RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Ruusbroec: kritiek op kerk en kloosters



Teksten bij de cursus Middeleeuwse mystiek


In de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen lezen we delen uit Jan van Ruusbroecs Van den gheesteliken tabernakel (ca. 1350).

De Middelnederlandse tekst is overgenomen uit de uitgave:
Jan van Ruusbroec, Werken, deel 2, editie J. David (Gent, 1858).

De hertaling naar hedendaags Nederlands:
Jan van Ruusbroec, Het geestelijk tabernakel, of Gods waarachtige inwoning in de kerk van de ziel, hertaald door L. Moereels, S.J. (Tielt, 1982).

Hoofdstuk: 'De tafel der toonbroden'. Passages: 'De wereldse geest onder de clerus' en het 'Verval der kloosterordes'. Blz. 234-243 (of nummering: 324-333).

De witregels staan niet in de oorspronkelijke tekst, maar zijn toegevoegd voor de leesbaarheid.



Inhoud van de passage: kritiek op kerk en kloosters


In het hoofdstuk 'De tafel der toonbroden' van Ruusbroecs Tabernakel staan twee lange passages met kritiek op priesters en kloosterlingen. Zijn uitgebreide kritiek is niet mals.

De geestelijken binnen de kerk (prelaten) leven het volk niets voor, leren het niets en bekommeren zich niet om de noden van het volk. Zij zijn rijk, gierig, eten en drinken overvloedig - terwijl Christus geen bezit had.

Kloosterordes begonnen in afzondering, maar huidige kloosterlingen leven in de wereld, zijn rijk en lui. Ze komen weinig naar de mis, terwijl de oprichters het volk lering gaven en Christus volgden in vrijwillige armoede. Zo zijn alle ordes in verval geraakt, behalve kartuizers en vrouwen die in slotkloosters zijn.



Bespreking in cursusbijeenkomst


In de zesde bijeenkomst van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen worden delen uit onderstaande passage besproken:
Bijeenkomst 6. De verschrikkelijke veertiende eeuw.

Terug naar het overzicht met teksten bij de cursus:
Teksten van de middeleeuwse mystici Hadewijch en Ruusbroec.



©  Copyright onderstaande tekst


Het is niet toegestaan om onderstaande tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren. Zie toelichting bij 'copyright' onderaan deze pagina.





Ruusbroecs kritiek op kerk en kloosters





Maer die oude sonen, die met den vader in den huse sijn bleven, ende sijn erve besitten, dat sijn de princen der heilegher Kerken, ende alle die dat patrimonium ons Heren Jhesu Christi verteeren: het schijnt dat si ontslapen sijn in groter traecheit; want si en leven, noch en leeren, noch met waerden noch met werken, 5dies hare volc ghebetert mach sijn.

Nochtan heeft hen Christus sine scape bevolen, daer hi omme starf; maer si en versennens niet, want die scape dwasen ende dolen, ende si en soekense niet. Ende al ghebrect hen spise ende dranc, si en achtens niet. Ende al sijn de scape siec ende seer, si en salvense niet; ende ghequetst ende te broken, si en verbendense niet. Ende al verleitse de duvel ende de werelt in den gront der hellen, si en wisen hen den wech der waerheit niet.

Want de goede herde gheet vore sijn cudde; hi roept, hi trect, hi troest sine scape met der ghenadicheit Gods, ende volcht hen na, ende berespt, ende sceldt, ende dreicht met der gherechticheit Gods. Ende die des niet en doen gheliken bat den wolf dan den herde; want de goede herde brinct gherne alle sine scape in de coie; maer de ghiereghe wolf verbitse doet op den velde.
 
 



Maar de oudste zonen, die met de vader thuis gebleven zijn en zijn erfenis bezitten, zijn de prelaten van de heilige Kerk. Maar allen, die het erfgoed van onze Heer Jezus Christus verteren, het lijkt wel dat zij in diepe traagheid ingedommeld zijn, (blz. 324) want zij leven noch leren, hetzij met woorden of met werken, iets waardoor het hun toevertrouwde volk zou kunnen verbeteren.

Nochtans heeft Christus hun zijn schapen, waarvoor Hij gestorven is, aanbevolen. Maar zij bedenken het niet. En ontbreekt het hun aan spijs en drank, zij geven er niet om. En al zijn de schapen ziek en lijdend, zij zalven ze niet, of gekwetst en gebroken, zij verbinden ze niet. En al verleiden de duivel en de wereld ze naar de afgrond der hel, zij wijzen hun de weg der waarheid niet.

Maar de goede herder gaat aan zijn kudde voorop: hij roept, hij trekt, hij troost zijn schapen met Gods genadigheid, of hij volgt hen op de voet en berispt ze en scheldt en dreigt met Gods gerechtigheid. En wie dit niet doen, gelijken meer op de wolf dan op de herder. Want de goede herder brengt graag al zijn schapen in de kooi, maar de gulzige wolf bijt ze dood op het veld.

Nu siet ane die princen der heilegher Kerken, ochte si goede herden sijn. Hare salen ende hare paleisen die sijn vol van meisenieden, die hen dienen. Daer es macht, ende rijcheit, ende groete eersamheit na wise der werelt, overvloedeghe spise ende dranc, menechfuldeghe cledere, costeleke jueele, ende alle de cierheit die de weerelt gheleisten mach. Nochtan ghebrect hen altoes. So si meer vercrighen, so si ghieregher bliven. Hier mede gheliken si der elendegher werelt, die altoes steet na eertsch goet, omme dat si Gods niet en ghesmaect.

