RozemarijnOnline




Versanalyse en interpretatie
-
gedicht analyseren






















Versanalyse en interpretatie
analyse gedicht


Gerrit Achterberg - Ichthyologie
In: Cenotaaf, 1953



 >





gedicht analyse voordracht afspelen    Afspelen op YouTube - Kanaal van RozemarijnOnline






 1.
 2.
 3.
 4.

 5.
 6.
 7.
 8.

 9.
10.
11.

12.
13.
14.
Ichthyologie


Er is in zee een coelacant gevonden,
de missing link tussen twee vissen in.
De vinder weende van verwondering.
Onder zijn ogen lag voor ’t eerst verbonden

de eeuwen onderbroken schakeling.
En allen die om deze vis heenstonden
voelden zich op dat ogenblik verslonden
door de miljoenen jaren achter hen.

Rangorde tussen mens en hagedis
en van de hagedis diep in de stof,
verder dan onze instrumenten reiken.

Bij dit besef mogen wij doen alsof
de reeks naar boven toe hetzelfde is
en kunnen zo bij God op tafel kijken.


Gerrit Achterberg
In: Cenotaaf, 1953.


∗       ∗       ∗



Uitgebreide analyse en interpretatie

Een goede dichter geeft bij een inhoudelijk moeilijk gedicht altijd een sleutel tot interpretatie. Dit gedicht is daar een beroemd voorbeeld van.


   Achtergrond
   De vondst van de coelacant
   Inhoud gedicht 'Ichthyologie'
   Formele kenmerken (rijm, metrum)
   Sleutel tot interpretatie
   Interpretatie van het gedicht



Achtergrond


Gerrit Achterberg (1905-1962) schreef tussen 1925 en 1969 ruim 25 dichtbundels. Een veel terugkerend thema is het pogen om een afwezige of gestorven geliefde weer op te roepen; maar hij schreef ook over taal, natuurwetenschap en religieuze onderwerpen. Hij kreeg voor zijn oeuvre onder meer de P.C. Hooft-prijs en de Constantijn Huygens-prijs.

Hij leed ondertussen echter aan ernstige psychiatrische problemen en zat jarenlang in een tbs-instelling (1937-1943). Na zijn huwelijk (1946) ging hij in het oosten van het land wonen en kwam hij in rustiger vaarwater terecht.

Achterbergs gedicht 'Ichthyologie' is verschenen in de bundel Cenotaaf in 1953. Het staat in de traditie van de zogenaamde Criterium-poëzie van die tijd.

Dichters die in het tijdschrift Criterium publiceerden gingen vaak uit van wat wel het romantisch-realisme werd genoemd (denk aan Hoornik, Vasalis; ook Achterberg heeft hierin gepubliceerd): beschrijvende, anekdotische poëzie (vaak met een vaste vorm), waarbij uit werd gegaan van gewone dagelijkse dingen, een voorval of bijvoorbeeld een krantenberichtje.

Dit laatste is ook het geval bij het gedicht 'Ichthyologie'. Het is gebaseerd op een berichtje in de krant (in 1952), over de vangst van een coelacant, een oervis.



De vondst van de coelacant


In 1938 werd er bij Zuid-Afrika een onbekende vis gevangen. Professor Smith stelde vast dat het een coelacant moest zijn. Dit leidde wereldwijd tot grote wetenschappelijke opwinding, want de coelacant is een oervis: een vis waarvan men dacht dat die al miljoenen jaren geleden was uitgestorven.

Het dier leefde zo'n 300 miljoen jaar geleden (uit die periode waren er fossielen bekend). Maar vanaf het verdwijnen van de dinosauriërs, zo'n 65 miljoen jaar geleden, was het nooit meer aangetroffen. Zo'n oude soort die ineens nog blijkt te bestaan, wordt een 'levend fossiel' genoemd.

Pas in december 1952 werd er, na een jarenlange zoektocht, in de Indische Oceaan een tweede exemplaar gevangen. Professor Smith kon het dier nu beter onderzoeken en schreef later: "Ik knielde op het dek neer om de coelacanth te bekijken en schaam me niet om te zeggen dat ik, na al die moeite en spanningen, weende. Het was werkelijk waar... het was een coelacanth!" (Smith, 1956).

