RozemarijnOnline




Gastenboek van RozemarijnOnline






















Gastenboek literaire website RozemarijnOnline

Vraag en antwoord

home           gastenboek




Onderwerp: Analyse van Elsschot 'Spijt'
(13 januari 2021)


Beste mevrouw Rozemarijn van Leeuwen,

Ik moet voor school een presentatie geven over een gekozen gedicht. Mijn keuze hiervoor was 'Spijt' van Willem Elsschot.

Ik ben op zoek gegaan naar bronnen waar uitleg staat gegeven over de betekenis van dit gedicht. Zelf heb ik al een beetje bedacht dat het over het verlies van je moeder gaat, maar van sommige strofes raak ik in de war. Ik heb vooral moeite met strofe één, drie, zes en zeven.

Zou u mij hierbij kunnen helpen? Alvast bedankt voor de genomen moeite.

Met vriendelijke groet,

Julian.

---




(1)




(2)




(3)




(4)




(5)




(6)




(7)



 1.
 2.
 3.
 4.

 5.
 6.
 7.
 8.

 9.
10.
11.
12.

13.
14.
15.
16.

17.
18.
19.
20.

21.
22.
23.
24.

25.
26.
27.
28.
Spijt


Dat in gemelijke grillen
ik mijn dagen kon verspillen,
dat ik haar voorbijgegaan
of een steen daar had gestaan,

dat ik heel mijn zondig leven
heb gekregen zonder geven,
dat mij alles heeft gesmaakt,
dat ik niets heb uitgebraakt,

dat ik niet kan herbeginnen
haar te dienen, haar te minnen
dat zij heen is en voorbij,
bitter, bitter grieft het mij.

Maar de jaren zijn verstreken
en de kansen zijn verkeken.
Moest die kist weer opengaan
geen stuk vlees zat er nog aan.

Priesters zalven en beloven,
maar ik kan het niet geloven.
Neen, er is geen wenden aan:
als wij dood zijn is 't gedaan.

Ja, gedaan. Wat helpt mijn klagen?
Wat mijn roepen, wat mijn vragen?
Wat ik bulder, wat ik zweer?
De echo zendt mij alles weer.

Gij die later wordt geboren,
wil naar wijze woorden horen:
pak die beide handen beet,
dien het wijf dat moeder heet.


Willem Elsschot
Antwerpen, 1934.








Antwoord    (16 januari 2021)


Dag Julian,

Het gedicht 'Spijt' van Willem Elsschot gaat over een 'ik' en een 'haar'. Pas in de allerlaatste zin wordt duidelijk dat de vrouwelijke figuur de moeder is van de ik-figuur.

Er rijzen dan meteen twee voor de hand liggende vragen.

- Wat wordt er in dit gedicht over deze moeder gezegd? Hoe ligt de verhouding tussen de 'ik' en de moeder? Wat probeert Elsschot in dit gedicht uit te drukken over deze moeder en zoon - of over moeders in het algemeen?

- En de tweede vraag is natuurlijk: waarop wijst het woord 'spijt' uit de titel? Het woord komt nergens voor in het gedicht zelf, dat toch zeven strofen lang is. Waarom staat er met grote letters 'spijt' boven dit gedicht?



Structuur

Om houvast te hebben bij het lezen van dit gedicht, kan het helpen om vooraf te zien dat er een duidelijke opbouw in het gedicht zit. Inhoudelijk bestaat het uit drie delen.

- Str. 1-3 bestaan uit één lange zin: een opsomming (enumeratie) die eindigt met 'bitter grieft het mij'. In deze strofen beschrijft Elsschot uitgebreid de redenen waarom hij spijt ervaart (de 'spijt' uit de titel).

- Str. 4 begint dan met het woord 'maar' - dat is een woord (een onderschikkend voegwoord) waarbij je altijd even extra scherp moet opletten, omdat het een tegenstelling / omkering / tegenwerping / beperking aankondigt. Dit loopt van str. 4-6.

- Str. 7 wijkt vervolgens enorm af: Elsschot spreekt ineens de lezer aan (allocutie). Hij geeft de lezer een les mee, een inzicht dat voortvloeit uit str. 1-6.