Maer Christus de goede herde, die leert ons eenen anderen wech; want hi en hadde huus noch hof, ende met hem selven ende met alle sinen goede cochte hi den mensche, dat es sijn sceepken. Ende in der meester eeren die heme de weerelt ie ghedede, so reet hi op eene eselinne; ende sine familie, dat waren sine discipule, die ghinghen neven hem te voet. Hi hadde wel een ors ochte enen witten mule ghehadt, hadde hi ghewilt; maer hi woude ons den wech der oetmoedicheit leeren. Ende hier omme, in den beghinne der heilegher Kerken, die apostele ende die heileghe bisscoppe, die doe waren, die ghinghen te voet met groten eerenste al de werelt dore, ende bekeerden dat volc uut den ongheloeve.

Maer nu eest al contrarie. Sal een bisscop ofte een groet abt sijn volt visiteren, hi rijdt met .xl. peerden, met groter familien ende niet groter cost; want hi en gheldes selve niet. Die correctie es in de borse, maer si en ruert de sielen niet. Grote singerie, grote feeste, ende grote cost van spisen ende van dranke, ochte groete cnoepe van goude, die moet men gheven: ende alse si dat hebben, so es de correctie ende de capittele leden, want anders en soeken si niet. Sijn si canoneke, nonnen, ochte moneke, die hen toe behoeren, si moetent ghelden, want het es de costume: anders en weetic niet wat bediedt, want men ghevet noede, ende de bisscop nemet gheerne. Ende aldus meerrent de sonde, maer si en mendert niet.
 
 

Kijk nu eens naar de prinsen der heilige Kerk, of zij goede herders zijn. Hun zalen en paleizen zijn vol personeel dat hen dient. Er is daar machtsvertoon en rijkdom en grote praal naar de trant van de wereld, overvloed aan spijzen en drank, grote keus van kleren, kostelijke juwelen en al de pronk, die de wereld maar opbrengen kan. En toch komen zij nog altijd te kort: hoe meer zij krijgen, hoe gieriger zij blijven. Hierdoor gelijken zij op de ellendige wereld, die altijd belust is op aards goed, omdat zij in God geen smaak vindt.

Maar Christus, onze goede herder, leert ons een andere weg. Want Hij had huis noch hof, maar met Zichzelf en met heel zijn bezit kocht Hij de mens, dat is: zijn schaapje. En toen de wereld Hem de hoogste eer toezwaaide, toen reed Hij op een ezelin. En zijn gevolg, dat waren zijn leerlingen, die gingen naast Hem te voet. Hij had wel een paard of een wit muildier kunnen krijgen, had Hij het gewild, maar Hij wilde ons de weg van de ootmoedigheid leren. En daarom: bij de aanvang der heilige Kerk gingen de apostelen en de heilige (blz. 325) bisschoppen, die er toen waren, te voet met grote ijver heel de wereld door en bekeerden het volk uit het ongeloof.

Maar nu is het al het tegenovergestelde. Wil een bisschop of een voornaam abt zijn volk visiteren, hij rijdt met veertig paarden en groot gevolg en met veel onkosten, want hij betaalt het toch zelf niet. De opgelegde bestraffing raakt wel de beurs, maar zij roert de zielen niet. Grote pracht en praal, grote plechtigheden en grote onkosten voor spijs en dank of grote klompen goud moet men hun aanbieden. En als de heren het binnen hebben, dan is de bestraffing en de berisping voorbij, want anders zoeken zij niet. Zijn het kanunniken, nonnen of monniken die onder hun jurisdictie staan, zij moeten ervoor opdraaien. Want dat is nu eenmaal de gewoonte en andere uitleg weet ik er niet van te geven: de onderdaan geeft het node, maar de bisschop ontvangt het graag! En zo vermeerderen de zonden in plaats van te verminderen.

Die landeekene houden oec capittele van haren papen; maer hoe sere de papen haer leven beteren, dat mach men dagheleecs sien. Ende si hebben noch ene andere costume, dat si een werf des jaers, een werf in elke prochie, seenden van oppenbaren groven doetsonden; ende die daer inne vonden werden, die moeten ghelt gheven. Dat es de penitencie ende de boete vore de sonden; ende dan moghense met ghemake sitten, ende den duvel dienen al dat jaer over, tote dat de tseins weder valt. Ende al soudense omme haer broet gaen, si moetent ghelden. Sijn si oec rike, ende sijn de feite groet, so moetense vele gheven, ende so men alder meest van hen ghetrecken mach. Ende hier mede sijn si quite van jare te jare, tote diesmaels dat de duvel comt, ende voerse in de helsche penitencie, dier nemmermeer inde en wert. Ende aldus heeft ieghewelc dat hi begheert: de duvel de siele, de bisscop dat ghelt, de dore mensche sine corte ghenoechte.

Siet, dit sijn de renten daer de bisscoppe op leven met haren ghesinde. Ende al sijn de bisscoppe some heilech ende goetwillech, de ghene die bi hen sijn, ende hare officien draghen, die sijn scale ende onghenadich, ende alsoe ghierech, dat hen niemen ghenaken en mach, ochte eneghen orbore doen, hi en coept met ghelde. Ende die meest bringhet, hi es best te hove; want absolucie, brieve, seghele ende ban: die vele ghels heeft, hi vercrighet al.

Ende dit leede onghemac es contagioes, ende es voert gheghaen, ende heeft besmedt alle de religie ende al dat paepscap der werelt. Ende aldus heeft de coude wenter den heeten somer verdreven; ende hier omme es lettel gheesteleker vrocht in de heileghe Kerke bleven. Ghi siet wale, al hadde een man .iiij. provenden ocht .v. noch begheert hi meer; ende so hi meer heeft, so hijs men verdient. Want die groete heren en doen maer messe te hoechtiden; op ander tide doense hare capellane; want si achten hen selven so groet, alse ochte hen niet en betaemde, en ware op hoeghe daghe. Ende al sijn si mate van gheboerten, comen si te goede, hen wast haer moet. Ende al waren si oec wel ghelettert ende wijs ter werelt: begheren si eertsch goet ende eere, so werden si verblent van gheeste ende onbekint in doechden.
 
