RozemarijnOnline




Gastenboek van RozemarijnOnline






















Gastenboek literaire website RozemarijnOnline

Vraag en antwoord

home           gastenboek




Onderwerp: Gedicht Ter Balkt
(14 oktober 2019)


Beste mevrouw Van Leeuwen,

Binnenkort moeten wij een presentatie houden over het gedicht 'Proefwerk' van H.H. ter Balkt. Zelf hebben wij het gedicht voor het grootste gedeelte al geanalyseerd, maar we lopen eigenlijk vast bij het metrum en de verteller.

Hoe kun je het best te weten komen of er een metrum aanwezig is en of het een ik-verteller is of een lyrisch-ik? We hebben uw uitleg en tips over het metrum gelezen, maar we komen er echt niet uit. Zou u ons kunnen helpen?

Ook vroegen wij ons af of u toevallig weet uit welke bundel dit gedicht komt en in welk jaar het geschreven is, want wij kunnen dit helaas nergens vinden.

Alvast bedankt!

Met vriendelijke groet,

Isabella en Anne.

---

Proefwerk


Hard staan de vragen op papier.
Rond om mij heen het koud lokaal.
Ik voel me machteloos. Een dier,
gevangen in een dode zaal.

Waar ik ook zoek, het helpt geen zier.
Alle formules aan de haal.
Hoe ik dit vraagstuk ook vertaal,
ik zit er maar. - Een kleine mier,

alleen op stap in een woestijn. -
Een vlieg, die cirkelt over wijn:
een nutteloze hel.

Ik teken strepen op de bank
en wacht slechts op die reddingsklank
van de bekende bel.


H.H. ter Balkt (1938-2015).





Antwoord    (16 oktober 2019)


Dag Isabella en Anne,

Helaas, ik ken het gedicht 'Proefwerk' niet en ik weet dus ook niet in welke periode Ter Balkt (1938-2015) dit schreef. Hij was een dertiger toen hij met publiceren begon (vanaf 1969) en bleef daarna decennia lang vrij veel uitgeven.

Wat het metrum van het gedicht 'Proefwerk' betreft: het gaat erom om de benadrukte lettergrepen vast te stellen. Als je het gedicht hardop leest, dan 'hoor' je het het makkelijkst. Als ik de beklemtoonde lettergrepen onderstreep, krijg je bijv.:

ik voel me machteloos een dier
gevangen in een dode zaal

Je ziet nu eenvoudig dat het steeds gaat om een onbeklemtoonde en dan een beklemtoonde lettergreep (zwak-sterk-zwak-sterk). Dit metrum wordt een jambe genoemd.

Alle regels hebben een gelijke lengte, namelijk vier klemtonen (oftewel vier versvoeten per regel); dit wordt een viervoetige jambe of vier-jambische versregel genoemd. Maar let op: r.11 en 14 wijken hiervan af: deze hebben maar 3 klemtonen (dus: versvoeten) per regel.

Je ziet dat deze vorm samenvalt met het rijmschema, want deze twee regels rijmen op elkaar. Ik geloof er trouwens niets van dat dit gedicht geen witregels kent (zoals het in de mail staat), want aan de lengte en het rijmschema is eenvoudig te zien, dat het een sonnet is.

Het rijmschema is:
abab / abba / ccd / eed.


Het gedicht lijkt een jeugdherinnering te zijn. Er is sprake van een ik-figuur (er is een ik-verteller, oftewel het gedicht wordt verteld vanuit het gezichtspunt van een 'ik', en die ik-figuur is ook daadwerkelijk in het gedicht aanwezig). De 'ik' moet een proefwerk maken. Maar hij voelt zich machteloos, als een gekooid dier (r.3-4). Hij vergelijkt zichzelf later nog twee keer met een dier (een mier, r.8, en een vlieg, r.10).

Het lukt de 'ik' niet om het proefwerk te maken (hij voelt zich machteloos, kan de formules niet toepassen, kan het vraagstuk niet begrijpen, hij zit maar wat, het is een hel, hij tekent maar wat op de bank). Hij wacht tot de bel gaat, aan het einde van het lesuur, die hem zal 'redden' - maar deze redding is natuurlijk slechts schijn, want hij is dan wel verlost van het maken van het proefwerk, maar zal er natuurlijk evengoed een cijfer voor gaan krijgen.

Je ziet dat enkele woorden worden benadrukt door antimetrie, assonantie of alliteratie.

Antimetrie bijv.: hard (r.1) en alle (r.6).
Assonantie: staan-vragen (r.1), vraagstuk-vertaal (r.7), teken-strepen (r.12), bekende-bel (r.14)
Alliteratie: zoek-zier (r.5), vraagstuk-vertaal (r.7), maar-mier (r.8), bekende-bel (r.14).

Een detail is ook, dat de dieren (in elke strofe één) in klank overeenkomen: dier-mier-vlieg. Hij lijkt deze vergelijking hiermee naar voren te willen halen. Het zijn dieren zonder individualiteit of identiteit (vliegen en mieren hebben voor ons geen individualiteit). In deze drie beelden is hij zijn vrijheid kwijt (het lokaal/de zaal houdt hem als dier gevangen, str.1), voelt hij zich totaal verloren of verdwaald (een mier in de woestijn, str.2), en cirkelt hij om een dodelijke val, str.3 (van wijn kun je een dodelijke val maken voor fruitvliegjes: fruitvliegjes komen op wijn af, als je een trechtertje op een vrijwel lege wijnfles zet, vliegen ze de fles in, vinden de weg eruit niet meer en gaan dood in de fles).


Het gedicht doet mij denken aan een bekend fenomeen: de eindexamen-nachtmerrie. Veel mensen hebben als volwassene nog altijd nachtmerries over hun eindexamen of proefwerken van hun middelbare school. Ze dromen dan dat ze een proefwerk moeten maken en weten dan ineens he-le-maal niets meer. De 'bekende bel' in de slotregel zou dan de wekker zijn, die de 'ik' uit de nachtmerrie redt.

Het is in ieder geval zeker dat Ter Balkt enkel als volwassene (dertiger of ouder) gedichten publiceerde, niet al als tiener. Een jeugdherinnering zou je ook in de verleden tijd op kunnen schrijven, maar dit gedicht staat in de tegenwoordige tijd - en daarmee zou het dus ook een voorval uit het heden kunnen zijn (een nachtmerrie). Ook dat de 'ik' zichzelf zo nadrukkelijk als dieren presenteert die zich in penibele situaties bevinden (gevangen in een dode zaal, helemaal alleen in een woestijn, bijna gevangen in een dodelijke val) lijkt het onmachtige en beangstigende van een nachtmerrie op te roepen (nachtmerrie-achtige beelden).

Veel succes met jullie presentatie, met vriendelijke groet,

Rozemarijn.


•  Kenmerken van poëzie

•  Alle gedichten met een bespreking








Poëziegeschiedenis

Kenmerken poëzie      Analyseren gedichten

Alle gedichten met bespreking






Home           Gastenboek