Inhoud van het gedicht 'Spijt'

Str. 1-3. Het eerste deel van het gedicht bestaat uit een lange opsomming (enumeratie), die bepalingen zijn bij de achteraan geplaatste hoofdzin 'bitter grieft het mij'. Dus: 'dat dìt zo is, dat dàt zo is ... bitter grieft dat mij'. Normaal zou je de hoofdzin voorop zetten, met de reeks bijzinnen erachter: 'Het grieft mij bitter, dat dit zo is, dat dat zo is'.

Het woord 'grieven' betekent: bezwaren, leed doen. Wat grieft de 'ik' zo? Wat doet hem zoveel pijn, wat bezwaart zijn gemoed zo hevig, waarom voelt hij zoveel spijt?

In de opsomming van str. 1-3 geeft de ik-figuur hier zes redenen voor. Ik loop ze allemaal langs. Ten eerste heeft de 'ik' zijn dagen verspild met knorrige ('gemelijke') grillen (r.1-2). Hij is zijn moeder voorbijgelopen alsof zij een steen was (r.3-4). Bovendien heeft hij het leven gekregen zonder iets terug te geven (r.5-6).

Het is hem niet gelukt om opnieuw te beginnen en zijn moeder alsnog te gaan 'dienen' en 'minnen' (r.9-10). En nu is zij 'heengegaan', gestorven (r.11). Al deze dingen 'grieven' de 'ik' diep, doen hem veel leed, spijten hem zeer - 'bitter' noemt Elsschot het zelfs en hij herhaalt die aanduiding voor extra nadruk (repetitio): 'bitter, bitter grieft het mij' (r.12).

Dus: toen zijn moeder nog leefde, heeft de ik-figuur haar niet goed behandeld (hij is haar 'voorbij gelopen', heeft haar niet 'gediend' en niet 'gemind'). Nu hij daarop terugkijkt, heeft hij daar veel spijt van.


Str. 4-6. Hij ziet zijn gedrag nu in en het spijt hem, maar (hier staat dat woord 'maar', er gaat nu een inperking volgen): hij heeft geen kansen meer om het goed te maken, de jaren zijn voorbij gegaan (r.13-14), zij is doodgegaan (r.11) en in de kist (haar doodskist, r.15) zal er niet veel meer van haar over zijn (r.15-16).

De dichter gaat dan in str. 5 dieper in op de dood. Priesters beloven wel van alles over de dood (dat je naar de hemel gaat en eeuwig voortleeft en elkaar daar terugziet), maar dat kan de 'ik' niet geloven: nee, als de mens dood is, is alles voorbij (r.17-20). Je kunt dus ook niet na de dood, ergens in een hemel, alsnog dingen goed maken - die 'kansen zijn verkeken' (r.14).

Klagen helpt niet, roepen en vragen ook niet (zoals de 'ik' deed in str. 1-3). Hij krijgt geen antwoord, de echo stuurt zijn vragen weer naar hem terug (r.21-24).


Str. 7. In de slotstrofe spreekt Elsschot dan de lezer aan (allocutie) - sterker, hij spreekt alle lezers in de (verre) toekomst aan. De grief en spijt om zijn slechte behandeling van zijn moeder (uit str. 1-3) en het besef dat na de dood iets nooit meer goed te maken is (str. 4-6) hebben bij de 'ik', bij de dichter, geleid tot een inzicht. Hij geeft dit inzicht als les ('wijze woorden') mee aan de lezer: pak de handen van je moeder vast en dien haar.

Het 'beide handen vastpakken' (r.27) lijkt mij een uiting van affectie (tegengesteld aan het 'haar voorbijgaan' in r.3 en niet kunnen beginnen 'haar te minnen' in r.10). Het 'dienen' in r.28 verwijst terug naar het 'dienen' in r.10 (en staat ook in tegenstelling met het 'niets ervoor teruggeven' in r.6) en lijkt mij meer een actieve daad: zorg voor je moeder, doe eens iets aardigs voor haar. De slotregels benoemen dus zowel het uiten van gevoel, als positief gedrag.