 

De landdekens houden ook kapittel voor hun parochiepriesters. Maar hoezeer dezen hun leven beteren, kan men dagelijks zien! De landdekens hebben nog een heel andere gewoonte, nl. dat zij eens in het jaar, eenmaal in elke parochie, cijns heffen, om van openbare zware doodzonden te absolveren. En die daaraan schuldig worden bevonden, moeten geld storten: dat is de penitentie en boete voor de zonden, en dan mogen zij gerust in hun zonden blijven vastzitten en de duivel dienen heel het volgende jaar door, totdat het tijdstip van de volgende cijnsheffing terugkeert! En al zouden de schuldigen om hun brood moeten gaan bedelen, de opgelegde boete moeten zij betalen. Zijn zij rijk en zijn de hun ten laste gelegde feiten zwaar, dan moeten ze veel neerleggen, ja het meeste dat men van hun afpersen kan. Maar daarmee zijn zij toch kiet van jaar tot jaar, totdat de duivel komt en ze in de helse penitentie voert, waaraan nimmermeer een einde komt. En zo heeft ieder wat hij begeert: de duivel de ziel, de bisschop het geld en de dwaze mens zijn korte genot.

(blz. 326) Ziet, dat zijn de renten, waarvan de bisschoppen met hun gevolg leven. En al zijn de bisschoppen soms heilig en van goede wil, zij die bij hen zijn en hun taak vervullen, zijn sluw en ongenadig en zo gierig, dat niemand hen kan bereiken of iets van hen verkrijgen, of hij moet het afkopen met geld: en die meeste biedt, bekomt het meeste gedaan bij die ambtenarij. Want absolutie, brieven, zegels en ban: wie veel geld heeft, die verkrijgt het al.

En dit ellendig schandaal is aanstekelijk en heeft zich voortgeplant en heeft alle kloosterordes en heel de clerus van de wereld aangetast: zozeer heeft de koude winter de hete zomer verdreven; en hierom is luttel geestelijk vrucht in de heilige Kerk overgebleven. Gij merkt wel, had iemand reeds vier of vijf prebenden [inkomsten uit geestelijk ambt], nog begeert hij er meer. En hoe meer hij er heeft, hoe minder hij het verdient. Want die grote heren doen maar mis op hoogdagen; op andere tijden doen hun kapelaans ze. Want zij achten zichzelf zo groot, alsof dat hun niet betaamde, tenzij op hoogdagen. En al waren zij van slechts geringe afkomst, van zodra ze bevorderingen krijgen, stijgt het hun naar het hoofd. En al waren zij ook wel geletterd en wijs volgens de wereld, zodra zij aards goed en eer begeren, worden zij van geest verblind en stompzinnig voor de deugden.

Ende al gheeft de paeus orlof meer provenden te houdene dan eene, hi en mach niet orlof gheven ghierech ochte vrec te sine. Maer ghierecheit ende vrecheit dat sijn .ij. provenden, die de duvel someghen riken papen ende canoneken gheeft, ende selke behoudense eweleec. Ende hier omme sijn si Gode ende hen selven onghetrouwe, want si begheren groete provenden met cleinen dienste; maer waren de provenden al te male vri, sonder dienst te Gode, dat haddense noch liever: ende dan souden si harde noede eenen maten clerc sine noetdorft gheven, die vore hen songhe, ende lase, ende Gode diende.

Maer si maken haren scat van der armer goede dat hen overblijft; ochte si coepen nuwe renten, ochte si legghent ane comenscap, ende selke ane behaghelheit ende costeleecheit van cleederen, van spisen ende van dranke; ende selke verdobbelent ende vertuuschent, ochte si bestadent in anderen oneersamen dinghen. Ende selke andere laten hare messe ende haren dienst, daer si van rechte toe verbonden sijn, ende werden meieren ende rentmeestere der poerteren van haren tseinse ende van haren renten, ende bedriven dat hen niet toe en behoert.

Ende alsoe sparen si dat si selve hebben in vrecheiden, ende wennen hare noetdorft iet gierecheiden. Ende bi wilen gaense vore de vrouwen ter kerken, ende dienen hen in nederen dienste dat hen niet en betaemt noch den vrouwen. Selke andere papen vent men, die in der kerken staen ende wachten na den penninc alsoe oneerleec, alse ochte si cropel ende blent waren; ende het es te vreesene dat men meneghe messe doet, daer men meer aensiet uutwendich ghewen dan de eere Gods; want lettel yemen laet hem ghenoeghen. Al heeft een man eene provende die sine es, hi verdient noch eene daer toe, maecht hem werden.
 
 

En al geeft de paus verlof meer dan één prebende te bezitten, hij kan hun geen verlof geven om gierig of vrekkig te zijn. Maar gierigheid en vrekkigheid zijn twee prebenden, die de duivel aan sommige rijke priesters en kanunniken ter hand stelt, en sommigen behouden deze eeuwig; en daarom zijn zij God en zichzelf ontrouw. Want zij begeren grote prebenden met kleine dienst. Maar waren de prebenden geheel vrij, zonder verplichting tot dienst voor God, dat hadden ze nog liever. En dan zouden zij een clericus van lagere rang, die in hun plaats zong of las en God diende, slechts met grote tegenzin zijn nooddruft gunnen.