Het woord 'coelacant' gaat terug op het Griekse: koilos akantha, wat 'holle ruggengraat' betekent. Deze coelacanten vallen onder de kwastvinnigen: een vis met pootachtige vinnen. Hij is daardoor verwant aan de reptiel-achtigen. Lange tijd vermoedde men dat coelacanten verre voorouders zouden kunnen zijn van gewervelde viervoeters op land. Uit dna-onderzoek kon later echter worden vastgesteld, dat de (aan coelacanten verwante) longvissen oude voorlopers van viervoeters zijn.


(Zet het gedicht (met regelnummers) in een tweede scherm open, of houd het afgedrukt bij de hand, om onderstaande analyse makkelijk te kunnen volgen).



Inhoud gedicht 'Ichthyologie'


In het gedicht 'Ichthyologie' beschrijft Achterberg het moment dat er een coelacant wordt gevonden en de gevoelens, het besef en de flits van openbaring die dat oproept. Het gedicht is gepubliceerd in 1953 en verwijst duidelijk naar de vangst in 1952.

De eerste zin is een heel gewone mededeling: 'Er is in zee een coelacant gevonden' (r.1). Achterberg zou het zinnetje letterlijk uit het krantenbericht uit 1952 overgenomen kunnen hebben. Zo'n heel gewone, dagelijkse zin is kenmerkend voor Criterium-gedichten.

De term 'missing link' ('ontbrekende schakel', r.2) is afkomstig uit de evolutietheorie (de theorie van Darwin). Men dacht dat deze vissensoort al lang was uitgestorven, dat dit een ontbrekende schakel was in de ontwikkelingslijn van de soorten, een ontbrekende stap 'tussen twee vissen in' (r.2).

Er volgt een beschrijving van de verwondering en ontroering die de vondst oproept (r.3). Het woord 'weende' verwijst terug naar een werkelijk gebeurd voorval (Smith huilde inderdaad op het dek van de boot), dus wellicht heeft Achterberg dit ook in het krantenbericht gelezen. Zowel r.1 als 3 beschrijven dus een recente, ware gebeurtenis. Het woord 'vinder' (niet: 'visser') geeft duidelijk aan dat het een vondst is, en geen toevallige vangst: er was lang naar de vis gezocht en hij is nu daadwerkelijk gevonden.

Tussen de eerste en de tweede strofe doet Achterberg iets opmerkelijks (r.4-5): de zin loopt door over de witregel heen (een enjambement over een strofe-scheiding). Dat levert een spanning op tussen enerzijds een breuk, een onderbreking (in de vorm), en tegelijkertijd verbondenheid (in de inhoud). Door deze witregel terwijl de zin inhoudelijk doorloopt, ondersteunt de vorm de inhoud: deze zin gaat immers om een onderbroken reeks, die toch verbonden blijkt te zijn.

Naast ontroering en verwondering roept de vondst nog een ander gevoel op, namelijk perspectief, een enorm vergezicht (r.6-8). De getuigen van de vondst voelen zich plotseling verbonden met de miljoenen jaren achter hen, met de evolutie, voelen zich onderdeel van die evolutie. Hier gaat het gedicht het anekdotische van de Criterium-poëzie voorbij.


Het octaaf (r.1-8) bevat voornamelijk een beschrijving van de vondst, maar in het sextet (r.9-14) gaat Achterberg over op een beschouwing over die evolutielijn. De dichter lijkt zich te hernemen, wendt zich af van het tafereeltje van de gevonden coelacant en gaat meer in zijn algemeenheid over op een wij-vorm (r.12). Op deze plek bevindt zich traditioneel een wending in een sonnet.

Wat zegt deze korte beschouwing dan? In het eerste terzet wordt de evolutielijn terug naar het verleden gevolgd: van de mens terug naar de hagedis, naar de vis, en verder tot diep in de stof (eencelligen, moleculen), zelfs verder dan onze wetenschappelijk instrumenten nog kunnen waarnemen. De lijn gaat uiteindelijk terug tot de kern of het beginpunt van het leven.

Dan volgt in het tweede terzet, dat een soort flits van openbaring lijkt uit te drukken: 'Bij dit besef mogen wij doen alsof / de reeks naar boven toe hetzelfde is / en kunnen zo bij God op tafel kijken'. Deze zin roept een heel aantal vragen op. Waarom kunnen we bij God op tafel kijken? Wat is de reeks naar boven? In hoeverre is de reeks 'hetzelfde'? Wat is 'dit besef' in r.12?

