RozemarijnOnline




Versanalyse en interpretatie
-
gedicht analyseren






















Versanalyse en interpretatie
analyse gedicht


J.C. Bloem - Zondag
In: Media vita, 1931



 >





Church bell
door B. Andolsek.






 1.
 2.
 3.
 4.

 5.
 6.
 7.
 8.

 9.
10.
11.
12.

13.
14.
15.
16.
Zondag


De stilte, nu de klokken dooven,
Wordt hoorbaar over Zondagsch land
En dorpsche woningen, waarboven
Een schelpenkleur'ge hemel spant.

De jeugd keert weer voor de' in gedachten
Verzonkene, die zich hervindt
Een warm van onbestemd verwachten
In Zondagstilte eenzelvig kind.

En tusschen toen en nu: 't verwarde
Bestaan, dat steeds zijn heil verdreef;
De scherpe dagen, waar de flarde
Van 't wonde hart aan hangen bleef.

Niet te verzoenen is het leven.
Ten einde is dit wellicht nog 't meest:
Te kunnen zeggen: het is even
Tusschen twee stilten luid geweest.


J.C. Bloem
In: Media vita, 1931.


∗       ∗       ∗



Uitgebreide analyse en interpretatie

In 16 regels weet J.C. Bloem het leven en de dood op te roepen in een spanningsveld van tegengestelde levensvisies, waarbij hij vier lagen van interpretatie in het gedicht heeft gelegd. En hij weet ook hier weer af te ronden met een onvergetelijke slotregel.


   Achtergrond
   Inhoud gedicht 'Zondag '
   De betekenis van het beeld: vier lagen van interpretatie
   De keuze voor de klokken als beginbeeld
   Formele kenmerken
   Afronding



Achtergrond


Jakobus Cornelis (Jacques) Bloem (1887-1966) debuteerde in 1921 met de bundel Het verlangen. Zijn tweede dichtbundel, Media vita, verscheen tien jaar later, in 1931. In deze bundel is het gedicht 'Zondag' opgenomen - met de beroemde slotzin: 'het is even / tusschen twee stilten luid geweest'.

Belangrijke thema's in het werk van J.C. Bloem zijn het verlangen en de dood. Bij dat eerste gaat het vooral om onvervulde verlangens. Bij het thema de dood gaat het om bijvoorbeeld de eindigheid van het leven, het besef van de vergankelijkheid van alles (aftakeling, verval, de herfst), het feit dat alles voorbij gaat en de onontkoombaarheid van de dood.

Jacques Bloem staat bekend om zijn kernachtige, soms beroemd geworden slotregels waarmee hij veel gedichten afrondt. Zijn gedichten zitten gewoonlijk zowel wat vorm als wat inhoud betreft perfect in elkaar. Hij wordt gerekend tot de Tieners of de Symbolisten, een literaire stroming rond de jaren 1910, die uitgaan van een autonomistische poëtica. Deze gedichten zijn vaak wat hermetisch (gesloten) en verwijzen vaak naar poëzie.

Het werk van Bloem werd bekroond met de drie belangrijkste literaire prijzen: de Constantijn Huygens-prijs, de P.C. Hooft-prijs en de Prijs der Nederlandse Letteren. Hij overleed vrij onverwacht, na een hersenbloeding, in de leeftijd van 79 jaar.


(Zet het gedicht (met regelnummers) in een tweede scherm open, of houd het afgedrukt bij de hand, om onderstaande analyse makkelijk te kunnen volgen).



Inhoud gedicht 'Zondag'


Al bij een eerste keer vluchtig doorlezen, valt er meteen iets op aan het gedicht 'Zondag'. In de allereerste regel van het gedicht, staat het woord 'stilte' (r.1). En in de allerlaatste regel van het gedicht ook! (r.16). Dat kan gewoon geen toeval zijn bij een perfectionistische dichter als Bloem.

Dit hele gedicht is omgeven door stilte.