Hun schat vergaren zij van het goed der armen, dat deze nog rest, of zij kopen er nieuwe renten mee, of zij beleggen het in handelszaken, (blz. 327) en anderen besteden het aan pronkerige en kostbare kledij of aan spijs of drank; en sommigen verdobbelen en verspelen het, of zij besteden het aan andere oneerzame dingen. En sommigen anderen laten hun mis en diensten waar zij rechtens toe verplicht zijn achter, en worden meiers en rentmeesters van de hoge burgerij, om hun cijnsen en renten te beheren, en houden zich bezig met wat hun niet past.

En zo sparen zij wat ze zelf hebben in vrekkigheid en winnen hun nooddruft in gierigheid. En soms begeleiden zij dames ter kerke en verlenen haar nederige diensten, die noch hen, noch de vrouwen betamen. Men vindt sommige andere priesters, die bij de kerk staan en wachten op de penning, op zo onwaardige wijze alsof ze kreupel en blind waren. En er valt te vrezen dat men menige mis leest, waarbij men meer let op het uitwendige gewin, dan op de eer van God. Want weinig vergenoegen zich met wat zij hebben; en al heeft iemand een prebende die de zijne is, hij dingt nog naar een andere erbij als het hem mogelijk ware.

Ghi siet wel, alse men uut ten dienste ons Heren, te mettenen ochte ten anderen ghetiden: es daer ghelt te wennene, so ontweckense alle, ende comen ter kerken met groten hoepen; maer en es dies niet, al luuddemen de cloeken ontwee, si slapen so vaste si en comen niet, sonder de ghene diet doen moeten: dat sijn vicarise ende mercenarise, die daer toe gheimedt sijn. Selden comt yemen puerleec omme de eere Gods; ende al comen de groete heeren, si doen daer lettel orboers, maer si clappen underlinghe, ochte si swighen te male, ochte si gaen haesteleec uute met cleinen ocsune, want de dienst ons Heren en smaect hen niet.

Men venter oec vele die curen hebben van den volke, ende dien tfolc bevolen es van Gods weeghen: noch haren levene, noch haren werken en machmen volghen, ende selden haren waerden; want dicwile gheliken de waerde den werken, ende aldus eest al bederft. Want sonde ende scande es eere worden in der werelt oeghen, maer niet alsoe vore de gherechtecheit Gods. De ghene die van der heilegher Kerken goede leven, ende reine souden sijn van sielen ende van live, si houden some hare kindere binnen haren huuse, oppenbaerleec ende sonder scaemde, in groeter behaghelheit, alse ochte sise van haren ghetrouden wiven hadden.

Ende hier omme, ware priesterscap alsoe onstichteleec gheweest in den beghinne der heilegher Kerken alst nu es, kersten gheloeve en ware so verre niet comen; maer nu sijn alle state ghedaelt van haren beghinne.
 
 

Gij ziet wel: wanneer men voor de dienst van ons Heer luidt voor de metten en andere getijden: is daar geld bij te winnen, dan ontwaken zij allen en komen met grote hopen naar de kerk. Maar is dit niet het geval, al luidde men de klokken in tweeën, zij slapen zo vast en komen niet af, behalve dan die het doen moeten: dat zijn plaatsvervangende vicarissen en mercenarissen, die men voor de dienst gehuurd heeft. Zelden komt iemand puur voor de eer van God. En al komen die grote heren, zij doen er weinig nuttigs, want zij praten onderling of zwijgen helemaal of gaan haastig uit voor de minste gelegenheid, want de dienst des Heren smaakt hun niet.

Men vindt er ook, die zielzorg hebben voor het volk en aan wie het volk is toevertrouwd van Godswege, maar wier leven noch werken men na nagaan, noch zelden hun woorden, want dikwijls gelijken hun woorden op hun daden, en zo is het al bedorven. Want zonde en schande zijn een eer geworden in 's werelds ogen, maar niet voor de gerechtigheids Gods. (blz. 328) Degenen die van het bezit van de heilige Kerk leven en rein zouden moeten zijn van ziel en lichaam, houden soms hun eigen kinderen in huis, openlijk en zonder schaamte, met een groot zelfbehagen, alsof zij die kinderen bij hun wettige echtgenote gewonnen hadden.

En daarom, was het christendom in den beginne van de heilige Kerk zo onstichtelijke geweest als het nu is, dan ware het christelijke geloof nu niet zo ver doorgedrongen, maar nu zijn alle staten gedaald tegenover hun begin.




Ende dit moechdi merken in alle de religioese, die in de 16werelt sijn: men vent noch in cloestere moneke ende nonnen, die harde ufenachtich sijn, ende devoet, ende innech scinen, ende wel gheseet in alre wijs. Selke van desen sijn goetwillech, eenvoldich, ende heilech, ende deser en acht men niet; maer selke van desen sijn scalc ende tweevoldich, ende toenen dat si niet en sijn; ende dese werden dicwile verhaven ende prelate ghemaect.

Ende dan machmense bekinnen, want si verheffen hen selven boven de andere, alse ochte si in der werelt waren ende hen dat goet ende die eere verstorven waren van haren vorderen. Ende dan hebben si der heilicheit vergheten, ende regeren dat eertsche goet, ende pleghen haerre heerheit, ende bevelen de sielen ende de religie den prioer; want si sijn onledech, ende soe menechfuldich, cume connen si eene si eene messe ghehoeren. Ende al dat hen gheneect, dat moet bugh en ende nighen, want si sijn de vorste in der eeren.

Ende hier omme souden si sijn de leste in oetmoedicheiden van herten, ende in ghetrouwen dienste haers volcs; want si draghen den staf die den herde toe behoert. Met den scarpen souden si steken ende driven de traghe; ende met den rechten stave in midden, so soude hare heileghe leven ende hare exempel de ongheleefde cranke vorweert in doechden draghen; ende met den cromme van den stave, souden si die ghene die uutweert wouden ter werelt, wederboegben ende weder halen toe der enicheit.
 
