RozemarijnOnline




Gastenboek van RozemarijnOnline






















Gastenboek literaire website RozemarijnOnline

Vraag en antwoord

home           gastenboek




Onderwerp: Betekenis 'De schaduw'
(15 oktober 2020)


Beste Rozemarijn,

Ik kom niet uit het metrum bij het gedicht 'De schaduw' van J.C. Bloem.

Ook heb ik moeite met de interpretatie van het gedicht en dan met name met de volgende zinnen:

- Waar alles uitedeint wat zich ginter richt
- Dan dwalen we in gepeins langs stille kaden, waar de avonddamp de steenen van beslaat
- Die murmelen als een geheim dat riep
- weifle schijn
- De harten raken vlot en drijven mee
- Van leven, dat naar zijnen oorsprong trekt.

Zou U kunnen helpen? Alvast bedankt!

Gijs.

---

De schaduw


Geenzijds der dagen en hun bonten luister,
Wier volheid wentelt in het open licht,
Is een gebied van schaduwen en duister,
Waar alles uitdeint wat zich ginder richt.

En tusschen beide gaat ons korte leven:
De dagen dwingen ons in 't luid vertier,
Maar wat den schemer boodschapt ons een beven
In 't hart: de schaduw valt, uw rijk is hier.

Dan dwalen we in gepeins langs stille kaden,
Waar de avonddamp de steenen van beslaat,
Met de belofte van een droom beladen,
Die als een dauw ons langs de slapen gaat.

Wij zien alom de schemer dichter worden,
- Hij groeit en rijpt en ruischt, een donkere oogst -
De huizen en de boomen zich omgorden
Met duister, dat hun deerlijke armoe troost.

Het zwarte water deint in zwakke rimpels,
Die murmelen als een geheim dat riep,
En de lantarens ontplooien hun wimpels
Van weerschijn in het kabbelende diep.

En langs der weinge wandelaars gelaten
Speelt schaduw, slagschaduw en weifle schijn,
Zoo teeder, dat zij, rein van alle haten,
Als van beminden en vertrouwden zijn.

Er spoelt een golf van deernis over de aarde,
De harten raken vlot en drijven mee,
En deinen, nu de storm des daags bedaarde,
Op nacht en stilte, een eindelooze zee.

En tot de dageraad langs bleeke wegen
Den hemel wint en de geruchten wekt,
Is er verteedering en warm bewegen
Van leven, dat naar zijnen oorsprong trekt.


J.C. Bloem
In: Het verlangen (1921)





Antwoord    (18 oktober 2020)


Dag Gijs,

Ja, ik begrijp dat je dit gedicht moeilijk te doorgronden vindt. Ik vind het ook lastig precies te begrijpen wat Jacques Bloem hier wil uitdrukken.

Zoals je in de dbnl kunt zien, is dit gedicht verschenen in Bloems allereerste bundel (Het verlangen, 1921). Ik zou het misschien beschouwen als een beetje een 'beginners'-gedicht, waarin hij nog wat omslachtig en wollig formuleert, nog niet zo helder zijn thematiek overbrengt als in latere gedichten.

Het gedicht beschrijft de dag (r.1-2) en de duisternis (r.3-4), die tegenover elkaar worden gezet.

Ik zou die duisternis ('schaduwen', 'schemer', 'duister', r.3,7,8) opvatten als de nacht (dag versus nacht). Het gedicht beschrijft dan, hoe de schemering invalt, het nacht wordt, en (in de laatste strofe) de dageraad weer aanbreekt.

Ik besef dat je die duisternis ook zou kunnen interpreteren als de dood, en de dagen als het leven (leven versus dood). Maar dan zou ik niet weten hoe je de slotstrofen zou moeten uitleggen.

De titel voegt niet echt iets toe en biedt dus helaas ook geen houvast bij de interpretatie.



Opbouw gedicht 'De schaduw'

De opbouw van het gedicht, de grote lijn, kan enigszins houvast bieden bij het lezen. Het gedicht begint met het tegenover elkaar stellen van dag en duister ; beschrijft dan de avond en de nacht ; en in de laatste strofe breekt de dageraad weer aan.

- str. 1+2: een bespiegeling over de dag / het licht enerzijds en het donker / de schaduw anderzijds;

- str. 3 e.v.: een beschrijving van een wandeling door de avond en de nacht (mogelijk symbolisch op te vatten);

- str. 8 (slotstrofe): de dageraad breekt aan.



Inhoud

Aan het begin van het gedicht geeft Bloem dus een beschrijving van de dag (r1-2) en de duisternis (r3-4) - wat je zou kunnen opvatten als de nacht. Die stelt hij (in str. 1) tegenover elkaar (met dat rare beginwoord 'geenzijds': aan gene zijde, aan de andere kant): aan de andere kant van de dag (die wentelt in het licht) staat het duister, een gebied van 'schaduwen' (de nacht?).

'Uitdeinen' zou ik letterlijk nemen: iets dat deint (golft) en dat afloopt, afneemt, ten einde komt - uitgedeint raakt (zie het deinende water in str. 5).

Str. 2: dus met 'duister' opgevat als de nacht: tussen dag en nacht beweegt ons leven zich. De dag brengt vertier. Maar de nacht brengt een 'beven' in ons hart. De schemer, het duister, krijgt hier dus een negatieve, wat angstige lading mee.

Na het tegenover elkaar stellen van dag en nacht (in str. 1 en 2), beschrijft Bloem dan vanaf str. 3 een avondwandeling. Als de schemer is ingevallen, de schaduw is gevallen, dan 'dwalen we' langs 'stille kaden'. De stenen van de kade zijn beslagen met damp.

