RozemarijnOnline




Gastenboek van RozemarijnOnline






















Gastenboek literaire website RozemarijnOnline

Vraag en antwoord

home           gastenboek




Onderwerp: Metrum bij Vondel
(9 maart 2021)


Dag Rozemarijn,

Ik heb een vraagje. Hoe zou je het metrum noemen waarin het gedicht 'De dertele Sater' van Joost van den Vondel is gezet?

In de laatste regel wijkt het metrum af van de eerdere regels. Hoe zou jij dit benoemen? Zie je zo'n variërend metrum vaker of is dit een anomalie in de wereld der dichtwerken?

Ik ben reuze benieuwd naar je antwoord!

Hartelijks, Guido.

---

De dertele Sater,
     De boxvoet vast hippelt,
Langs d'oevers van 't water,
     En beitelt, en trippelt
Met alle zijn vrijsters,          (5)
Die zingen, als lijsters.
     Het velt is vol vreught.
     O vrolijk leven! o zoete jeught!

O wreede vriendinne,
     Wie kan u bewegen?      (10)
Hoe trouw ik u minne,
     In hagel en regen,
Gy vlught even vlugge,
En bietme den rugge.
     Ik jammer ontstelt:          (15)
     Geen klagten baeten: mijn leven smelt.


Joost van den Vondel (1587-1679).
Datering: 1665.

Overgenomen uit: De werken van Vondel, deel 10 (1937).





Antwoord    (12 maart 2021)


Dag Guido,

Het gedicht 'De dertele Sater / De boksvoet vast hippelt' van Joost van den Vondel (gedateerd 1665) staat in zijn verzameld werk 'Dichtwerken' uit 1898 onder het onderdeel 'Minnedeuntjes'. Het woord 'deuntjes' suggereert dat deze gedichten mogelijk als lyrische, wellicht wat zangerige, muzikale werkjes werden beschouwd.

Het metrum is, zoals je van Vondel verwacht, zeer strak aangehouden (met een afwijkend metrum in r.8 en 16).


Het gaat om twee strofen van elk 8 regels (octaaf). Het metrum is dan voor r.1-6 steeds: zwak-sterk-zwak  zwak-sterk-zwak  /  zwak-sterk-zwak  zwak-sterk-zwak / enz. Oftewel:
⋅-⋅ ⋅-⋅
⋅-⋅ ⋅-⋅
Bijv.: De dertele sater.

Dit metrum heet een amfibrachus (zwak-sterk-zwak). Elke regel bevat dus tweemaal een amfibrachus: ⋅-⋅ ⋅-⋅

In r.7 echter vervalt de laatste, onbeklemtoonde lettergreep:
⋅-⋅ ⋅-
Het veld is vol vreugd.

Dit wordt veroorzaakt, door de overgang van vrouwelijke -of slepende- rijmwoorden in r.1-6 (bv. sater-water) naar twee mannelijke -of staande- rijmwoorden in r.7-8 (vreugd-jeugd). Dit heet dus nog altijd een 'amfibrachus', maar dan eindigend op mannelijk rijm.

Dus: r.1-7 zijn volkomen regelmatig: èlke regel bevat tweemaal een amfibrachus.


In de daaropvolgende regel, r.8, wijkt het metrum dan volledig af. Het is dan:
sterk-zwak-zwak  sterk-zwak,   sterk-zwak-zwak  sterk.
-⋅⋅  -⋅   -⋅⋅  -
O vroolijk leven! o zoete jeugd!

Na de eerste zeven regels, die je toch als beetje 'een dreun' kunt gaan lezen, krijgt het gedicht door het afwijkende metrum hier iets springerigs, huppelends, zangerigs misschien wel. Het is duidelijk zeer weldoordacht gedaan, want in de volgende strofe (r.9-16) heeft exact elke regel een overeenkomend metrum - en de afwijkende slotregels (r.8 en 16) zijn volkomen gelijk aan elkaar.

Hoe heet nu het metrum van r.8? Het lijkt mij dat Vondel hier eerder een ritme uit een zevende-eeuws deuntje immiteert. Het is niet zo ver gezocht, aangezien we weten dat Vondel vele liederen heeft geschreven en dus zeer bekend was met het schrijven van lyriek.

Ook heet dit onderdeel niet voor niets 'Minnedeuntjes'.

Hij lijkt dit om inhoudelijke redenen te doen, namelijk om de afwijkende inhoud van r.8 en r.16 te benadrukken: in beide gevallen betreft het een uitroep. Beide uitroepen bevatten binnen één regel twéé zinnetjes.

O vroolijk leven!  ↔  o zoete jeugd! ; en
Geen klachten baten  ↔  mijn leven smelt.

Er lijkt dan (beide keren) een tel rust te zitten tussen het eerste en het tweede zinnetje in binnen de regel; omdat het twee, te onderscheiden uitroepen zijn (in liederen kunnen er heel goed tellen of maten zijn zonder tekst).

En als je daar een tekstloze tel veronderstelt, dan wordt het metrum ineens een volkomen standaard dactylus (sterk-zwak-zwak sterk-zwak-zwak enz.):

O vroolijk leven!  (tel)  o zoete jeugd!

Maargoed, dan moet je wel met mijn veronderstelling meegaan, dat er een lyrische, muzikale kant aan dit gedicht zit.


Het is, zover mij bekend, zinloos om binnen een regel, per versvoet, allerlei verschillende vormen van metrums achter elkaar te benoemen (een metrum is is immers: een regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen, die in het hele gedicht wordt volgehouden). Als er binnen 1 regel niet een vaste afwisseling vast te stellen is, dan is er in die regel eenvoudigweg geen vast metrum gebruikt.

Deze specifieke opeenvolging herken ik trouwens niet zo uit een ander gedicht, maar wel het verschijnsel dat er binnen een gedicht een regel ineens een ander metrum heeft of géén metrum heeft - meestal is dit om eentonigheid, een dreun, te vermijden; of om een bepaalde zin een andere lading of nadruk te geven.

Het lijkt mij, dat Vondel hier op twee manieren zijn vakmanschap laat zien: door enerzijds in een vlekkeloos metrum te schrijven; en anderzijds door te vermijden dat dit uiteindelijk een dreun wordt, waardoor hij er op een belangrijk punt in inhoud en vorm (uitroep, slotregel v.d. strofe) variatie in aanbrengt. Hij laat zien, dat hij met techniek en inhoud kan spelen. Zo toont hij zijn technische meesterschap en wordt hij toch nooit saai.


Veel succes met het verder ontleden van dit gedicht! Ik hoop dat je eruit komt.

Met vriendelijke groet,

Rozemarijn.


•  Kenmerken van poëzie

•  Alle gedichten met een bespreking





Antwoord    (13 maart 2021)


Dank voor je uitgebreide antwoord, Rozemarijn!

Dit helpt!

Grtz Guido.








Poëziegeschiedenis

Kenmerken poëzie      Analyseren gedichten

Alle gedichten met bespreking






Home           Gastenboek