 




En dit kunt gij ook merken aan al de religieuzen, die er in de wereld zijn. Wel vindt men in kloosters nog monniken en nonnen, die zeer plichtsgetrouw en devoot zijn en die innig voorkomen en zich onder alle opzichten wel gedragen. Sommigen onder hen zijn goedwillig, eenvoudig en heilig, maar dezen acht men niet. Anderen daarentegen zijn slecht en huichelachtig en tonen wat zij niet zijn, en juist dezen worden dikwijls verheven en tot oversten gekozen.

En dan kan men ze leren kennen naar wat zij zijn. Want zij verheffen zichzelf boven de anderen, alsof zij in de wereld waren en zij dit goed en dit ereambt verworven hadden als erfenis van hun voorouders. En dan hebben zij de heiligheid vergeten en begeren het aardse bezit en oefenen hun gezag uit. Zij vertrouwen de zorg voor de zielen en de kloostertucht aan de prior toe, want zij hebben het te druk en zijn met allerlei bezig, zodat zij nog amper een mis kunnen horen. En wie hen benadert, die moet buigen en knikken, want zij bekleden de ereplaats!

Feitelijk zouden zij hierom uit ootmoedigheid van hart juist de laatsten moeten zijn en geheel trouw tot dienst van hun onderdanen staan. Zij dragen de staf, die de herder toekomt. Met de punt ervan zouden zij de tragen moeten prikkelen en voortdrijven; met de rechte schacht in het midden zouden hun heilig leven en hun voorbeeld de zwakken en onervarenen voorwaarts in deugden moeten dragen, en met de krul van de staf zouden zij degenen, die uitwaarts ter wereld geneigd zijn, moeten terugbuigen en tot de eenzaamheid wederhalen.

Ende aldus waest in den beghinne van deser religien; want de outvadere, abde ende moneke, die lieten vader ende moeder, maghe ende vriende, eere ende goet der werelt, ende ghinghen in de wustine, ende sochten Gode ende heilich leven in aveghescedenheit des volcs, ende in enicheit haers herten. Maer nu eest rechte contrarie; want abde ende moneke die nu sijn, die keeren Gode den rugghe ende dat anschijn ter werelt, ende begheven enicheit, ende riden, ende loepen uutwaert ten maghen ende ten vrienden, ende soeken eten ende drinken, ende ghenoechte haers lichamen: ende hier ave comt bi wilen sonde, ende scande, ende confusie der werelt. Maer mochte men de quaetheit den volke bedecken, Gods ende der goeder con- sciencien achte men lettel.

Ghi siet wale, alse eene joncfrouwe eene nonne ute haren cloestere gheet, si maect hare so behaghel, alse ochte si hare den duvel ende der werelt vercoepen woude, alst dicwile ghevalt; want si es ocsuun van menegher sonden, dies si selve niet en weet, ende daer si redene ave gheven sal ten ordeele Gods. Siet, desen lieden es hare cloester een kerker, ende de werelt een paradijs; want God, noch eweghe salicheit, en smaect hen niet.

Ende dit moechdi eigheleec merken: daer .xl. moneke sijn in enen cloester, si doen lettel meer messen dan si doen moeten van noede, die den convente int ghemeine toe behoeren. Ende in der nacht, alse men te mettenen luudt, so comter daer .iiij. ochte .v. diet doen moeten met behoerten, ende meer van noede dan van vrien wille: alle de andere slapen, ende houden hare raste ende hare ghemac. Men capittelt vele, ende dat es orboerleec ende goed; nochtan mendert de religie van daghe te daghe, want alse ieghewelc den anderen ordeelt meer dan hem selven, soe es die correctie onghenadich, ende so ghebrect daer oermoet ende eendrachticheit in bruedeleker minnen. Want die hen selven niet en meshaghen, ende hare ghebreke niet en claghen alse mense berespt, si connent qualeec effene ghedraghe.
 
 

En zo was het in de beginne van de kloosterstaat. Want de oud-vaders, abten en monniken verlieten vader en moeder, magen en vrienden, eer en goed van de wereld en gingen in de woestijn en (blz. 329) zochten God en heilig leven in afgezonderdheid van het volk en in de eenheid van hun hart. Maar nu is het glad tegenovergestelde. Want de abten en monniken van tegenwoordig keren God de rug toe en wenden hun gezicht naar de wereld: zij verlaten de teruggetrokkenheid en rijden en lopen uitwaarts tot magen en vrienden, en zoeken eten en drinken en de genoegens van hun lichaam. En hiervan komen soms zonde en schande en beschaming in de ogen van de wereld. Maar, kon men het kwaad voor het volk bedekt houden, dan zou men op de eer van God en van een goed geweten luttel letten.

Gij ziet wel: als een jonge non uit haar klooster gaat, maakt zij zich zo behaaglijk alsof ze zich aan de duivel en de wereld verkopen wilde, wat dan ook vaak geschiedt, want zij is een gelegenheid tot menige zonde, iets waarvan zij zelf geen weet heeft, maar waarover zij toch rekenschap zal moeten afleggen ten oordeel Gods. Ziet, voor deze lieden is hun klooster een kerker en de wereld een paradijs, want God of eeuwige zaligheid smaakt hun niet.