Een belangrijke vraag die je nu dus kunt stellen is: wat betekent deze stilte? Ik zal de vier strofen inhoudelijk langslopen.

Strofe 1. De klokken houden op met luiden en het wordt stil (r.1). Het is zondag (r.2), zoals ook de titel vermeldt. Het gaat dus om kerkklokken. De 'stilte wordt hoorbaar', zoals Bloem het prachtig formuleert, boven het land en boven de woningen, de dorpshuisjes (r.3). Boven dat alles is de hemel 'schelpkleurig', een beetje beige-wit dus, waarschijnlijk door gesluierde bewolking (r.4).

Strofe 2. In de tweede strofe voert Bloem een persoon op, 'de in gedachten verzonkene' (r.5-6). Het is geen ik-figuur: nergens in het gedicht komt het woord 'ik' voor (het gedicht wordt verteld vanuit een auctoriale oftewel alwetende verteller). Deze in gedachten verzonken figuur, denkt terug aan zijn jeugd (r.5), deze jeugd 'keert weer', lijkt dus zeer levendig aanwezig te zijn. Deze persoon 'hervindt' in zichzelf (r.5) het 'eenzelvige kind' (r.8), dat onbestemde verwachtingen heeft in de zondagsstilte.

Strofe 3. Van de jeugd, het verleden in strofe 2, richt de dichter dan zijn blik weer op het 'nu' (r.9). Tussen het 'toen' (de jeugd in strofe 2) en het 'nu' ligt het bestaan (r.10). Hij overziet dus zijn hele leven, van zijn kindertijd tot aan dit moment. Dit bestaan, dit leven van de persoon, heeft veel ellende gekend: het was 'verward' (r.9), het 'heil' werd steeds verdreven (r.10), de dagen waren 'scherp' (r.11), het hart raakte 'gewond' door die scherpe dagen (r.12).

Strofe 4. De persoon kan zich niet verzoenen met het leven; het leven is voor hem niet te accepteren, niet te verdragen, hij kan er geen vrede mee hebben (r.13). Het meeste wat hij uiteindelijk over het leven kan zeggen is: 'het is even, tussen twee stilten, luid geweest' (r.16).

Het 'luid zijn' slaat op het leven en bestaat maar kort, tussen twee stiltes in. Het 'luid zijn' is dus een beeld voor het leven van de persoon. De twee stiltes zijn aan de ene kant:  de stilte vóór het leven (als de persoon nog niet leeft);  en aan de andere kant:  de stilte ná het leven (als de persoon niet meer leeft). De luidheid daartussen, het leven, duurt maar 'even', duurt maar kort.


Kortom: dit gedicht gaat over een 'in gedachten verzonken' persoon die op een zondagmorgen terugkijkt op zijn leven. Hij overziet zijn leven vanaf zijn kindertijd tot aan dat moment. Er is veel ellende geweest in het leven, hij kan het niet verdragen, niet accepteren. Als hij er één ding over kan zeggen, is het dat het eventjes, tussen twee stiltes in, luid is geweest. Dat hij eventjes, tussen  er-nog-niet-zijn  en  er-niet-meer-zijn  even heeft geleefd.

Bloem roept in dit gedicht een vier-dimensionale wereld in ruimte èn tijd op: in str.1 beschrijft hij aarde (land, huizen) èn hemel; en in de tijd gaat hij van verleden (jeugd) tot heden ('nu') (str.2-3). Hij roept zo volledig mogelijk het bestaan en het leven van het personage op in deze strofen. Deze omschrijving wordt omgeven door tweemaal het woord 'stilte' (in r.1 en 16) - waarmee dit hele bestaan, het hele leven van deze persoon letterlijk omgeven is door stilte.



De betekenis van het beeld: vier lagen van interpretatie


Dit gedicht vangt aan, in de eerste strofe, met het beeld van het geluid van klokken (r.1) - en daarvoor was het stil, en daarna wordt het weer stil.