Als je dit gedicht eenvoudig op anekdotisch niveau leest, is het moeilijk om van deze slotstrofe de betekenis te duiden. Dus hoewel het gedicht nadrukkelijk anekdotisch begint, bij een krantenartikeltje, een waar gebeurd voorval, tilt Achterberg het al in de tweede strofe op naar een gevoel dat de omstanders boven het moment uitstijgen, gaat hij in de derde stofe over naar een beschouwing, die in de vierde strofe een inzicht, een openbaring wordt, die niet meer goed te duiden is.

Een goede dichter geeft bij een inhoudelijk moeilijk gedicht echter altijd een sleutel tot interpretatie. Dit gedicht is daar een beroemd voorbeeld van. We zullen het gedicht daarom nog wat nader onder de loep nemen.



Formele kenmerken (rijm, metrum)


Eerst de vorm, de formele kenmerken als metrum en rijm.

Het gedicht is een sonnet. Het gaat om een Italiaans sonnet van eerst twee kwatrijnen (samen het octaaf) en dan twee terzetten (samen het sextet). Tussen het octaaf en het sextet zit gewoonlijk een wending in het gedicht (de volta of chute). Dat zien we ook in dit gedicht: het octaaf gaat over de vondst en de gevoelens die dat oproept; het sextet bevat een beschouwing over de evolutielijn.

Achterberg heeft een vast rijmschema aangehouden. In de kwatrijnen gaat het om omarmd rijm (abba). Het rijmschema van 'Ichthyologie' wordt dan:
abba / baab / cde / dce.

Bij de rijmklank -ing (de letter b) smokkelt Achterberg echter een beetje: alleen verwondering-schakeling rijmen volledig (volrijm). De rijmklank -in (r.2) is enkel assonerend rijm, en het woord 'hen' rijmt formeel niet (al moet ik Achterberg nageven, dat ook in mijn oren 'in' en 'hen' wat klank betreft toch dicht bij elkaar liggen). Mij stoorde 'hen' als rijmklank bij het lezen niet, en ik heb het niet ervaren als een duidelijk weesrijm (een niet-rijmend woord). Hoewel het dat formeel wel is, laat ik het in mijn rijmschema toch bij de letter b staan. Met de variatie bij de b-klank wordt dat dan:
ab'ba / baab'' / cde / dce.

Een aantal maal komt er ook assonantie (klinkerrijm) en alliteratie (beginrijm) in het gedicht voor.

Voorbeelden van assonantie:
missing-link-vissen-in-vinder (r.2-3); verwondering-onder-verbonden (r.3-4); en hoewel op afstand: zee-weende-eeuwen (r.1-3-5).

Voorbeelden van alliteratrie:
vissen-vinder-van-verwondering (r.3); weende-(ver)wondering (r.3); vis-voelden-verslonden (r.6-7).

Opmerkelijk hierbij is natuurlijk de zeer dichte klankrijkheid rond het woord 'vissen' in r.2 en 'vis' in r.6.

In de eerste strofe assoneert 'vis' met 'missing', 'link', 'in' en 'vinder', en vormt precies het middelpunt van die klankreeks. Tegelijk zet het woord de alliteratie in van: 'vinder', 'van' en 'verwondering'. Sterker kan een dichter, wat klank betreft, een woord haast niet naar voren halen. Het woord 'coelacant', waarvan je misschien zou denken dat dat het hoofdonderwerp van dit gedicht is, verdwijnt volledig naar de achtergrond: 'vis' wordt in de volle aandacht geplaatst.

Iets soortgelijks gebeurt in de tweede strofe. Het woord 'vis' (r.6) allitereert hier met 'voelden' en 'verslonden'. Zoals de vis in de eerste strofe door klank werd verbonden aan het gevoel van 'verwondering', wordt het hier opnieuw aan een gevoel verbonden: zich 'verslonden' 'voelen' door miljoenen jaren aan evolutie. Het is duidelijk dat we deze vis in het oog moeten houden - en ik zal er later bij de interpretatie op terugkomen.

