep zijn en donker en onbegrijpelijk en geheim voor al degenen die zich, zoals ik zeg, beneden dit verenigd-zijn van de Godheid bevinden, maar die nochtans de Personen als zodanig dienen en zeer schoon.

En dit laatste overeenkomstig de eerste verzen die ik boven gaf: 'tot elke deugd genegen en vaardig zijn' en 'tegenover geen der dingen te kort schieten' en 'voor elke nood medelijdende genegenheid hebben'. Nu lijkt dit nochtans het meest volmaakte leven te zijn dat men op aarde kan hebben. Ge hebt het me dan ook steeds en bovenal horen aanbevelen. En zelf leefde ik dat leven bovenal, en op die manier diende en werkte ik zeer schoon tot op de dag dat het mij verboden werd.

(r. 44) De andere drie verzen die ik boven aangeef, die maken de eenheid en de minne volkomen, en overeenkomstig de gerechtigheid wijden zij, die ze beleven, zich aan de minne zelf als één persoon. En zo is alles één minne en anders niets. Ach God, welk een vreselijk wezen is dat, dat zulk een haten en zulk een naastenliefde tegelijk verslindt!

Te alre noet hebbet onste ende ontfermen. Dat was de zone in properen persone. Dat was hi scone ende wrachte scone. Ende nemt niet in u bescermen. Daer met verslantene sijn vader. Dat wrede grote werc es emmer sine. Ende dat es de alre scoenste enecheit vander minnen der godheit; soe dat si daer es alsoe gherecht van gherechtecheden rechtecheden van minnen, dat si op nemt den ernst ende die menscheit ende die cracht, daermen niemanne bi ghebreken en woude.

Ende si nemt op die caritate ende die ontfermecheit, die men hadde op die vander hillen, Ende op die van purgatorien, Ende op die onbekinde van gode, Ende op die bekinde die dolen buten sinen liefsten wille, Ende op die minnende die wee hebben bovenal dit: want si dies derven dat si minnen. Al dit nemt gherechtecheit in haer selven. Nochtan gaf elc persoen besondere tsine ute, alsoe ic geseghet hebbe.
 
 

'Heb voor elke nood genegenheid en medelijden'.
Dat was de Zoon als eigenlijke Persoon: dat was Hij op een schone wijze en dat deed Hij op een schone wijze. 'Maar neem zelf niets in bescherming'. Daardoor verslond zijn Vader Hem: dat wrede grote werk is steeds het zijne. En dat is door toedoen van de minne de allerschoonste eenheid van de Godheid. De eenheid is daar namelijk zo gerecht door de gerechtigheid van minne, dat zij de ijver, het mens-zijn en de kracht in zich opneemt, waarmee men tegenover niemand te kort zou willen schieten.

En de eenheid neemt in zich de naastenliefde op en het medelijden die men kan hebben jegens hen die in de hel zijn en jegens hen die in het vagevuur zijn en jegens hen die door God niet gekend worden en jegens hen die door Hem gekend worden maar buiten zijn liefste wil dwalen en jegens hen die minnen maar die een wee hebben dat al het vorige te boven gaat, daar zij dàt missen wat zij beminnen. Dat alles neemt de gerechtigheid in zich op. Nochtans heeft elke Persoon in 't bijzonder het zijne uitgegeven, zoals ik gezegd heb.

Mer die gherechte nature, daer minne haer selven met minne ende volcommene ghebrukenesse es, sine onderwint hare noch doghede, noch onste der doghede, noch werke sonderlinghe, die soe scone sijn noch van soe scoenre autoriteit; Noch sine bescermet bi ontfermecheiden ghere noet, die si soe moghende es rike te makene. want in dat ghebruken van Minnen en was nie, noch en mach ander werc sijn dan dat eneghe ghebruken, daer die eneghe moghende godheit minne met es.