En dit kunt gij ook terdege beschouwen: waar veertig monniken zijn in een klooster, daar doen ze weinig meer missen dan zij gedwongen zijn te doen, omdat zij aan het convent gemeenschappelijk zijn opgelegd. En 's nachts als men voor de metten luidt, dan komen er vier of vijf die het van ambtswege moeten doen, maar meer noodgedwongen dan uit vrije wil, terwijl al de andere slapen en rustig hun gemak koesteren. Men houdt dikwijls kapittel en dat is nuttig en goed: nochtans vervalt de kloosterstaat van dag tot dag. Want als ieder de ander beoordeelt in plaats van zichzelf, is de berisping ongenadig en zo ontbreekt daar de ootmoed en eendracht in broederlijke liefde. Want die aan zichzelf niet mishagen en hun gebreken niet bekennen, wanneer men ze berispt, kunnen kwalijk kritiek gelijkmoedig verdragen.

Voert meer, alse de prioer te reeftere luudt, ochte iemen anders dien hijs verbidden mach, so comen daer drie ochte viere van den joncsten, dadt doch ene ordene scine. Mijn here de abt blijft in huus met sinen ghesinde, ende alle dat ander convent es siec ende cranc, ende pleecht sijns selfs met vleesche ende met goeder spisen, diet vercrighen mach. Die vele renten heeft, hi gadert vele ghelts, ochte hi verteeret riveleec: die lettel heeft, hi moet men verteeren, want ieghewelc behoudt dat hi selve heeft, ende en gheves den anderen niet.

Al es de abdie rike, si en gheeft den convente niet meer dan si gheven moet. Es oec dat convent rike, si eten ende drinken te bat; maer der abdien en gheven si oec niet: ende ieghewelc ontfeet sine renten, ende besorcht hem selven, alse ocht hi in de werelt ware: ende dit es met orlove des prelaets. Maer woude de prelaet die renten op heffen ende in der ghemeinten deilen, men soudt heme cume ghedoeghen ochte niet: ende aldus levense sonder. proper in den waerden, ende menech in der herten niet.

Nu merct, es dese vite sente Benedictus reghele ende sente Augustijns? Dat moeste men seere gheloesen, want in der varwen noch in den werken en scines niet: want die reghelen leeren ons een inghekeert leven met enen vertiene der werelt, ende also Gode venden ende besitten in enicheit van gheeste.
 
 

Verder, als de prior of iemand anders, aan wie hij het kan opdragen, voor de refter luidt, dan komen drie of vier van de jongsten, opdat het toch als een kloostergemeenschap zou voorkomen. De heer abt blijft in zijn appartement met zjn gevolg, en al de rest van het convent is ziek en krank en doet zich te goed aan vlees en lekkere spijzen, die men maar krijgen kan. (blz. 330) Die veel renten heeft, verzamelt veel geld of verteert het kwistig; wie minder bezit, moet maar minder verteren. Want ieder behoudt wat hij heeft en deelt het met de anderen niet.

Al is de abdij rijk, zij besteedt aan het convent niet meer dan zij geven moet. Is ook het convent rijk, zij eten en drinken des te beter, maar aan de abdij geven zij ook niet. En iedereen ontvangt zijn eigen renten en bezorgt voor zichzelf alsof hij in de wereld ware. En dit al geschiedt met oogluiking van het prelaat. Maar wilde deze de rente innen en voor de gemeenschap openstellen, men zou het hem nauwelijks toelaten of zelfs in het geheel niet. en zo leven zij volgens hun woorden zonder eigendom, maar menigeen in zijn hart niet.

Merkt nu wel: is deze levenswijze S. Benedictus' regel en die van Sint Augustinus? Die zou men toch verregaande moeten glosseren! Want naar de kleur noch naar de werken is de schijn er toch niet naar, want de voornoemde regels leren ons een ingekeerd leven met een verzaken van de wereld en aldus God te vinden en te bezitten in de eenheid van geest.

Maer die de biddende ordenen stichten, si besaten Gode in enicheit haers gheests; ende overmids een inwendich driven Gods ende bruederleke minne, so keerden si hen ute toe den volke, ende vervolden al de werelt met heileghen levene, ende met ganser leeringhen. Si versmaedden goet ende eere, ghenoechte haers lichamen ende allen troest der werelt, ende si volchden Christumme na in willegher armoeden van buten ende van binnen. Si waren sober in hen selven, ende gherecht vore den oeghen Gods, ende goedertieren allen menschen: ende si en sochten niet dan de eere Gods ende ghemeinen orbore alle der werelt.

Nu sijn de biddende ordenen seere wijt worden, ende der bruedere die bidden es vele; maer die dese reghele houden diere es lettel. Want al dat de bruedere hier voermaels lieten ende versmaedden, dat soeken de ghene die nu sijn, ende begheerent. Ende dit moechdi merken in alre wijs; want si begheeren sonderlinghe seere eerts goet, ende eere der werelt, ende gheesteleke eere van doechden diere si some lettel pleghen. Si willen wale eten ende drinken, ende sonderlinghe abijt draghen; ende engheen dinc en mach hen te costeleec sijn van spisen, noch van dranke, noch van cleederen dat si vercrighen moghen.

Si maken hoghe kerken ende grote ghestichten, ende si trecken dat rike volc ane hen, meer dan sijt te Gode ochte ten doechden wisen. Si willen arm heeten, ende altoes claghen, ende overvloedich sijn van allen goede. Ende al heeft de lampte vele renten, ochte de portenerse, ochte iemen anders dien sijs gheloeven, des en draghen si hen niet ane: nochtan verteeren sijt al te male. Al dat si hebben dat es des Paeus, ochte der gheenre die hen gheven, tote dies maels dat sijt verteert hebben; maer woudt iemen weder halen, hi soudt cume gheeret venden.
 