In mijn beleving staan het het 'handen vastpakken' en 'dienen' hier in de slotstrofe als voorbeeld, maar zou je het hier kunnen aanvullen met alle dingen die hij volgens str.1-3 heeft nagelaten: loop je moeder niet voorbij, geef iets terug voor het leven dat zij je heeft gegeven, bemin haar, toon haar een beetje liefde, en dien haar, zorg een beetje voor haar.


De les is dus: maak niet dezelfde fout die ik heb gemaakt, door m'n moeder geen aandacht te geven, geen liefde te geven, niet te dienen. Doe dat zolang ze nog leeft, want als ze doodgaat is het te laat.

De 'ik' (of de dichter, afhankelijk van hoe je de laatste strofe leest) vindt dit blijkbaar een heel belangrijke, universele les, die ook zal gelden voor alle generaties na hem. De 'ik' wil de lezer ervoor behoeden dat deze dezelfde 'spijt' en 'grief' zal gaan ervaren, nadat diens moeder is heengegaan.



De slotzin

Er is wel discussie geweest over het woord 'wijf' in de laatste zin. In het standaard Nederlands heeft het woord 'wijf' een negatieve betekenis (scheldwoord: stom wijf, lelijk wijf; grof taalgebruik). Het woord komt dan als een schok in deze positieve zin (verwachtingspatroon wordt doorbroken), waardoor de goede raad een sterker, indringender effect heeft op de lezer, dan als het neutrale woord 'vrouw' was gebruikt ('dien de vrouw die jij moeder noemt' heeft echt een andere gevoelswaarde dan het krachtige 'dien het wijf dat moeder heet').

Maar in de Middeleeuwen en tot ver in de 18e eeuw, werd het woord 'wijf' - nog uitgesproken als /wief/ - gewoon neutraal gebruikt (bijv. een 'huiswijf', /huuswief/, een huisvrouw). Dat is tot in het heden in verschillende dialecten nog altijd blijven bestaan. Bijvoorbeeld in het Achterhoeks (in Gelderland) bestaat 'wijf' (uitgesproken als /wief/) nog altijd in algemene betekenis ("hij is met een geweldig /wief/ getrouwd", een stoer /wief/, een sterk /wief/ - vaak gebruikt in de betekenis van een echtgenote en met een sterk/krachtig vrouwbeeld). Ik ben minder thuis in de dialecten in België, maar ik dacht dat het woord 'wijf' (/wief/) in het west-Vlaams ook nog neutraal/positief/krachtig wordt gebruikt.

We weten dat Elsschot vertrouwd was met het Westvlaams. Het is dus zeer de vraag of hij met deze regel wilde schokken, een groffe aanduiding, een scheldwoord volgens het standaard Nederlands heeft bedoeld (met als effect dat de zin krachtiger binnenkomt bij de lezer).

Of dat hij de streektaal (vaak de vertrouwde taal, die thuis wordt gesproken, binnen een gezin) heeft gebruikt, in de neutrale/positieve betekenis van vrouw, eventueel echtgenote, eventueel met een krachtige connotatie, een sterke/stoere vrouw. Een andere reden kan zijn, dat de zin zo 'stoer' overkomt, waardoor een man dit kan zeggen (zorg voor je moeder), zonder dat hij als watje overkomt.

Hoe dan ook heeft 'wijf', /wief/, een krachtigere betekenis voor de lezer (of hij het nou als grof ervaart vanuit het standaard Nederlands, of als vertrouwde/persoonlijke streektaal met een krachtige connotatie). Zo is dit, juist dankzij dit woordgebruik, een beroemde zin geworden binnen het oeuvre van Elsschot en binnen de Nederlandse poëzie uit het Interbellum.



De titel

Het woord 'spijt' uit de titel komt in het gedicht zelf verder niet voor, maar het is duidelijk dat de 'ik' spijt heeft van hoe hij met zijn moeder is omgegaan. Het woord 'grieven', zich gegriefd voelen (r.12), ligt er wel dichtbij (grieven in de zin van: zich bezwaard voelen).