Ook zie je dat er in de tweede helft van het sonnet, als Achterberg overgaat op een beschouwing (een inhoudelijke eenheid die minder emoties hoeft op te roepen, die minder poëtisch hoeft te zijn), nauwelijks meer klankherhalingen voorkomen. Dat suggereert dat Achterberg er in de eerste helft van het gedicht bewust aandacht aan heeft besteed.


Achterberg heeft het hele sonnet een jambe aangehouden als metrum (dus steeds een onbeklemtoonde en dan een beklemtoonde lettergreep). Bijvoorbeeld:
de vinder weende van verwondering.

Alle regels hebben een gelijke lengte van vijf beklemtoonde lettergrepen (oftewel vijf versvoeten). Dit wordt een vijf-jambische versregel (of vijfvoetige jambe) genoemd.

Wel komt er een aantal keer antimetrie voor (een beklemtoonde lettergreep valt op een onbeklemtoonde plek). Dit geeft extra nadruk aan dat woord. Bijvoorbeeld:
tussen (r.2), voelden (r.7), rangorde (r.9), verder (r.11).

Dus bijvoorbeeld doordat bij 'verder' (r.11) de eerste lettergreep op een onbeklemtoonde plek valt, lees je het woord onwillekeurig met meer nadruk. Dat ondersteunt de inhoud, want Achterberg bedoelt ook met grote nadruk dat de evolutielijn nog vele, vele malen verder teruggaat dan de hagedis, dan de cellen diep in de stof, verder dan wij kunnen waarnemen.

Zo ondersteunt de vorm meerdere keren de inhoud in dit gedicht. Zowel met klank, met antimetrie, en met het enjambement dat over de witregel heenloopt, zoals we al eerder zagen. We zien hier een vakkundige dichter aan het werk, die bewust formele kenmerken inzet om zijn inhoud te ondersteunen en te verrijken.

Maar juist bij zo'n getalenteerde dichter als Achterberg, zou het daarom verbazing wekken, als hij het gedicht afsluit met een redenering die niet goed te volgen is. Wat bedoelt hij met de laatste regels van het gedicht? We gaan daarvoor naar de sleutel kijken, die Achterberg zijn lezers zelf geeft.



Sleutel tot interpretatie


Dit sonnet van Achterberg geeft in de eerste drie strofen geen problemen tot interpretatie. Er is een coelacant gevonden, een vis waarvan men dacht dat hij was uitgestorven. Dit roept ontroering op bij de visser en de omstanders. Het vinden van een missing link, roept daarnaast het besef op van de evolutielijn ('rangorde') die van de mens via hagedis en vis uiteindelijk terugvoert tot diep in de stof.

Het laatste terzet roept dan echter vragen op. Waarom mogen wij doen alsof 'de reeks' naar boven toe hetzelfde is? Wat is die reeks eigenlijk? Zit daar ook een missing link in? Wat heeft de coelacant daarmee te maken? Wat is 'dit besef'? Waarom kunnen wij 'bij God op tafel kijken'?


Een goede dichter geeft, in het geval van een ingewikkeld gedicht, altijd een sleutel tot interpretatie. Een gedicht moet voldoende gegevens bevatten voor de lezer om de betekenis te kunnen achterhalen. Ook in dit geval geeft Achterberg ons binnen dit gedicht aanwijzingen om alle bovengenoemde vragen te beantwoorden.

We hebben al naar enkele lastige begrippen gekeken en die, met woordenboek of encyclopedie, verklaard, zoals: 'coelacant' en 'missing link'. Maar aan één ingewikkeld begrip hebben we nog geen aandacht besteed: 'Ichthyologie', uit de titel. En in dit geval is het juist de titel die de oplossing aanreikt.

'Ichthyologie' betekent: vissenkunde, viswetenschap. Het Griekse woord ichtus betekent letterlijk 'vis'. Dit verwijst natuurlijk naar de coelacant. Maar deze betekenis van het woord helpt ons echter niet verder bij de interpretatie van de slotregels.

Maar Ichtus heeft nog een tweede betekenis, leert de encyclopedie ons. Het woord verwijst ook naar Christus. De beginletters van het woord 'ichtus' vormen namelijk een zinnetje in het Grieks: Iesous Xristous Theos (H)Uios Soter (Jezus Christus Gods Zoon Redder). Hierdoor werd de vis, ichtus, al vanaf het vroege christendom een symbool voor Christus. De vroege christenen gebruikten de afbeelding van een vis om aan te geven dat ze aanhangers van het christendom waren (bijv. op grafstenen).

De term 'Ichthyologie' kun je dus ook uitleggen als: kennis over Christus, Christus-kunde, Christus-wetenschap.

Dus er staat niet alleen 'Vissenkunde' boven het gedicht, maar ook: 'Christus-kunde'. En dan krijgt het gedicht natuurlijk ineens een religieuze lading. De boodschap van Achterberg aan de opmerkzame lezer is dan natuurlijk dat dit gedicht ook als een religieus gedicht te lezen is. Overigens was ook het woord 'God' in de slotregel al een aanwijzing dat er een religieuze laag in dit gedicht zou kunnen zitten.

In de titel geeft Achterberg de lezer een sleutel tot interpretatie - en we zien hier hoe belangrijk het is, om woorden die je niet kent, altijd even op te zoeken en alle mogelijke betekenissen te overwegen. Met die betekenis van de titel in ons achterhoofd, gaan we het gedicht dan opnieuw lezen.



Interpretatie van het gedicht


In de bespiegeling in het sextet gaat Achterberg in het eerste terzet terug de tijd in: van mens naar hagedis naar de kleinste cel in de stof. Een lijn naar het kleinste, een lijn naar beneden.

In het laatste terzet spiegelt Achterberg deze lijn: hij benoemt nu een 'reeks naar boven' (r.13). En zoals de coelacant (de vis, de ichtus) een schakel is in de lijn naar beneden, zo is Christus (Ichtus) óók een schakel. Maar dan in de lijn naar boven: een schakel tussen mens en God.

Deze lijnen zijn in feite overeenkomstig ('hetzelfde', r.13): ze leiden volgens Achterberg tot hetzelfde. Dus als de tweede lijn uitkomt bij God, zal in deze redenering bij de eerste lijn God ook betrokken zijn. Die lijn leidt tot diep in de stof, het begin van leven - of, nu met een religieuze lading gelezen, het begin van de schepping, en dus uiteindelijk ook naar God. En zo komen beide reeksen volgens Achterberg op hetzelfde neer: ze leiden allebei naar God.

Door het besef (r.12) wat de vondst van de vis als missing link oproept (dat wordt omschreven in r.7-8), kunnen we ons een voorstelling maken van de betekenis van Christus als schakel in de reeks die vanaf de mens verder 'naar boven' doorloopt. Het geeft ons 'Ichthyologie' in de tweede betekenis van het woord: kennis over Christus, Christus weten-schap.

Het gedicht suggereert dat Christus niet alleen als schakel wordt voorgesteld, maar ook een 'missing link' is. Mogelijk omdat Christus nou eenmaal niet voor ons aanwezig is, zoals ook de coelacant miljoenen jaren niet werd gezien. Dan zou de gebeurtenis van de coelacant, die eeuwen afwezig was, maar ineens toch bleek te leven, een 'besef' oproepen dat ook Christus, die al eeuwen afwezig is, wellicht toch een levende schakel is.

Het gedicht legt wat 'missing link' betreft de nadruk bovendien sterk op dat woord 'vis'. Deze vis leek dood te zijn, maar bleek toch nog in leven. En wat Christus betreft ligt de nadruk ook sterk op de vis als diens symbool (ichtus). Dus: Christus is als deze vis. En Christus, zo gaat het bijbelverhaal, leek na zijn kruisiging dood te zijn, maar bleek drie dagen later toch in leven (de zogenaamde 'wederopstanding').

Het is opmerkelijk, dat Achterberg in dit gedicht de evolutieleer verbindt aan de christelijke scheppingsleer. Deze worden immers normaal gesproken als tegenpolen gezien, tegenstellingen, leren die elkaar uitsluiten. Hij speelt als het ware met evolutie versus schepping, met God als beginpunt van het leven versus God als eindpunt van het leven. Door de evolutietheorie (die doorgaans begint bij eencellig leven en eindigt bij levenbarende zoogdieren, primaten, de homo sapiens) door te trekken naar Christus en God, laat hij de evolutieleer samenvallen met de religieuze scheppingsleer (paradox).

Toch maakt Achterberg wel verschil: in r.12 staat 'mogen wij doen alsof', waarmee hij een onzekerheid aangeeft bij het doortrekken van de tweede lijn naar boven. Het is uiteindelijk alleen ons voorstellingsvermogen, of ons geloof, dat die lijn doortrekt.