 

Maar die de bedelorden stichtten, bezaten God in de eenheid van hun geest, en inwendig gedreven door God en uit broederlijke liefde keerden zij zich tot het volk en vervulden heel de wereld met hun heilig leven en met volkomen lering. Zij versmaadden bezit en eer, de genoegens van hun lichaam en alle troost der wereld. Zij volgden Christus na in vrijwillige armoede zo uitwendig als inwendig. Zij waren sober voor zichzelf, gerechtig voor de ogen van God en goedertieren voor alle mensen. En zij zochten niets dan de eer van God en het gemeenschappelijke welzijn van heel de wereld.

Nu zijn de bedelorden erg wijd verspreid en de broeders die bedelen zijn talrijk, maar die deze regel onderhouden, zijn weinig in aantal. Want al wat de broeders eertijds verlieten en versmaadden, dat zoeken en begeren zij, die er nu zijn. En dit kunt ge aan allerlei zaken merken: zij zijn zeer begerig naar aards goed, naar eer van de wereld en ook naar geestelijke eer om deugden, die slechts sommigen onder hen zwakjes beoefenen. (blz. 331) Zij willen goed eten en drinken en opvallende kledij dragen en geen ding dat zij verkrijgen kunnen kan hun te kostelijk zijn, noch van spijs, noch van drank, noch van kledij.

Zij bouwen hoge kerken en grote gestichten; en zij trekken al het rijke volk naar zich toe, meer dan zij ze naar God of naar de deugden verwijzen. Zij willen arm heten en altijd klagen en overvloedig voorzien zijn van alle goeds. En al bezit de lamp of de portierster of iemand anders, aan wie zij het toevertrouwen, vele renten: dat eigenen zij zich wel niet in eigendom toe, maar zij verteren het toch allemaal. En wat zij bezitten is, zogezegd, van de paus of van degenen, die het hun gegeven hebben: totdat zij het verteerd hebben. Maar wilde iemand het terugvorderen, hij zou het niet gauw beschikbaar vinden.

Men vent daer rike bruedere ende arme, alse ocht ware in de werelt: selc heeft .iiij. rocke ochte .v., ende de andere cume enen. Si smeeken den sondare die vele mach gheven, ende si drucken den armen die lettel heeft ende gheerne soude nemen. Si lopen termine in steden ende in dorpen; si predeken met den waerden ende lettel met den werken: ende daeromme bringhen hare waerde lettel vrochte. Si soeken de wolle meer dan tscaep, dat es, hare ghewin meer dan salicheit der menschen. Si sijn ghierech ende idel, ende gheen dinc en machse vervollen, eest coren, eest saet, eiere, case ende ghelt: ende alles dies de liede hebben, des behoeven si wale.

Al en ware maer een cloester op .vij. milen, al dat men daer binnen bejaghen mochte, dat souden si wel verteeren. Ende menech gheeft hen oec van sceemden ochte van eersamheiden, meer dan van caritaten; ende des en achten si niet in dien dat sijt hebben: ende aldus te gheet de doecht in hen ende in tfolc. Die wel questeren can ende vele bejaecht, hi es wel ontfaen. Si doen vele messen, ende singhen luude nacht ende dach, want si woenen bi den volke ende behoeven wel dat si hen iewerincs mede behaghen.

Maer alse men ten reeftere comt, so es de prioer, de custode, de gardiaen ende de leesmeester, ende andere rike broedere die renten hebben, ochte dochtere diet hen gheven: dese sijn alle in cameren besiden, ende pleghen heerre verweentheit; ende de arme broedere gaen te reeftere, ende hebben pottage, twee haringhe ende dunne bier. Den riken dunct dat de arme gnoech hebben ende meer dan si weerdich sijn; ende de arme en onnens den riken niet wel dat si so vele hebben van dien, dat hen dunct dadt ghemeine soude sijn: ende aldus wast haet ende nijt, overmids onghelijcheit van levene.
 
 

Men vindt ook daar rijke en arme broeders, alsof het in de wereld ware. De ene heeft vier of vijf pijlen, de andere amper één. Zij vleien de zondaar die veel kan geven, maar verdrukken de arme die weinig heeft en gaarne iets zou krijgen. Zij lopen termijn in steden en dorpen. Zij preken met woorden, maar weinig met daden, en daarom brengen hun woorden zo weinig vruchten voort. Zij zoeken de wol meer dan het schaap, dat is: meer hun eigen gewin dan de zaligheid der mensen. Zij zijn gierig en leeg en niets kan hen vervullen: is 't koren of zaad, eieren, kaas of geld en al wat de mensen hebben, dat kunnen ze wel gebruiken.

Al was er maar één klooster binnen zeven mijlen, al wat daarbinnen te bejagen valt, zouden zij wel verteren. En velen geven hun uit schaamte of uit menselijk opzicht meer dan uit naastenliefde. Maar daar letten zij niet op, al ze het maar hebben. En zo gaat het de deugd in hen en in het volk. Die goed bijeenbedelen kan en veel opgaart, wordt graag gezien. Zij doen vele missen en zingen luid dag en nacht, want zij wonen onder het volk en moeten het volk wel door iets behagen.

Maar als men in de refter komt, dan zijn de prior, de custos, de gardiaan, de leesmeester en andere rijke broeders die renten hebben of geestelijke dochters die het hun geven, allen in aparte kamers en vieren er hun verfijnde wellust bot, maar de arme broeders gaan naar de refter en krijgen soep, twee haringen en schraal bier. De rijken vinden dat de armen daarmee genoeg hebben en meer dan zij waard zijn, terwijl de armen het de rijken niet erg gunnen dat zij zoveel schrapen van hetgeen hun dunkt gemeenschappelijk goed te moeten zijn. En zo groeit haat en nijd omwille van de ongelijkheid in levenstrant.

Na den etene so lopen de broedere ute, alse bien ute haren vate, ieghewelc omme sijn bejach. Es enich rijc man siec in de stat, daer sent men .ij. brudere, ochte hi sine sepulture kiesen mochte in haren cloester. De andere bruedere gaen spacieren ende visiteren hare dochtere, daer lettel orboers ane gheleecht ende dicwile grote confusie. Nochtan en machse niemen corrigeren, want si hoeverdich sijn ende en willens niet ghedoeghen. Wiltmense oec versinden omme hare ghebreke, si soeken mechteghe liede van buten, die hen hulpen; maer hebbensi ghelt, si vercrighen wel ane haren oversten dat si bliven moeten wien lief wien leet. Hebben si enen goeden mensche onder hen, die eenvoldich ende vreesachtich es, ende gherne de oude reghele hielde: dien selen si drucken ende versmaden; hi sal meer lidens hebben dan enich ander.

Siet aldus moechdi merken dat alle ordenen ende alle religien ghedaelt sijn van haren beghinne, ende sijn ghelijc der werelt worden, sonder de ghene die niet ute en gaen, alse de Sarteroise ende alle de joncfrouwen die in beslotene cloestere sijn: die bliven haren beghinne alre ghelijcst. Want de duvel heeft sijn nette ghespreidt over al de werelt; ende alle die met den wormen ghespijst werden die op der eerden crupen, hare leven es onreine. Ende dat sijn alle de ghene die den vleessche leven in traecheiden, in gulsicheiden, in oncuuscher wandelinghen, ochte in anderen groven sonden: die bliven alle in des duvels nette.

Nochtan sal God sine uutvercoerne behouden, in wat state ochte in wat ordene dat si sijn; want des duvels nette heeft wide maesschen: ende hier omme, al dat oetmoedich ende reine es van sonden, dat ontfalt hem; hi en caens niet ghevaten, ende dat behoert Gode toe. Dat rapen sine inghele ende voerent in Abrahams scoet. Maer dese moeten meer leven ende hare spise nemen in inwendegher ufeninghen, dan in uutwendeghen werken.


∗ ∗ ∗


Jan van Ruusbroec, 'kritiek op kerk en kloosters', in: Vanden gheesteliken tabernakel (rond 1350).

Bron Middelnederlandse tekst: Jan van Ruusbroec, Werken, deel 2, editie J. David (Gent, 1858).



 
 

Na het eten lopen de broeders uit, lijk bijen uit hun korf, ieder naar zijn buit. Is er een of andere rijke man ziek in de stad, daar zendt men twee broeders naartoe om te vragen of hij zijn begraafplaats zou willen kiezen in hun klooster. De andere broeders gaan er op uit om hun geestelijke dochters te bezoeken, waar luttel voordeel in gelegen is en vaak grote ergernis. En toch mag niemand hen terecht wijzen, want zij zijn hovaardig en willen dat niet verdragen. Wilde men ze wegzenden om wille van hun gebreken, dan zoeken zij machtige lieden van buiten het klooster die hen zouden helpen. Maar hebben ze zelf geld, dan verkijgen zij wel van hun oversten dat zij mogen blijven, wie lief wie leed. Hebben zij onder hen een goed mens, die eenvoudig en nauwgezet is, en die graag de oude regel onderhield, die zullen zij verdrukken en versmaden: hij zal meer te lijden hebben dan enig ander.

Ziet, zo kunt ge merken dat alle ordes en religieuze instituten gedaald zijn van de vurigheid van hun begin en hoe zij gelijk zijn geworden aan de wereld, behalve degenen, die niet uitgaan, zoals de kartuizers en alle jonkvrouwen, die in slotkloosters zijn: die blijven het meest aan hun aanvang getrouw, want de duivel heeft zijn netten gespreid over heel de wereld, en het leven van allen, die met wormen gespijsd worden en die over de aarde kruipen, is onrein. En dat zijn al degenen die naar het vlees leven in traagheid, in gulzigheid, in onkuise gedragingen of in andere zware zonden: die blijven gevangen in 's duivels netten.

(blz. 333) Nochtans zal God zijn uitverkorenen behouden in welke levensstaat of orde zij ook zijn, want het net van de duivel heeft wijde mazen. En daarom, al wat ootmoedig en rein van zonde is, ontglipt hem: hij kan het niet gevangen houden, maar het behoort God toe. Dat rapen zijn engelen op en voeren het in Abrahams schoot. Maar die moeten dan leven van en hun voedsel nemen in inwendige oefeningen meer dan in uitwendige werken.


∗ ∗ ∗


Jan van Ruusbroec, 'Kritiek op kerk en kloosters', in: Vanden gheesteliken tabernakel (rond 1350).

Hertaling: Jan van Ruusbroec, Het geestelijk tabernakel, hertaald door L. Moereels, S.J. (Tielt, 1982).






Copyright

Bovenstaande tekst wordt behandeld tijdens de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

©  Het is, in verband met auteursrecht, niet toegestaan om bovenstaande tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.


Deze pagina staat niet openbaar online

Deze pagina is verborgen voor zoekmachines (met 'noindex') en dus niet openbaar vindbaar.

Bovenstaande tekst is nadrukkelijk alleen bedoeld als onderdeel van en achtergrond bij de cursus Middeleeuwse mystiek en enkel en alleen van daaruit te bereiken.

Het is niet toegestaan de directe online vindbaarheid ervan te vergroten, door het plaatsen een deeplink naar deze pagina (zeker niet zonder 'nofollow'-tag). Link bij voorkeur naar de betreffende cursusbijeenkomst, waarin bovenstaande tekst wordt toegelicht.

Naar de betreffende cursusbijeenkomst: 6. De verschrikkelijke veertiende eeuw.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen of mystiek
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: door het ghebreken
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >