RozemarijnOnline




Gastenboek van RozemarijnOnline






















Gastenboek literaire website RozemarijnOnline

Vraag en antwoord

home           gastenboek




Onderwerp: Gedicht Kloos
(24 mei 2019)


Beste Rozemarijn,

Ik zit in mijn laatste jaar van het VWO. Nu heb ik 10 gedichten gekregen die ik moet analyseren en ik moet volgende week een verslag inleveren bij mijn docent.

Ik moet alleen nog het allerlaatste gedicht. Het is van Kloos, 'Ik ween om bloemen'.

Kunt u mij alstublieft helpen om het af te krijgen?

Groetjes, Mira.

---


LXI


Ik ween om bloemen in den knop gebroken
En vóór den uchtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde, die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan,

Gij kwaamt, en 'k wist – gij zijt weer heengegaan...
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken:
Ik zat weer roerloos nà dien korten waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:

Zoo als een vogel in den stillen nacht
Op ééns ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,

Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gansch ontsluit,
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.


Willem KLoos
In: Verzen (1894).





Antwoord    (27 mei 2019)


Dag Mira,

Willem Kloos (1859-1938) behoorde tot de stroming van de Tachtigers (dichters rond de jaren 1880). De Tachtigers gaan uit van een expressieve poetica: in het gedicht staat de dichter centraal. Het gedicht draait vaak om een lyrisch ik. Het individu is belangrijk, zijn innerlijke wereld wordt opgeroepen, gevoelens worden in het gedicht geuit. Dit gebeurt vaak ik wollig taalgebruik, omdat gewone woorden te kort schieten om gevoelens weer te geven. De natuur staat symbool voor de gevoelens van het individu.

Kloos heeft een beroemde uitspraak gedaan: een gedicht is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie.


Inhoud. Het gedicht is een liefdesklacht. In het gedicht staat een lyrisch ik centraal, die zijn gevoelens uit over een liefde die niet tot stand is gekomen. Het gedicht begint met een natuurbeeld, dat symbool staat voor de gevoelens van de 'ik'. Net zoals de bloemen in de knop gebroken zijn, en al zijn vergaan vóór ze tot bloei konden komen (r.1-2), is ook de liefde van de 'ik' niet ontbloeid.

De eerste twee strofen (het octaaf) gaan over de 'ik' en zijn onbeantwoorde liefde. Deze geliefde ('gij', r.5) is maar zeer kort aanwezig geweest, ze hebben niet gesproken, hij heeft haar nauwelijks gezien. Daarna vervalt de 'ik' tot smart. De 'ik' uit in dit octaaf uitdrukkelijk zijn gevoelens: hij 'weent' (r.1 en 3) en is ondergedompeld in 'smart' (r.8).

In de laatste twee strofen (het sextet) volgt er dan opnieuw een natuurbeeld, dat de situatie van de 'ik' weerspiegelt. Een vogel ontwaakt diep in de nacht, maar denkt één kort moment dat de dag is aangebroken (omdat de hemel een kort moment 'gloeit'). Echter, voordat hij zijn oogjes helemaal heeft kunnen openen, blijkt het aardedonker te zijn en zijn beginnende gefluit wordt niet meer dan een 'zwakke klacht'.

Het korte moment dat de vogel zijn ogen opent en de hemel eventjes 'gloeit', weerspiegelt het korte moment dat de 'ik' de geliefde heel even zag en niet eens heeft gesproken. Dat het voor de vogel meteen weer donker blijkt te zijn en hij slechts een zwakke klacht uit, weerspiegelt de schaduw en de smart waarin de 'ik' na zijn zeer korte 'waan' komt te verkeren.


Strofen. Het gedicht is een sonnet. Het gaat om een Italiaans sonnet, het bestaat dus uit 4 strofen van twee maal 4 regels (samen een octaaf) en twee maal 3 regels (samen een sextet).

Tussen het octaaf en het sextet zit een wending in het gedicht (het gaat van de situatie van de 'ik' naar het beeld van een vogel). Maar tussen de twee terzetten zit ook een wending, herkenbaar aan het woord 'maar'. In het eerste terzet wordt de korte verwachting van de vogel dat de dag aanbreekt beschreven, in het tweede terzet volgt de teleurstelling dat het nog nacht is (omkering).

Metrum. Het gedicht is geschreven met een jambe als metrum.

Enkele keren is er elisie (samentrekking van onbeklemtoonde lettergrepen) nodig om het jambe vol te houden. Bijv. 'in d' eeuw'ge schaduw' (r.8); en 'het kopj' en fluit' (r.11); en 'vaakrig' oogjes' (r.12); en 'geblaart' een zwakke' (r.14).

Rijm. De eerste twee strofen kennen slechts 2 rijmklanken. In de kwatrijnen is gekruist rijm gebruikt (abab). In het sextet spiegelen de rijmwoorden elkaar.

Het gehele rijmschema wordt dan: abab baba cde edc

Stijlfiguren. Parallellisme: r.1 en 3 kennen een gelijk zinsverloop.

De beschrijving van de gevoelens van de 'ik' (het wenen, de smart) kunnen worden opgevat als een hyperbool (overdrijving), aangezien de 'ik' de geliefde slechts zo'n kort moment zag en niet eens heeft gesproken. Binnen de stroming van de Tachtigers echter, was het beschrijven van gevoelens in grote woorden en wollig taalgebruik juist zeer gebruikelijk, om de heftigheid van de gevoelens te benadrukken.

Beeldspraak: De eerste twee regels bevatten een natuurbeeld dat de situatie van de 'ik' weerspiegelt en bij hem dezelfde gevoelens oproept.

Het sextet is in zijn geheel een vergelijking, een zogeheten 'als-vergelijking' (het begint ook met 'zoals'). Het voorafgaande octaaf, de liefdessmart van de ik-figuur, wordt vergeleken met de 'klacht' van de vogel die even hoopte dat het al dag was.


Veel succes met het afmaken van je verslag, dat moet je zeker op tijd gaan redden.

Met vriendelijke groet,

Rozemarijn.


•  Kenmerken van poëzie

•  Alle gedichten met een bespreking





Re:    (27 mei 2019)


Echt super bedankt!!

Mira.








Poëziegeschiedenis

Kenmerken poëzie      Interpreteren gedichten

Alle gedichten met bespreking






Home           Gastenboek