Aan dit beeld geeft de dichter betekenis in de laatste strofe (r.15-16). Het luiden en stil worden van de klokken roept voor de persoon de tijdelijkheid van zijn leven op. Daarbij staat het klokgelui symbool voor bestaan/leven; en de stilte voor niet-leven.

Dus:

Beeld:
stilte geluid kerkklokken stilte

Betekenis:
nog-niet-leven het bestaan (het leven vanaf de jeugd tot het nu) niet-meer-leven

Maar zoals ik aan het begin van deze bespreking al had aangegeven, zie je die twee stiltes ook tekstueel, in het gedicht zelf (met het woord 'stilte' in zowel de eerste als de laatste regel). Dus: de gebruikte beeldspraak weerspiegelt zich ook in de opbouw van het gedicht zelf, talig. Het gedicht valt samen met het beeld:

Structuur gedicht:
het woord 'stilte' (r.1) het leven van de persoon (in ruimte en tijd) (str.2-3) het woord 'stilte' (r.16)

Dus de opbouw, de structuur van het gedicht, weerspiegelt de inhoud van het gedicht. Tussen de twee woorden 'stilte' wordt het bestaan, het hele leven (in ruimte en in tijd) opgeroepen. Ook het gedicht zelf is even, tussen twee 'stiltes', luid.

Bloem eindigt het gedicht uitdrukkelijk met 'tusschen twee stilten' (r.16) en het gedicht stáát ook tussen twee 'stiltes'. Bij een vakman als Bloem kun je dan met zekerheid veronderstellen dat hij een poëticale betekenis in het gedicht heeft gelegd: het gedicht gaat óók over het gedicht zelf, dichten of dichterschap.



Dit brengt ons bij meerdere lagen, die in het gedicht te onderscheiden zijn. Ik ben zojuist langsgelopen: het beeld; de betekenis van het beeld; en een 'poëticale' laag (het gedicht zelf is het beeld).

En zo krijgt de slotzin 'het is even tussen twee stilten luid geweest' meerdere lagen van betekenis. Ik zou vier lagen van interpretatie onderscheiden.


•  Het anekdotische niveau: de kerkklokken die geluid maken, dan weer stilte.


•  Het niveau van de overdrachtelijke betekenis ervan: het geluid staat voor leven, de stiltes voor: niet bestaan / de dood.


•  Het filosofische niveau: het inzicht dat het leven maar tijdelijk en kort is, en dat er voor de geboorte niets was, en er na de dood voorgoed niets meer is.


•  En het poëticale niveau: het gedicht valt samen met het beeld: het gedicht zèlf is even, tussen twee 'stiltes' - twee keer het woord 'stilte'- luid. Er is even, tussen twee 'stiltes', een gedicht geweest.


Bij de Tieners (symbolisten), waartoe Bloem wordt gerekend, gaat poëzie vaak over poëzie, het belang van poëzie.

In het geval van die laatste interpretatielaag (er is even, tussen twee 'stiltes', een gedicht), dan zegt Bloem in feite: het mééste wat deze persoon uiteindelijk over zijn leven kan zeggen, is dat er een gedicht is geweest. Hiermee lijkt hij troost en zingeving toe te kennen aan het schrijven van gedichten, aan het dichterschap.

In zijn gedicht 'Dichterschap' stelt Bloem zichzelf de vraag: 'Is dit genoeg; een stuk of wat gedichten / Voor de rechtvaardiging van een bestaan'? Die vraag lijkt hij hier voorzichtig met 'ja' te beantwoorden. Het leven is niet te verzoenen, onverdraaglijk - maar er is even een gedicht geweest.

Dus bij het opmaken van de balans van het leven op deze zondagmorgen, lijkt enkel het gedicht tegenwicht te bieden tegen de ellende van het leven.



De keuze voor de klokken als beginbeeld


Al die lagen van interpretatie beginnen met het beeld van de luidende kerkklokken. Een vraag die je nu kunt stellen is: waarom heeft Bloem dit als beginbeeld gekozen? Er zijn ook andere dingen die tijdelijk de stilte doorbreken, bijvoorbeeld een overvliegende straaljager.

Toch voel je dan meteen dat het gedicht dan een heel andere sfeer, andere lading zou krijgen: er komt een straaljager over, de persoon denkt terug aan zijn jeugd, en realiseert zich dat het leven maar kort is en hij daarna voorgoed dood zal zijn. Je merkt meteen dat dit minder goed werkt.

Het lijkt mij dat Bloem drie redenen gehad zal hebben, om voor zijn beginbeeld kerkklokken te gebruiken.


Traditie en jeugdherinneringen

Ten eerste is het een oud gebruik in Nederland dat op zondagochtend de kerkklokken luiden (in heel Europa, eigenlijk). Dit gebruik is rond het jaar 800 ontstaan, ten tijde van de kerstening van Europa - en veel kerktorens hebben nog steeds middeleeuwse klokken, die nog altijd luiden, al meer dan duizend jaar.

Dit beeld verbindt je dus met het verleden, geeft een verbreding van het tijdsbesef in het gedicht: dit zijn de klokken die eeuwenlang al luiden, dit zijn de klokken die ook de voorouders van deze persoon zullen hebben horen luiden en deze persoon kent dit klokkengebeier ook uit zijn eigen jeugd.

Het is dus logisch dat juist uit dit geluid, een geluid uit zijn jeugd, jeugdherinneringen oproept bij de persoon. Zoals het dorp op zondagochtend was toen hij kind was, zo is het nu weer. Hij is in gedachten verzonken en zijn 'jeugd keert weer', hij 'hervindt' in zichzelf die warme, onbestemde verwachtingen die hij als kind had.

Juist dat geluid van het traditionele klokkengelui, kan logischerwijs zulke jeugdherinneringen oproepen.


De voortgang van de tijd

Het slaan van de klok maakt je bewust van de voortgang van de tijd. Een klok kan hele uren slaan of, zoals in dit geval, wekelijks op een vaste tijd slaan. Het geluid herinnert je eraan dat er alweer een uur of alweer een week voorbij is.

De persoon in dit gedicht laat hier bewust tot zich doordringen dat de klok slaat en weer stil wordt. Het is voor de lezer dan aannemelijk dat hij zijn gedachten vervolgens laat glijden over het verstrijken van de tijd, over het leven dat verglijdt, over de tijdelijkheid van het leven.

Dus: het geluid uit zijn jeugd brengt logischerwijs jeugd­herinneringen terug - en uit het slaan van de tijd kunnen logischerwijs mijmeringen over de tijdelijkheid van het leven voortvloeien. Er zijn dus inhoudelijke verbanden tussen het beeld en wat daaruit voortvloeit - wat bij bijvoorbeeld het beeld van een straaljager niet zo zou zijn.

Maar er lijkt me nog een derde belangrijke reden waarom dit voor Bloem een sterk beginbeeld was.


Religieus motief

Want op de derde plaats heeft klokgelui in zichzelf al een bedoeling: kerkklokken roepen gelovigen op om naar een religieuze dienst te komen, een christelijke kerkdienst (religieus motief). Ook de titel 'Zondag' (een woord dat ook nog tweemaal in het gedicht zelf voorkomt) verwijst naar datzelfde religieuze motief: het christelijke geloof.

En binnen dat christelijke geloof, wordt geloofd dat de mens na zijn dood eeuwig voort zal leven. Deze geloofsovertuiging die achter het klokgelui zit, die in dat beginbeeld opgesloten zit, staat in volstrekte tegenstelling met de filosofische overtuiging die in dit gedicht wordt uitgewerkt:

de mens zal eeuwig doorleven (volgens het christendom)  ↔  de mens is na zijn dood voorgoed dood (volgens dit gedicht)

Deze tegenstelling levert een sterke spanning op in dit gedicht. De betekenis die dit beginbeeld van zichzelf heeft (christelijk geloof) staat in tegenstelling tot de betekenis die datzelfde beeld in dit gedicht heeft (het leven is eindig). Dat ene beeld van het kortstondige klokgelui, staat in dit gedicht dus tegelijkertijd voor twee tegengestelde levensvisies (het leven is eeuwig ↔ het leven is kort).


De warme, 'onbestemde' verwachtingen die de persoon als kind nog had op de zondag (str.2) - die heeft hij als volwassene niet meer: het 'heil' is verdreven (str.3), hij kan zich nu met het leven niet verzoenen (str.4), de hemel is gesluierd (r.4), er zijn geen verwachtingen meer. Het leven is niets anders dan een kort geluid, een kort aanwezig zijn in een wereld van ruimte en tijd, tussen twee eeuwigheden van stilte, van niets.

Het personage heeft zich dus losgemaakt van het geloof uit zijn jeugd, stelt zich pal tegenover het christendom, en ziet het leven op zijn eigen manier. Voor hem helpt het aanhangen van een geloof niet meer om zich te verzoenenen met de ellende van het leven of met de dood. Het klokgelui is voor hem gedoofd, de hemel gesluierd.

De in gedachten verzonkene overziet het leven en zijn eigen leven en komt tot zijn eigen filosofische inzicht - dat het leven maar tijdelijk en kort is, en dan 'voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij' (zoals Bloem het in zijn gedicht 'Herinnering' verwoordt).


Je ziet hoe ongelooflijk knap Bloem in het gedicht 'Zondag' in 16 regeltjes een hele wereld oproept, tijd oproept, het leven oproept, de dood oproept, de spanning tussen levensvisies oproept - en als zo vaak zijn gedicht eindigt met een onvergetelijke, sterke slotzin, waarin vier lagen betekenis zitten opgesloten.

Dit alles doet hij ook nog eens binnen zeer sterk doorgevoerde formele kenmerken (zoals een vast metrum, een vaste regellengte, een strak rijmschema, enz.) waardoor hij zich heel sterk beperkt.

Dat hij toch, in leesbare taal, een diepe filosofische en religieuze betekenis uitwerkt vanuit het beginbeeld, is ongelooflijk knap en toont de kwaliteit van het dichterschap van Bloem. Hij wordt niet voor niets gerekend tot de beste dichters binnen het Nederlandse taalgebied.



Formele kenmerken


Tot slot kort nog iets over die formele kenmerken.

Het gedicht heeft een heel regelmatige vorm. Het bestaat uit vier strofen van elk vier regels (kwatrijnen).

In het hele gedicht is een vast metrum aangehouden: een jambe (zwak-sterk-zwak-sterk). Als ik de beklemtoonde lettergrepen onderstreep, kun je dat metrum eenvoudig zien:
de stilte nu de klokken doven

Let op: soms valt er een onbeklemtoonde lettergreep op een beklemtoonde plek. Bijvoorbeeld: 'woningen' (r.3), of 'verzonkene' en 'zich' (r.6):
En dorpsche woningen, waarboven; of:
verzonkene die zich hervindt

De lettergrepen '-en' (r.3) en '-ne' en 'zich' (r.6) zijn feitelijk onbeklemtoond, maar vallen op een beklemtoonde plek. Dit komt veel voor en verstoort het metrum niet. Als je gewoon doortelt, zul je zien dat alle beklemtoonde lettergrepen steeds goed vallen.

Anders is het bij het tegenovergestelde verschijnsel (een beklemtoonde lettergreep op een daling): antimetrie.

In r.13 zie je een duidelijk geval van antimetrie (een beklemtoonde lettergreep staat op een onbeklemtoonde plaats: hierdoor krijgt dit woord extra nadruk):
niet te verzoenen is het leven

Omdat je nadruk wil leggen op het woord 'niet', waar het volgens het vaste metrum niet ligt, moet je eventjes tégen dat metrum ingaan, waardoor dit woord extra nadruk krijgt. Dit is hier ook betekenisvol: de dichter benadrukt dat hij zich ècht niet verzoenen kan met het leven, on-moge-lijk, ècht niet.

De regels kennen een vaste regellengte. Ze bestaan steeds uit vier beklemtoonde lettergrepen (oftewel: vier versvoeten). Dit wordt een vier-jambische versregel of viervoetige jambe genoemd.

Elke strofe heeft hetzelfde rijmschema: gekruist rijm (abab).

Opmerkelijk is ook nog de vele assonantie in de eerste drie regels: het veelvuldig terugkeren van /o/ en /oo/ klanken (klok - wordt - zondags - dorps ; en: doven - woning - boven). Het lijkt nog het wegstervende geluid van de klokken tot klinken te brengen (o-oo, dong-dong...).

Maar het belangrijkste dat je over de vorm kunt zeggen is met name, dat de opbouw, de structuur van het gedicht, de inhoud van het gedicht weerspiegelt. De redenering stilte-leven-stilte zie je letterlijk in het gedicht door het woord 'stilte' (1e regel) - beschrijving van het leven - het woord 'stilte' (slotregel).



Slotsom


In dit gedicht zien we Jacques Bloem op zijn best. Hij werkt hier een van zijn belangrijkste thema's uit: de tijdelijkheid en eindigheid van het leven, de betekenis van de dood.

Hij roept in enkele regels het leven van de persoon voor de lezer op en geeft daar in de slotstrofe op overtuigende wijze een diepe emotionele lading aan, die de lezer laat meevoelen, raakt, aangrijpt: de ellende van het leven is onverdraaglijk, er is geen troost voor het feit dat we sterven, het leven is uiteindelijk niets meer dan een korte flits tussen twee stilten.

Het beginbeeld van de kerkklokken geeft het gedicht, door de erin opgesloten betekenissen (geluid uit jeugd, voortgang van de tijd, christelijke geloofsovertuiging), meteen een betekenisvolle lading mee. De sterke slotzin, die vele lezers zal bijblijven, is door de inhoud van het gedicht rijk aan meerdere lagen van betekenis.

Dat maakt dit gedicht veel meer dan een doorsnee anekdotisch gedicht. Het is ook een filosofisch gedicht over een man die zich heeft losgemaakt van het geloof uit zijn jeugd en daar zijn eigen levensvisie tegenover stelt - al maakt hem dat "a wiser but a sadder man" (om de Engelse dichter Coleridge aan te halen).

En het is tegelijkertijd ook nog eens een poëticaal gedicht (waar de Tieners zo'n voorkeur voor hadden), dat zelf even tot leven weet te komen tussen twee 'stiltes' - en dat als enige troost en zingeving lijkt te bieden te midden van de ellende van het leven.

Je kunt een gedicht alleen diepgravend ontleden en bespreken, als de dichter er ook op kundige wijze beelden, betekenissen, lagen, klanken en spanningsvelden in heeft gestopt. En dat heeft J.C. Bloem in dit gedicht op meesterlijke wijze gedaan.



Rozemarijn van Leeuwen
©  2020



∗       ∗       ∗



Bespreking gedicht: Rozemarijn van Leeuwen (mei 2020).
Gebruik altijd onderstaande literatuurverwijzing.

Gedicht: J.C. Bloem, 'Zondag'. In: Media vita, 1931.
Overzicht alle besprekingen gedichten: Lijst gedichten met bespreking.




© copyright 2020. Het is alleen toegestaan om kort te citeren uit bovenstaande bespreking met de volgende verwijzing:
Rozemarijn van Leeuwen, Versanalyse en interpretatie. J.C. Bloem, Zondag (2020). Bron: https://www.rozemarijnonline.net/poezie/slauerhoff-schalmei.html.





Lees meer:

poëziegeschiedenis

kenmerken van poëzie        analyseren en interpreteren

alle gedichten met een bespreking




 >