Tot slot de slotzin (r.14): het 'op tafel kijken' wekt de suggestie van inzicht in het goddelijke plan (het roept een beeld op van een tekentafel). Het gaat hier om de rangorde, de (goddelijke) orde, die de mens bewust laat worden van zijn plaats in een geheel, die de mens inzicht geeft in een goddelijk plan, die de mens misschien een glimp van God laat opvangen.

Overigens is deze zin gebaseerd op een uitdrukking uit de jaren ’50. Als iemand heel lang was, zei men: die kan bij Onze Lieve Heer op tafel kijken. Zo'n haast banale uitdrukking uit de spreektaal in poëzie met een religieus thema is kenmerkend voor de poëzie van Achterberg. Hij wil het verhevene zo concreet mogelijk, op het triviale af, formuleren. Enerzijds als teken voor vertrouwdheid met het heilige; anderzijds uit de behoefte om het religieus-historische te actualiseren (denk aan 'Reiziger doet Golgotha'). Voor de lezer werkt dit (doorbreking van verwachtingspatroon) als een ontregeling van het leesautomatisme. Het kan ook (net als het woord 'alsof') als relativerend worden ervaren (hij meent het niet helemaal serieus).


Achterberg groeide op in een streng protestants-christelijk gezin, waar veel uit de Bijbel werd gelezen. Hij verwijst daardoor in zijn gedichten met een luchtig gemak geregeld naar bijbelse beelden en teksten (vaak op een speelse, kinderlijke, heel concrete of zelfs platte manier). Hij wordt wel genoemd: een 'gelovige die twijfelt en probeert die twijfel in de taal te niet te doen' (Achterbergkroniek 21, 1992).

In taal kan religie bestaan en worden opgeroepen, taal kan handelen, het belang van taal wordt door de Bijbel gesteund en verkrijgt een religieuze dimensie (naar het bijbelvers: 'In den beginne was het Woord', Joh. 1:1 en 'En het Woord is vlees geworden', Joh. 1:14). Alles, zowel het leven als religie, begint bij een woord, bij taal.

En dat zien we ook in dit gedicht: het is het woord 'Ichthyologie' dat, met zijn dubbele betekenis, zowel vissenkunde als Christus-kunde oproept, dat de vondst van de coelacant kan verbinden met Christus als schakel in de evolutie.



Slotsom


Hoewel het anekdotische begin, de verwijzing naar een krantenartikel, en de vormvastheid van het gedicht in eerste instantie sterk lijken te verwijzen naar Criterium-poezie, tilt Achterberg het gedicht in de tweede helft daar bovenuit.

Hij geeft het gedicht een religieuze lading, zonder daar al te veel de nadruk op te leggen, en vermijdt al te zware taal in de laatste strofe. In de titel geeft hij een verwijzing naar Christus. Het is dan aan de lezer de puzzel op te lossen, de symbolische lading van de coelacant af te wegen en de reeks naar boven toe in te vullen.

Evolutie en creationisme vallen samen - maar alleen in taal, in geloof, in 'doen alsof', binnen de talige werkelijkheid van dit gedicht.



∗       ∗       ∗



Bespreking gedicht: Rozemarijn van Leeuwen (juli 2006, mei 2019)   © zie hieronder.
Gedicht: Gerrit Achterberg, Ichthyologie. In: Cenotaaf, 1953.

Voordracht: Rozemarijn van Leeuwen (april 2011).
Foto's: M. Courtenay 1938, J. Smith 1952, wetenschappers en journalisten 1952.

Speel voordracht af op: YouTube - RozemarijnOnline - Achterberg.
Overzicht alle besprekingen gedichten: Lijst gedichten met bespreking.




© copyright 2006. Het is alleen toegestaan om gegevens van deze pagina over te nemen met gebruikmaking van de volgende verwijzing:
Rozemarijn van Leeuwen, Versanalyse en interpretatie. Gerrit Achterberg, Ichthyologie (2006). Bron: https://www.rozemarijnonline.net/poezie_gedichten.html.





Lees meer:

poëziegeschiedenis

kenmerken van poëzie        analyseren en interpreteren

alle gedichten met een bespreking




 >