Deze spijt wordt vele malen verergerd in str. 4-6, waarin duidelijk wordt dat het uitgesloten is dat de 'ik' het nog kan veranderen, vergeving vragen of goedmaken. De moeder is dood, en hij heeft geen hoop op een weerzien in de hemel.

De spijt wordt zo absoluut en onoplosbaar. Er wordt geen enkele uitweg of oplossing voor de 'ik' aangegeven in het gedicht. Het enige goede dat er nog uit zou kunnen voortkomen, is dat anderen leren van zijn fouten - en na het lezen van dit gedicht eens enige affectie uiten naar hun moeder, haar handen pakken, het zorgzaams doen.

Daarom is de slotstrofe onmisbaar voor dit gedicht. Het is de laatste mogelijkheid van de 'ik' om nog iets goed te maken - niet meer voor zijn moeder, want die is dood, maar wel voor moeders in het algemeen, nu en in de toekomst.

In diezelfde slotstrofe krijgt het woord 'spijt' een extra lading. Tot dan toe verwijst het naar de spijt die de ik-figuur heeft. In de slotregels wordt het verbreed naar de spijt die elk mens zou kunnen krijgen. De titel blijkt niet alleen een beschrijving van het gevoel van de 'ik', maar een waarschuwing aan elke lezer in vette letters boven het gedicht.



Enkele formele kenmerken

Het gedicht bestaat uit 7 strofen van elk vier regels (kwatrijnen). Elsschot heeft een vast rijmschema aangehouden, elke strofe bestaat uit gepaard rijm (aabb).

Het metrum is een trochee (sterk-zwak). Elke regel heeft daarbij een gelijke lengte van vier beklemtoonde lettergrepen (oftewel vier versvoeten). Dat heet een viervoetige trochee. Bijvoorbeeld:
dien het wijf dat moeder heet.

Het hele gedicht heeft dus een heel gelijkmatige vorm.

Het is opmerkelijk dat str. 1-3 één lang enjambement vormen (de zin loopt steeds door, pas in r.12 staat een punt). Dit enjambement loopt dus door over de strofe-scheidingen heen. Dit ondersteunt de inhoudelijke opsomming, die ook begint in r.1 en doorloopt tot en met r.11. De opsomming eindigt in r.12 met een conclusie, die extra hard aankomt, juist doordat de opsomming zo lang is. Door het vele dat fout is gegaan tussen de 'ik' en zijn moeder, kun je als lezer invoelen dat de 'grief' van de 'ik' echt 'bitter, bitter' is.

Naast de al genoemde stijlfiguren enumeratie (r.1-11) en allocutie (r.25-28), zie ik ook nog repetitio (r.12 en de herhaling in r.20 en 21 - beide keren benadrukt dit de inhoud) en een retorische vraag (r.21-23).



Kortom

Kortom: het gedicht 'Spijt' van Elsschot gaat over een ik-figuur en zijn moeder. De 'ik' heeft zijn moeder tijdens haar leven niet goed behandeld. Daar heeft hij diepe, bittere spijt van. Nu is zij dood en kan hij het niet meer veranderen of goed maken. Dit leidt tot een wijze raad voor elke lezer: houd af en toe de handen van je moeder vast en dien haar (zodat je na haar dood niet met dezelfde 'grief', dezelfde 'spijt' terugkijkt als de 'ik').



Ik hoop dat je zo verder komt met de voorbereiding van je presentatie. Veel succes ermee (enne... koop na het uitpluizen van bovenstaand gedicht vooral een bloemetje voor je moeder!),

met vriendelijke groet,

Rozemarijn.


•  Kenmerken van poëzie

•  Alle gedichten met een bespreking





Antwoord    (17 januari 2021)


Super bedankt hiervoor!!

En ik zal zeker een bloemetje kopen voor m'n moeder! ;-)

Met vriendelijke groet,

Julian.








Poëziegeschiedenis

Kenmerken poëzie      Analyseren gedichten

Alle gedichten met bespreking






Home           Gastenboek