Deze 'wandelaars' die 'ronddwalen' zouden ook een beeld kunnen zijn voor het gaan slapen. Ik kom daarop door het woord 'droom' (str. 3): bij het 'dwalen langs de kaden' hoort de 'belofte van de droom'. Het 'zwarte water', de 'eindeloze zee', voorbij de kaden, zouden dan verwijzen naar de slaap.

Hoe dan ook: tijdens de wandeling zien de wandelaars hoe de schemer dichter wordt (str. 4) en hoe de 'huizen' en de 'bomen' omhuld raken ('zich omgorden') door duisternis.

Het 'zwarte water' (in str. 5) is natuurlijk het water dat hoort bij de 'kaden' (str. 3). Het licht van de lantarens schijnt op de rimpels in het water.

En rondom de weinige wandelaars die op de late uur nog buiten zijn (str. 6) (of: wakker zijn), is er 'schaduw', 'slagschaduw' en 'weifle schijn' (een aarzelend schijnsel - van de lantarens uit str. 5, neem ik aan). De schaduw en het weifele schijnsel worden beschreven als 'teder', zonder haat, vertrouwd. Dit is opmerkelijk: want hier krijgen schaduw en schijnsel een positieve lading mee (anders dan in str. 2).

Dit zet Bloem door in str. 7: er spoelt 'deernis' over de aarde. Nu de dag is bedaard, is de nacht stil, als een eindeloze zee. Dat de 'harten' daarop 'meedrijven', lijkt me haast een beeld te zijn voor het in slaap vallen, en slapen (deinen op een eindeloze zee). Het zou dan de slaap zijn die positief wordt beschreven. Maar het kunnen ook de harten van de wandelaars zijn, hun gevoel, die meegaat met de stilte en de eindeloosheid van de nacht.

In str. 8 breekt dan de 'dageraad' weer aan. De hemel wordt weer licht, het wordt weer rumoerig. De 'vertedering' die is opgeroepen in de nacht ('teder' str. 6, 'deernis' str. 7) blijft aanwezig tot de dag aanbreekt.
Het lijkt me, dat dus de nacht zelf angst oproept (str. 2), maar dat de slaap positief wordt beschreven (een golf van deernis, deinen op een eindeloze zee).

Die betekenis van die laatste zin is niet zo heel duidelijk, 'dat naar zijnen oorsprong trekt'. Maar in het licht van het hele gedicht met als lijn "de dag - de nacht - het aanbreken van de dageraad", dan zou ik in die 'oorsprong' de "geboorte" van de dag lezen, de terugkeer van het licht, het licht als beginpunt van het leven.

Dus dan zou die laatste strofe zeggen: tot de dageraad aanbreekt, is er, dankzij de slaap, een gevoel van vertedering / tederheid / deernis, en ook een 'warm bewegen van leven' op weg naar zijn oorsprong (op weg naar een nieuwe dag, op weg naar het licht).

Zo kun je het hele gedicht lezen: als een beschrijving van de dag, een wandeling door de nacht (het in slaap vallen tijdens de nacht), en het weer op weg zijn naar het aanbreken van de dag, het licht.


Je zou natuurlijk ook de duisternis kunnen opvatten als symbool voor de dood. Maar met deze interpretatie krijg ik niet alle beelden in het gedicht 'rond'. Waarom in de schaduw dan ineens 'teder' (6) en is er die 'deernis' (7); wat is dan de 'dageraad' en de 'vertedering' (8)?

Het leven 'dat naar zijne oorsprong trekt' kan bij Bloem moeilijk verwijzen naar iets religieus - hij was immers totaal niet religieus, maar een overtuigde atheïst (voor hem betekent de dood 'voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij'). Maar in feite maakt Bloem in dit gedicht niet helder duidelijk wat hij bedoelt met 'schemer', 'schaduw' en 'duister' (ook niet in de titel) - een heel andere interpretatie dan bovenstaande is dus heel goed mogelijk.



Metrum

Als je een gedicht van J.C. Bloem onder ogen krijgt, kun je verwachten dat hij gebruik maakt van formele kenmerken (rijmschema, metrum). Zijn meeste gedichten zijn zeer zorgvuldig vormgegeven.

Ook dit gedicht kent een vast metrum (oftewel: een regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen). De vaste afwisseling is hier: onbeklemtoond - beklemtoond (dus: zwak-sterk-zwak-sterk-zwak-sterk). Dit metrum heet een jambe.

Als ik de beklemtoonde lettergrepen onderstreep, wordt dat bijvoorbeeld:
Waar alles uitdeint wat zich ginder richt

Ook hebben alle zinnen een gelijke lengte, namelijk: vijf beklemtoonde lettergrepen (oftewel: vijf versvoeten). Dit wordt een vijfvoetige jambe (of een vijf-jambische versregel) genoemd.

Wel moet je geregeld twee lettergrepen 'samentrekken' om het metrum kloppend te houden. Dit wordt elisie genoemd. Voorbeelden hiervan zijn:
Dan dwal'n we in.. / waar d' avonddamp.. / dat hun deerlijk' armoe.. / op nacht en stilt' een..

Ook het rijmschema is zeer regelmatig: een gekruist rijm (abab) in elke strofe.



Ik hoop dat je zo weer een beetje verder komt. Veel succes met je bespreking van dit gedicht.

met vriendelijke groet,

Rozemarijn.


•  Kenmerken van poëzie

•  Alle gedichten met een bespreking





Antwoord    (19 oktober 2020)


Beste Rozemarijn,

Heel erg bedankt voor de hulp! Het metrum en het rijm heb ik door! Inhoudelijk is het een lastig gedicht.

Dus echt bedankt voor de hulp!

Gijs.








Poëziegeschiedenis

Kenmerken poëzie      Analyseren gedichten

Alle gedichten met bespreking






Home           Gastenboek