Dat verbot dat ic u gheseghet hebbe, dat mi verboden was, dat was ongerechtecheit van Minnen te hebbene op erterike ende niet te spaerne dat buten minnen es, Ende soe na der minnen te pleghene, dat al dat dat buten minnen es, si ghehaet, Ende daer over ghewroken, soe datmenre andere onst toe en hebbe, Noch doghet, Noch sonderlinghe werc vore en doe, hen met te verdraghene, Noch ontfermecheit hem met te bescermene, Mer slach over slach in ghebrukenessen van minnen.

Mer in dat falieren ende in dat sinken van ghebrekene, dan werct men wel alle drie de verbodene werkc bi scoude ende bi rechte. Als men minne zoeket ende hare dient, dan moet men alle dinc doen om hare ere. Want al die wile es men mensche ende behoevende; ende dan moet men te allen dinghen scone werken ende onnen ende dienen ende ontfermen. Want hem ghebrect alles ende behoevet. Mer in ghebrukene van minnen es men god worden, moghende ende gherecht. Ende dan es wille ende werc ende moghentheit even gherecht. Dat sijn die .iij. persoen in enen god.
 
 

Maar de gerechte, ene natuur waar de minne door minne en volkomen genieting (ghebrukenesse) bij zichzelf is, die laat zich niet in met de deugden noch met de genegenheid tot de deugden noch met bepaalde werken, hoe schoon die ook zijn of van welk voortreffelijk gezag ook afkomstig. En die ene natuur neemt uit medelijden ook geen nood in bescherming, hoezeer zij ook bij machte is die rijkelijk te lenigen. Want in het genieten van de minne heeft nooit en kan nooit een ander werk bestaan dan het ene genieten zelf, waardoor de ene, machtige Godheid minne is.

(r. 78) Wat mij door het verbod waarover ik gesproken heb, verboden werd, was dit: op aarde ongerechtigheid in de minne te dulden. Ik moest dan ook niets ontzien wat buiten de minne is en me zo nauw aan de minne wijden, dat alles wat buiten de minne is gehaat zou worden en daarom gewraakt. Zodoende zou men er geen andere genegenheid noch goedheid voor hebben. Men zou ook niets bijzonders doen om de anderen te sparen en geen medelijden hebben om ze daarmee te beschermen, maar keer op keer in de genieting van de minne zijn.

Wanneer echter het genieten faalt en daalt, dan werkt men, rechtens daartoe verplicht, alle drie de geboden werken. Waar men namelijk de minne zoekt en haar dient, moet men alles doen ter wille van haar eer, want al die tijd is men een mens en men is behoeftig. En dan moet men in alle opzichten schoon werken en genegenheid hebben en dienen en medelijden hebben, want alles ontbreekt ons dan en we zijn behoeftig. Maar wanneer men de minne geniet, dan is men God geworden, machtig en gerecht. En dan zij wil en werk en macht even gerecht. Zo zijn de drie Personen in de ene God.

Dit was mi verboden, dat was te ascentien .iiij. iaer, van gode den vader selve in dien tide dat sijn sone comen was ten outare. Bi diere comst werdic van hem ghecust, Ende te dien tekene werdic van hem ghetoent, Ende quam met hem .i. vore sine vader. Daer nam hi hem over mi ende mi over hem. Ende in die enecheit daer ic doe in ghenomen was ende verclaert, daer verstondic dit wesen ende bekindic claerlikere dan men met sprekene, ochte met redenen, ochte met siene eneghe sake die soe bekinlec es, in ertrike bekinnen mach.

Doch scijnt dit wonder. Mer al segghe ic dat dit wonder scijnt, Ic weet wel dat u niet en wondert, want hemelsche redene en mach ertrike niet verstaen. Want van al dien dat in ertrike es, machmen redene ende dietsch ghenoech vinden, Mer hier toe en wetic gheen dietsch noch gheen redene. Nochtan dat ic alle redene can van sinne alsoe mensche connen mach. Al dat ic u geseghet hebbe, dat en es alse gheen dietsch daer toe. Want daer en hoert gheen toe dat ic weet.

