RozemarijnOnline




Gastenboek van RozemarijnOnline






















Gastenboek literaire website RozemarijnOnline

Vraag en antwoord

home           gastenboek




Onderwerp: Gedicht Slauerhoff
(16 april 2019)


Beste Rozemarijn,

Op school moeten we een aantal gedichten van Slauerhoff bespreken. Nu zijn er een aantal te begrijpen, en ik weet ook wel wat over zijn achtergrond. Alleen snap ik het gedicht 'Spleen' niet helemaal.

Zou je daar wat over kunnen zeggen op gebied van betekenis en de belangrijkste formele kenmerken?

Groetjes, Fay.

---

Spleen


Laag hangt een groot en toch gering verdriet.
Het leven is wel mooi en ook wel leelijk.
Men kan elkaar liefhebben en ook niet.
'k Neem wat ik vind en wat ik heb, dat deel ik.     4

't Beteekent niets. Noem 't regen op de wegen,
Seconde' in 't uur of dagen in de maand.
Waarom ga je niet dood? Daar is niets tegen.
Een stem, nooit zwijgend, steeds om stilte maant.     8

Ik wil wel geven, ik wil ook wel nemen,
Maar ik verlang te veel en ben niets waard.
De last van steeds aanzwellende problemen
Drukt mij en licht mij op, leeg en bezwaard.     12

Milde, meedoogenlooze Parcen, schikt me in de
Zinlooze weefsels... Ik kan niet kiezen.
'k Heb niets dan angst. Kan ik mij ooit verliezen,
Blijf ik onsterflijk, steeds stikkende?          16


J. Slauerhoff (1898-1936)
In: Serenade (1930).





Antwoord    (20 april 2019)


Dag Fay,

Het gedicht 'Spleen' van Slauerhoff is wat lastig om te begrijpen, omdat het niet een anekdote of een verhaaltje bevat. Het gaat om één begrip, dat hij probeert te omschrijven, te be'vat'ten, van alle kanten te overwegen, op te roepen. Het gaat om het begrip dat hij in de titel noemt: spleen.

Spleen betekent: melancholie, zwaarmoedigheid, zwartgalligheid, of zelfs depressie. Een ander woord ervoor is 'Weltschmerz': lijden aan de onvolmaaktheid van de wereld, onvervulde verlangens, pessimisme. Dus in dit gedicht beschrijft Slauerhoff dit verschijnsel, spleen.


Strofe 1 bestaat uit vier tegenstellingen: een verdriet is groot en toch gering; het leven is mooi en ook lelijk; men kan liefhebben of niet; en de 'ik' neemt en deelt bezit.

Doordat deze tegenstellingen elkaar opheffen, concludeert hij in str. 2: 'het betekent niets'. Al deze dingen (verdriet, het leven, de liefde en bezit) zijn niets meer dan wat regendruppels, een wegtikkende seconde.

Hij vervolgt met een zware vraag (r.7): 'waarom ga je niet dood'? Omdat in z'n algemeenheid iedereen ooit doodgaat, zal hij de vraag specifieker bedoelen: waarom ga je nu niet dood, waarom zou je nu niet doodgaan, er een eind aan maken? Hij heeft er niets op tegen (r.7). Er is een stem die steeds om 'stilte' maant, wat in deze context de dood (de stilte van de dood) zou kunnen betekenen: er is een stem in mij die mij onophoudelijk aan de dood herinnert, ertoe aanspoort (manen).

In strofe 3 volgen nog enkele tegenstellingen: de 'ik' wil geven en nemen, de problemen drukken hem teneer en lichten hem op, hij voelt zich leeg en bezwaard. Ook het onvervulde verlangen van de Weltschmerz wordt hier genoemd: ik verlang veel, maar ben niets waard (r.10).

De Parcen in str. 4 zijn de schikgodinnen: zij zijn de godinnen van geboorte en dood, van het noodlot en maken ieders 'levensdraad' (die zij spinnen, verdelen en afknippen). Ook hen beschrijft Slauerhoff met een tegenstelling: mild en meedogenloos. Hun weefsels (dus: het leven) zijn zinloos. Het gedicht eindigt met de 'ik' die niet kan kiezen: kan hij zich 'verliezen' of blijft de 'ik' 'onsterfelijk'?

In het licht van de doodsvraag in r.7 zou ik dit lezen als: kan ik ooit voor de dood kiezen, een einde aan mijn leven maken - of blijf ik in leven, een leven waarbij ik voortdurend het gevoel heb te stikken?


Ik ken eerlijk gezegd geen ander gedicht dat zulke 'spleen' - maar wij zouden dit nu een 'zware depressie' noemen - zo indringend, aangrijpend, en akelig ook, oproept. Het grijpt je, zeker bij enkele keren herlezen, bij de keel. Je wenst niemand toe om zich zo vreselijk te voelen.

Van Slauerhoff is trouwens bekend dat hijzelf ook een diepe depressie heeft doorgemaakt, na het overlijden van zijn (enige) kind, vlak na diens geboorte, en de scheiding van zijn echtgenote die daarop volgde. Ondertussen was hij ook nog eens ernstig ziek. Het zou dus kunnen dat hij in dit gedicht uit eigen ervaringen put.

Het gedicht gaat in ieder geval over een 'ik-figuur' die aan ernstige spleen lijdt - zwaarmoedigheid, depressie. Voor de 'ik' betekenen het leven, verdriet, de liefde en bezit niets meer (str. 1-2). Hij weet niet waarom hij niet dood zou gaan, zijn leven niet zou beëindigen - er is niets op tegen en hij wordt er door een innerlijke stem steeds toe aangespoord (str. 2). Hij voelt zich dus duidelijk suïcidaal.

De 'ik' voelt zich niets waard, voelt zich leeg en bezwaard, en zijn problemen zwellen aan (str. 3). Hij spreekt de schikgodinnen aan ('schik me in de zinloze weefsels') en noemt het leven zinloos (str. 4). Het enige wat hij nog voelt is angst. Hij kan niet kiezen tussen enerzijds de dood (zich 'verliezen', zelfmoord plegen) en anderzijds blijven leven, waarbij hij het vreselijke gevoel zal houden dat hij 'steeds stikkende' is (alsof hij, al levende, onophoudelijk in doodsnood verkeert).

Kortom, het gedicht gaat over een zwaar depressieve persoon die geen waarde en zin meer ziet in het leven, lijdt aan het leven, zich niets waard voelt en suïcidaal is. Het gedicht biedt geen troost, geen verlichting, geen uitweg. Het beschrijft 'spleen' in zijn zwaarste, zwartste vorm.


Het gedicht bestaat uit vier strofen van vier regels (kwatrijnen). Het metrum is een jambe, al is er verschillende keren sprake van elisie en antimetrie. De regellengte van r.13-14 wijkt ietwat af.

In r.6 is sprake van een sterke versbreking (op 1 regel: twee volzinnen, eerste eindigend met een vraagteken, tweede met een punt). Daardoor lijkt deze regel wat te 'stokken', wat deze twee korte zinnen nadruk geeft, de lezer leest minder makkelijk door naar een volgende regel dan bij een enjambement. Ook r. 14 en 15 hebben versbreking, maar daar loopt steeds een van beide door op een andere regel (enjambement).

Het rijmschema is steeds gekruist rijm (abab), behalve de vierde strofe, dat is omarmend rijm (abba). Bij het rijmpaar van r.2 en 4 rijmt het beklemtoonde deel van het rijmwoord wel, maar het onbeklemtoonde erna niet precies (lelijk - deel ik). R.6 en 8 is rijk rijm (rime riche), de beginletter van de beklemtoonde lettergreep verschilt immers niet (maand - maant), al is er wel inhoudelijk verschil en verschil in spelling. R.13 en 16 is een glijdend rijm (schikt m' in de - stikkende) dat voornamelijk bestaat uit assonerend rijm (op 'stikkende' zou bijv. 'hikkende' vol rijmen).

In r.1-4 kun je parallellisme zien (gelijk zinsverloop). R.1-3 en 9 en 12 kun je opvatten als antithesen (naast elkaar gezette tegenstellingen). In r.9-10 kun je chiasme zien (kruisstelling, zinnen zijn elkaars spiegelbeeld): ik wil wel geven <-> maar ik ben niets waard; en ik wil wel nemen <-> maar ik verlang te veel. R.13 en begin 14 is een allocutie (aanspreking, de schikgodinnen worden aangesproken). R.13-14 lijkt op een retorische vraag (een vraag aan de lezer, waarop de schrijver geen antwoord verwacht) - maar in dit geval stelt de 'ik' de vraag aan zichzelf en ligt het antwoord niet voor de hand, maar heeft hij nog geen antwoord gekozen (vlg. r15).


Ik hoop dat dit je verder brengt met je verslag over dit gedicht. Veel succes ermee!

Met vriendelijke groet,

Rozemarijn.


•  Kenmerken van poëzie

•  Alle gedichten met een bespreking





Re:    (21 april 2019)


Hey Rozemarijn,

Bedankt voor de moeite, wat een mooi gedicht!

Groetjes, Fay.








Poëziegeschiedenis

Kenmerken poëzie      Analyseren gedichten

Alle gedichten met bespreking






Home           Gastenboek