Al verbiede ic u some de werke ende ghebiede de andere, ghi selt noch vele moeten dienen, maer sonderlincheit van dien dat ic u hebbe gheseit, verbiedt ic u voert, alsoe si mi verboden sijn inden wille gods. Mer ghi moet noch arbeiten in de werke van minnen, Alsoe ic lange dede Ende sine vriende daden ende noch doen, Ende ic .i. deel enen tijt hebbe ghedaen, ende noch allen tijt doe, el niet te onderwindene dan minne, El niet te werkene dan minne, El niet te bescermen dan minne, El niet in staden te stane dan minne. hoe ghi elc doen selt ende laten, dat moete u god wisen, onse lief. Amen.


∗ ∗ ∗


Hadewijch, brief 17.

Bron Middelnederlandse tekst: Werken van zuster Hadewijch, editie J. Vercoullie. Deel 2 (Gent, 1895).



 
 

Dit werd mij verboden, nu vier jaar geleden op hemelvaartsdag, door God de Vader zelf, op het ogenblik dat zijn Zoon op het altaar gekomen was. Bij die komst werd ik door Hem gekust en in dat teken werd ik (wat ik ben) zichtbaar gemaakt en, één met Hem, kwam ik voor zijn Vader. Daar nam de Vader Hem samen met mij en mij samen met Hem in Zich op. En in de eenheid waarin ik toen werd opgenomen en verheerlijkt, daarin begreep ik dit wezen en leerde ik het kennen op een wijze die klaarder is dan wanneer men, door te spreken of te redeneren of te zien, op aarde het een of andere voorwerp kan leren kennen, hoe kenbaar dat ook mag zijn.

(r. 112) Nu lijkt dan (kennen) wel wonderlijk. Maar ook al zeg ik dat dit wonderlijk lijkt, toch weet ik zeer goed dat het u niet verwondert. De aarde is immers niet in staat de taal van de hemel te verstaan, want voor alles wat op aarde is kan men voldoende taal en Diets vinden, maar hiervoor weet ik geen Diets en geen taal. Ik heb verstand van alle vormen van zinvol spreken waarvan een mens verstand kan hebben; maar alles wat ik u heb verteld, kan ik niet in het Diets uitdrukken, want voor zover ik weet is er geen Diets dat daarbij hoort.

Al verbied ik u sommige werken en gebied ik er u andere, gij zult nog veel moeten dienen. Maar, zoals ik gezegd heb, iets in het bijzonder doen, dat verbied ik u op mijn beurt, zoals het mij door Gods wil verboden werd. Gij moet u echter nog inspannen in de werken van de minne, zoals ik sinds lang gedaan heb en zoals mijn vrienden gedaan hebben en nog doen. En wat ik sinds enige tijd doe en nog steeds doe: u met niets anders inlaten dan met de minne, niets anders in bescherming nemen dan de minne, niets anders te hulp komen dan de minne. Hoe gij elk van deze dingen moet doen en laten, dat moge God u ingeven, onze Geliefde.


∗ ∗ ∗


Hadewijch, brief 17.

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).






Copyright

Bovenstaande tekst wordt behandeld tijdens de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

©  Het is niet toegestaan om bovenstaande tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.


Deze pagina staat niet openbaar online

Deze pagina is, in verband met auteursrecht, verborgen voor zoekmachines (met 'noindex') en dus niet openbaar vindbaar. Deze pagina wordt door de zoekmachines niet geïndexeerd en is daardoor niet vindbaar met zoekopdrachten.

De tekst is nadrukkelijk alleen bedoeld als onderdeel van en achtergrond bij de cursus Middeleeuwse mystiek en enkel en alleen van daaruit te bereiken. Alle interne links op deze website hebben de 'nofollow'-tag in de html-code, om de directe onvindbaarheid van deze pagina verder te waarborgen.


Niet linken naar deze pagina

Het is niet toegestaan om rechtstreekse deeplinks aanbrengen naar deze pagina en zo de directe online vindbaarheid te vergroten.

Link uitsluitend naar de betreffende cursusbijeenkomst, waarin bovenstaande tekst wordt geciteerd en toegelicht.

Naar de betreffende cursusbijeenkomst: 1b. Wat is mystiek?.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen en mystiek
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: door het ghebreken
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >